DES LEEVENS KERN.

Des Leevens Kern.

Zooals de kleuren nu mijn hart opbeuren

deeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd,

en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeuren

heeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.

Het Leeven spreekt nu met een klare stem.

Als 't carrillon des morgens van een tooren,

dreunt mij, die opziet, wislijk en met klem

de blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.

Elk lijden waan, zonder bestand noch duur,

elk pijntje¯een wenk en richtvonk onzer weegen,

de waan een toornwolk rond Gods liefdevuur

hoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.

En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vader

digt bij mij, digt, den dag, den nacht--den nacht,

liever dan 't liefst en dan het naaste nader,

de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.

Nu zie ik weer geranium en linde

met 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakt

en zee en duin, die ik als kind zóó minde

mijn manlijk hart met voller vreugde raakt.

Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden!

wanneer herinnren faalt en denkkracht dooft

heb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden,

dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.

Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen,

'k zie gansch den nacht niet om één vonkske licht

en waar een hart zich ópdoet, moet ook vallen

mijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.

Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden,

niemand moog danken, nochthans blijft de lust,

om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden,

ik ken het zoete werk om zoeter rust.

Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwen

d'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht,

geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwen

die zich ontvouwen voor het reegenvocht.

Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden,

geen meerder weetenschap en doet u nood:

blijf 's Leevens kern betrouwen--en de Dood

met àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.

Koele Mei-dag.

De blindend-blanke hagelwolken drijven

trotsch en geducht aan 't hardblaauw firmament

en dreigen met hun schaduw te verstijven

de schuchtre kindren van de jonge lent.

Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig,

gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik,

door den van toorn gebolden stoet onmachtig

groet lieve zon de beidende¯aard tersluik.

Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke loover

ten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen,

de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oover

met tintellooverkes van teeder groen.

De koekoek roept getrouw het voorjaar uit,

de mei houdt vol, bestendig langs de dreeven

schalt nachtegalenslag en lijsterfluit,

en alom zeegeviert het lichte leeven.

De schat mijns harten.

Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,

Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,

Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens

Wisslend geflonker.

Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst?

Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven?

Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken

't Nameloos wonder?!

.............................................................

.............................................................

Het is mijn ster, het is de sterke liefde,

die niemand kan verstaan en niemand ziet,

die alom heerscht, die al vertroost wat griefde,

die stralend schoon uit alle dingen schiet.

Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt,

die zacht als water door geen kracht bezwijkt,

den Satan slaat en voor demoonen veiligt,

die immer buigend booven bergen reikt.

Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragend

in duldsaam beeven uitzag in den nacht,

toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend,

beweezen haar onnoemelijke macht,

Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen,

spijt aller schijndeugd, spot of hindernis,

daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragen

en zacht voor Liefde's kindren is.

.............................................................

.............................................................

Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte,

Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens,

Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer,

eeuwig waarachtig.

Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken,

d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?"

Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weent

voelend verlossing.

Het looverlied.

Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaan

van groote boomen die in duister staan,

weer naar hun machtig nachtgezang te luistren

hun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.

In langen winter zongen barre twijgen

een ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgen

was angstig in den Januari-mist.--

Maar 't loover kwam toch weer--en hoor nu is 't

als een gelukkig volk dat zeegezingt.

Nu juicht het gansche lenteland, er klinkt

fijn geschalmei van voogels in de verte--

zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte

dat door de zwarte bladerschimmen kijkt

en met haar vaag beweegen komt en wijkt.

Ik ga door looverlied en sterreschijn

blij en gerust. Ook in mijn kleine brein

worden nu teedre liedekens gebooren

die 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren.

De wind die 't nachtland als een harpe streelt

in maatgang met mijn stille liedjens speelt.

Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huis

het looverlied verstaat en 't zeegeruisch--

zal ik dan niet in sterker lijf herbooren

den juubelzang der gouden sterren hooren?

Alles voor U.

Alles voor U,--wie is er nog betrouwbaar

dan Hij die 't licht en de gesternten maakt,

van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar,

al wat ons lijf beroert en raakt

is enkel een gedachte¯en teere droom?

De breede zee met witbeschuimden zoom,

zilv'rig beglansd door vluchtige lichten,

't kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken,

wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?--

Gij denkt hem éve' en eeuwig pronken

de groote maaksels voor der schepslen oog.

Het vaste veld, de luchte wolkenboog,

Gij denkt, gij zingt zë,--als een blijde knaap

des morgens gaand langs glinsterende bronnen

zijn zangen zingt, gelukkig na den slaap,--

zoo zingt Gij waerelden en zonnen,

schrijdend langs schitterenden leevensvloed,

door U geleid, ontvangen en gevoed.--

Alles voor U,--gij mijn getrouwe God,

nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vinden

begrijp zoo luttel, zooveel haat en spot,

zoo weinig vrinden en zooveel verblinden--

't Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zou

tot U alleen, bron van begrijp en trouw.

Al wat ik nog aan lieven en aan leeven

te geeven heb, 't is al, 't is al voor U,

maar om Uw lieven wille kan ik geeven

den menschen méér aan liefde, dan tot nú--

Schoon zij mij al niet danken of verstaan

te lieflijker glanst mij Uw glimlach aan.

Hier is mijn hart,--ze noemden het ontrouw,

het was zoo wispeltuurig en zoo grillig,

verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw,

toch is 't standvastig en gewillig.

't Zwierf als een schaap van weide op weide verder,

volgend het roepen van onzichtbren herder.

Als een wit vlinderken ging 't welgemoed

in zachte fladdervlucht door donker dal,

en zocht met vagen schijn een stellig goed:

Uw licht, Uw zoetheid ooveral,--

totdat het door de sombre denne-stammen,

den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen.

Hier zijn mijn oogen,--ach, zoo blind! zoo blind!

Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd,

als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindt

en roept: "een diamant!" en danst

in 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.--

Hier is mijn stem,--die om zoo kleine reeden

geweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak.

Zij deed de menschen luisteren en weenen,

totdat zij steeg en sterker klanken sprak....

toen heeft zij onoprecht gescheenen,--....

Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat,

neem Gij haar aan in haar oprechten staat.

Neem alle sieraad met uw zuivre handen,

al wat er uitblonk van mijn weezen af,

op úw altaar mag door úw vuur verbranden

al wat mij trots en aanzien gaf.

Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren--

maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen.

Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden,

ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft--

Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden,

hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft.

Hoe ik mijn Liefste¯om U alleen bemin,

en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in.

De Staf.

Onrust en donker alomme,

Bang als een doove-en-stomme,

tastend als blind ga ik omme--

Waar is mijn staf?

Ik lijd en moet veelen verdrieten,

ik geniet ook en doe wel genieten,

maar alle vreugd zie ik vlieten

in een graf.--

Ik weet wat alleenig mij rust geeft,

wat mijn angsten gesust heeft,

als 't kind dat moeder gekust heeft

vóór den nacht.

Dit is mijn staf--dat alle dingen zijn

gedachten van een dierbaar, minnend Weezen

gansch wáár, maar anders dan hun schijn.

Weet ik dat goed--weg zijn mijn vreezen.

Dan glijdt de vracht

van dat onrustige van mij af.

Dan voelt de blinde weer zijn staf

Dat is de kus die moeder gaf

aan 't kindekijn.

Maar vergeet ik het éven,

dan heeft mijn staf mij begeeven.

Wáár, wáár is hij gevallen?

Niemand weet het van u allen,

Geen één, geen één,

en ik sta weer weifelend en alleen,

bedenkend hoe toch alles vliet

in het niet.

Mocht ik een Godsgaaf bedingen--

ik vroeg sterke herinneringen

omtrent eeuwige dingen.

Aan de Groote Dichters.

Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigen

des Leevens, waar ons machteloos geslacht

geen zweem van kent, opdat ons niet te buigen

vermoog' hun laag gedacht'.

Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofden

welvend uit diepten van een somber woud,

den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofden

in schaduw droef en koud.

Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen,

niet d'onze, maar der broederen rondom,

die ons bestaan door eigen derving dragen,

't lijf der gerechten krom.

In zorgen gaan wij, Blijden van natuure,

Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,--

dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duure

des meededoogens druk!

Richt óp ons hoofd, als gloedrood in den morgen

de zonbeglansde toppen van 't gebergt',

ontlokt ons schouwen aan de kleine zorgen

waarmee de waereld tergt.

Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar,

geen werk der waereld schoort het of genaakt

de hoogten waar voor altijd en onbreekbaar

uw ziel haar woonstee maakt.

Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden,

bóoven 't gevecht om ruimte¯en 't zwoegen om brood,

leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijden

in weelden sterk en groot.

De waereld is een droom u, één uit velen,

en niet de schoonste,--de verklankte schijn,

't verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelen

van 't ongelijkbaar zijn.

Maar juist door macht dier zeldsame genade

te kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt,

kleedt gij in wondre¯en óoverschoone wade

al wat op aarde prijkt.

d'Oogappels groot en donker op de vonken

van Gods verborgen wonderen gericht

hebt gij 't klein leeven rondom u geschonken

een rijkdom lief en licht.

Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle,

schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand,

juist door dat vuur een luister hoog en helle

aan 't heerlijk Vlaanderland.

Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vinden

in 't kamerkijn, de waereld breed en wijd

voor hunner liefde gloorie kan verzwinden

met al haar heerlijkheid.

En voor een gouden woord van Dante's lippen

een juubel-klinken uit Hebreeër-psalm

zien we¯al ons bangelijk getob verglippen

als spook voor klokkengalm.

Maar wee den dichter die niet staag blijft weeten

dat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt,

hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeeten

midde¯in zijn kracht verlamd.

Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeeten

de rechte waarde¯en zin van wat bestaat

en wij wat van den heemel is niet meeten

naar menschenmaat.

Shelley's Epipsychidion.

Een vuurstorm van vervoerende gedachten

een woord vol flonkerende majesteit

verlicht opnieuw de scheemring mijner nachten

en breekt des leevens vale eenvormigheid.

Waar is een tweede woord als dit ontvaren

aan menschenmond, in al der menschheid jaren?

Dit is geen teeder lied van liefde en leed,

dit is geen mijmerende klacht van minne,

het is een donderende vrijheidskreet

en houdt het helderst vuur van wijsheid inne

dat ziedend in der menschheid boezem lag

en losbreekt met verbijsterenden slag.

Haar klank is uit geweldige geruchten

van donder, zee en stormen saamgesteld,

haar vaart is 't waarmee wolkendriften vluchten,

waarmee een meteoor den nacht doorsnelt,

haar opgang stijgt in ijlste ziele-luchten,

haar macht is meer dan àl wat menschen duchten.

Het is een fonkelende lans gedreeven

recht in den muil van goor en donker beest

dat 't schrikbevangen menschenhart doet beeven

maar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd.

De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagen

waar heldenvoet den eersten stap dorst wagen.

Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwend

in peilloos blauw, de stramme vlerken rekt

en eindlijk, innerlijken drang betrouwend,

den greet'gen hals ver van den rotskant strekt

en stort zich vreesloos in de ruime sfeeren

om d'eigen nooit-beproefde macht te leeren.

Ik spreek in koel bezinnen, noode drijft

heilige waarheid wel-betoomde woorden

tot koener vlucht, want deeze schoonheid blijft

der bliksemschichten helste, die doorboorden

wat als een somber neeveldek bezwaart

't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard.

Het is alsof een volk verworpen slaven

roerloos gekneeveld ligt op donker land,

het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraven

terwijl een vaal gewolk de lucht bespant--

maar één verrijst en doet door machtig wringen

met luiden klank de bloed'ge boeyen springen.

Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht,

en als een gloed-fontein met duizend kleuren

maakt zijn geroep den veegen heemel licht

en doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren,

't verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken,

maar d'englen aan de hellepoort verbleeken.

Gij armen, die niets hoordet, niets begrijpt

gevoelloos in uw dof bestaan verlooren,

weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt.

Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind gebooren

dat van uw doodsch geslacht den boei kan slaken

en uw verdoofde blikken glanzend maken.

Want niets heeft er vermoogen dan de Geest.

Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomen

door wie nog kruipen, siddrend voor het beest.

Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen.

Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister,

haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister.

Stem van Génerzijds.

Het was zoo licht toen ik moest scheiden

de spreeuwen kweelden luide en teer,

en een onnoemelijk verblijden

vervulde veld en atmosfeer.

Een plechtig en verblindend wonder

verrees,--als waar 't voor 't eerst,--de zon,

en bloem op bloem ontsloot zich onder

haar zeegen, naar zij kracht gewon.

De waereld scheen verbaasd te ontwaken

als vond haar 't licht voor d'eerste maal.

'k Zag zwaluwen hun nestjes maken

en zwieren in den morgenstraal.

Ik zag de kiewiet om zijn jongen

klapwieken met bezorgd gerucht--

ik hoorde hoe de meerlen zongen

hun welkom in de luuwe lucht.

De wind bestreek de fonkel-vlieten,

de golfjes plapperden in 't lisch,

't ging al van 't zoete licht genieten

en blonk van dauw en ruischte frisch.--

Ik was niet angstig om te sterven,

maar 't zag zoo luisterrijk op aard,

als had al 't schoon, dat ik ging derven,

zich in één uiterst uur vergaard.

Genooten goed, dat ging begeeven,

had ik u wel genoeg bemind?

Verheeven weelden van het leeven

nam ik u dankbaar, als een kind?

Wist ik mijn korte leevenswijding

te vieren als een heilig feest?

Is mij 't ontwaren tot verblijding,

't bepeinzen tot een lust geweest?

Als vaagde ik zwarte spinneraggen

van oud en kostbaar schilderij,

zag 'k onontgonnen vreugden lachen

voor 't eerst van duistre spinsels vrij.--

O angst, o waan, o booze krankte

der menschen, die ons elk besmet,

die den hartstochtelijken dank te

bewijzen onzen God, ons let,

die ons doet weifelen en doet ijzen

en wroegen, klaaglijk en bedrukt,

waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizen

omhoogvaart, juub'lend en verrukt.--

Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen,

dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan:

"verdrijf die schimmige demoonen"

"die voor Gods lieflijk aanzicht staan!"

"Hard drukt de spijt om noodloos lijden,"

"Om gloorie, door een waan gemist".....

De¯aard was zoo licht, toen ik moest scheiden,

en zooveel schooner dan ik wist.--

Een Minnezang.

Vraagt ge mij zangen?--Maar wie

maakte mijn leeven tot een harmonisch lied?

Weinigen die de melodiëen er van verstaan,

Maar gij toch wel?

Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rik

de leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren,

alleen tusschen de zwarte, stille wolken,

gansch alleen booven de duistere aarde,--

de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme--

hij waakt en zingt.

Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten,

de duistere aarde luistert niet.

Wie heeft mij de troost gebracht en de verzoening

toen ik mat was van strijden,

niet verslagen maar duldend zonder vreugde?

Wie heeft mijn wintersche dagen verkeerd in luuwte?

Wie heeft mij liefde doen kennen zonder bitterheid?

Wie heeft mijn blijdschap hersteld?

Gij weet hoe zwaar het is God te gedenken

in alle donkere gangen des leevens.

Maar door u heb ik Hem niet vergeeten.

Verlangt ge nog meer?

Verzoenster! met u vond ik de zee

de groote zee des vreedes--

en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard,

zij het maar éven.

En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe,

en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren,

en uw geduld is het mijne geworden

onder den zeegen uwer liefde.

Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegen

en hebben mijn hart en handen verlicht--

en de trage nevelen zijn opgeklaard

van mijn voorhoofd.

Welk heerlijk wonder als de vlagen staken,

als het gedonder der stormen ophoudt en de koude

reegen niet meer striemt,

als de zon door langsaam verzwindende wolken

warmte zendt op het verstilde loof,

als dan de reegenzware halmen zich rechten,

en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken,

en het leeven van de ontelbare teedere weezentjes

die wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water,

schuchterlijk hèrbegint.

Ach, zoo zoet was het weeder opleeven

onder den grooten zeegen uwer liefde,

seedert zijn mijn dagen zangen geweest.

Verlangt ge nòg meer?

Neem dan deeze ordelooze stroofen,

ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat,

hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te

machtigen aandrang

van zijn innigheid.

In Memoriam.

Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagen

ten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad,

uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad,

de pijlers breekend die niet konden schragen--

zachte, bescheiden broeder! teedre vrind!

te vroeg gebooren kind van beeter tijden,

waarin der menschen vluchtige uuren glijden

met ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,--

zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren,

die in bedachtsaam en gerust bestaan,

met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aan

en niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren.

Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken,

waar men den nooit-gezienen groet als vrind

en d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt--

werd gij geworpen in de neevelkolken

van dit verbijsterd en mislukt geslacht,

van deeze warre tijden. Blij en goedig

stonden uw oogen in 't begin en moedig

toogt ge ten strijd met al uw kracht.

Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheid

van geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer,

't hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer,

ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid,

want als een giftdamp vol miasmen, smoort

den eedlen geest het kleine, lage leeven

der duizenden, wien schoonheid is om 't eeven,

die spotten om oprecht en innig woord.

Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen,

verweerloos, arme broeder! tot dien strijd,

beklom u 't weeten uwer machtloosheid

telken dag weer, met telkens weer vermannen.

Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed,

door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar,

gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar,

bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet.

Doch strijden moest ge¯of sterven! Niet gedoogd'

uw diep gevoelig hart de koele rust

des wèl-voldanen, die van veil'ge kust

naar storm-geslagen schepelingen oogt.

Als een die oogenlid-loos en gebonden

naar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart,

niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard,

noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden--

Zooals een die in droom zijn huis in vlam

ziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'ren

maar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren,

de stem verstikt, aan alle leeden lam--

Zoo liet der waereld vale, vage nood

u niet meer toe te waken of te slapen--

gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen--

wat bleef er uitkomst als de dood?

Dit is geen tijd voor teed'ren,--als de wagen

van Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,--

toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht

't onnutte wapen, te zwaar om te dragen.

Was 't misdrijf?--Duister is Gods raad ons armen,

ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot,

rondom is argwaan, weifeling en spot,--

zou Hij zich des oprechten niet erbarmen,

die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel?

En wie van ons, bedreigden, durft het wraken

zoo gij geen andre doortocht wist te maken

voor uw bemoeyelijkte ziel?

De dag dringt in mij met dezelfde pijnen

als die u folterden,--zoo ik nog sta,

ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ,

zou mij uw val dan zwakheid schijnen?

* * * * *

Toen kwam er rust,--de rustelooze wind

suist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen,

waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen,

uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind.

Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreede

van 't schoone en goede wat ge vondt en deedt,

en van ons die u minden.--

Zacht betreed

ik nu met stillen dank de vreed'ge steede.

Zelf-Schouw.

Mijn blanke dwaal-ster zie ik staan

in donkerblauwe¯omnachting--

op dorp en duinland schijnt de maan--

in mijn bevreedigd hart vangt aan

een diepe zelf-betrachting.

Ik ben wel een gezeegend wicht,

doch weet dat niet gestadig,--

maar als ik stil mijn aandacht richt

op 't innig zelf, komt steeds het Licht

en wijst het mij genadig.

Geslingerd ben ik her en der,

gedoold heb ik vervaarlijk--

doch schijnt mij mijn verheeven Ster

na elk verdwalen minder ver

en 't leeven min bezwaarlijk.

Een kleine en altijd heldre bron

van glinsterende blijheid,

verberg ik diep, en nooit verwon

mij 't leed, als ik maar woonen kon,

gerust, in haar nabijheid.

Doch 't wilde leeven lokt mij uit--

dan kamp en lijd ik deerlijk,--

tot ik weer hoor haar zacht geluid

en als een bruidegom zijn bruid

haar wéérvind, schoon en heerlijk.

Mijn arme lichaam, teer en broos,

doe ik mij wèl serveeren.--

tot ik het eenmaal, leeg en voos,

te rust zal leggen voor altoos,

als afgedragen kleeren.

Mijn hart behoudt geen spijt of nijd,

't zoekt ook zijn lust niet grillig.--

Door onbesuisde teederheid

heeft het wel veelen leed bereid,

doch griefde 't niemand willig.

Mijn weezen heeft een tragen gang

't wil tijd, zich te bezinnen,

't vreest pijn te doen en mijmert lang,

maar vaart dan plotsling uit, nooit bang

iets hachlijks te beginnen.

Waarheid is mij, wat 't kindekijn

de borsten zijn die 't voeden,

doch weetend dat zij schoon moet zijn,

vergrijp ik mij aan schoonen schijn

vaak tot mijn handen bloeden.

En onontmoedigd, weederom

zoek ik wat goed en eerzaam

aan elk is, wien ik teegenkom--

want hoezeer onbesuisd en dom,

toch ben ik niet onleerzaam.

Ik acht mij maar een kleine man,

bedeesd en zwak van krachten,--

doch welke macht ter waereld kan

verslaan wie stijgt op vleuglen van

zijn godlijke gedachten?

't Liefst ging ik als een zorgloos kind

aan vaders hand door 't leeven.

Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind,

zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind,

om hem vertrouwelijk en blind

mijn kinderhand te geven?

Toen moest ik wel, met zware dracht,

den schijnbren hoogmoed dragen,

alleenstaand met begrip en klacht,--

en aan de sterren van den nacht

om eenen Vader vragen.

Mijn eigen, echte makelij

doet veelen zich bedriegen,

ze noemen 't spel en hoovaardij,

en als ik eerlijk spreek en blij

dan heeten ze 't me liegen.

Ik word geliefd, ik word gehaat,--

noch Eer is 't, noch Beschaming,--

want wie mijn weezen niet verstaat,

hij raakt mij niet, maar mint of smaadt

een pop, met mijn benaming.

Mijn Vader maakte mij gewis

aldus, opdat ik leere

hoe ijl der menschen oordeel is,

en ik mij van hun ergernis

tot Zijn vertroosting keere.

Julius Oldach.

Wohl nicht umsonst trägt Frau Germania

so stolz die Krone und so hoch den Busen,

errang sie doch den Ehrenpreis der Musen

für Poësie und Musika.--

Jedoch es schien gar Manchem unterdessen

als hätte längst Sankt Lukas sie vergessen.

Sie schenkte einem Dichter oder Gleichen

ein weihe-volles Leben ohne Schmach,

und es umspült der göttlich klare Bach,

der Seelen Labsal, ihre Eichen.

Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben,

nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben.

Es brüstet sich zwar mancher Genius

den Holbein und den Dürer zu ersetzen,

doch giebt die ferne Nachwelt einen Fetzen

für Kaulbach und Cornelius?

Da giebt's viel Tuch, viel Akten, und Gewänder--

doch flüstert man: "es bleibt nur Oberländer".

Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronen

wo es zu viel des Ruhmesstolzes fand,

nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand,

sodass die biederen Teutonen

den Bismarck hundertmal in Erze giessen,

und Julius Oldach arm krepiren liessen.

Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick,

er hat gemalt wie die von Gott erhellten

und seiner Seele ungeheure Welten

gedrängt auf tellergrosses Stück.

Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt,

es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt".

Nicht doch!--es hat kein Mensch noch so volkommen

gesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich.

Wer war's der an Verwegenheit ihm glich

und siegreich ist davongekommen?

Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus.

Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus.

Nach tausend Jahr und abertausend Jahren

da wird wohl mancher Schüler kaum noch rathen

was Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten,

ob's Krieger oder Krämer waren....

doch schmählich wird die blinde Welt genannt

die Oldach ein Jahrhundert lang verkannt.

De Klok[1].

Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.--

Omlaag in de glinstrende gangen der stad

dwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes.

Peillooze nacht

toefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren.

_Posuït me in tenebris_--...

Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte...

Ver beneeden raasde de storm van Londen,

de ondiepe storm onzes leevens

onder afgronden van eeuwige stilte.

..._et in umbra, mortis_.

In de donkre tooren hing de klok en wachtte.

Onder de klok, elk in zijne steede,

sliepen de strenge dooden.

_In tenebris stravi lectulum_....

Eén voor één, onder den machtigen tooren,

legden de leevenden hen.

Maar hun warm leeven slaapt met hen, inniger

dan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer,

leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent.

..._et in polvere dormiam_.

De klok omhoog toefde booven de stad.

Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneeden

in de donk're klok beslooten stemmen fluistren,

hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht.

Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte.

_Cor meum conturbatum est_--....

Dood--en de wolven van Vrees waarden in 't duister.

Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte,

golfden rondom de klok, als in benauwen:

"verlos ons, o gij die toeft!"

"Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees,"

"Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!"

"Hoort! gij leevende zielen,"

"hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen"

..._formido mortis cecidit super me_.

"Dit is de doem des Doods en géén ontkomt."

"Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken,"

"de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden,"

"Dood duldt géén gezellen."

"Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen,"

"zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig."

"Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond"

"langsaam zijn zwichtende vleesch."

"Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten,"

"liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken."

_Sicut umbra quum declinat_.

Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.

Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen:

"Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag"

"van het getemperde leeven, gij die nog waakt,"

"hoort! het woord van den Dood:"

"de gerechte sterft en ook de zondaars sterven,"

"Dood heeft maar één domein."

--_Unus introitus est omnibus ad vitam_--....

"Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt,"

"of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt"

"jagend naar lust of macht."

"Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave",

"vult met duister het brein, de handen met stof."

...--_et similis exitus_.

"Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte."

"Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht,"

"tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?"

_Sic et nos nati_--...

"Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap."

"--Maar alles vervalt den Dood--"

"hem die in smart uit dit leeven verlost wordt"

..._continuo desivimus esse_.

"Al het geboor'ne is een prooi des Doods,"

Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaar

Londen omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer,

ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels,

onder de kalme sterren,

plechtig en diep sprak de klok in de stilte:

_Pax Deï_--...

sprak het met God als alleen, in zeegening.

Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang,

vreede als van hem wiens werk is voleindigd!

Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht.

Dank zij Goode! den geever,

Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aarde

éven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken,

... _quae exsuperat omnem sensum_.

sprak het de zware klok in des middernachts diep.

De machtige stem, aan de stilte zich bindend,

deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stad

in lange golven van klank.

_Qui confidunt in Illo intelligent veritatem._

Hooge konde des Doods aan het Leeven.

Zooals de wind vaagt van het heemelgelaat

en onder zich ophoopt tot warre gestapelde massa

de gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonend

de sterren in hoogte oover hoogte,

zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevens

verstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende.

_In lumine tuo videbimus lumen._

En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven.

Toen hoorde beneeden de wachter te middernacht

hoe het geluid van den Dood

oover de stad hong in zeegening,

het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden,

alle gerechte zielen.

Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap,

verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad.

_Pax est electis Ejus_.

En vreede vervulde de diepe bronnen des harten.

Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders.

Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd,

de blijde ziel van den doode

weerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid,

zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding,

welkom de dierbare ziel tot den Vader.

_Justorum autem animae_....

Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.

En hij die rouwde in wake, onder den tooren,

hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbare

majestatische stilt' des begravenen Tijds.

En de jaren van hem die gestorven was

hoorde hij vallen als water, gestort van een schaal

in de woelende, vage, vervormende zee.

De getelde jaren vielen

en mengden zich met 't oneindig verleeden.

...._in manu Dei sunt_.

de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid.

Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend,

hoorde hij en 't vloeyen aller wateren

tot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee,

en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee,

voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde.

en hij zag van hem die gestorven was

de jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart,

_Non tanget illos tormentum mortis_--

en floerslooze sterren opluikend om de aarde.

Toen in den tooren, onder der starren schare,

booven de gescepterde dooden, de leevende werkers,

elk in zijn leeger van ruste,

zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegende

zorg en rust,--de Engel van Vreede onuitspreeklijk.

_Pax in aeternum Deï_.

Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht.

[Footnote 1: Naar het Engelsch van Margaret Wood. Lijkzang bij den dood

van haren vader, Bisschop van Londen.]

Vrees niet.

Lieve gezicht, met uw angstige oogen,

vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek?

Denk onzer minne geweldig vermoogen

waar zooveel onrust en euvel voor week--

En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger min

ons sluit met haar getrouwe vleuglen in.

Had je mij altijd door, avond en morgen,

bleef je mij ooveral eeuwig nabij,

dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen--

waarom dan ben je nu angstig om mij?

Vergeet je den veel liever Minnaar dan

die nooit en nergens ons verlaten kan?

Op de heuvelen.

'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining,

en de akkerkleeden, groen en geel geblokt,

ik zag der wolken blindende verschijning,

in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt,

ik zag rondom, als de verstijfde omlijning

van een azuuren hoogbewoogen zee,

't wijd vergezicht, in eindlooze verfijning,

tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee.

Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loover

gloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,--

en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover,

de kleine huisjes waar de menschen zijn.

Het was der aarde moederlijk ontmoeten

d at mij beving met nameloos ontzag,

'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten,

zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach.

'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen,

als 't kind het eerste woord uit moeders mond,

terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzen

hel-stralend booven purpren horizont.

Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denken

en mijn vervaard oog ving een ligt gerucht

van wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenken

in majestatisch kalme heemel-vlucht.

Toen keerde ik in,--en vond mijn ziel zóó vreugdig

en mijn geluk met een zóó diep verschiet--

'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdig

en een zoo onomfloerst genieten niet.

En toch!...waar bleeven thands de zoete liefden,

de hart-verlangens van mijn jongen tijd,

mij eenmaal 't dierst?--wat macht'ger drang verhief den

geest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid?

Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder,

met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer,

hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder,

maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer.

Thans moet ik noode wijder ruimten peilen,

de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al,

onweetend waar zij weer tot rust verwijlen

wat nu haar voorig heil vervangen zal.

In wat hier helderst is kan 't oog niet staren,

en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft,

zoolang 't geen wonderteeken kan ontwaren

dat zegt wat leeven aarde en zonne leeft.

Het avondt zachtkens,--duizend, duizend wolkjes,

als fijn blank schuim met glans van parelmoer,

betrekken met hun raadselvolle kolkjes

in stillen wenk den blauwen heemelvloer,

en ik berust.--De lichtstem der planeeten

drong éven door, met de echo van een woord.

Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten,

niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.

Het Gebergte.

De bergen gingen schuil en er ontstonden

sombre wolkvormen booven 't glanzig meer;

die dreeven weiflend, wentlend heen en weer,

stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden.

Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlak

en de seréniteit der wouden brak!

Waar hoog met zilvren letters stond geschreeven

der aarde schoonste en heiligste gedicht,

in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht,

was niet dan duister neevelgrauw gebleeven,

dat onontraadseld, onverstaan, onttoog

het woord der bergen aan mijn dorstend oog.

Ik had hen niet verstaan, schoon 'k dag aan dag,

in heevige aandacht, 't spel der harmonieën

van wit en grauw, bekleed door draperieën

van zonbeglansde wolkenvacht, bezag,

't steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen,

en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen,

als een droefschoone roep om weederzien,

onder des heemels zacht verbleekend blauw.

Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauw

of, angstbeklommen, teevens hun ontvlien.

Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dan

de stem der zee, die zóó ontroeren kan;

maar 't luiden van uw zang is zóó verheeven,

en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag,

dat ik onmachtig in beklemming draag

't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven.

En dat bij 't glanslied van uw majesteit

mijn hart verwelkt en om verzachting schreit.

Ik zocht in liedren, die de menschen zingen,

wat zich het innigst aan uw schoonheid paart,

maar er weerklinkt geen menschenzang op aard,

die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen.

En er ontstond een weemoed, die niet zweemt

naar uw geluk, en is uw Weezen vreemd.

Ik klom toen hoog naar de bezonde weiden

waar, opziend tot den blauwen ether, staan

kelken van dieper-blauwe gentiaan,

waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijden

door lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind,

dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt.

Daar is de waereld als een droomgezicht

van licht en stilte,--booven 't sneeuwwit ronden

zich donkerblauw des heemels diepste gronden,

en alles laaft zich aan het gouden licht,

tot van het schamel gras de teerste sprieten,

in roerloos, onverzadelijk genieten.

Daar dronk ik ín een laafnis koel en zuiver,

en onderging de gloorie deezer wondren,

ik hoorde huivrend de lawinen dondren

in grim'gen afgrond,--en verwon den huiver,

tot 'k immermeer verlangend werd te kennen

en aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen.

Toen schoot, uit 't Heiligdom dier heldre spanning,

de berg-storm los, als een verwoede hond,

zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,--

en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning.

Als bij het toornen van een reus, getergd,

fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt.

't Vervaarlijk Lijf van ros en grauw gesteent,

door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid,

omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.--

En ik had niet begreepen,--niet geweend,--

mat waren al mijn vragen, al mijn beeden

't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden.

Met al den last van leed, om niet gedragen,

al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht,

smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht,

met al wat m' in verwondering doet vragen

wat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft,

waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,--

met àl de in smart gekeetende gedachten,

met al den twijfel, dien geen reede sust,

met al de vragen, die in doffe rust

't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten,

keerde ik weerom, zooals ik was gegaan,

en trad met 't oud geduld de doodsche baan.

Dag zonder troost! dag van deemoediging,

van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht,

waarin het hart moet wenschen wat het ducht,

en van 't geduchtste de bespoediging......

Totdat een nijpend lieve melodie

de vale neevelwade scheurde.... en zie!--

En zie!--toch had de Onkenbre mij gewijd

en mij een sprank geschonken van zijn krachten,

zoodat ik rustig schouwde in dieper schachten

dan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd.

'k Zag waangestalten vluchten langs de wanden

en de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden.

Was 't dâárom dan, dat zoolang bleef geslooten

voor teerder zangen mijn gestrenge mond?

Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vond

waarmee voorheen de liefde-liedren vlooten,

hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefde

den weeken harte-boodem dieper kliefde?

Vergleeden leeven! lieflijk heuvelland!

waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyen

oopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyen

met woud en wingert, rossig in den brand

van warme zon,--waar blijde menschen gaan,

waar stil en slank de popelreyen staan,

waar van dorpskerkjes vroome klokken galmen,

waar vriendlijk volk, geduldig en tevree,

als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee,

en Zondags dankt in onverstane psalmen,--

waar men op heldren dag den sneeuwberg ziet

als heerlijke oogenlust in ver verschiet,

maar van zijn ijz'ge grimmigheid niet weet;--

waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden,

maar rust gevonde¯in liedren en gebeeden

en schoone Zaligheid in alle leed....

Vergleeden leeven! droefheid zonder naam

perst mij, als ik U zie, de lippen saam.

De droefheid van een vader, die vergrijsd

in zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlend

van 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlend

de pracht der bonte vizioenen prijst.--

O bittre glimlach om gewaande prachten!

O Vuurhel der verwoestende gedachten!

De glimlach van een martlaar, die vóór de ooven

in diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint,

en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kind

verrukt het spel der vlugge vlammen looven....

Gelukkig volk der blijde landen! weet

dat al uw waarheid nog verwoesting heet.

Maar ook des vuurs vernietiging is schijn.

Het kan de werking van 't bestaande wenden,

maar niet des weezens vaste kern doen enden,

of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn.

Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaan

door wat nóg schooner is, en blijft bestaan.

En weet het, allen! die in zulke beemden

van dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt,

dat ginds het barre Hooggebergt verbeidt

het uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden,

het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren....

De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren.

Gij, die de blindheid kiest, en mij beklaagt

om 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen,

om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen,

uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd.

Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten,

wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten.

Uw vroomheid is hen schennis en Godslastring,

uw liefde haat, uw dankgebed een hoon,

als vijand teegen vijand staat hun schoon

oover het uwe, en stormen van verbastring

zullen verdervend door uw waereld woeden--

als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden.

Wreed is de Liefde van wat onverganklijk

en hoog-verheeven is, en wreeder doet

het schijnen wie Zijn zeegening ontmoet

en wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk,

zoodat hij liefdeloos heet en verblind,

naarmaat hij méér, met vaster liefde mint.

En alle trouw aan Hem die niet vergaat,

heet ontrouw onder menschen, die niet lijden

wat stoort hun kleine vreede en klein verblijden.

Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaad

die na geduldig en hartstochtelijk dingen

één lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen?

Nog eenmaal zie 'k de blank gekante kroonen

in klaren dag, in statig kalme pracht,

als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht,

nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonen

hun stralend Heil, omgord door sombre wouden----

Gij gaaft, Gebergte!--Ik nam, en zal behouden!

Goede Werking.

Veel kleine, nijdige dwazen

wilden mijn kaarsjen uitblazen,

toen werd het in mijn hand

een machtige fakkelbrand.

Mijn Vrienden.

Ik droeg mijn baloorige vrienden

't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden.

Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd,

ze hebben zichzelf nog méér geblameerd.

Op 't schande leeger, mij toegedacht,

liggen ze zelf eens, niet heel zacht,

en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht,

van die zelfgespreide bedden

in der eeuwigheid niet meer redden.

Dichter en Geleerde.

De Dichter is een neuswijs kind,

dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt.

Hij spreekt met bergen, maan en zon

alsof dat alles leeven kon.

De Dood zelf lijkt hem een bedrog,

zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog.

Maar de Natuurgeleerde

doet juist het omgekeerde.

Zijn heedendaagsche weetenschap

is wonder-slim, en wonder-knap,

want die verklaart, met wijsheid groot,

het Leeven door den Dood.

Besluit.

De waereld scheen mij zoo droef-bevolkt

en de weg der menschen zoo'n harde baan,

dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkt

en kommer-beladen door 't leeven te gaan.

Maar ik schepte een licht verblijden

uit een bronwel booven de tijden,

daarmee wil ik voortaan enk'len

der aandachtigsten besprenklen,

en de tijden doorschrijden met ligten tred,

en ooveral waar ik mijn schreeden zet

een lichtdrop plengen den droeven,

maar niet in hun duisternis toeven.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 37 / 42 题