Quaerts bewoonde op het Plein, boven een kleêrmaker, twee kamers, klein
en allerbanaalst van gemeubel. Hij had veel beter kunnen wonen, maar
comfort kon hem niet schelen: hij dacht daar nooit voor zijn eigen
intérieur aan; bij een ander zelfs trof het hem niet, Jules had het
intusschen gehinderd, dat Quaerts zoo woonde en de jongen had die kamer
al lang willen verfraaien. Hij was nu bezig eenige wapens op een
wapenrek te hangen, staande op een trap, een deun uit een opera tusschen
de lippen. Maar Quaerts sloeg er geen acht op; onbewegelijk lag hij op
de canapé, rechtuit, in zijn flanellen hemd, ongeschoren, en zijne oogen
turende naar de renaissance van het Paleis van Justitie, dat achter de
dorre boomen van het Plein een fond van architectuur teekende.
--Zie dan eens, Taco, of het zoo goed is? vroeg Jules, die een
Marokkaansche sabel tusschen een paar krissen had geplaatst en er de
draperie van een sarong tusschen door trok.
--Ja, zeker, antwoordde Quaerts.
Maar hij zag niet op naar de wapens en hij bleef turen naar het Paleis.
Onbewegelijk lag hij daar. Gedachte was er niet in hem; alleen
gedachtelooze zelfontevredenheid en daarom treurigheid. Drie weken lang
had hij geleefd het leven van een roes, om zich te verdooven. Om wàt te
verdooven wist bij niet precies. Misschien iets, dat in hem was: dat
mooi was, maar lastig in de gewone wereld. Die roes was begonnen met een
jacht in Noord-Brabant, op het buiten van een vriend. Een week lang met
hun achten, veel sport in de open lucht, gevolgd door jachtdiners met
niet alleen veel fijnen wijn, maar nog meer jenever, ook heele fijne,
als likeur. Rospartijen te paard in den omtrek; baldadigheden bedreven
op een boerderij--de boerin rondgedragen in een ton en opgesloten in de
koeienstal--stoute streken als van kwâjongens en wildemannen tegelijk;
proces-verbaal tegen dat alles met politie en schadevergoeding.
Opgewonden als door te veel sport, te veel zuurstof en te veel sterken
drank waren er daarna vijf van het troepje, waaronder Quaerts, naar
Brussel getogen; een had er daar zijn maitresse. Zij hadden er gelogeerd
bijna twee weken lang, in een leven als een voortdurend bacchanaal, met
veel champagne en veel baldadigheid; eene wilde vreugde om te leven, die
eerst natuurlijk, weldra werd opgeschroefd en hooger opgeschroefd om ze
nog een paar dagen langer, te laten duren; de laatste nachten, moê, met
écarté doorgebracht, zonder meer aan iets anders te kunnen denken dan
aan het idée fixe om te winnen, de uitputting van al hun geweld reeds
vloeiende door hunne lichamen als verslapping en hunne oogen wezenloos
turende op de poppetjes van het spel.
Quaerts had in dien tijd eene enkele maal aan Cecile gedacht, zonder die
opkomende gedachte door te denken. Zij was wellicht drie, viermaal
verschenen in zijne hersenen als een vaag beeld, wit en doorglazig: eene
schim. Dan was ze weêr verdwenen, zonder invloed. In al dien tijd had
hij haar ook niets van zich laten hooren en slechts éenmaal had hij
bedacht, dat een stilzwijgen van drie weken, na hun laatste gesprek,
haar vreemd moest voorkomen. Daarbij was het gebleven. Hij was nu terug,
had drie dagen thuis gelegen op zijn bed, op zijne bank, moê, koortsig,
ontevreden, in eene walging van alles, àlles; toen des morgens,
bedenkende, dat het Woensdag was, had hij om Jules gedacht en diens
rijles.
Hij had Jules laten komen, maar te lui om zich te scheeren en te
kleeden, was hij blijven liggen. En hij lag nog, niet wetende hoe en
wat. Daar voor hem was het Paleis. Daar naast de Hooge Raad. Op zij zag
hij de Witte en de Zwijger stond in het midden van het Plein: dat alles
was heel interessant. En Jules hing wapens op. Ook interessant. En het
interessantste van alles was dat domme leven, dat hij geleid had. Wat
een opschroeving om zijne verveling voor den gek te houden. Had hij zich
in dien tijd geamuzeerd? Neen. Hij had zich aangesteld of hij zich
geamuzeerd had: hij had zich opgewonden met die boerin en met dat
écarté. De jacht was slecht geweest. De wijn goed, maar hij had er te
veel van gedronken. En dan de smerige champagne van die cocotte ...
Wat dan? Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan zulk een leven, aan
een leven van sport en woest pleizier; het hield hem in evenwicht met
dat andere, dat in hem was, en dat hem tot onmogelijkheid werd in het
leven van iederen dag. Maar waarom kon hij dan ook geen maat houden,
zoowel in het een als in het ander! Hij had geschiktheid voor het gewone
leven en daarbij iets heel moois in zijne ziel; waarom kon hij niet in
evenwicht blijven wiegelen tusschen die twee sferen in hemzelven, en
waarom werd hij altijd geslingerd van de eene naar de andere sfeer, als
iets, dat eigenlijk in geen van beiden element werd? Wat had hij niet
met een klein beetje tact, een klein beetje zelfleiding, zijn leven
tot iets moois kunnen maken, en kunnen bestaan in eene gezonde
levensvreugde, gelouterd door een hooge zieleblijdschap! Maar die tact
tot zelfleiding, ontbrak hem geheel en al; hij leefde zooals hij voelde:
geheel in uitersten; er was geen halfheid in hem. En dit was zoowel zijn
trots als zijn levensleed; zijn trots, dat hij "geheel" voelde of dit of
dat, dat hij niet schipperen kon met zijne gevoelens; en zijn leed: dàt
hij niet schipperen kon en niet tot harmonie kon brengen, wat telkens in
hem tegen elkander stiet.
Toen hij Cecile had ontmoet, had weêrgezien en nog eens weêrgezien, had
hij zich geheel en al voelen verheffen naar dat éene uiterste, top van
hoogheid, top van louter kristallen sympathie, waar zijn cirkel van
atmosfeer--zooals hij zeide--sympathetisch had geschoven over de hare,
als met eene liefkozing van louter kuischheid en spiritualiteit, zooals
twee sterren, die, nader wentelend, hare dampkringen wellicht even
mengen, als adems. Hoe glimlachend gelukkig had hij zich toen niet mogen
voelen, als met eene gratie van Hooger! Toen, toen had hij zich weêr
voelen tuimelen naar omlaag, als had hij zijn punt van evenwicht
overwiegeld, en had hij gesmacht naar het aardsche, naar veel eenvoud
van gevoelen, naar primitief levensgenot, naar vleesch en bloed. Hij
herinnerde zich nu, hoe hij, twee dagen na zijn laatste gesprek met
Cecile, Emilie Hijdrecht had gezien, hier bij hem op zijne kamer, waar
zij, verwaarloosd, hem eindelijk had durven komen zien, op een avond,
alles vergetende. Met een trek van wreedheid om zijn mond herinnerde hij
zich hoe zij geweend had aan zijne knieën, hoe zij jaloersch gejammerd
had van Cecile, hoe hij ze haar mond had doen houden en haar verboden
had dien naam uit te spreken. En toen, hunne dolle omhelzing, omhelzing
van wreedheid: wreedheid van haar tegen dien man, dien zij telkens
verloor als zij hem voorgoed meende gevonden te hebben, dien zij niet
begreep en wien zij aanhing met al het geweld harer brutale passie, als
met eene passie uit primitieve tijden van louter zin; wreedheid van hem
tegen die vrouw, die hij verachtte, terwijl hij haar in zijne armen, in
hartstocht, bijna stikte!