XVIII.

Mijn hart smacht naar dat verre vaderland,

waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen,

toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen,

zich ziel aan ziele spon met teedren band.

Toen, door dat bliksemfelle licht geslagen,

verhief zich ons verwonderde verstand,

en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen brand

en om terugkeer naar dat licht-heil vragen.

Dit is mijn smart, dàt raakt het diepste weezen

van al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klank

van innigheid aan deeze zwakke zangen--

Gij steegt omhoog, op wieken, sterk en blank,

van een grootmachtig, triomfant verlangen--

mijn wonde brandt nog altijd ongeneezen.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 29 / 42 题