XXIII.

Thans weet ge, als ik, dat d'Almacht hooger troont

dan uw goud-vleugelige zangen steegen,

en dat de ziel langs nog benarder weegen

't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont,

en dat alom daarbuiten is geleegen

de macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont,

en dat Gehenna geen verschrikking toont

zóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen.

Wat is er Hel, 't en zij de Hel van Waan

waar, door een schijn verblijd, wij armen allen

verspeelen ons kortstondige bestaan,

om lachend in den muil des Doods te vallen?

En God ziet toe, hoe ons wuft leeven vlucht,

maar van zijn strengen mond valt geen gerucht.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 34 / 42 题