V.

Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleeden

dat allerteerste, allerzoetste leed?--

Door dagen vuurig en door nachten heet

zaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:

dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden,

die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!....

en naar de zoete folter dieper beet

hebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.

Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf,

den wonder-broozen kinderdroom wou breeken,

dreef 't u van haar op verre weegen af,

maar kon den innerlijken glans niet bleeken.

Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven,

dien eersten luister liet gij u niet dooven.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 15 / 42 题