VIII.

De voogel Waarheid mijmert bij mijn hand

en peilt met ingetrokken kop de gronden

des heemels,--als verlangend naar zijn land

terug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.

Ik wacht in ootmoed, heilige gezant!

Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden.

Vertoef! en doe mij weeten en verkonden,

eer gij ter opvaart weer de wieken spant.

Ook hij, de zanger, hield u niet gevangen

in zijner lied'ren goudenkoordig want

en kon ter uwer woonsteê niet gelangen

eer zij, die hij beminde,¯uit Liefde's hand

zijn hart met al zijn bitterheid verteerde

en zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 18 / 42 题