I.

Een vizioen van wonderhoog genucht

heeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staarde

en langs reeds winterige velden waarde,

den dag, den nacht en weer den dag verlucht.

Het was zoo fijn en lieflijk als 't gerucht

der voogels, die in herfstnacht naar hun gaarde

in 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde,

zacht snaterend in ongeziene vlucht.

Het was zoo scherp en kleurig als van vlinders

de vleugel-cier--als zij zich rustend zonnen

op gloedbescheenen muur,--en zoo vol diep

geheimenis, alsof er uit de bronnen

van alle licht en vreugde¯een lokstem riep:

Ik zag een stoet van bloembekranste kinders.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 11 / 42 题