XXII.

De Stem des Lichts, die dóórbreekt ooveral,

doet dreunend òp de gouden heemeldeuren,

en de verborgen duisternissen scheuren

door 't verre daveren van haar geschal,

dan baart de troostelooze nachtgrond kleuren,

dan bloeit de leelie in het diepste dal,

dan stort zich, als een gouden waterval,

vreugde in het hart van allen die daar treuren.

Voor Wijsheid's aanblik houdt geen jammer stand,

voor haar handheffing zwicht de vale ellende,

waar zij haar wèl-betoomde rossen mende

gloeit al het leevende in haar stralenbrand.

En als de bloem naar d'ongenaakbre Zon

wendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 33 / 42 题