XIII.

Wat zegt het najaar dat de blaren strooit,

het rul-geworden zomerloof doet zwijgen

van voogellied,--en leevens-weeke twijgen

met harde doodspracht van kristallen tooit?

Wat zal het leeven van zijn schoon herkrijgen,

door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid?

Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooid

terwijl de welkende geslachten zijgen?

Er staat een boom, in lichten Hof geplant,

zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len,

zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand,

zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'len

van voogelzang. Elk looverken een ziel

versterkt zijn machtig Leeven, éér het viel.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 23 / 42 题