De voogel Waarheid mijmert bij mijn hand
en peilt met ingetrokken kop de gronden
des heemels,--als verlangend naar zijn land
terug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.
Ik wacht in ootmoed, heilige gezant!
Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden.
Vertoef! en doe mij weeten en verkonden,
eer gij ter opvaart weer de wieken spant.
Ook hij, de zanger, hield u niet gevangen
in zijner lied'ren goudenkoordig want
en kon ter uwer woonsteê niet gelangen
eer zij, die hij beminde,¯uit Liefde's hand
zijn hart met al zijn bitterheid verteerde
en zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.