Toen vroeg hij: "Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf doen?"

Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij

rees op en antwoordde trotsch:

"Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den laatsten dag. En jij zult

hem niets laten merken."

"Neen, dat zal ik niet," zei hij, haar nasprekend. "Een korte ellende

is aangenamer voor mij."

Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante,

omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij

kende wel iemand, die haar helpen zou.

In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld,

en dit is zijn geschiedenis:

Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een

grot op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht,

dat er in de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met

heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig was, dat de

Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het tegen goud

wilden opwegen.

Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich naar

Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd had.

In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en

onder deze beelden was er één van de Madonna, dat heiliger was dan

alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat hij dit beeld

niet zou wegvoeren van Sicilië, maar het hem zou schenken.

Maar de kapitein weigerde dat.

"Ik breng het naar Engeland," zei hij, "en de Engelschen zullen het

tegen goud opwegen."

De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem

door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot vertrek.

Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicilië verloren zou gaan,

maar de heremiet zonk op de knieën naast een der lavablokken op het

strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren.

En wat geschiedde er?

Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen waren

geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen

lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was.

Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den

heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het

schip de haven uitzeilen.

Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu bevindt

het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar heeft in

de domkerk.

Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te

bidden.

Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren

hoek van de domkerk.

Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens een

belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken door

al degenen, die geholpen waren door Diamante's Madonna.

't Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela het

in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen achter

het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der Madonna

schoon was, en straalde van mildheid.

En haar hart was vervuld van hoop.

Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder

Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij,

die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen.

Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven

te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte

Madonna haar zou bijstaan.

Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde

oogenblik van meening veranderde.

Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen,

dat haar vader haar niet behoefde te verlaten.

't Was een morgen, drie weken later.

Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan,

maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa's

winkel om een waskaars te koopen.

't Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou

zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een

geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den

winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en

weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen.

Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar

een jonge man.

Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want

Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar

te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij

zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders

van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend

heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te

verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentinië.

Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot

was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert,

maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen

als zij iets schoons zag.

Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij

herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke

schilderijenverzameling in het paleis te Catania.

Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg

hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een

breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd

door den grooten meester Van Dijck.

Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar

te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die

iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te

zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de

doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij

zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En

het werd een groote wanorde en verwoesting. 't Zou donna Elisa zeker

veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het

heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek

en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer

de zon daarop straalt.

Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was.

Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door

den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot

hen gezegd:

"O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo

weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet

bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd."

Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een

gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad

er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude

edele heeren.

Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op

dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan

hadden.

En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide,

dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht

om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest

helpen zoeken.

Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentinië

te vertrekken.

Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl

hij zelf haar stil beschouwde.

Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te

zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak.

Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen

hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam

en daarmee naar haar toe kwam.

Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende

San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier

wikkelde.

Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te

nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was,

dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter

macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste

plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou

zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te

verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En

nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen.

Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend.

Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden

was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn

opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van

San Michaëls voet?

Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe hij

zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde?

Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het

zacht ter zijde.

Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij

wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk,

maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar

zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats.

En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij

tot haar.

Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen

geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San

Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen

was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen

had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Michaël

gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat

deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet?

Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon

helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan,

die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen,

indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was?

Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond

zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak.

"Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen," zeide ze. En toen

Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging

hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna

beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd,

haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben.

En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen,

die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de

Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren.

Gaetano luisterde aandachtig naar haar.

Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde.

"Donna Micaela," zei hij, "ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in

de domkerk."

"Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?"

Toen steeg een blos naar Gaetano's wangen en hij zei bijna toornig:

"Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de

zwarte Madonna?"

"Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar

gesmeekt en gebeden."

Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen.

Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had

en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan

opnieuw met haar smeekbeden te beginnen.

En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij

geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte,

en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde.

Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond

glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de

toonbank stonden.

"Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?" zei hij.

Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd

al haar zonden af te leggen.

Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw

met de beenwonde te verplegen.

Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven.

Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht

bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar

gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst,

de angst, die haar verteerde! Werd die dan in 't geheel niet gerekend?

De Wonderen van den Antichrist · 第 27 / 80 题