Bladz.
Dante en Beatrice.
Inleiding 5
I-XIV 8
XV-XXV 25
Andere Verzen.
Des Leevens Kern 39
Koele Mei-dag 41
Schat mijns Harten 42
Looverlied 44
Alles voor U 46
De Staf 49
Aan de Groote Dichters 51
Shelley's Epipsychidion 54
Stem van Génerzijds 57
Minnezang 60
In memoriam 63
Zelfschouw 67
Julius Oldach 71
De Klok 73
Vrees niet 79
Op de heuvelen 80
Het Gebergte! 83
Goede Werking 91
Mijn Vrienden 92
Dichter en Geleerde 93
Besluit 94
De Rivier.
De zoomerzon uit violetten damp
beglanst met kooperrooden schijn
de blanke vloeden van den Rijn--
die gaan door 't volkrijk land
in bochten breed en machtig--
de stille boomen ter weerskant
staan aan den zacht-bewaasden zoom
te spieglen als in droom.
Des diepsten Zelfs indachtig
zie ik de groote pracht rondom--
zoek in der ziele kerngrond om,
't is daar al eeven prachtig.
Wat kan er zijn
nog bron van pijn?
Gij lieven allen die nog lijdt,
om mijnentwil in droefheid zijt
waar komt uw smart vandaan?
Waart gij maar diep, maar diep gegaan
in allerdiepste diepten
des Zelfs, gij vondt er enkel pracht.
Ik vond er enkel liefde.
Wat heeft u dan tot klacht gebracht?
Bestaat er kwaad
ook zonder haat?
Nu zie 'k der menschen wonderwerk
de graauwe, goud-bekruiste kerk,
een ruigt van spitsen, teer en sterk,
aan bleeken horizont.
O menschen, hoe hebt gij 't gedaan
't Schoon wat ik in mijn binnenst vond
zie 'k heerlijk voor mij staan.
't Betrouwen op Gods liefde en recht
voor eeuwig, machtig uitgezegd
in prachtbouw, fijn en hecht.
Laat, lieven, allen u verblijen,
niet minder vast, niet minder schoon
staat in de ziel uw heil'ge woon.
Wat valt er nog te schreyen?
De Planeet.
Blank-glanzende planeet
betuurt aandachtig weeder,
strak-fonklend en teeder,
mijn stillen avond-weg--alsof zij weet--
Gaat hare hooge baan,
blij-beezig, zeer verheeven,
zelf wel vol moeizaam leeven,
doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan.
Stelt mij mijn hart gerust,--
zóó hoog en zóó ontzachlijk!
Scheen 't àl daar-éven hachlijk,--
mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust.
Haar scherp gekijk behaagt
wie eeven klaar durft schouwen,
wiens blik niet zal verflaauwen
door 't lastig leeven dat hij lachend draagt.
Als zij, mijn glans-planeet,
draag ik een volk van zorgen,
toch vindt mij elke morgen
tot strengen gang in heldre vreugd gereed.
Wat bergt zij, wonder-ster,
voor vreemd, gestaltrijk woelen?
Kent zij mijn licht bedoelen?
Eens ken ik 't hare--al is zij nóg zoo ver.
Mijn Bloemenpleegster.
Goede verzorgster van de blijde bloemen,
die fleurig rond mij staan in elk seizoen,
ik blijf uw naam met eender wijding noemen
als toen.--
In veeler vrienden plaats vond ik een Vader,
in meenig scherp gevecht vocht ik mij vrij,
maar niemand kwam mijn diepsten hartsgrond nader
dan gij.--
Mijn leeven staat thans wonderbaar bescheenen
door glans dien gij niet kent en bijna vreest,
doch hij vermooit van al ding om mij heenen
ú 't meest.--
Door eigen leed alleen kunt gij mij deeren
gij doet mij lief, al doet ge mij verdriet,
ik moet u goed zijn, of ik 't zou begeeren
of niet.--
Zoo pleeg met mij in bloeme¯en kindren beiden
de schoonheid waar ons beider hart in leeft,
en wat ik u onwillig heb doen lijden,
vergeef 't!--