XXIV.

Wie eens uw watervelden heeft aanschouwd

o zee! waaroover zilvren glanzen glijen

en zag uw eindelooze golvenrijen

aanstrijken van de kimme, grijs en goud,

wie ééns met uwer blauwe woestenijen

schriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd,

en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud,

d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen,

hoe kan die anders dan in smachtend dulden

de droefheid ondergaan van enger sfeer?

Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meer

schoon aarde en zon hem elke wensch vervulden.

Hij wil de wijdheid der verlaten kusten

als kon hij nader dáár aan Gods hart rusten.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 35 / 42 题