IX.

Het was dezelfde wonderbare vonk

die oover mijnen opgang heeft geglommen,

waaruit de groote gloeden zijn geklommen,

die hij, de meester, onzer waereld schonk--

en die hem veilig voerde door de drommen

van spooken in hun gruuwlijken spelonk,

tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonk

in 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen.

Zoozeer verscheiden zijn twee menschen niet

door ééne Hand uit eender stof geweeven,

of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen liet

is 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven...

O àl te machtig, àl te teer ontroeren!

mijn hand ligt stil--kan 't schrijftuig niet meer voeren.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 19 / 42 题