Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleeden
dat allerteerste, allerzoetste leed?--
Door dagen vuurig en door nachten heet
zaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:
dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden,
die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!....
en naar de zoete folter dieper beet
hebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.
Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf,
den wonder-broozen kinderdroom wou breeken,
dreef 't u van haar op verre weegen af,
maar kon den innerlijken glans niet bleeken.
Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven,
dien eersten luister liet gij u niet dooven.