Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnen
als fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór,
en liet in vuur uw zondaars-hart verreinen
en hield het brandende¯aan de waereld vóór,
hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnen
gekend, verwonnen en als meteoor
doen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen,
den menschen-volken tot belichtend spoor?
Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent,
të eenzaam en të innig voor gedichten,
hebt gij dat óók aan uw zielsfirmament
genageld en als richt-gesternt doen lichten?
Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wend
tot onzen God u, die weet, en zal richten.