Gij werdt gebannen uit uw vaderstad,
gij moest het bittre brood der deernis eeten
en kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten,
wat hulde en glans de vreemde voor u had,
en nimmer heeft één, zooals gij, geweeten
hoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad,
herdenken van verlooren vreugde-schat,
van vroegre banden ééns voor àl gereeten.
Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't land
mij booven allen dierbaar en gemeenzaam,
waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,
en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam!
Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld?
Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld?