"_De Zeegenbrengster_" luidde uw naam, o milde,
aan wie de waereld zooveel zeegen dankt,
wier brooze leeven, marmervast verklankt,
den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde.
Ach, blanke liefde-zuil, bloedrood omrankt
door vuurig lied,--één vriendlijk groeten tilde
den Held in 't licht,--dat uw zacht aanschijn wilde
nogmaals verlichten wie er doolt en wankt!
Het menschdom stroomt, langs onheilvolle weegen,
de stralende uitkomst angstig tegemoet.
Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen!
Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen!
Hoe reiken zij de handen, om den zeegen
van Liefde's minnelijken, zachten groet.