Mysterie! Het was in eens, daar op die trap, voor haar opengestraald in
hare ziel, als eene groote bloem van licht, mystieke roos met glanzende
bladen, die zij nu, in eens, in het gouden hart zag. Dat was niet meer
te analyzeeren, zooals zij altijd zoo gaarne deed, dat was het Raadsel
der Liefde, het eeuwige Raadsel, dat in haar opengestraald was,
doorschietende met zijne stralen geheel de wijdte harer ziel, waarin het
midden-in ontloken was als eene zon in een heelal; daar was niet meer
aan te vragen: waarom, waarom; daar was niet meer over te peinzen en
droomen, dat was alleen áan te nemen als het onverklaarbare
zielefenomeen; dat was een Schepping van Gevoel, waarvan de god, die
geschapen had, evenmin óoit zoû zijn te vinden in de intime essence
zijner waarheid, als de God te vinden was, die de wereld had geschapen
uit den chaos. Dat was het Licht, brekende uit de Duisternis, dat was de
hemel, ontsloten boven de aarde!
En dat bestond, dat was realiteit en geen sprookje! Want dat was geheel
en al in haar; eene plotseling onloochenbare, bliksemsnel uitgeschoten,
Waarheid, een Feit van Voelen, zoo reëel in zijne etherische
lichaamloosheid, dat het haar toescheen, of zij, vóor dit oogenblik,
nooit had geweten, had gedacht, had gevoeld. Dat was het begin: aanvang
van haarzelve, dageraad van haar zielleven, heilig mirakel der
onbevlekte geboorte van Liefde, midden-in, in hare ziel, als haar
zonne-middenpunt.
En zij leefde de dagen, die kwamen, in hare zelfverwondering voort,
dwalende door haar gedroom als door een nieuw land, waar veel licht
scheen, met verre, in licht verbleekte landschappen, die waren als
luchtverhevelingen, in glanstrillingen sidderende aan den horizont. Het
was haar of ze, als een vrome, blijde pelgrim, langs oazen van paradijs
naar die verre oorden voorttoog, om dáar te vinden nog meer: het Doel
harer reize ... Kort geleden nog had zij weinig voor zich gezien--hare
kinderen weg, hare eenzaamheid om zich heen als een nacht--en nu, nu zag
ze voor zich een langen weg, een wijde kim, wegglansend in licht, alles
licht ...
Dat wàs, dat alles wàs! Dat was geen mooie leugen van dichters; het
bestond, het straalde in haar hart als een heilig juweel, als eene
mystieke roos met meeldraden lichts! En frischheid, als een dauw, viel
over haar neêr, op geheel het leven: op het leven der zinnen; het leven
der uiterlijke schijnsels; op het leven der ziel; het leven der
in-waarheid. De wereld was nieuw, frisch van nieuwen dauw, de wereld was
het Eden van Genesis en hare ziel zelve was eene ziel van nieuwheid, uit
zich herboren, in eene metempsychoze van meer volmaking, van dichter
genaken tot het doel, dat verre Doel, dáar vèr weg, als eene onzichtbare
god verscholen in de heiligheid van zijne lichtextaze, als in de
uitstraling van zichzelven.