O meester, zag ik met mijn geest de bron
des ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloeden
na eeuwen nog een dorre waereld voeden,
die zulke weelde zelf niet baren kon?
Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon,
drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden,
nog voelt een dichterhart of 't moest verbloeden
zoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.
Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht!
Het kinderfeest, de blanke bloemenstad,
de schoone maatschappij, nog jong en blijde--
Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje nat
uit woudenrijk gebergt, en babbelt zacht
waar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.