Een meisje¯in kleedje, heerelijk getint
van zacht en zeedig rood, met wat sieraden
als 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden,
het ranke lijfje¯omstrikt met blinkend lint,
zag 'k in gewoel van bloemen en gewaden
als heldre ster die vóór alle¯andren blindt,
en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk traden
om haar, als eene die elk 't minnigst vindt
en als de schoonste zonder spijt wil roemen,
daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.
Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen,
de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemen
naar 't blonde haar. Verleegen lachend beurt
zij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.