XXXIII.

Vertrek van kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De

Njakatan.—Over land.—Les noms des fous se trouvent partout.—Een

nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s

zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas

Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte.

Dat woord Singapore gaf de ware richting aan den gedachtengang van

Johannes, die zich in den laatsten tijd èn door het goudzoeken èn door

de bruiloftsvroolijkheid wel wat van zijn doel had laten afleiden. Het

huwelijk was nu voltrokken en niets stond het vertrek onzer avonturiers

meer in den weg. Twee dagen later was alles gereed en bij het aanbreken

van den derden dag bestegen Wienersdorf en zijn echtgenoote, vergezeld

van de drie andere Europeanen, van Dalim met zijn makker, van Kwala

Kapoeas en van Harimaoung Boekit die, zijn belofte getrouw, met eenige

volgelingen de reizigers zou vergezellen, tot hij ze buiten gevaar zou

weten; een groote rangkan, die reeds daags te voren met het noodige

voor de reis beladen was. Dertig Poenans namen plaats in het vaartuig,

om als roeiers, ook om later als vrachtdragers bij den tocht over land

dienst te doen. Er waren dus veertig personen in dat vaartuig, hetwelk

onder den machtigen aandrang van zoovele pagaaien vooruitschoot en

noordwaarts stevende. Zoolang de rangkan zichtbaar bleef, wisselden de

opvarenden luide hoera’s met de bewoners van kotta Rangan Hanoengoh,

welke laatsten daarenboven uit de zes kanonstukjes, door La Cueille

doelmatig op de borstwering geplaatst, een donderend salut gaven, ten

bewijze dat de bediening der vuurmonden met beleid onderwezen was en de

bedieners hun instructeur alle eer aandeden. De Waal was echter niet

tevreden.

„No. 1 van het tweede stuk behandelt zijn wisscher onhandig,” pruttelde

hij, „de vent kan het beter; en No. 4 is niet oplettend bij het sluiten

van het zundgat, die kerels zullen nog een ongeluk krijgen.”

En zich oprichtende, wilde hij dien bedieningsmanschappen wat

toeroepen; maar..... flap! schoot de rangkan achter den eersten hoek en

was de kotta voor het oog der vertrekkenden verdwenen.

Nu ging de reis de soengei Miri op, die nog gedurende twee dagen

opgevaren kon worden. Maar toen werd die rivier zoo onbeduidend door

haar geringe watercapaciteit, dat gedurende de laatste uren met de

grootste moeite voortgesjouwd werd. Eindelijk bij het vallen van den

avond op den tweeden dag, bereikte men een plek, Njakatan [142]

genaamd, alwaar aangelegd werd; verder kon ook onmogelijk gevaren

worden, dewijl de Miri daar ter plaatse een vervaarlijke Kiham met

groot verval vormde, waartegen wegens gebrek aan water niet op te

werken was. Daar werd ontscheept en het bivouak betrokken, terwijl

verder alles in gereedheid gebracht werd, om des anderen daags de reis

te vervolgen.

„Zullen wij geen Otts te zien krijgen?” vroeg Schlickeisen aan

Harimaoung Boekit, „wij zijn toch op hun grondgebied?”

„Ja dat zijn we; maar het is te hopen, dat wij van bezoek verschoond

zullen blijven,” was het antwoord. „Hen zien staat gelijk met een

gevecht op leven en dood. Zeker hebben zij ons ontwaard en worden wij

door hen gadegeslagen; maar ik ben bij hen bekend en nimmer heb ik

eenige vijandelijkheid van hen ondervonden.”

„Het zal toch zaak zijn waakzaam te zijn,” was de meening van Johannes,

die het geheele troepje in twee deelen verdeelde, waarvan ieder op zijn

beurt den wachtdienst zou verrichten.

De nacht ging evenwel ongestoord voorbij. Toen de dag aangebroken was,

namen de Poenans hun manden op den rug, waarin de proviand en de

munitie der reizigers geborgen waren. Ook de vier Europeanen hadden een

dergelijk draagmiddel, wat hun niet vreemd voorkwam, daar zij aan het

torschen van den militairen ransel gewoon waren. Maar in hun mandjes

waren, behalve een redelijke voorraad geweerpatronen, hun schatten aan

stofgoud en batoe boehie geborgen, zoodat zij vrij wel bepakt konden

heeten. Ook de lieve Hamadoe had haar draagmandje gepakt gehad met haar

vrouwelijke benoodigdheden; maar toen zij het opnemen wilde, was het

leeg. Wienersdorf had die vracht overgenomen en in zijn draagmand

geborgen. Het vrouwtje wilde protesteeren; maar haar echtgenoot sloot

haar de bekoorlijke lippen met een kus, een soort van smeekbede, aan

welke gewelddadigheid het schoone geslacht zich gaarne onderwerpt.

Welgemoed grepen de Europeanen nu hun stokken van ijzerhout, die, wij

weten het, ook met stofgoud gevuld waren, hingen hun geweren met den

cordonriem over den schouder en aanvaardden den tocht. Een paar Poenans

brachten den rangkan in een soort van kleine baai langs den oever en

legden hem daar vast.

„Zult gij dien terug vinden?” vroeg Wienersdorf aan zijn zwager.

„Zeker; diefstal is hier onbekend. Het eenige, waarop ik te passen heb,

is op mijn kop.”

Al dadelijk merkten de Zwitsers op, dat de hoofdrichting genomen werd

naar een vrij hoogen bergtop, die in het noordwesten zichtbaar was. Zij

vernamen, dat die berg Boekit Doesson heette. Het was geen bergrug,

dien men naderde; het was veeleer een hoogvlakte, die langzaam oprees

en waarop de bergtoppen,—en er waren er vele—die met haar het centraal

gebergte des eilands vormden, zich afzonderlijk en gescheiden

verhieven. Het pad, indien het spoor, hetwelk door menschelijke voeten

te midden dier weelderige vegetatie spaarzaam was achtergelaten, dien

naam mocht voeren, was niet moeielijk; het slingerde tusschen de

zachtglooiende heuvelen door, en vereischte slechts inspanning, wanneer

beken moesten overgetrokken worden, die meerendeels in den leemachtigen

bovengrond diep ingesneden waren en over rotsbeddingen schuimend en

bruisend voortsnelden. Gewoonlijk werd dan de gelegenheid benut, om een

verfrisschend bad te nemen in het kristallijne vocht, hetwelk niet veel

omslag eischte van die spaarzaam gekleede reizigers en derhalve slechts

weinig oponthoud veroorzaakte. Voorzichtige waakzaamheid werd evenwel

bij die verfrisschingen noodig geacht, zoodat slechts de helft der

mannelijke reizenden zich te water mocht begeven en de andere helft met

de wapens in de hand zorgvuldig uitkeek. Niets verdachts werd evenwel

waargenomen; geen menschelijk wezen werd ontwaard, geen kampong, geen

woning, noch iets wat daar maar op geleek. Men kon wanen, zich op een

geheel onbewoond eiland te bevinden.

Bij een der halten echter zouden de reizigers ervaren, dat zij niet

onbespied bleven. Een prachtige boom, in de nabijheid staande, had de

belangstellende opmerkzaamheid van Wienersdorf tot zich getrokken. Hij

was er naar toe getreden en bewonderde dien prachtigen ijzerhoutboom,

die recht als een kaars zijn heerlijke kruin van breed gebladerte op

ruim veertig meter boven den bodem verhief. Een paar naden, die zich

vertikaal op den stam vertoonden en door een paar horizontale gesneden

werden, deden hem vermoeden, dat de bast daar ter plaatse te eeniger

tijd beleedigd was, en hij kon de gedachte niet verwerpen, dat dit door

menschenhanden uitgevoerd was. Daarenboven kwam het hem voor, alsof de

bast in het gevormde vak van jongeren datum was dan de overige, alsof

zij zich daar ter plaatse vernieuwd had. Hij stond daar nog een

oogenblik te turen, toen hij zijn poeai greep en een kolossale W in dat

vak begon te snijden. Hij was daar druk mede bezig en dacht reeds de

beginletter zijner Hamadoe daarbij te voegen en het geheel in een

vlammend hart te besluiten, toen een fluitend geluid hem deed opzien en

hij een pijltje zag, hetwelk tusschen zijn hoofd en hand doorgevlogen,

trillend in den stam bleef zitten. Met een kreet van schrik draaide de

Zwitser zich om, legde bliksemsnel zijn geweer, hetwelk hij in de

linkerhand gehouden had, aan in de richting, waar hij meende achter

eenige struiken iets zich te zien bewegen, en loste zijn schot. Op die

losbarsting ijlden zijne makkers toe, aan wien hij het pijltje toonde,

hetwelk nog in de bast zat. Hamadoe viel hem snikkend om den hals en

omstrengelde hem met hare schoone armen als om hem te beschermen,

terwijl de Europeanen het geweer in den aanslag brachten, om het

terrein door een flink geweervuur te zuiveren. Maar Harimaoung Boekit

weerhield hen met een gebaar, zette zijn stem uit en schreeuwde eenige

woorden, die luid weerklonken. De woorden, die hij uitgalmde,

verstonden de Europeanen niet, zij werden gegild in een dialekt,

hetwelk met het Dajaksch weinig overeenkomst had. Na een poos in alle

stilte gewacht te hebben; waarbij de Poenan de wenkbrauwen begon te

fronsen, klonken eenige krijschende klanken tot antwoord terug. Het

gelaat van Harimaoung Boekit helderde nu op; hij verzekerde dat zijn

reisgenooten niets meer te duchten hadden; het waren Ott Njawong’s, die

hier huisden en met dien stam was hij bevriend; maar hij eischte dat de

boom, waarin Wienersdorf begonnen was zijn naam te snijden, verder

ongedeerd zou worden gelaten.

„Wat bliksem,” knorde La Cueille, „wat ’n idée, om hier in de wildernis

zijn naam te gaan snijden! Les noms des fous se trouvent partout.”

„Wat is er dan met dien boom?” vroeg Wienersdorf, zonder op de boutade

van den Waal te letten.

„Wel, in dien boom hebben de Otts een hunner natuurgenooten begraven,”

lichtte Dalim toe. „Zij verbranden hun lijken, wikkelen de asch en de

half verkoolde beenderen in een „kakandi” (lijkdoek), maken een gat in

een zwaren ijzerhoutboom zooals dezen en stoppen dat pakje daarin. De

opening wordt verder met hars en katipei [143] gedicht en met mos

overdekt. De heelende natuur herstelt in weinig tijds de schors; zelfs

de naden, die gij nu nog ontwaart, verdwijnen langzamerhand en er komt

een oogenblik, dat alleen het alziend oog des Scheppers kan ontwaren,

dat die prachtvolle boom met zijn slanken stam en breede kruin tot

levend graf eens menschen strekt.”

„Een nieuw model kerkhof,” grinnikte de Waal.

„Een model, dat evenwel geen aanbeveling tot navolging verdient,”

lachte Johannes. „De meubelmakers zouden er gewis op tegen hebben.

Verbeeldt je, dat, bij het bewerken van een meubelstuk, onverwachts de

zaag of de schaaf op eenig hard voorwerp knarste en bij onderzoek een

paar tibia’s, een rif, een grijnzende schedel enz. te voorschijn

kwamen. De sukkels zouden het zeker besterven.”

Tegen het einde van den tweeden dag waren de reizigers tot aan den voet

van den Boekit Doesson genaderd. Het Poenanhoofd was voornemens den

volgenden morgen dien berg te bestijgen, dien onze Zwitsers met

geoefend oog op ongeveer 5000 voet boven het tafelvlak, waarop hij zich

verhief, schatten. Zijn top stak naar hun berekening omstreeks 7500 à

8000 voet boven de oppervlakte der zee uit. Het doel van die bestijging

was, om het omliggend terrein te kunnen overzien; want hoewel

Harimaoung Boekit hier niet totaal vreemd was, wenschte hij toch eenige

verkenningspunten op te doen, waarop hij zijn marsch kon regelen. Een

dwaling hier in deze onmetelijke bosschen kon de noodlottigste gevolgen

na zich slepen. Aanvankelijk wilde de Poenan de bestijging alleen met

een paar volgelingen volvoeren en de overige reizigers aan den voet des

bergs gebivouakeerd achterlaten; maar de beide Zwitsers, als echte

Alpenzonen, waren niet te houden; zij moesten en zouden mede. Ook La

Cueille en Johannes gaven den wensch te kennen, van de partij te mogen

zijn, zoodat eindelijk besloten werd het geheele gezelschap aan die

bestijging deel te laten nemen.

Den volgenden morgen werd al heel vroeg de tocht aanvaard. Aanvankelijk

voerde de weg door zware bamboebosschen, doorweven en soms afgewisseld

met lianen, rottan en andere slingergewassen, die het hoog geboomte

allerwege overdekten en een schier onuitwarbaar net vormden, hetwelk

het voortgaan zeer bemoeielijkte. Maar hoe hooger de reizigers stegen,

hoe meer die wilde vegetatie verarmde en eindelijk geheel verdween. Zij

trokken nu bosschen door van ijzerhoutboomen, van ngiatoe merah [144],

van bangkirei [145], van rassamala [146], van kadjatouw- en

lontar-palmen, die plaatsvervangers van den sagopalm in de wildernis,

allen hoogstammige woudreuzen, welker dicht op elkander gedrongen

kruinen het ontstaan en het bestaan van anderen plantengroei daaronder

en daartusschen, wegens gebrek aan lucht en licht, bijna onmogelijk

maken. Daarop volgde een zone, waarin slechts weinig hoogstammig

geboomte, eenige weinige Casuarinen voorkwamen, maar die daarentegen

bedekt was met een kort struikgewas, door de Poenans „rhoenmèta” [147]

geheeten, hetwelk, thans in zijn bloeitijd, die geheele strook der

berghelling met een zacht rood overtoog en den verrukten Zwitsers den

fraaien tooi der Alpenrozen herinnerde.

Het was omstreeks half elf, toen het gezelschap den breeden, zacht

gewelfden top, dat kenmerk van bijna alle bergen van Borneo’s centraal

hoogland, bereikte. Er zou daar een paar uur gerust worden, en terwijl

Harimaoung Boekit zijn verkenningen deed, liet Hamadoe zich door een

paar Poenans helpen, om het eenvoudige maal gereed te maken. Het gros

evenwel der inboorlingen verspreidde zich op den top, om „rajoh”, een

fijne mossoort, te zoeken, welke spaarzaam op het hooggebergte voorkomt

en door den Dajak als een gelukaanbrengende talisman beschouwd en

daarom verzameld wordt.

De Europeanen vonden het vergezicht, hetwelk zij genoten, fraai; maar

toch gevoelden zich de Zwitsers, die wellicht van gletschers,

sneeuwvelden of machtige rotspartijen gedroomd hadden, eenigermate

teleurgesteld. Evenwel waren zij opgetogen over het panorama, hetwelk

zich aan hun voeten ontrolde. Hier waren het minder de bergpartijen,

dan wel het overzicht over die prachtige keerkringsvegetatie, waarboven

zij als het ware zweefden, welke hun bewondering opwekte. Middelerwijl

mompelde Johannes, minder dichterlijk van natuur, terwijl hij in zijn

zakboekje eenige aanteekeningen maakte:

„Het is heden de zeventigste dag, sedert wij Kwala Kapoeas verlaten

hebben.”

„Al zoo lang?” vroeg La Cueille; „wij hebben het fort op 10 Januari

verlaten, niet waar?”

„Juist, en wij hebben heden 21 Maart; dat maakt op den kop af zeventig

dagen.”

„21 Maart?” vroeg Wienersdorf, door dien datum getroffen. „Wel dan

staat heden de zon in den Ram, of vlak boven den evenaar. Wacht eens,

een eenvoudig middel om te weten te komen, op welke breedte wij zijn.”

En een fraaien, jongen en rechten ceder van ongeveer acht meter lengte

snijdende, ontdeed hij dien van zijn takken en naalden en plantte hem

op een kale plek zoo rechtstandig mogelijk, greep daarop zijn boussole

en constateerde dat het korte eindje schaduw, hetwelk de stok, door de

zon beschenen, nog wierp, zuiver van oost naar west wees.

„Miswijzing bestaat in deze streken niet,” mompelde de Zwitser.

„Maar.... dat zou toch toevallig wezen! Wellicht is er lokale attractie

in het spel, die de naald doet afwijken? Dat zal zich gauw uitwijzen.”

„Wat mopper je toch?” vroeg La Cueille.

„Straks,” was het lakonieke antwoord van Wienersdorf.

En hij ging voort al zijn aandacht te wijden aan de schaduw, die de

geplante staak nog steeds wierp. Die kortte steeds al meer en meer in,

totdat zij geheel verdwenen was. Gedurende een oogenblik was geen

schaduw hoegenaamd te bespeuren.

„Middag!” riep de Zwitser. „Ik heb de eer de heeren op den evenaar te

feliciteeren.”

Schlickeisen snelde toe. Waarachtig er was geen schaduw meer te

bekennen. De top van den staak was dunner dan het beneden eind en zijn

zijden waren geheel en al door het zonlicht verlicht. De Boekit-Doesson

lag dus vlak onder de evennachtslijn.

„Dus ik zit met mijn.... hoe zal ik het noemen? nu ja, met mijn zitvlak

op de linie?” vroeg La Cueille.

„Jij zit met je zitvlak op de linie, die eer heb je.”

„Jongens! als wij aan boord waren, dan was er feest, dan kwam Neptunus

en dan zou een oorlam niet uitblijven.”

„Welnu,” zei Johannes, „die zul je nu ook hebben. Wij zullen met een

hartigen teug afscheid van het zuidelijk halfrond nemen.”

En opspringende haalde hij uit een der mandjes twee vierkante

flesschen, echte A.V.H., die hij onder de aanwezigen leegschonk. De

Poenans lieten zich het verleidelijke vocht goed smaken en paarden hun

gillend lēēēēh lĕlĕlĕlĕ ouiit! aan het hoerageschreeuw der Europeanen,

die elkander de hand drukten en geluk wenschten, dat hun desertie tot

zoo ver goed gelukt was.

„Wij zijn er nog niet,” was de pessimistische meening van Johannes,

„maar het zwaarste is toch achter den rug.”

Wienersdorf vatte de hand van Hamadoe en wees haar naar het noorden. De

lieftallige jonge vrouw sloeg haar fraaien arm om den hals van haar

echtgenoot en lispelde aan zijn oor, dat zij hem volgen zou, waarheen

hij ook trok.

Na het eenvoudige maal verorberd te hebben, daalden de reizigers den

Boekit Doesson af, zetten den tocht voort en betrokken bij het vallen

van den avond het bivouak aan de boorden eener beek, die haar wateren

niet meer zuidwaarts stuwde; maar, aan de andere zijde der

waterscheiding gelegen, een schatplichtige soengei der Melahoei-rivier

was, welke laatste westwaarts stroomt, zich bij Sintang met de Kapoeas

Bohang vereenigt en op Borneo’s westkust in zee uitwatert. De reizigers

hadden dus het watergebied van de Javazee verlaten en waren dat van de

Chineesche zee ingetrokken.

Daags daarna werd de reis vervolgd. Gedurende drie dagen werd ijverig

gemarcheerd en, hoewel het pad heuvel op heuvel af voerde en menige

moeielijkheid te overwinnen was, hield Wienersdorf’s vrouwtje zich nog

het best van allen. Zuchtten de mannen al eens en mompelden zij al een

enkelen keer over vermoeidheid, geen klacht ontsnapte haar; integendeel

zij bleef vroolijk en opgeruimd, had voor allen een vriendelijken blik

en een hartelijk woord over en, wanneer het bivouak betrokken was en de

mannen hun ledematen op het gras uitstrekten, dan was zij nog bedrijvig

om het eenvoudige maal gereed te maken en strekte haar opgeruimdheid en

van tijd tot tijd een heldere schaterlach van haar lippen tot opbeuring

van de vermoeiden en de afgematten.

Ook nu werd bij het betrekken van het bivouak de stiptste waakzaamheid

in acht genomen en was steeds de helft der reizigers wakker en met de

wapens in de hand gereed om geweld met geweld te keeren. Maar juist ten

gevolge van die waakzaamheid gingen de nachten, die zij in het sombere

woud doorbrachten, ongestoord voorbij.

Van den Boekit Doesson af geleidde Harimaoung Boekit de reizigers in

nagenoeg westelijke richting, waarbij hij den top van den Boekit

Lientang, die boven de hem omringende heuvelen hoog uitstak, als een

onfeilbaar baken in het oog hield, totdat de soengei Malahoei bereikt

werd. Men trok die rivier over op een vlot, hetwelk door de Poenans in

alle haast van een groot aantal bamboestaken, die daar ter plaatse in

overvloed groeiden, vervaardigd werd. Toen die overtocht volbracht was,

werd de marschrichting, nagenoeg noord ten westen genomen en bereikten

de reizigers bij het vallen van den avond een paar hutten, die bij een

waterval, Kiham Toeak, genaamd aan de soengei Nanga Boenoet gelegen

waren. Harimaoung Boekit was daar geen vreemdeling; zelfs stond hij met

de bewoners op den meest vriendschappelijken voet. Hij trad een dier

hutten binnen en slaagde er in voor een paar thaëls stofgoud een

rangkan aan te schaffen, ruim genoeg om het geheele reisgezelschap op

te nemen.

Den volgenden morgen werd de reis voortgezet en ging het in ijlende

vaart de soengei Nanga Boenoet stroomaf. Er waren verscheiden kiham’s

af te dalen; maar voor mannen als onze Poenans had dat weinig te

beduiden. Wanneer het vaartuig zulk een stroomversnelling naderde,

verdubbelden de roeiers hun krachtsinspanning, daartoe door hem, die

den stuurpagaai in handen hield, met luid gegil aangezet. Allen zelfs

Hamadoe namen dan den beseai ter hand, en de rangkan stoof met

duizelingwekkende snelheid vooruit, schoot de hellende watervlakte af,

danste op de hobbelende golven, splitste onweerstaanbaar het schuim,

schuurde schier rakelings langs de rotsen, maar kwam behouden beneden

in meer stil water aan, om na een oogenblik uitblazens van de roeiers

de vaart te vervolgen. In de oevertaluds dier soengei waren op

verscheiden plaatsen steenkolenbeddingen zichtbaar, die in rijkdom voor

die van kotta Djangkang niet schenen onder te doen. Maar de pijlsnelle

vaart ontnam La Cueille de gelegenheid een onderzoek naar de kwaliteit

in te stellen.

Het was bijkans avond, toen de reizigers de kampong Nanga Boenoet, aan

de uitwatering van die soengei in de Kapoeas Bohong gelegen,

passeerden. Daar laatstgenoemde stroom, een paar honderd el breed, de

vaart hoegenaamd geen moeielijkheden in den weg legde en de nacht

buitengewoon helder en het weder zeer kalm was, werd er besloten de

reis gedurende de nachtelijke uren voort te zetten.

Toen de dageraad in het oosten begon te gloren, bevonden de reizigers

zich voor de monding der Blitang en voeren die in. De soengei Blitang

vormt met de soengei Labojan een toegangskanaal tot Danau Loewar, het

grootste van een groep meren, welke zich aan den voet van het Batang

Loepar gebergte uitstrekken. De vaart op de Blitang was zeer

voorspoedig niettegenstaande de stroom, dien men te overwinnen had,

sterk was. Onze reizigers overnachtten in de nabijheid van kotta Nanga

Strong, een kleine Dajaksche nederzetting aan de samenvloeiing van de

Blitang met de Labojan gelegen. Den volgenden morgen al heel vroeg

stevende de rangkan het meer Loewar in, alwaar een geheele bevolking

met de vischvangst bezig was. In dat meer komt een visch, „lawang”

genaamd, overvloedig voor, die ongeveer 7 d.M. lang wordt, een gladde

glibberige huid zonder schubben heeft en gewapend is met drie flinke

stekels, een op den rug en een bij ieder der kieuwen. Het vleesch van

dien visch is zeer zacht en flauw, schier oneetbaar. Hij wordt echter

in groote menigte gevangen alleen ter wille van de kuit, die gezouten

en gerookt een groote handelswaarde heeft.

De visschers, in hun bedrijf verdiept, lieten onze reizigers ongemoeid

en deze laatsten stevenden naar den noordelijken oever van het meer,

alwaar de ontscheping zou plaats hebben om dan de reis verder te

vervolgen. Toen de rangkan zich in het midden van het meer bevond,

konden de opvarenden een blik werpen op het gebergte, hetwelk den

horizon in het noorden begrensde.

„Daar! daarover!!” riep Johannes, „dan zijn wij vrij!”

Met aandoening keken de Europeanen dien bergketen aan, die zich als een

donkerblauwe band op het lichte azuur des hemels afteekende. Een

oogenblik antwoordde niemand hunner. Het was alsof al het leed en de

gevaren, die zij getrotseerd hadden, om zoover te geraken, die mannen

voor de oogen zweefden, zoo stemmig keken zij, terwijl zij de stilte

niet verbraken. Eindelijk vroeg Schlickeisen:

„Hoe heet die bergketen?”

„Het Batang Loepar gebergte,” antwoordde Johannes.

„Hoe hoog wordt het geschat?”

„De hoogste toppen worden door Engelsche berichtgevers op 6 à 7000 voet

berekend.”

„Dat zal een klim zijn,” meende La Cueille.

„Toch niet. De meerspiegel bevindt zich allicht op een paar duizend

voet; die hebben wij al niet meer te klimmen. Daarbij zullen wij nu wel

niet juist over de hoogste toppen moeten en zal zich wel een dwarsdal

voor ons openen, om ons toegang tot het beloofde land te geven.”

„Hebben wij nog een groot traject af te leggen, wanneer wij daar boven

zijn?” vroeg La Cueille.

„Om te Jupille te komen? Ja, dat is nog een heel eindje,” lachte

Johannes.

„Neen domkop, om de boorden der zee te bereiken?” antwoordde de Waal

gebelgd.

„Daar weet ik niet veel van; ik ben hier nimmer geweest.”

Die vraag aan Harimaoung voorgelegd, leidde ook tot geen oplossing. Het

Poenanhoofd lachte, schudde met het hoofd en bij zijn onvermogen om

zich van afstanden een begrip te maken bleef het daarbij.

„Wat ziet het water van het meer er zwart uit, het is of wij op inkt

varen,” was de opmerking van Schlickeisen.

„Ja, die kleur heb ik al op de Blitang opgemerkt,” antwoordde

Wienersdorf. „Maar hier op het meer vind ik, dat dit somber getinte

water juist in een omlijsting als deze past. Aanschouwt dien zwarten

spiegel, die zich achter ons eindeloos ver uitstrekt en onder de

zonnestralen als een onmetelijke oppervlakte van git glinstert, terwijl

voor ons het donkergroene loof van het hoogwoud, dat de hellingen van

het gebergte bedekt, daarbij scherp afsteekt en de trapsgewijze

overgangen van de zachtste tot de stoutste en de steilste vormen van

dien bergwand te helderder doet uitkomen en zoo een afwisseling vormt

van het liefelijke en het verhevene, zooals nauwelijks eenig ander punt

op den aardbol, zoo nauw vereenigd, kan aanbieden.”

De Zwitsers zaten in volle bewondering. Als een prachtige schilderij,

door een geniale meesterhand ontworpen, ontrolde zich voor hun oogen

een berglandschap, dat met onweerstaanbare kracht hun gedachten naar

den geliefden geboortegrond terugvoerde. Waren de wateren van het meer

helder, doorschijnend en kleurloos of lichtblauw getint geweest, waren

de berghellingen en rotspartijen bedekt en bekroond geweest met slanke

dennen, in groepen geschaard of wel afzonderlijk staande, had zich hier

en daar een kerktorentje of een witgepleisterde villa tusschen het

groen der wouden vertoond, dan ware de begoocheling volkomen geweest,

dan hadden de Alpenzonen daar te midden van Borneo kunnen wanen op het

Bodenmeer te dobberen. Op het punt, waar zij zich met hun rangkan

bevonden, was de overeenkomst verrassend en riepen zij juichend uit,

dat zij de omstreken van Lindau herkenden. In het zuiden en zuidwesten

strekte zich de heerlijke waterspiegel eindeloos ver uit; in het westen

was het Tomodok gebergte zichtbaar; in het noorden verhief zich

trapsgewijze het Batang Loepar gebergte, terwijl zich in het

noord-oosten de piramiden en massieve rotsblokken van het Sareboe

Saratoes gebergte opstapelden, waarachter de hoogere toppen van het

Medai gebergte kwamen uitkijken, en dit laatste op den achtergrond

bekroond werd door een hel lichtenden top, die onder de keerkringszon

als vloeibaar zilver blonk, de Japoh Poerau, bij de Engelschen Boekit

Tebong geheeten.

„Ein Firn!” juichten de Zwitsers, in hun landstaal, terwijl zij

elkander den glinsterenden top aanwezen.

„Hebben wij dien te beklimmen?” vroegen zij met een zucht van heimwee.

Harimaoung Boekit schudde ontkennend het hoofd en wees naar het noorden

heen. Zij zouden dus dien sneeuwtop rechts laten liggen. Dat was een

teleurstelling, maar waaraan niets te veranderen viel.

Het was ongeveer middag, toen de reizigers den noordelijken oever van

het meer bereikten. Onmiddellijk werden de draagmandjes opgenomen om de

reis te voet te vervolgen.

„De plus fou en plus fou” mompelde La Cueille, toen hij het gekibbel

waarnam van Wienersdorf met Hamadoe, welke laatste er nu op stond, om

haar gedeelte van de te vervoeren vracht te dragen, maar welken eisch

haar echtgenoot slechts met een kus op de malsche lippen beantwoordde.

De Waal voelde zich buiten staat tot zoo’n liefdesvervoering en zoo’n

opoffering en was in zijn hart blij, dat zijn vrijerij met Moendoet

afgesprongen was.

„Ik zou haar pakje ook hebben moeten dragen,” gromde hij met een

grijns, „en ik heb waarachtig aan het mijne genoeg.”

Nadat de rangkan behoorlijk langs den oever onder eenige afhangende

struiken verborgen was, waar Harimaoung Boekit hem later hoopte terug

te vinden, om bij den terugtocht te gebruiken, ging het moedig

voorwaarts.

Aanvankelijk leidde het pad door een moerassige streek, die het meer

omzoomde, maar na een marsch van een half uur was die doorgeworsteld en

begonnen de eerste terreinhellingen zich voor te doen. Het pad was vrij

goed; men kon zien, dat hierlangs een druk verkeer plaats had, hoewel

noch woning noch sterveling ontwaard werden. Ons reisgezelschap stapte

flink voort en vorderde zoo goed, dat, toen de avond begon te vallen,

het hoogste punt van den zadelrug van het Batang Loepar gebergte

bereikt was. Daar werd in het lommer van het hooggeboomte het bivouak

betrokken en sliep het reisgezelschap weldra onder de hoede der

wachthebbenden rustig in.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 72 / 77 题