De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche
waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de
„Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—Te Koetshing.—Aan boord van de
„Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.
Na het ontwaken en toen de nachtnevelen door de eerste zonnestralen
weggeveegd waren, ontrolde zich een wonderschoon schouwspel voor de
oogen onzer reizigers. De zuidelijke helling van het gebergte, hetwelk
zij den vorigen dag beklommen hadden, was met hoogwoud bedekt, waardoor
ieder vergezicht verhinderd was geweest. De zadelrug, waarop zij
overnacht hadden, was ook nog overdekt met prachtexemplaren van de
flora der intertropische hoogzone. Maar toen zij den rand der
noordelijke helling naderden, was het alsof de rijke plantenwereld, die
hen tot hier begeleid had, plotseling verdween, om slechts een woest
door elkander geworpen natuur te vertoonen.
Ja, woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door
torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd,
werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en
huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan
gebogen of kruipend heen dringen kon. Hier gaapten gevaarlijke
rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den
bergstroom hoorde bruisen, maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders
verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend
en met dood en verderf dreigend. Toch troffen de reizigers te midden
van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den
bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem en zachte hellingen,
met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai
gepluimden ceder, den Zwitsers een Alpenweide met haar dennen voor
oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte:
„Een park aangelegd in den verheven scheppingsstijl!”
Bij het betreden van een dier oasen, ontwaarden de reizigers een
waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand
neerstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken de Zwitsers naar
den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte
hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet
zweven. De soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een
paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar
beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm
langs den loodrechten rotswand als een kristallen straal den dalbodem
bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een
vooruitstekende steenmassa, waarop hij met donderend geweld in schuim
en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en
luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere
takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar
ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich
schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen
schuimblaasjes uiteenspatten, haar saamgeperste zuilen in tal van
wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan
afteekenden, om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te
schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen.
De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en
kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de
prachtige regenbogen, allerwegen door de breking der zonnestralen
gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door
een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met
ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid
bevonden, met hen voor of achterwaarts schreed, in een woord al hun
bewegingen volgde. Aan hun haren, op hun huid, op de schamele kleeding,
die hen bedekte, hechtten zich de fijne waterdruppels en schitterden
daar, ieder op zichzelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke
pracht in prismatische kleuren.
„Schoon! wonderschoon!” fluisterde de jonge vrouw. „Zijn in uw land ook
zulke tooneelen te vinden?”
„Zeker is het schoon, mijn dierbare,” antwoordde haar echtgenoot. „Maar
Zwitserland zal u niet minder aanbieden. Om niet van den Rijnval te
Laufen te spreken, zullen de Giessbach bij het Brienzermeer, de
Staubbach in het Lauterbronnendal en meer andere u even grootsche
tooneelen, zoo niet grootschere laten zien.”
„Waar de blanken zich vermaken met zoo’n waterval op te verven, niet
waar?” sprak Johannes gemelijk.
„Wat bedoel je met je opverven?” vroeg Schlickeisen.
„Heb ik niet ergens gelezen, dat de natuur in ulieder vaderland te arm
bevonden werd, zoodat er nog wat bengaalsch vuur bij moest om zoo’n
waterval wat op te poetsen?”
„Ja, bij den Giessbach gebeurt dat; maar wanneer je ooit in Europa komt
en in Zwitserland mocht verzeild raken, ga dan den val van die beek bij
avond bewonderen en offer een zestal francs op om hem verlicht te
zien.”
„Ik zal er wel voor passen,” sprak Johannes met ietwat verontwaardiging
in zijn stem.
„He! waarom zul-je daarvoor passen?”
„Omdat de natuur in mijn oog te verheven is, om haar door een
narrenkleed, een hansworstenpak te ontheiligen. De Europeanen—vergeeft
mij de uitspraak—zijn en blijven narren overal. Ik herinner mij dat
ergens op Java bij den intocht van den Gouverneur-Generaal al de
stammen der prachtige kanarieboomen, die aan weerszijden van den weg,
dezen tot een verrukkelijk lommerrijke laan maakten, tot anderhalve
manshoogte helder wit gekalkt en met een rood randje versierd waren.
Zoo iets kan slechts in het brein van een volbloed Europeaan opkomen.
Er moet steeds zoo iets van een lappendeken bij zijn. Gekalkte
boomstammen en bloed- roode watervallen! God betere ’t!.... Maar, om
tot een ander onderwerp over te gaan, laten wij, terwijl wij vol
bewondering voor dezen waterval staan, elkander de hand drukken en
geluk wenschen.”
„Gaarne,” lachte La Cueille, „ik houd van geluk wenschen, omdat dan een
oorlam niet ver af is.”
Johannes sprong op een der draagmandjes toe, greep een paar vierkante
flesschen, echt merk A.V.H., schonk ieder der aanwezigen een flinken
teug in, verhief daarna zijn klapperdop en sprak:
„Mannen! broeders! Heden ochtend hebben wij den zadelrug van het Batang
Loepar gebergte overschreden. De kam van dat gebergte maakt de grens
uit tusschen het Nederlandsche grondgebied en Sarawak. Die grens zijn
wij overgetrokken en we bevinden ons thans op het gebied van Radja
James Brooke. Mij dunkt dat het wel een gelukwensch waard is. De meeste
en grootste gevaren liggen even als die grens achter ons. Weinige
dagreizen scheiden ons nog slechts van de zee en, vergeleken met
hetgeen wij doorworsteld hebben, is het afteleggen traject als
kinderwerk te beschouwen. Broeders! ik drink op Radja James Brooke, die
zoo ter rechter tijd op de onherbergzaamste kust van geheel Borneo een
rijk heeft gesticht, als het ware om ons na zoo’n tocht op te nemen en
in veiligheid te brengen. Hip! hip!! hoera!!!”
„Hip! hip!! hoera!!!” antwoordden de overige Europeanen.
„Lēēēh lĕlĕlĕlĕlĕ ouiiiiit!!!” gilden de Poenans.
De reizigers lieten nu de oogen weiden over de vlakte, die zich aan hun
voeten uitspreidde. Hoe woest ook de hellingen aan deze zijde van het
Batang Loepar gebergte waren, daar beneden strekte zich een tapijt uit
van het weligste groen. Te midden van dat tapijt ontrolde zich een
zilveren lint, hetwelk nagenoeg van zuid naar noord slingerde.
Harimaoung Boekit verklaarde den vrienden, dat het de soengei Oendoep
was. Hij wees hun op een punt aan den horizon, dat helder wit op het
liefelijke groen uitblonk. Wienersdorf greep zijn kijker:
„Het zijn witte Europeesche gebouwen!” riep hij met van aandoening
trillende stem.
„Goddank!” riep Schlickeisen.
„Bénie soit la très Sainte Vierge de Jupille,” mompelde La Cueille zeer
devoot, terwijl hij zijn hoofddoek afnam.
„Ja, het zijn gebouwen, behoorlijk gewit,” ging Wienersdorf aandachtig
kijkende voort. „Als ik wel onderscheid, ligt daar een fort. Het
schijnt een vierkante, gebastionneerde redoute te zijn. Ik zie zelfs
den vlaggestok. Maar die vlag? Slap en bewegingloos hangt zij langs de
lijn. Zij schijnt.... maar ah! daar ontplooit haar een windje. Een veld
van goud, waarop een rechtstandig kruis, hetwelk de geheele baan in
vier vakken verdeelt. De opstand van het kruis is half rood en half
zwart, en de eene kruisarm vertoont deze, de andere gene kleur.”
„Dat is waarschijnlijk de Sarawaksche vlag,” sprak Johannes.
„Die plaats heet Simangang,” lichtte Harimaoung Boekit toe.
De reizigers waren nu snel beneden aan den voet van de bergketen en
vóórdat de zon ten ondergang neigde, waren zij bij het Sarawaksche fort
aangekomen. Aanvankelijk liep de bezetting te wapen, toen ons troepje
reizigers verscheen, maar Schlickeisen, die uitmuntend Engelsch sprak,
trad alleen vooruit. Toen de assistent-resident tevens militaire
kommandant vernam, dat vier Europeanen tot dat troepje behoorden, dat
dit vier soldaten waren, die van de Hollanders weggeloopen waren,
krulden zich zijn lippen tot een glimlach. Dat „the damned Dutchman”
een kool gestoofd was, bracht Mr. Spencer in een buitengewoon goede
luim. Hij trad naar buiten, monsterde het troepje en stond genadig toe,
dat de Europeanen hun intrek in het fort namen. Harimaoung Boekit met
zijn Poenans zouden evenwel buiten moeten blijven.
„Gij treft het bijzonder,” betuigde de Engelschman; „morgen ochtend
vertrekt de „Firefly” naar Koetshing; met die kunt gij de reis
medemaken. Daar zult gij wel een vaartuig aantreffen om u naar
Singapore te brengen.”
De Europeanen dankten innig voor deze gunst. Zij verkozen evenwel den
nacht buiten het fort door te brengen. Het zouden de laatste uren zijn,
die zij in gezelschap van het brave Poenanhoofd zouden doorbrengen. Hij
zou zijn vrienden aan boord zien stappen, om onmiddellijk daarna den
terugtocht naar soengei Miri te ondernemen.
Onder opgeruimd gekout, soms afgewisseld door een weemoedige stemming
bij de gedachte aan de naderende scheiding, ging de nacht voorbij. Bij
het aanbreken van den dag brachten de Europeanen hun draagmandjes,
waarin hun schatten verborgen waren, aan boord van de „Firefly”.
Harimaoung Boekit vergezelde hen tot op het dek. Toen het laatste gegil
van de stoomfluit weerklonken had, greep hij zijn zuster om den hals en
keek haar aandachtig in de oogen, alsof hij zich haar beeld in de ziel
wilde griffen; terwijl heete tranen hem langs de wangen biggelden.
Onstuimig klemde hij haar eindelijk aan zijn borst, greep toen de hand
van Wienersdorf en bracht die aan de lippen.
„Paharingkoe Dohong” (mijn broeder Dohong) sprak hij snikkend. Dat
waren de eenige woorden, die hij in zijn ontroering vermocht uit te
brengen.
Nog een getjingel van de bel, nog een gegil van de stoomfluit, toen
rukte hij zich los uit de omarming van Hamadoe, drukte de vier vrienden
nogmaals de hand en sprong aan wal. De loopplank was reeds ingetrokken,
de raderen volbrachten hun omwentelingen en weldra was er een klove
tusschen zuster en broeder, een klove die met iedere seconde in
uitgebreidheid toenam, totdat beider beeld zich in den morgennevel
oploste en zij onzichtbaar voor elkander waren. Hamadoe wischte zich
toen een traan van de frissche wang, sloeg haar arm om den hals van
Wienersdorf en lispelde:
„Nu zijt gij mijn alles!”
Een hartelijke omhelzing beantwoordde haar omstrengeling en de
innigheid daarvan overtuigde haar, dat de man, voor wien zij alles op
aarde verliet, haar niet minder liefhad dan zij hem.
„Wat zag het er smerig uit in dat fort,” zeide La Cueille, toen het
viertal bij elkander een kringetje op het dek gevormd had. „Ik heb
gisteren daar eens in rondgewandeld; maar foei, wat ’n vieze boel.”
„Je kondt wel zien, dat de schrobbende, poetsende, wrijvende en
boenende Hollanders daar niet huishouden. Ik heb daar ook rondgewandeld
en ziet hier, wat ik opgemerkt heb. Het fortje te Simangang, welks
borstwering, zooals gij hebt kunnen zien, uit ijzerhouten palissaden
bestaat, is bewapend met vier gladziels kanonnen van 6 ℔, geplaatst op
rolpaarden; oude vuile dingen, die daar als bangmakers staan en waarvan
bij aanranding meer gevaar dan heil voor de bezetting te verwachten
zoude zijn. Het garnizoen, geheel uit Dajaks bestaande, is 35 man
sterk, die evenwel met de Sniderkarabijn, een uitmuntend
achterlaadgeweer, gewapend zijn. Er is maar één Europeaan in het fort,
de assistent-resident. Dat is een burger, wien tevens het kommando over
het fort is opgedragen.”
„Het is wat moois,” grinnikte La Cueille, „een politiek! wat zullen die
soldaatjes zich lekker gevoelen en wat zal er voor hen gezorgd worden.”
„Zwijg kerel; dat je die lui hier aan boord niet hooren, maar het is
ellendig. Om zoo’n zwartrok eenigszins in staat te stellen een niet al
te mal figuur te slaan tegenover zijn manschappen, is hem een
instructie uitgereikt onder den officieelen naam van: „hints to young
out-station officers from the rajah.” Een curieus stuk, waarin op
eigenaardige wijze den pseudo-officier zijn verplichtingen zijn
voorgehouden. Zoo wordt er o.a. in voorgeschreven, dat om zich te
overtuigen of de wapens in orde zijn, hij den vinger in de geweerloopen
moet brengen, ten einde te zien of die ook beroest zijn. Ook dat het
beste en zekerste bewijs van een goede waakzaamheid is het hooren van
den stap van den schildwacht.”
„Kom laat naar je kijken,” lachte de Waal, „dat weten de korporaals van
de plattelands garde civique in mijn land nog voor zij hun kemelsharen
galons verwerven.”
„Wel mogelijk, maar dat moet aan de Sarawaksche dienstdoende officieren
schriftelijk gegeven worden, anders weten zij het niet. Dat is nu
eenmaal zoo. Ik vernam verder, dat in Sarawak veertien van die fortjes
bestaan, waarvan het meerendeel slechts door een dozijn soldaten bezet
zijn. Simangang als grenspost eischt evenwel een sterker garnizoen.”
„Twaalf Dajaks onder bevel van een stalen pen, duizend duivels! zoo’n
fort moet onneembaar zijn.”
„Dat Simangang is prachtig gelegen,” sprak Schlickeisen, „het is een
wel uitgekozen punt aan de samenvloeiing van twee rivieren. Hoe heeten
die?”
„De hoofdstroom heet Batang Loepar.”
„Maar zoo heet het gebergte, waarover wij getrokken zijn.”
„En zoo heet ook de stroom, die aan den voet van dat gebergte
ontspringt. Het is een prachtig vaarwater bijna aan een zeearm gelijk.
De rivier, die zich tegenover het fort Simangang in de Batang Loepar
ontlast, heet soengei Sakarang.”
De „Firefly” was een flinke raderboot, die zich op dien fraaien breeden
stroom snel en sierlijk bewoog. Bij het vallen van den avond had zij de
monding bereikt en konden de reizigers zich in den aanblik der zee
verlustigen. De steven werd nu westwaarts gewend en nog voor dat de dag
aanbrak, was zij de monding van de soengei Moratabas, een tak van de
Sarawak-rivier, binnengestevend. Een paar uur later lag zij voor
Koetshing, de hoofdplaats van het Sarawaksche rijk ten anker. Radja
James Brooke ontving onze reizigers welwillend en hoorde het verhaal
hunner wederwaardigheden met de meest onverdeelde belangstelling aan.
Onverholen bewonderde hij hun stoutmoedigheid, hun geestkracht en
doortastendheid, maar ook onbewimpeld veroordeelde hij de volvoerde
desertie, die hij als „faithlessness” trouwbreuk tegenover het
gouvernement, waarmede een verband was aangegaan, brandmerkte. Toch kon
hij niet over zich verkrijgen de mannen, die zoo’n tocht volvoerd
hadden, die zooveel geleden en ondervonden, die alles gewaagd hadden om
hun vrijheid terug te krijgen, aan de Nederlandsche autoriteiten uit te
leveren.
Twee dagen later vertrok de „Rainbow”, een elegant schroefscheepje als
bark getuigd, naar Singapore en scheepten onze reizigers zich daarop
in. De Europeanen hadden zich het verblijf te Koetshing ten nutte
gemaakt en alle pogingen aangewend, hun huid met veel zeep van haar
katitingverf te ontdoen, hetgeen niet geheel en al gelukte. De
bronskleur, die hen zoolang beschermd had, liet zich zoo maar niet
verwijderen en zij bleven uitzien als Indo-Europeanen, d.w.z. als
individuën van gemengd ras. Zij moesten het aan den tijd overlaten om
hun huid op te bleeken.
„Crétonnerre!” pruttelde La Cueille, „niemand zal mij te Jupille
herkennen.”
„Dat zal razend jammer zijn,” lachte Johannes, „maar laat je
bamboemesje van soengei Naning zien, ik verwed, dat je dan toch de
opmerkzaamheid van al de Walinnetjes van het geheele Luikerland tot je
trekt.”
Allen lachten, alleen de Waal bewaarde verontwaardigd zijn ernst.
„Maak je maar niet ongerust,” ging de spotter voort, „je hebt nog wel
een paar maanden voor den boeg, alvorens te Jupille aan te komen.
Gebruik je nu vlijtig eau de Javelle, dan zul je wel voldoende gebleekt
zijn, om er weer uit te zien als een jodenpaaschkoek. En mocht er nog
een spoor van de katiting overgebleven zijn, dan zal dat bij de
Walenmaagden wel door den inhoud van je wandelstok vergoed worden.”
„Te drommel ja,” lachte Schlickeisen, „weinig reizigers kunnen zich
beroemen, met zulke kostbare stokken te huis te komen.”
Het viertal had ook getracht zich van fatsoenlijke kleeding te
voorzien. Wel zijn de modemagazijnen te Koetshing met een lantaarn te
zoeken; toch slaagden zij naar wensch en konden de ewah en de „klambi”
(baadje) die hen tot heden gedekt hadden, tegen een matrozen zondagspak
verwisselen. Hamadoe had zich onder de leiding van haar echtgenoot en
van Johannes eenige sierlijke sarongs en witte kabaai’s aangeschaft en
zag er, daarin getooid, allerliefst uit. Ook Dalim en zijn makker van
Kwala Kapoeas hadden zich getransformeerd en prijkten nu in de
smaakvolle kleederdracht van de bemiddelde Maleiers. Allen zagen er dus
bij het aan boord stappen zeer deftig uit en onmogelijk kon men hen
aanzien, dat zij ongeveer drie maanden in Borneo’s wildernissen hadden
rondgezworven.
De „Rainbow,” te Glasgow gebouwd, was een wakker scheepje, dat den
postdienst tusschen Sarawak en Singapore volvoerde. Denzelfden dag van
vertrek liep het vaartuig bij kalm en helder weder dicht onder de
rotsen van Tandjoeng Datoe en kon ons viertal nog een laatsten blik
werpen op het eiland, dat zij van zuid naar noord doorgetrokken en
alwaar zij in zulke zonderlinge toestanden verkeerd hadden. Allen keken
met aandoening naar die kaap, niet het minst de jonge vrouw, die met
verkropte droefheid nog een tip van het land harer geboorte daar
voorbijschuiven, langzaam op den achtergrond treden en eindelijk aan
den gezichteinder verdwijnen zag.
„Naughe,” lispelde zij, „ajoeë Mahatara mangkilak.” (Het zij hoe het
zij, het is Gods begeerte). Zij wendde den blik van den horizon af,
waar haar oog nog lang had getracht Poeloe Kalimantan te ontwaren en
zocht toen troost bij haar gemaal.
Drie etmalen later liet de „Rainbow” het anker op de reede van
Singapore vallen. De ontscheping was ras geschied. Het eerste bezoek,
dat de deserteurs in die wereldstad brachten, was bij den
Nederlandschen consul. De veroordeeling door Radja Brooke over hun
desertie uitgesproken, had voornamelijk de Zwitsers diep getroffen. Zij
wilden weten, welke uitgaven de Nederlandsche staat voor hun aanwerving
als soldaat gedaan had. Toen zij dat vernomen hadden, deponeerde ieder
hunner bij den consul voor een waarde van duizend gulden aan stofgoud,
om die onkosten te vergoeden en om voor den nog te verloopen diensttijd
van hun verband een plaatsvervanger aan te werven. Ook verzochten zij
dien consul, een fraaien veldkijker en dito boussole met twee keurig
bewerkte Remmingtongeweren, die zij hem ter hand stelden, te willen
toezenden aan den kommandeerenden officier van Kwala Kapoeas, wiens
naam zij hem duidelijk opgaven. Zij erkenden gaarne, dat zij door de
instrumenten en wapenen van den luitenant mede te nemen, zich aan de
eerlijkheid, vergrepen hadden. De consul, door die gedragingen
getroffen, voelde zooveel sympathie voor die mannen, dat hij zich
gaarne te hunner beschikking stelde, om hen in hun moeilijken toestand
te helpen. Door zijn tusschenkomst maakten zij hun stofgoud en hun
bezoarsteenen op de meest voordeelige wijze te gelde en bevonden dat,
na Dalim en zijn makker rijkelijk beloond te hebben, ieders deel ruim
25,000 gulden bedroeg, die de consul gedeeltelijk in sovereigns en
gedeeltelijk in wissels aan de beide Zwitsers en aan den Waal
uitbetaalde. Johannes, die zich te Singapore wilde vestigen, zou voor
en na over zijn deel beschikken.
De consul ging in zijn edelmoedige bemoeiingen nog verder. Hij schreef
naar Batavia en verkreeg, nadat bij het Indische leger vier
plaatsvervangers voor de gedeserteerden gesteld waren, hun papieren en
behoorlijk ontslag uit den militairen dienst. Dat had evenwel tijd
gekost, maar gedurende de drie maanden, die daarmede gemoeid waren, had
hij de twee Zwitsers als schrijvers op zijn kantoor gebezigd en La
Cueille bij een wapensmid bezorgd, zoodat zij hun brood ruim verdienen
konden, zonder hun kapitaal te behoeven aan te raken.
Van dien tusschentijd maakte Wienersdorf gebruik om zijn ega
trapsgewijze in het westersche leven in te wijden. Hij was begonnen met
haar in een der voornaamste magazijnen in een Europeesche dame te
transformeeren. Hij had de zaken goed en met smaak gedaan, zoodat dan
ook het lieve vrouwtje in dat nieuwe toilet er allerbetooverendst
uitzag. Overigens was zij van nature goed ontwikkeld, zij had de gave
van alles goed en vlug in zich op te nemen, zoodat haar vervorming
niets geen moeite kostte. Bij gelegenheid dat de dominé van Riouw eens
een uitstapje te Singapore maakte, werd deze in den arm genomen, om het
paar kerkelijk in te zegenen. Zijn WelEerwaarde liet zich alle
omstandigheden van het Dajaksche huwelijk mededeelen en toen hij dat
alles vernomen had, aarzelde hij geen oogenblik, maar zegende den band
onder zoo vreemde omstandigheden gesloten, in weerwil dat de geboden
niet hadden plaats gehad. Stellig beloofde Wienersdorf, dat bij
aankomst in Zwitserland hij de verbintenis ook door den landamman zoude
laten bekrachtigen.
Eindelijk waren de papieren van Batavia aangekomen en weerhield niets
meer onze Europeanen om naar hun vaderland terug te keeren. Alvorens
evenwel te vertrekken, brachten de vier lotgenooten een laatste bezoek
bij den Nederlandschen consul, die hen zoo ter zijde gestaan had;
hartelijk drukten zij hem de hand, en als bewijs hunner erkentelijkheid
boden zij hem het dagregister aan, dat La Cueille te kotta Rangan
Hanoengoh van Harimaoung Boekit ontvangen had en waarschijnlijk van den
in 1825 vermoorden Georg Müller afkomstig was. Getroffen nam de consul
dien foliant aan en maakte het voornemen hem aan het museum voor land-
en volkenkunde te Batavia aan te bieden.
Daags daarna stonden onze mannen vereenigd op een der steigers van New
Harbour, de aanlegplaats der mailstoomers te Singapore. De Hydaspe,
mailboot der Fransche messagéries impériales lag met stoom op en tot
vertrek gereed. Aandoenlijk was het afscheid, dat Johannes van zijn
makkers nam. Hun aller gemoed was te vol om veel woorden te kunnen
wisselen. Zwijgend en snikkend drukten zij elkander de hand en de boot
was reeds de straat ingestoomd, die Poeloe Pandjang van het eiland van
Singapore afscheidt, toen de drie vrienden nog uittuurden en nog
meenden in de verte een zakdoek te zien waaien. Met een snik riep
Johannes hen na:
„Dat God hen nu verder geleide! het waren flinke ferme kerels!”
De Hydaspe was weldra uit het oog verdwenen en stevende straat Malakka
in.
De kommandant van Kwala Kapoeas had na den terugtocht van kotta
Djankang geen poging meer aangewend om de deserteurs in handen te
krijgen. Toen hij kort daarop met een stoomschip voor die kotta kwam,
vernam hij de ware toedracht van het gebeurde, maar ook dat de vogels
gevlogen waren. Zeer verbolgen was men te Batavia, evenwel niet zoo
zeer over die desertie; maar Secretarie en IIe Afdeeling van het
Departement van Oorlog konden niet verkroppen, dat de verantwoording
des luitenants sloot als een bus en dat met diens rapporten in de hand
geen zondebok was aan te wijzen. Maar.... behelsden die rapporten wel
de waarheid, de geheele waarheid, niets dan de waarheid? In die
fabrieken van geflatteerde verslagen en rapporten over rustige rust nam
men de vrijheid daaraan te twijfelen. Er werd een commissie gezonden
met vertoonbare instructie, om de toedracht van het gebeurde tot
klaarheid te brengen; maar met geheime opdracht om stipt na te gaan of
des luitenants handelingen geen aanleiding tot die desertie gegeven
hadden. De commissarissen, volijverige landsdienaren, namen hun taak
volgens die geheime opdracht op en ondervroegen iedereen tot den bijkok
toe, of ook de kommandant soms bij de een of andere gelegenheid redenen
tot ontevredenheid had gegeven. Toen die bijkok, een rechte snaak,
daarop antwoordde, dat niet de kommandant, maar wel het
hongerlijderstarief tot gepruttel en wrevel en wellicht ook tot die
desertie aanleiding hadden gegeven, werd eerst die uitdrukking uiterst
gekuischt geverbaliseerd; maar daar zij niet geheel weg te moffelen
was, werd de geheele arbeid van die commissie in den doofpot gestopt.
De IIe Afdeeling van het Departement van Oorlog en de Secretarie waren
troosteloos.
Geen zondebok! Zoo iets was nog nooit voorgekomen.
Wat zullen ze in den Haag wel zeggen?!!
Eens toen de chef van gemelde afdeeling met een
gouvernements-sekretaris over die zaak van gedachten wisselde, kreeg
hij een lumineus idée.
„In het jaar 1800.... laat zien,.... zeven?... neen, acht en vijftig
werd een kapitein der infanterie gestraft met veertien dagen provoost
en overplaatsing, omdat bij het doen van reglementair voorgeschreven
saluutschoten op ’s Konings verjaardag een paar manschappen der
bediening door het ontijdig afgaan van het stuk ernstig gekwetst
werden. Die manschappen werden voor den dienst afgekeurd en een jaar na
het gebeurde werd op dien kapitein ook nog verhaald de geldelijke
schade aan het rijk door het ontijdig pensionneeren van de gekwetsten
berokkend. Het bedrag dier schade werd jaarlijks van zijn traktement
gekort.”
„Drommels! drie straffen voor één feit, dat was ook geen vriendje.”
„Dat tot daar aan toe, maar dat kan als antecedent dienen.”
„Ja, daar zijt gij sterk in bij uw departement. Het antecedentensysteem
spaart de moeite van te denken uit.”
„Om het even; thans kan het goeden dienst presteeren. Die olijkert daar
in de Dajaklanden, die de brutaliteit heeft om te bewijzen, dat hij
geen schuld aan het geval heeft en daarenboven de onbeschaamdheid
ontwikkelt bij die bewijsvoering een dosis talent voor den dag te
brengen, moet op zijn voorman gezet worden. Waar zou anders het
prestige der bureaux blijven? Door die desertie is het rijk schade
berokkend; schuld of geen schuld, die moet hij vergoeden.”
De legerbevelhebber diende overeenkomstig dit schitterend denkbeeld een
voorstel in om den kommandant van Kwala Kapoeas te belasten met een som
van 4000 gulden, zijnde het vermoedelijk bedrag van hetgeen die vier
deserteurs aan den staat gekost hadden, na aftrek van een redelijk
tantum voor de diensten, welke zij Nederland bewezen hadden. Hoewel
niemand dan de strafrechter boeten en alleen de rekenkamer vergoedingen
opleggen kan, was toch reeds het betrekkelijk besluit geschreven ter
Secretarie en zou naar Buitenzorg opgezonden worden, om met de
handteekening van den Gouverneur Generaal te worden bekrachtigd, toen
van den consul te Singapore een even groote som ontvangen werd om voor
de deserteurs plaatsvervangers te stellen. Dat was te erg; dat bracht
den geheelen kladwinkel van Batavia in de war.
„Die kerel is met den helm geboren, geloof ik,” werd op zekere kamer
van het paleis te Weltevreden gemompeld; „maar.... hij is nog geen
kapitein, daar kan ik hem een briefje van geven. Die desertie zal later
nog wel dienst doen.”
Een vriendenhand schreef het gansche verloop en den geheelen snooden
toeleg naar Kwala Kapoeas. De luitenant legde des avonds toen zij bij
elkaar zaten den dokter dat geschrift voor. Toen de esculaap het
geheele relaas van den consul te Singapore gelezen had, barstte hij
uit:
„Brave Kerle!!”
En meteen vloog hij het vertrek uit, maar kwam een oogenblik daarna
weer binnengestoven met een flesch echte Veuve Cliquot in de hand.
Zenuwachtig liet hij de kurk knallen, de glazen waren ras gevuld.
„Ik thrink, ik thrink op de wohlgeschlaagde.....”
De luitenant vloog op, hield den medicinae doctor de hand op den mond:
„Je drinkt op de eindbeschikking der Voorzienigheid, die mij voor de
betaling van vierduizend pop behoed heeft. Drommels mijn waarde mof, ik
beken dat is een dronk waard. Ik dank je van harte. Kijk daar ga je.”
De dokter keek den officier een oogenblik wezenloos aan. Eindelijk
scheen hij te begrijpen. Hij bracht het glas aan den mond, maar toch
kon de onverbeterlijke Germaan niet weerhouden uit te roepen, alvorens
hij dronk:
„Salamat djalang!” (Geluk op hun reis.)