EEN JETTATORE.

In Catania leefde eens een man met "het booze oog", een jettatore. Van

alle jettatoren op Sicilië duchtte men hem het meest.

Zoodra hij zich op straat vertoonde, haastten de menschen zich om het

beschermende teeken met de hand te maken. Toch hielp dit dikwijls in

het geheel niet.

Degene die hem ontmoet had, kon zich voorbereiden op een onaangename

gebeurtenis. Als hij thuis kwam was zijn eten aangebrand, en de mooie,

oude kristallen schotel lag in scherven op den grond. Hij zou hooren,

dat zijn bankier de betalingen gestaakt had, en dat het briefje,

dat hij aan de vrouw van zijn vriend geschreven had, in verkeerde

handen was terechtgekomen.

Meesttijds was de jettatore een lange, magere man met bleeke schuwe

oogen en een langen neus, die kromde over de bovenlip. God heeft den

jettatore dezen papagaaienneus gegeven als kenteeken.

Maar alles verandert, niets blijft zich steeds gelijk.

Deze jettatore was een kleine man met een neus als van San Michaël.

Daardoor kwam het dat hij nog veel meer kwaad stichtte dan een gewone

jettatore.

Hoeveel vaker steekt men zich niet aan de doornen van de roos, dan

dat men zich brandt aan een netel.

Een jettatore moest nooit volwassen zijn; zoo lang hij nog een kind

is, heeft hij het goed. Dan waakt zijn moedertje nog over hem en zij

ziet nooit het booze oog, zij begrijpt nooit waarom zij zich steeds

met de naald in den vinger prikt, wanneer hij bij haar naaitafeltje

komt. Zij is nooit bang om hem te kussen. Ofschoon er altijd ziekte

in haar huis heerscht en de dienstboden voortdurend wegloopen, en

haar vrienden het huis verlaten, merkt zij nooit iets.

Maar als de jettatore later in de wereld komt, is zijn lot dikwijls

treurig genoeg. Men moet immers in de eerste plaats aan zich zelf

denken, men kan toch niet zijn geheele leven bederven door goed

te zijn jegens een jettatore. Er zijn verscheidene jettatores, die

priester zijn.

Dit is niet zoo vreemd, de wolf is immers gelukkig, als hij vele

schapen kan verslinden. En zeker kan een jettatore niet meer kwaad

stichten, dan wanneer hij priester wordt. Men moest slechts weten,

hoe het den kinderen gaat, die zij doopen en den bruidsparen, wier

huwelijk zij inzegenen.

Deze jettatore van Catania werd ingenieur en wilde spoorwegen

aanleggen.

Hij werd geplaatst bij een der staatsspoorwegen. De staat kon toch

niet weten, dat hij een jettatore was.

Maar, o, welk een ellende, welk een ellende!

Zoodra hij aangesteld was bij den spoorweg, geschiedden er niets

dan ongelukken.

Wilde men een heuvel doorboren, dan had er een instorting plaats,

als men een brug wilde leggen, mislukte het keer op keer.

Wanneer men een mijn liet springen, werden de arbeiders gedood door

de rondvliegende steenen.

De eenige die steeds ongedeerd bleef, was de ingenieur, de jettatore.

Maar de arme menschen, die onder hem werkten! Ze telden iederen morgen

hun vingers en ledematen.

"Morgen hebben wij ze misschien niet meer allemaal," zeiden ze.

Men deed zijn beklag bij den hoofdingenieur, men klaagde bij den

minister. Geen van beiden wilde hooren. Ze waren te geleerd en te

verstandig om aan het booze oog te gelooven. De arbeiders moesten maar

beter bij het werk opletten. 't Was aan hun eigen onvoorzichtigheid

te wijten, dat er ongelukken geschiedden.

En de kolenwagens stortten in den afgrond, en de locomotieven

ontploften.

Op een morgen fluisterde men, dat de ingenieur weg was. Hij was

verdwenen, niemand wist waar hij gebleven was.

Had iemand hem soms vermoord?

O, neen, o, neen! wie zou het gewaagd hebben een jettatore te dooden!

Maar hij was werkelijk weg, geen mensch wist waar hij was.

Eenige jaren daarna was het, dat donna Micaela begon te denken aan

haar spoorweg. En om geld daarvoor bijeen te brengen, wilde zij een

bazaar houden in het groote Franciscanerklooster.

Daar was een groote tuin, omringd door prachtige, oude

zuilengangen. Donna Micaela richtte kleine kraampjes en tenten voor

ververschingen in onder deze arcaden. Zij slingerde guirlandes van

Venetiaansche lampions van zuil tot zuil. Ze liet groote vaten Etnawijn

rondom de kloosterbron opstapelen.

Terwijl donna Micaela daar buiten werkte, sprak zij dikwijls met

den kleinen Gandolfo, die na den dood van fra Felice, wachter van

het klooster geworden was. Op een dag liet zij zich door Gandolfo

door het geheele klooster geleiden. Zij liep het door van den zolder

tot den kelder. En toen zij deze ontelbare kleine cellen met haar

tralievenster en naakte muren en harde houten banken zag, kreeg zij

een inval. Zij verzocht Gandolfo haar op te sluiten in een dezer

cellen en haar daar gedurende vijf minuten te laten.

"Nu ben ik een gevangene," zei ze, toen zij alleengelaten werd. Ze

voelde, dat de deur gesloten was, ze zag dat er dikke traliën voor

de vensters waren. Zij was opgesloten. Zoo was het dus gevangen te

zijn! Vier naakte wanden om zich heen, de stilte, de kilheid van

het graf!

"Nu wil ik gevoelen zooals een gevangene," dacht zij.

Op hetzelfde oogenblik vergat zij alles voor de gedachte, dat

Gandolfo misschien niet komen zou om haar deur te ontsluiten. Hij

kon immers weggeroepen worden, hij kon plotseling ziek worden, hij

kon doodgevallen zijn in een der donkere gangen.

Er kon zooveel gebeurd zijn, dat hem verhinderde te komen. En

niemand wist, waar zij was, niemand kon haar zoeken in die afgelegen

cel. Indien zij een uur daarin moest vertoeven, zou ze waanzinnig

van angst worden.

Ze dacht aan de kwelling van den honger en van de eindelooze uren

van angst.

O, hoe zou ze ingespannen luisteren naar naderende schreden, hoe zou

ze roepen!

Hoe zou zij rukken aan de deur. Zij zou de kalk van den muur schrappen,

zij zou trachten de traliën voor het venster kapot te bijten.

En als zij haar dan eindelijk vonden, zou zij dood op den grond liggen,

en overal zou men sporen vinden van haar pogingen om zich te bevrijden.

Waarom kwam Gandolfo niet? Nu was zij toch een kwartier, een half

uur in de cel geweest.

O, waarom kwam hij toch niet?

Ze was overtuigd, dat ze een heel uur opgesloten was geweest, toen

Gandolfo kwam. Waar was hij toch zoo lang geweest?

Maar hij was niet lang weggeweest. Donna Micaela was slechts vijf

minuten in de cel.

O God, zóó was het dus gevangen te zijn! Zoo was dus Gaetano's

leven! Ze barstte in tranen uit, toen ze weer den blauwen hemel boven

zich zag.

Een tijdje daarna toen zij op een open loggia stonden, wees Gandolfo

haar een raam met luiken en groene gordijnen.

"Woont daar iemand?" vroeg zij.

"Ja, donna Micaela."

Gandolfo vertelde, dat daar een man woonde, die nooit anders dan

's nachts uitging. Een man die nooit met iemand sprak.

"Is hij krankzinnig?" vroeg donna Micaela.

"O neen, o neen, hij is even wel bij het hoofd als gij of ik. Men zegt,

dat hij zich moet verbergen. Hij is bang voor de regeering."

Donna Micaela stelde veel belang in dezen man.

"Hoe heet hij?" vroeg ze.

"Ik noem hem signor Alfredo."

"Hoe krijgt hij eten?" vroeg zij hem.

"Ik kook voor hem," zei Gandolfo.

"En kleeren?"

"Die verschaf ik hem. Ik ben het ook, die hem boeken en tijdschriften

bezorg."

Donna Micaela zweeg een tijdlang.

"Gandolfo," zei ze, terwijl zij hem de roos gaf, die zij in de hand

hield, "leg deze roos op het blad, als je straks eten brengt aan je

ongelukkigen gevangene!"

Na dien dag zond donna Micaela bijna elken dag een kleinigheid aan

den gevangene in het klooster. Nu eens was het een boek, dan een

bloem of een vrucht.

't Was haar zulk een genot, ze speelde met haar phantasie. 't Gelukte

haar bijna zich voor te stellen, dat het Gaetano was aan wien ze dit

alles zond.

Toen de dag aanbrak, dat de bazaar geopend zou worden, was donna

Micaela 's morgens reeds vroeg in het klooster.

"Gandolfo," zei ze, "ga voor mij naar je gevangene en vraag hem of

hij vanavond op het feest wil komen."

Gandolfo kwam spoedig met het antwoord terug.

"Hij dankt u zeer voor uw uitnoodiging, donna Micaela," zei de

knaap. "Hij wil gaarne komen."

Zij was verbaasd, want zij had niet gedacht, dat hij zich zou durven

vertoonen. Zij had hem slechts een vriendelijkheid willen bewijzen.

Er was iets, dat donna Micaela dwong om op te zien. Zij stond in den

kloostertuin, een venster in een der gebouwen tegenover haar werd

geopend. Donna Micaela zag een man van middelbaren leeftijd met een

aangenaam uiterlijk voor het raam staan en naar haar kijken. "Daar

is hij, donna Micaela," zei Gandolfo.

Zij was gelukkig. 't Was alsof ze dezen man gered en verlost had. En

meer dan dit. Menschen, die geen phantasie bezitten, kunnen dit

niet begrijpen.

Maar donna Micaela was den ganschen dag in spanning en verwachting. Ze

overwoog, hoe zij zich 's avonds zou kleeden. 't Was alsof zij Gaetano

verwachtte.--

Maar donna Micaela had spoedig wel iets anders te doen dan te

droomen. Den geheelen dag werd ze overstelpt door onaangename

wederwaardigheden.

Eerst ontving ze een brief van den ouden rooverhoofdman Falco Falcone.

Waarde vriendin, donna Micaela,

Daar ik gehoord heb, dat ge voornemens zijt een spoorweg aan

te leggen op den Etna, wil ik u zeggen, dat dit nooit met mijn

toestemming zal geschieden. Ik zeg u dit nu maar dadelijk, opdat

ge aan deze zaak niet meer geld en moeite zult verspillen.

De Wonderen van den Antichrist · 第 59 / 80 题