V.

Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een

morgen ontving zij een briefje; het luidde:

Mevrouw!

Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet

niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei

dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het

zoû mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen,

dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen?

Met mijn eerbiedigste groeten,

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 19 / 40 题