Hij trok slechts zijn schouders op. "Had zij niets anders beproefd?"

"Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd

had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij

legde de rozenkrans niet uit haar handen."

Gaetano's woorden wonden haar op.

Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts:

"Niets anders? Niets anders?"

"Maar ge moet toch begrijpen," zeide ze, "don Ferrante geeft mij

toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het

mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat

toch begrijpen!"

Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der

geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God

dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die

geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen.

"Hij begreep het wel," antwoordde hij haar. "De geheele samenhang

was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De

gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten

hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de

heiligen geen macht hadden.

"Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen."

Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht

en overtuiging uit Gaetano's woorden, dat zij begon te gelooven,

dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren.

Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp

die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar

de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de

armen te doen.

Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij

nog een steek daaraan naaide.

"Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent," zei hij,

terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek.

"Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u

ernst is en geen spel.

"Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien

ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante,

indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna

niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult,

waarom zal ze u dan helpen?"

Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank

vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast.

"Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen,

indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult

storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat

men heiligen dwingt."

Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den

winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom

en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna.

Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond

Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het

gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op

straat gaat.

Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze

bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri's arm genomen

en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over

de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om

te hooren of ze zijn raad gevolgd had.

"Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?"

Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan

gewerkt had.

"Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna

Micaela."

"Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano."

Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want

zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen,

liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de

palmbosschen van den Monte Chiaro leiden.

Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven.

Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante haar gesteenigd

zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze zeide.

Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk gezien

had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De

Madonna was misschien in zoo'n donkeren hoek van den dom geplaatst,

opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en stond

achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien.

Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een feestdag

en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van haar kapel

waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had beneden op

het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de verblindend

witte bloemenpracht.

Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in vertwijfeling

geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, degene, tot

wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat een ramp!

't Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, konden

zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, ze

had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas Athene.

Het was geen Madonna. O, neen! O, neen!

't Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering vereerde! En

wist hij, wat het grootste ongeluk was?

Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze

nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar

haar kijken kon.

Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die

in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar

verteld werden!

Drie weken verspild met het bidden tot haar!

Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was

geen Madonna!

Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den stadsmuur

loopt.

De geheele wereld rondom hen was wit.

Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen verder

op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf onder

een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd welfde

en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van zilver

gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de aarde,

dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was bijna

verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat

zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de

maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en

in den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde.

Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd

voor hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon

niet zwijgen.

Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van

alles. Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke

Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende,

voor den geest geroepen had.

Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de

stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En

zij zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote

koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna

meer bestond.

Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor

die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van

haar afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader

nu in het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar

huis mogen behouden.

Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen.

O, God! O, God!

En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van Diamante

meer vereerde dan iets anders.

Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur

geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen:

"Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap nooit."

Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders

gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het

leven wist te schikken.

Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht naar zich toe

getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een onervaren en dwaas

kind was. Ze werd door zulk een verbazing aangegrepen, dat zij er in

het geheel niet aan dacht weg te loopen. En ze gilde noch vluchtte. Ze

begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals men een kind kust. Ze

ging slechts haastig verder en begon toen te weenen.

Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij

was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en

die haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij

een man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde

medelijden met haar gevoelen moest.

Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde

hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep

hem aan.

Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij

sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door

aandoening.

"Wilt ge met mij vluchten naar Argentinië, indien de Madonna u

niet helpt?"

Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij

niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging

naar de stad terug.

Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar

gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze

plaats zou kunnen verlaten.

Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den

derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken.

Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met

hem vluchten moest.

Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren.

Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd

was, en nu was hij tot klaarheid gekomen.

Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en ruw

door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en beschutting

zou vinden bij een hart, dat haar beminde.

Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en verlangden,

dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote ongelukken

haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de Madonna

weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde ontslaan van

haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche goden wisten,

dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor hem was zij

opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den maneschijn op

den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig kind, dat lang

in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de poort van het

ouderlijk huis is gekomen.

Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard.

Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de

wereld, dat het zijne was.

Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest,

zij moest!

Hij lag volstrekt niet voor haar op de knieën.

Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij smeekte

haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de

zijne was.

Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat

te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet?

Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een langen

tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken.

"Wanneer vertrekt ge?" vroeg zij eindelijk.

"Ik vertrek Zaterdag van Diamante."

"En wanneer gaat de stoomboot?"

"Die vertrekt Zondagavond uit Messina."

Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras.

"Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen," zei zij.

"Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen brengen."

Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer

te zeggen had. Toen bleef zij staan.

"Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen waarheen

ge wilt."

Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te

houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou

vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben.

Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk

doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knieën

geworpen.

"O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe echtgenoote

zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het mogelijke kwaad

van mij te spreken?"

En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te

vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don

Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden

scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden.

Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen.

--En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was met

Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de

moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar

man te wreken?

En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man,

dien zij niet liefhad?

Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een

verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij

dacht geen gezonde, klare gedachten meer.

Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij

opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op

met bidden.

Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde

zich het kleine beeld, dat haar eens bijgestaan had, toen zij in

groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken

ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind.

"Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, opdat

ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak."

Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar

onrust en angst.

"Kon ik slechts een enkel uur slapen," zei ze, "dan zou ik weten wat

ik wil."

Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte

nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij vertrok, en hem

te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het niet verdragen

beschouwd te worden als een gevallen vrouw.

Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze

ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen uur sloeg. En

toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer zeggen, dat

ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet meer. In

den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. Haar scheen

het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had en dat ze

de gelukzaligheid gesmaakt had.

Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan

San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats

in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad van

iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let eens op,

als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter zich,

zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen geworpen

heeft.

't Is niet noodig, dat zij lang omkijken. 't Is niet de moeite

waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen geworpen

heeft. Die kwam van San Pasquale.

Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San

Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met

een zijner steenen wierp om hen te waarschuwen.

En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn

booze plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale's

steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit

opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den

laatsten dag der wereld.

Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen

deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San

Pasquale lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen,

en verzamelde deze in zijn zak.

Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar

San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf,

nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen,

die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker

niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het

ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij

kan ook teekens geven met iets anders dan steenen.

Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters

ziekbed te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende,

en niemand kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen

intijds gewekt? Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om

den pastoor te halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer

begon te wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En

het was San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt

aan zoo iets?

Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze betreft

den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, maar

hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond

niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen,

zonder dat het eene een vloek was.

En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem

waarschuwden?

Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale

voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht

slingerde het heen en weer in zijn lijst, slingerde hard of zacht,

naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen

enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met vloeken.

San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea

ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm,

maar de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch

van amandelboomen.

Daarom is San Pasquale's kerk, zoodra de amandelboomen bloeien, de

schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken welven zich

daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een prachtig

kleed gelijk.

San Pasquale's kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er nooit meer

een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want toen de

Garibaldisten, die Sicilië bevrijdden, in Diamante kwamen, sloegen

ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster,

dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de

kerk te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen

en kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd

werd en nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden.

Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan

de voorname menschen San Pasquale's kerk opmerken. Want hoewel dan

de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, staan toch

de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten kerk.

Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San

Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te

vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot

steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen

om iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst

beter dan San Pasquale.

Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante

vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit

stof bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen.

En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze spuwden

regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er hing

zulk een dichte mist boven Diamante, dat men de overzijde der straat

niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was even

vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de treden

der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle vertrekken,

zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. Maar

zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed

een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van

Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige

uren gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in

een dichten nevel hulde.

En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet

wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden

en daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was

juist Diamante.

Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het

palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij

in haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela

eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was,

vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan

een oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had.

Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot

wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het

begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham's reiswagen

door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk

van San Pasquale.

En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf.

San Pasquale's klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt

worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en

evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel;

men pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken,

dat langs den kerkmuur hangt.

Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch niet

zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene,

die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster

zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om

ze aan den gang te brengen, weet wel, dat de klokken niet kunnen

beginnen te luiden zonder hulp.

Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw was

stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand,

die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de

klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken

heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden

sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt.

Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag

langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had

zij nog nooit gehoord.

Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het

heerlijk klonk.

En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden klinken.

Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op

dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat

de klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven

en liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn. Toen

begon haar hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en

onder het luiden der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht.

En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn

van zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer

verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano

liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten.

En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den grauwen

morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde:

"Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, gij zijt

de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw als

ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen."

Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, dat

haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het pijnlijk

deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden ophouden.

Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde

men nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde

uur.--------

Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich niet

konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu was

het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen het,

alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was alsof

de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien door

den dichten mist.

Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San

Giuseppe's kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de klok

van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van

het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist

zij zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze

slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze

meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg

en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren,

die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal

wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts,

dat de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen,

en dat allen, die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte

men, dat het onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen,

omdat het klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend

maakte. Men kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels

heen en weer slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf

volkomen duidelijk oplazen.

Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien,

die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En

de menschen klaagden, dat de bloemen in plaats van geur klank gekregen

hadden.

Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, zich

op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers

van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen,

die in den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen.

En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur geluid hadden

en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen het

gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de ooren,

terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde men

hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe

alles zich op de maat van het gelui bewoog.

En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het

klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen,

die zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk

en dreunend, alsof San Pasquale's kerk in de onderwereld stond. En

alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela,

die door de liefde voor allen angst behoed werd.

Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist

de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af

wat de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde

dat San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles

wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde

nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem.

Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden,

was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde,

dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het

jaar zouden sterven.

En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna Micaela

en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde.

"O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan San

Pasquale!

"Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt," zei Giannita. "De nevel

verhindert hem niet om zoo ver te zien als hij wil. Hij ziet, dat

een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, dat er een aschwolk

uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en ons zal begraven."

Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San

Pasquale dacht.

"Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die door den

regen verwoest worden," zei ze tegen Giannita.

Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de

klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij

zat stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen.

Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en angst.

Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets

anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde.

En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij

verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een

volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd,

hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag

in den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld

werd op het altaar der heiligen.

Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen

dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis

belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men

slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde

afwezigen geschreven kreeg.

En 't was onmogelijk school te houden, want de kinderen schreiden

den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders met een

gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar huis,

opdat men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde.

Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers een

vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te genieten,

ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten.

En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden.

Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars wonen,

verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en gekleed

ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei aan,

die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des konings.

En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad,

zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de

grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf,

door de poort zou gaan, die hij bewaakte.

En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo

liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van

huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem

bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in

al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank

en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze

meegeholpen hadden hem te bedriegen.

En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap

in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit

aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders

konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen

en beloofden elkaar, dat indien ze in 't leven bleven na dezen dag

der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken.

Donna Elisa's winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen

het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken,

die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts

aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale

voorspelde dat hij op reis zou omkomen.

En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij

verdiende.

Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven

doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden.

Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel

Diamante verwoest zou worden.

In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de

aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen,

zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat

en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs

de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over

hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat

men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta

Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te

overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend

vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën op

den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder

grondeloos was.

De deuren van San Pasquale's kerk waren als altijd gesloten, maar daar

buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met

een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen.

In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San

Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude

vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie

beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een

pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het

beeld, en daarna zonk ze er voor op de knieën. Hoewel velen vonden,

dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand,

die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods

stem tot zwijgen te brengen.

Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice

kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene,

die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen.

Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij

zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees.

Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten

hartstocht in haar ziel luidde.

"Mijn leven begint dezen dag," zei ze tot zichzelf. En het scheen ook

niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want

allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van 't klokgelui

dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona's

was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden.

Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En

allen zeiden tegen hem:

"Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons

worden, don Ferrante?"

Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don

Ferrante's winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui

duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo

te koopen.

Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel,

nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag

bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste

smarten lijdend zonder een woord te spreken.

Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met

de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don

Ferrante zijn straf zou ontvangen.

Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin

ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe

meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel

binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden.

't Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui

en voor de ramp, die het voorspelde.

Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker

verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten,

ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat

er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de

geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde

wegzenden.

Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf

niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen,

wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik

in zijn winkel en zeide evenals alle anderen:

"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?"

En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo

en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere

Palmeri wilde wegzenden.

't Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem

rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen:

"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?"

Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij

volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen,

dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou.

"Nu zal ik leven het groote en machtige leven," zei zij. En het

ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij

zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur 's avonds voorbij

Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu

alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken.

Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig

nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld

te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was

overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet.

Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest

schijnen, bestond niet meer voor haar.

Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer.

Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen

te hooren.

Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de

woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij

zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof

liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij

zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden,

wat het was, omdat er zoo veel menschen waren.

De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto

Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met

zijn mes verwond had.

Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na

veertien dagen geheel hersteld zijn.

Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden

in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te

zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met

eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn

huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit!

Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader

zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied

om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn!

Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart.

Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don

Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het

was zoo.

Zij kon niet vertrekken.

Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was

dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen,

het was zoo, zij kon niet weggaan.

Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en

gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou

zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar

niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar

dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu

nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen

en toch nooit vertrekken kunnen.

De Wonderen van den Antichrist · 第 28 / 80 题