IV.

Mysterie! Het was in eens, daar op die trap, voor haar opengestraald in

hare ziel, als eene groote bloem van licht, mystieke roos met glanzende

bladen, die zij nu, in eens, in het gouden hart zag. Dat was niet meer

te analyzeeren, zooals zij altijd zoo gaarne deed, dat was het Raadsel

der Liefde, het eeuwige Raadsel, dat in haar opengestraald was,

doorschietende met zijne stralen geheel de wijdte harer ziel, waarin het

midden-in ontloken was als eene zon in een heelal; daar was niet meer

aan te vragen: waarom, waarom; daar was niet meer over te peinzen en

droomen, dat was alleen áan te nemen als het onverklaarbare

zielefenomeen; dat was een Schepping van Gevoel, waarvan de god, die

geschapen had, evenmin óoit zoû zijn te vinden in de intime essence

zijner waarheid, als de God te vinden was, die de wereld had geschapen

uit den chaos. Dat was het Licht, brekende uit de Duisternis, dat was de

hemel, ontsloten boven de aarde!

En dat bestond, dat was realiteit en geen sprookje! Want dat was geheel

en al in haar; eene plotseling onloochenbare, bliksemsnel uitgeschoten,

Waarheid, een Feit van Voelen, zoo reëel in zijne etherische

lichaamloosheid, dat het haar toescheen, of zij, vóor dit oogenblik,

nooit had geweten, had gedacht, had gevoeld. Dat was het begin: aanvang

van haarzelve, dageraad van haar zielleven, heilig mirakel der

onbevlekte geboorte van Liefde, midden-in, in hare ziel, als haar

zonne-middenpunt.

En zij leefde de dagen, die kwamen, in hare zelfverwondering voort,

dwalende door haar gedroom als door een nieuw land, waar veel licht

scheen, met verre, in licht verbleekte landschappen, die waren als

luchtverhevelingen, in glanstrillingen sidderende aan den horizont. Het

was haar of ze, als een vrome, blijde pelgrim, langs oazen van paradijs

naar die verre oorden voorttoog, om dáar te vinden nog meer: het Doel

harer reize ... Kort geleden nog had zij weinig voor zich gezien--hare

kinderen weg, hare eenzaamheid om zich heen als een nacht--en nu, nu zag

ze voor zich een langen weg, een wijde kim, wegglansend in licht, alles

licht ...

Dat wàs, dat alles wàs! Dat was geen mooie leugen van dichters; het

bestond, het straalde in haar hart als een heilig juweel, als eene

mystieke roos met meeldraden lichts! En frischheid, als een dauw, viel

over haar neêr, op geheel het leven: op het leven der zinnen; het leven

der uiterlijke schijnsels; op het leven der ziel; het leven der

in-waarheid. De wereld was nieuw, frisch van nieuwen dauw, de wereld was

het Eden van Genesis en hare ziel zelve was eene ziel van nieuwheid, uit

zich herboren, in eene metempsychoze van meer volmaking, van dichter

genaken tot het doel, dat verre Doel, dáar vèr weg, als eene onzichtbare

god verscholen in de heiligheid van zijne lichtextaze, als in de

uitstraling van zichzelven.

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 18 / 40 题