VII.

Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnen

als fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór,

en liet in vuur uw zondaars-hart verreinen

en hield het brandende¯aan de waereld vóór,

hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnen

gekend, verwonnen en als meteoor

doen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen,

den menschen-volken tot belichtend spoor?

Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent,

të eenzaam en të innig voor gedichten,

hebt gij dat óók aan uw zielsfirmament

genageld en als richt-gesternt doen lichten?

Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wend

tot onzen God u, die weet, en zal richten.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 17 / 42 题