Een vizioen van wonderhoog genucht
heeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staarde
en langs reeds winterige velden waarde,
den dag, den nacht en weer den dag verlucht.
Het was zoo fijn en lieflijk als 't gerucht
der voogels, die in herfstnacht naar hun gaarde
in 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde,
zacht snaterend in ongeziene vlucht.
Het was zoo scherp en kleurig als van vlinders
de vleugel-cier--als zij zich rustend zonnen
op gloedbescheenen muur,--en zoo vol diep
geheimenis, alsof er uit de bronnen
van alle licht en vreugde¯een lokstem riep:
Ik zag een stoet van bloembekranste kinders.