Toen was het Cecile alsof het gebroken was, dat teedere, dat broze, die
zeepbel. Ze dacht of hij wellicht tegen die vrouw met het donkere haar
ook gesproken had over cirkels van sympathie. Zoodra zij kon, nam Cecile
mevrouw Hijdrecht op. Zij had een warm teint van mat goud, donkere
brandende oogen, een mond als van frisch bloed. Zij was laag
gedecolleteerd; haar hals en de glooiing van heur borst vertoonden zich
brutaal mooi, zinnelijk vol. Een enkele ris diamanten omvatte haar nek
in een nauw snoer van blank gevlam.
Cecile voelde een malaise. Het scheen haar toe of ze met vuur speelde.
Zij wendde haar blik van de jonge vrouw af en zag Quaerts aan,
magnetisch gedwongen. Zij zag, dat er eene melancholie heentrok over het
bovenste gedeelte van zijn gelaat: zijn voorhoofd en zijne oogen, waarin
soms iets ouds was. En zij hoorde hem zeggen:
--Wat kon u nu de naam van die dame schelen; we waren juist in zoo een
mooi gesprek ...
Ook zij voelde zich nu treurig. Treurig om haar gebarsten zeepbel.
Waarom, wist ze niet, maar ze had medelijden met hem: plotseling, diep,
zielediep medelijden.
--We kunnen ons gesprek hervatten! zeide zij zacht.
--Ach neen, laten we liever niet opnemen, waar we gebleven zijn! hernam
hij, quasi luchtig. Ik word lang van stof ...
En hij sprak over andere zaken. Zij antwoordde weinig, en hun gesprek
kwijnde. Beiden hielden zij zich met hunne buren bezig. Het diner liep
ten einde. Mevrouw Hoze rees op, nam den arm van den heer naast haar. De
generaal geleidde Cecile naar den salon, door het langzaam voortwandelen
der anderen heen.
De dames bleven alleen; de heeren gingen met den jongen Hoze rooken. En
Cecile zag mevrouw Hoze naar haar toe komen. Zij vroeg of ze zich niet
verveeld had aan haar diner, zij gingen samen zitten, in een
vertrouwelijk tête-à-tête.
Cecile dwong zich mevrouw Hoze te antwoorden, maar gaarne was ze ergens
zachtjes gaan weenen, omdat alles zoo gauw voorbij ging, omdat de stip
van het heden zoo klein was. Voorbij alweêr, de lieve bekoring van hun
beider gesprek over sympathie aan dat diner van zoo even: eene broze
intimiteit te midden der wereldsche schijnsels om hen heen. Voorbij,
dat oogenblik, en nooit, nóoit zoû het weêr terug komen: het leven
overstroomde het met zijn verder-vloeien als met een water, dat alles
uitwischte. O, de melancholie dat te bedenken; te bedenken hoe gauw,
als een geur, die niet te grijpen is, alles vervliegt, dat lief is ...
Mevrouw Hoze verliet haar; Suzette van Attema kwam Cecile aanspreken.
Ze was in het roze en ze tintelde van iets schitterends, alsof er veel
stofgoud over haar heen was gevallen, over hare bewegingen, hare oogen,
hare woorden. Zij sprak druk met Cecile, vertelde lange verhalen
waarnaar Cecile niet altijd luisterde. Op eens hoorde Cecile, door
Suzette's gekakel heen, achter zich twee vrouwenstemmen, fluisterend en
vertrouwelijk: zij verstond slechts ten deele:
--...Emilie Hijdrecht, daar ...
--...Praatjes misschien en mevrouw Hoze schijnt er zich niet aan te
storen.
--...O, ik weet het zeker!
De stemmen verloren zich in het gegons der anderen. Cecile ving alleen
nog even een klank als den naam van Quaerts op. Maar Suzette vroeg
eensklaps:
--Kent u de jonge mevrouw Hijdrecht, tante?
--Neen.
--Daar, met die diamanten. U weet, ze zeggen van Quaerts. Mama gelooft
het niet. Hij is anders wel een flirt. U heeft naast hem gezeten?
In de geheimste snaren van haar sensitivisme leed Cecile zeer. Zij trok
zich geheel en al terug in zichzelve; zij deed alle moeite iets anders
te schijnen dan zij was. Suzette merkte niets van haar malaise.
De heeren kwamen weêr binnen. Cecile lette op of Quaerts mevrouw
Hijdrecht zoû aanspreken. Maar hij nieerde haar geheel en zelfs, toen
hij Suzette naast Cecile zag, wendde hij zich tot haarbeiden, om met
Suzette, wie hij nog niet gesproken had, te schertsen.
En het was Cecile een verlichting, toen zij kon vertrekken. Zij snakte
naar eenzaamheid; zij had zich geheel en al verloren, zij smachtte er
naar zich terug te vinden. In haren coupé dorst zij bijna niet ademen,
bang voor iets, dat zij niet had kunnen zeggen. Thuis gekomen voelde zij
eene lauwe loomte, die haar als verlamde en zij sleepte zich de trap op,
naar hare kleedkamer.
En toch, op die trap, als van de zoldering van heur thuis, viel als een
waas van beschermende veiligheid over haar heen. Langzaam steeg zij,
heur hand, die den langen handschoen vasthield, telkens drukkende op de
fluweelen leuning der trap. Het was haar of ze flauw zoû vallen.
--Maar, mijn God ... ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!
fluisterde zij, in eene plotselinge zelfverbazing, tusschen hare bevende
lippen in.
Het was als een rythme van verwondering, waarop ze, moê, hooger de trap
op ging, hooger en hooger, in eene stille overrassing van plotselingen
lichtschijn.
--Maar ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!
Het klonk door hare vermoeidheid heen als eene melodie.
Ze had nu hare kleedkamer bereikt, waar Greta het gas had opgestoken: ze
sleepte zich naar binnen. De deur der kinderslaapkamer stond half open;
ze ging er even in, sloeg den gordijn van Christie's bedje op, zonk neêr
op hare knieën en zag naar het kind. Het ontwaakte half, nog in een
lauwen dommel; het kroop een beetje uit de lakens, lachte, sloeg zijne
handjes om Cecile's blooten hals.
--Mama-te!
Zij knelde hem vast tegen zich aan in de omhelzing harer tengere, witte
armen; ze zoende hem op zijn frambozenmondje, op zijne lodderige oogjes,
en intusschen zong het voort in haar hart, dwars door hare vermoeidheid
heen, die haar als brak, daar, voor het bed van haar kindje:
--Maar ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief, lief, lief ...