XV.

't Zij dan door zesmaal honderd jaar gescheiden,

't zij dan zóó ongelijk van maat en macht,

zijn telgen wij nochthans van één geslacht

en draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden.

Als klank van verre kerk-klok in den nacht

d'eenzamen dwaler oover duistre heiden

vertroostend meldt waar zijn verwanten beiden,

waar hem de lang gederfde haardstee wacht,

zoo heeft van ver 't plechtstatige geluid,

bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden,

mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid,

en d'ooren van 't verlaten kindje hoorden

met grooter vreugd de moeder niet, die 't riep,

dan ik die roepstem uit der eeuwen diep.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 26 / 42 题