XIV.

Ze noemen Liefde wat de ziel doet zieden

in helle vreugde van een oogwenk duur,

in lijden leevenslang,--met ieder uur

zien ze haar vluchtige bekooring vlieden,--

een sidd'rend glimpjen onstandvastig vuur

in woestenij van donkre doods-gebieden,

waar alle dingen zonder zin geschieden

naar starre wet van ijzige natuur.

Maar Hij, die op vervaarlijken en verren

boet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam,

kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam,

Hij gaf éénzelfden naam aan d'ééne Macht,

die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht,

en die de Zon beweegt en d'andre sterren.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 24 / 42 题