uw nederige dienaar,
Falco Falcone.
P.S. Passafiore, mijn neef, heeft dezen brief geschreven.
Donna Micaela smeet het vuile briefje op den grond. Het was haar
alsof ze het doodvonnis van haar spoorweg in de hand hield, maar
heden wilde zij daaraan niet denken, heden had zij haar bazaar.
Een oogenblik daarna kwamen haar wegwerkers, Giovanni en Carmelo,
bij haar. Ze wilden haar raden een ingenieur te raadplegen.
Zij wist zeker niet, hoe de grond was op den Etna. Eerst was het lava,
dan asch en dan weer lava.
Moest de weg aangelegd worden op de bovenste lavalaag of op het
aschbed, of moesten zij nog dieper graven? Moest de bodem voor een
spoorweg zeer vast zijn? Zij moesten er iemand bij hebben, die er
verstand van had.
Donna Micaela kon hen echter nu niet te woord staan.
Morgen, morgen! heden had zij geen tijd om daaraan te denken. Dadelijk
daarna kwam donna Elisa met nog slechter nieuws.
Er was een stadswijk in Diamante, waar arme en woeste menschen
woonden. Deze ongelukkige stakkers waren angstig geworden, toen ze
hoorden van den spoorweg.
Nu komt er gewis een aardbeving of een uitbarsting van den Etna,
hadden ze gezegd.
De machtige Etna duldt geen ijzeren banden. Hij zal den geheelen
spoorweg van zich afslingeren.
En het volk zei, dat men den spoorweg moest opbreken zoodra die
gelegd was.
Welk een ongeluksdag! Donna Micaela voelde zich verder dan ooit van
haar doel.
"Waarvoor dient het nu, of wij geld bijeenbrengen op den bazaar?" zei
ze mismoedig.
En het scheen ook niet, dat zij veel geld zou krijgen op haar feest. 's
Namiddags begon het te regenen. Sedert den dag, dat de klokken luidden,
had het nog niet zoo geregend in Diamante. 't Was alsof de wolken op
de daken drukten, en het water er uit stroomde. Eer men twee minuten
op straat liep, was men doornat.
Tegen zes uur, toen donna Micaela's bazaar geopend zou worden, regende
het zoo hard mogelijk. Toen zij in het klooster kwam, waren daar
geen andere menschen dan degenen, die haar zouden helpen verkoopen
en bedienen.
Zij had wel kunnen schreien! Welk een ongeluksdag! Wie had toch al
dezen tegenspoed over haar hoofd gebracht?
Donna Micaela's blikken vielen op een vreemden man, die tegen een
pilaar leunde en haar beschouwde.
Opeens herkende zij hem! Dat was de jettatore. Het was de jettatore
van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen.
Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe.
"Wilt ge even met mij gaan, signor," zei ze, terwijl zij hem
voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, dan
wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. Zij
moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven
verwoestte.
Zij dacht er in het geheel niet aan waar zij heenging. Plotseling
stond ze bij de deur van de kloosterkerk en trad naar binnen.
Het was er bijna donker. Alleen een klein olielampje brandde bij
het Christusbeeld.
Toen donna Micaela het Christusbeeld zag, verschrikte zij. Juist nu had
zij het liever niet gezien. Zij herinnerde zich hoe zijn kroon gerold
was voor Gaetano's voeten, toen deze zoo vertoornd was op de bandieten.
Misschien wilde het Christusbeeld niet, dat zij den jettatore verstiet.
Maar zij had toch werkelijk reden hem te vreezen. En 't was slecht
van hem op haar feest te verschijnen. Zij moest trachten hem van hier
te verwijderen.
Donna Micaela liep de geheele kerk door en stond nu stil voor het
Christusbeeld.
Zij kon geen woord zeggen tot den man, die haar volgde. Zij herinnerde
zich hoeveel medelijden zij nog onlangs met hem gehad had, omdat hij
gevangen zat, hij evenals Gaetano.
Zij was zoo gelukkig geweest hem tot het leven terug te voeren. Wat
wilde zij nu doen?
Hem weer in de gevangenis zenden?
Zij dacht aan haar vader en aan Gaetano. Zou het nu voor den derden
keer zijn, dat zij...
Zij stond zwijgend en voerde een hevigen strijd met zich zelf.
Eindelijk begon de jettatore te spreken.
"Niet waar, signora, ge hebt genoeg van mij?"
Donna Micaela maakte een ontkennende beweging.
"Wenscht gij, dat ik terugkeer naar mijn cel?"
"Ik begrijp u niet, signor."
"Ja zeker, gij begrijpt me wel. Er is u vandaag iets vreeselijks
overkomen. Gij ziet er nu geheel anders uit dan dezen morgen."
"Ik ben zeer moede," zei donna Micaela ontwijkend.
Hij trad dicht op haar toe, als om haar de waarheid af te dwingen. De
vragen en antwoorden volgden elkaar kort en stootend.
"Ziet ge niet, dat uw geheele feest dreigt te mislukken?"
"Dan doen we het morgen weer over."
"Hebt ge mij dan niet herkend?"
"Ja, ik heb u vroeger wel eens in Catania gezien."
"En gij zijt niet bang voor den jettatore?"
"Ja, vroeger als kind."
"Maar nu zijt ge niet meer bevreesd?"
Zij ontweek hem te antwoorden.
"Zijt ge zelf bang?" vroeg ze.
"Zeg de waarheid!" zei hij ongeduldig. "Wat wildet gij mij zeggen,
toen gij mij hierheen voerdet?"
Zij zag onrustig om zich heen. Zij moest hem iets zeggen, zij moest
hem een antwoord geven. Toen kwam er een gedachte in haar op, die
haar angstig maakte. Zij zag naar het Christusbeeld.
"Eischt gij dit van mij?" scheen ze hem te vragen.
"Moet ik dit doen voor een vreemden man? Maar dit staat immers gelijk
met mijn eenige hoop te vernietigen."
"Ik weet nauwelijks of ik het wel wagen durf u te zeggen, wat ik u
verzoeken wilde," zeide zij.
"Neen, ziet ge wel dat gij den moed niet hebt."
"Ik ben van plan een spoorweg aan te leggen, weet ge dat?"
"Ja, dat weet ik."
"Ik wilde u vragen of gij mij helpen wildet?"
"Ik! Ik!"
Nu zij eenmaal begonnen was, viel het haar gemakkelijker te
vervolgen. Zij was verbaasd hoe natuurlijk het klonk, toen zij het
hem vroeg.
"Ik weet, dat ge een spoorwegingenieur zijt. Ja, ge begrijpt wel,
dat aan mijn spoorweg geen geld verdiend wordt. Maar het was beter,
dat ge me hielpt, dan dat ge in uw cel opgesloten zit. Gij verspilt
slechts uw tijd."
Hij keek haar bijna streng aan.
"Weet ge, wat ge daar zegt?"
"Ja, het is natuurlijk een vermetel verzoek."
"Ja juist, een vermetel verzoek."
Daarna begon de ongelukkige man haar te waarschuwen voor al het onheil,
dat haar dreigde, indien zij zijn hulp aannam.
"Het zou met uw spoorweg gaan, zooals met uw feest."
Donna Micaela was overtuigd van de waarheid zijner woorden, maar zij
had nu alle wegen achter zich afgesloten, zij moest nu voortgaan,
goed te zijn.
"Mijn feest zal spoedig in vollen gang zijn," zei ze beslist.
"Hoor naar mij, donna Micaela," zei de jettatore.
"Het laatste waaraan men weigert niet te gelooven is aan zich zelf. Men
kan niet nalaten zich zelf te vertrouwen."
"Neen, waarom zou men dat ook doen?"
Hij maakte een beweging, alsof hij ongeduldig was over haar vertrouwen.
"Toen ik eerst over de zaak begon te denken," zei hij, "troostte ik
mij gemakkelijk. Door een paar ongelukkige toevallen, zei ik tot mij
zelf, heb je den naam van jettatore gekregen, zoodat dit langzamerhand
een vaste overtuiging is geworden. En juist dit geloof sticht het
kwaad. Men heeft mij ontmoet en geloofd, dat men zou verongelukken,
en toen geschiedde het ook. Het is een ongeluk erger dan de dood,
aangezien te worden voor een jettatore. Maar gij behoeft het zelf
niet te gelooven."
"Het is zoo ongerijmd," zei donna Micaela.
"Ja, niet waar, hoe zouden mijn oogen de macht bezitten kwaad te
stichten? Ik wilde een proef nemen. Ik reisde naar een plaats, waar
niemand mij kende. Den volgenden morgen las ik in de courant, dat door
den trein waarmee ik gereisd had, een baanwachter overreden was. Toen
ik een dag in het hotel was, zag ik dat de hotelhouder wanhopig was,
en alle gasten ontsteld waren.
"Wat is er gebeurd?" vroeg ik.
"Een van onze bedienden is door de pokken aangetast. O, welk een
ellende!"
"Donna Micaela, toen sloot ik mij op en onthield mij van allen omgang
met menschen.
"Toen een jaar verstreken was, kwam ik tot rust. Ik ben immers
geen gevaarlijk mensch, zei ik, en ik wil toch niemand eenig kwaad
doen. Waarom zou ik dan als een misdadiger leven?
"Ik had mij juist voorgenomen terug te keeren tot het leven, toen ik
fra Felice in een der gangen ontmoette.
"Fra Felice, waar is de kat?"
"De kat, signor?"
"Ja, de kat van 't klooster, wie ik altijd melk geef. Waar is zij?"
"Zij is in een rattenval geraakt."
"Wat zegt u, fra Felice?"
"De kat is met haar staart in de val gekomen en kon zich toen niet
bevrijden. Zij heeft zich naar een der ramen gesleept en is van
honger gestorven."
"Wat zegt ge daarvan, donna Micaela?"
"Was het dan uw schuld, dat de kat stierf?"
"Ik ben immers een jettatore."