II.

Een meisje¯in kleedje, heerelijk getint

van zacht en zeedig rood, met wat sieraden

als 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden,

het ranke lijfje¯omstrikt met blinkend lint,

zag 'k in gewoel van bloemen en gewaden

als heldre ster die vóór alle¯andren blindt,

en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk traden

om haar, als eene die elk 't minnigst vindt

en als de schoonste zonder spijt wil roemen,

daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.

Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen,

de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemen

naar 't blonde haar. Verleegen lachend beurt

zij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 12 / 42 题