Wie ben ik, als ik denk aan u, mijn held!
ik kleine,¯in 't klein-gevoelend volk begraven--
maar toch!--wat zoeten drank van min zij gaven,
mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld,
naar minder niet, dan wat uw mond mocht laven,
kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld.
Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt,
heb ik voor alle tijden willen staven.
Uw stroom is majestatisch neergedonderd
met wentelsprongen tot den blanken plas,
maar als een zwoel, vermaledijd moeras
houdt U van mij mijn tijd en volk gezonderd.
En daar was géén, ik zeg u, die verstond
de taal der stroeve plooyen om mijn mond.