Mijn Land, mijn Land, hoe blinken spiegelklaar
uw vlieten in de riet-bewassen zoomen,
stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen,
kalm ligt het vreedige gehuchtje daar
met toorenspitsje en moolentje, te droomen,
breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar,
die statig aandrijft uit de kimmen, waar
het zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen.
Mijn Land van weide en rustloos winde-lied,
gij hebt de pracht van Arno's bloemen niet
en niet de grootschheid van Ravenna's wouden,
mijn Land, toch deed gij mij, als Hem, verstaan
wat in 't verganklijke niet kan vergaan,
wat ons van 't aardsche leeven voegt te¯onthouden.