IV.

O meester, zag ik met mijn geest de bron

des ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloeden

na eeuwen nog een dorre waereld voeden,

die zulke weelde zelf niet baren kon?

Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon,

drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden,

nog voelt een dichterhart of 't moest verbloeden

zoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.

Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht!

Het kinderfeest, de blanke bloemenstad,

de schoone maatschappij, nog jong en blijde--

Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje nat

uit woudenrijk gebergt, en babbelt zacht

waar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 14 / 42 题