XXV.

't Is niet om mij, 't is om ons droef geslacht

dat nog die wonde branden blijft hierbinnen,

want ik moet haten teevens en beminnen

en liefde blijven geeven waar 'k veracht.

Zoo was Hij niet, die met gelijke kracht

geliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen,

en zich van 's Waerelds einddoel en beginnen

en d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht.

Maar in mij gloort een vonk van nieuwen dag,

wèl ongewis nog en in hachlijk beeven,

maar voorboô van een ruimer, schooner leeven

dan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag.

Zoo zal ik dan, welweetend, zonder klagen,

dit heilig lijdensmerk geduldig dragen.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 36 / 42 题