Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een
morgen ontving zij een briefje; het luidde:
Mevrouw!
Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet
niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei
dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het
zoû mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen,
dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen?
Met mijn eerbiedigste groeten,