Toen zag 'k twee felle donker-vuurige¯oogen,
in streng en ernstig knapen-aangezicht,
onafgewend naar 't lieflijk wicht gericht
door óóvermacht'ge tooverkracht getoogen.
De kind'ren eeten. Hij zit aan, doch zwicht
voor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogen
drinken zijn blikken 't jonge, lieve licht,
't éénige wat zij nog te zien vermoogen.
't Feestvolk stroomt uit, hij volgt, als weezenloos,
't lieftallig weezen dat haar macht niet weet
en niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden.
Hij treedt haar toe, heft stamelend de handen,
beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed...
en zwijmt doodsbleek,--geslaag'ne voor altoos.