I.

Quaerts bewoonde op het Plein, boven een kleêrmaker, twee kamers, klein

en allerbanaalst van gemeubel. Hij had veel beter kunnen wonen, maar

comfort kon hem niet schelen: hij dacht daar nooit voor zijn eigen

intérieur aan; bij een ander zelfs trof het hem niet, Jules had het

intusschen gehinderd, dat Quaerts zoo woonde en de jongen had die kamer

al lang willen verfraaien. Hij was nu bezig eenige wapens op een

wapenrek te hangen, staande op een trap, een deun uit een opera tusschen

de lippen. Maar Quaerts sloeg er geen acht op; onbewegelijk lag hij op

de canapé, rechtuit, in zijn flanellen hemd, ongeschoren, en zijne oogen

turende naar de renaissance van het Paleis van Justitie, dat achter de

dorre boomen van het Plein een fond van architectuur teekende.

--Zie dan eens, Taco, of het zoo goed is? vroeg Jules, die een

Marokkaansche sabel tusschen een paar krissen had geplaatst en er de

draperie van een sarong tusschen door trok.

--Ja, zeker, antwoordde Quaerts.

Maar hij zag niet op naar de wapens en hij bleef turen naar het Paleis.

Onbewegelijk lag hij daar. Gedachte was er niet in hem; alleen

gedachtelooze zelfontevredenheid en daarom treurigheid. Drie weken lang

had hij geleefd het leven van een roes, om zich te verdooven. Om wàt te

verdooven wist bij niet precies. Misschien iets, dat in hem was: dat

mooi was, maar lastig in de gewone wereld. Die roes was begonnen met een

jacht in Noord-Brabant, op het buiten van een vriend. Een week lang met

hun achten, veel sport in de open lucht, gevolgd door jachtdiners met

niet alleen veel fijnen wijn, maar nog meer jenever, ook heele fijne,

als likeur. Rospartijen te paard in den omtrek; baldadigheden bedreven

op een boerderij--de boerin rondgedragen in een ton en opgesloten in de

koeienstal--stoute streken als van kwâjongens en wildemannen tegelijk;

proces-verbaal tegen dat alles met politie en schadevergoeding.

Opgewonden als door te veel sport, te veel zuurstof en te veel sterken

drank waren er daarna vijf van het troepje, waaronder Quaerts, naar

Brussel getogen; een had er daar zijn maitresse. Zij hadden er gelogeerd

bijna twee weken lang, in een leven als een voortdurend bacchanaal, met

veel champagne en veel baldadigheid; eene wilde vreugde om te leven, die

eerst natuurlijk, weldra werd opgeschroefd en hooger opgeschroefd om ze

nog een paar dagen langer, te laten duren; de laatste nachten, moê, met

écarté doorgebracht, zonder meer aan iets anders te kunnen denken dan

aan het idée fixe om te winnen, de uitputting van al hun geweld reeds

vloeiende door hunne lichamen als verslapping en hunne oogen wezenloos

turende op de poppetjes van het spel.

Quaerts had in dien tijd eene enkele maal aan Cecile gedacht, zonder die

opkomende gedachte door te denken. Zij was wellicht drie, viermaal

verschenen in zijne hersenen als een vaag beeld, wit en doorglazig: eene

schim. Dan was ze weêr verdwenen, zonder invloed. In al dien tijd had

hij haar ook niets van zich laten hooren en slechts éenmaal had hij

bedacht, dat een stilzwijgen van drie weken, na hun laatste gesprek,

haar vreemd moest voorkomen. Daarbij was het gebleven. Hij was nu terug,

had drie dagen thuis gelegen op zijn bed, op zijne bank, moê, koortsig,

ontevreden, in eene walging van alles, àlles; toen des morgens,

bedenkende, dat het Woensdag was, had hij om Jules gedacht en diens

rijles.

Hij had Jules laten komen, maar te lui om zich te scheeren en te

kleeden, was hij blijven liggen. En hij lag nog, niet wetende hoe en

wat. Daar voor hem was het Paleis. Daar naast de Hooge Raad. Op zij zag

hij de Witte en de Zwijger stond in het midden van het Plein: dat alles

was heel interessant. En Jules hing wapens op. Ook interessant. En het

interessantste van alles was dat domme leven, dat hij geleid had. Wat

een opschroeving om zijne verveling voor den gek te houden. Had hij zich

in dien tijd geamuzeerd? Neen. Hij had zich aangesteld of hij zich

geamuzeerd had: hij had zich opgewonden met die boerin en met dat

écarté. De jacht was slecht geweest. De wijn goed, maar hij had er te

veel van gedronken. En dan de smerige champagne van die cocotte ...

Wat dan? Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan zulk een leven, aan

een leven van sport en woest pleizier; het hield hem in evenwicht met

dat andere, dat in hem was, en dat hem tot onmogelijkheid werd in het

leven van iederen dag. Maar waarom kon hij dan ook geen maat houden,

zoowel in het een als in het ander! Hij had geschiktheid voor het gewone

leven en daarbij iets heel moois in zijne ziel; waarom kon hij niet in

evenwicht blijven wiegelen tusschen die twee sferen in hemzelven, en

waarom werd hij altijd geslingerd van de eene naar de andere sfeer, als

iets, dat eigenlijk in geen van beiden element werd? Wat had hij niet

met een klein beetje tact, een klein beetje zelfleiding, zijn leven

tot iets moois kunnen maken, en kunnen bestaan in eene gezonde

levensvreugde, gelouterd door een hooge zieleblijdschap! Maar die tact

tot zelfleiding, ontbrak hem geheel en al; hij leefde zooals hij voelde:

geheel in uitersten; er was geen halfheid in hem. En dit was zoowel zijn

trots als zijn levensleed; zijn trots, dat hij "geheel" voelde of dit of

dat, dat hij niet schipperen kon met zijne gevoelens; en zijn leed: dàt

hij niet schipperen kon en niet tot harmonie kon brengen, wat telkens in

hem tegen elkander stiet.

Toen hij Cecile had ontmoet, had weêrgezien en nog eens weêrgezien, had

hij zich geheel en al voelen verheffen naar dat éene uiterste, top van

hoogheid, top van louter kristallen sympathie, waar zijn cirkel van

atmosfeer--zooals hij zeide--sympathetisch had geschoven over de hare,

als met eene liefkozing van louter kuischheid en spiritualiteit, zooals

twee sterren, die, nader wentelend, hare dampkringen wellicht even

mengen, als adems. Hoe glimlachend gelukkig had hij zich toen niet mogen

voelen, als met eene gratie van Hooger! Toen, toen had hij zich weêr

voelen tuimelen naar omlaag, als had hij zijn punt van evenwicht

overwiegeld, en had hij gesmacht naar het aardsche, naar veel eenvoud

van gevoelen, naar primitief levensgenot, naar vleesch en bloed. Hij

herinnerde zich nu, hoe hij, twee dagen na zijn laatste gesprek met

Cecile, Emilie Hijdrecht had gezien, hier bij hem op zijne kamer, waar

zij, verwaarloosd, hem eindelijk had durven komen zien, op een avond,

alles vergetende. Met een trek van wreedheid om zijn mond herinnerde hij

zich hoe zij geweend had aan zijne knieën, hoe zij jaloersch gejammerd

had van Cecile, hoe hij ze haar mond had doen houden en haar verboden

had dien naam uit te spreken. En toen, hunne dolle omhelzing, omhelzing

van wreedheid: wreedheid van haar tegen dien man, dien zij telkens

verloor als zij hem voorgoed meende gevonden te hebben, dien zij niet

begreep en wien zij aanhing met al het geweld harer brutale passie, als

met eene passie uit primitieve tijden van louter zin; wreedheid van hem

tegen die vrouw, die hij verachtte, terwijl hij haar in zijne armen, in

hartstocht, bijna stikte!

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 24 / 40 题