XXXIV.

De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche

waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de

„Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—Te Koetshing.—Aan boord van de

„Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.

Na het ontwaken en toen de nachtnevelen door de eerste zonnestralen

weggeveegd waren, ontrolde zich een wonderschoon schouwspel voor de

oogen onzer reizigers. De zuidelijke helling van het gebergte, hetwelk

zij den vorigen dag beklommen hadden, was met hoogwoud bedekt, waardoor

ieder vergezicht verhinderd was geweest. De zadelrug, waarop zij

overnacht hadden, was ook nog overdekt met prachtexemplaren van de

flora der intertropische hoogzone. Maar toen zij den rand der

noordelijke helling naderden, was het alsof de rijke plantenwereld, die

hen tot hier begeleid had, plotseling verdween, om slechts een woest

door elkander geworpen natuur te vertoonen.

Ja, woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door

torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd,

werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en

huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan

gebogen of kruipend heen dringen kon. Hier gaapten gevaarlijke

rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den

bergstroom hoorde bruisen, maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders

verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend

en met dood en verderf dreigend. Toch troffen de reizigers te midden

van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den

bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem en zachte hellingen,

met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai

gepluimden ceder, den Zwitsers een Alpenweide met haar dennen voor

oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte:

„Een park aangelegd in den verheven scheppingsstijl!”

Bij het betreden van een dier oasen, ontwaarden de reizigers een

waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand

neerstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken de Zwitsers naar

den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte

hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet

zweven. De soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een

paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar

beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm

langs den loodrechten rotswand als een kristallen straal den dalbodem

bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een

vooruitstekende steenmassa, waarop hij met donderend geweld in schuim

en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en

luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere

takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar

ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich

schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen

schuimblaasjes uiteenspatten, haar saamgeperste zuilen in tal van

wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan

afteekenden, om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te

schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen.

De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en

kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de

prachtige regenbogen, allerwegen door de breking der zonnestralen

gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door

een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met

ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid

bevonden, met hen voor of achterwaarts schreed, in een woord al hun

bewegingen volgde. Aan hun haren, op hun huid, op de schamele kleeding,

die hen bedekte, hechtten zich de fijne waterdruppels en schitterden

daar, ieder op zichzelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke

pracht in prismatische kleuren.

„Schoon! wonderschoon!” fluisterde de jonge vrouw. „Zijn in uw land ook

zulke tooneelen te vinden?”

„Zeker is het schoon, mijn dierbare,” antwoordde haar echtgenoot. „Maar

Zwitserland zal u niet minder aanbieden. Om niet van den Rijnval te

Laufen te spreken, zullen de Giessbach bij het Brienzermeer, de

Staubbach in het Lauterbronnendal en meer andere u even grootsche

tooneelen, zoo niet grootschere laten zien.”

„Waar de blanken zich vermaken met zoo’n waterval op te verven, niet

waar?” sprak Johannes gemelijk.

„Wat bedoel je met je opverven?” vroeg Schlickeisen.

„Heb ik niet ergens gelezen, dat de natuur in ulieder vaderland te arm

bevonden werd, zoodat er nog wat bengaalsch vuur bij moest om zoo’n

waterval wat op te poetsen?”

„Ja, bij den Giessbach gebeurt dat; maar wanneer je ooit in Europa komt

en in Zwitserland mocht verzeild raken, ga dan den val van die beek bij

avond bewonderen en offer een zestal francs op om hem verlicht te

zien.”

„Ik zal er wel voor passen,” sprak Johannes met ietwat verontwaardiging

in zijn stem.

„He! waarom zul-je daarvoor passen?”

„Omdat de natuur in mijn oog te verheven is, om haar door een

narrenkleed, een hansworstenpak te ontheiligen. De Europeanen—vergeeft

mij de uitspraak—zijn en blijven narren overal. Ik herinner mij dat

ergens op Java bij den intocht van den Gouverneur-Generaal al de

stammen der prachtige kanarieboomen, die aan weerszijden van den weg,

dezen tot een verrukkelijk lommerrijke laan maakten, tot anderhalve

manshoogte helder wit gekalkt en met een rood randje versierd waren.

Zoo iets kan slechts in het brein van een volbloed Europeaan opkomen.

Er moet steeds zoo iets van een lappendeken bij zijn. Gekalkte

boomstammen en bloed- roode watervallen! God betere ’t!.... Maar, om

tot een ander onderwerp over te gaan, laten wij, terwijl wij vol

bewondering voor dezen waterval staan, elkander de hand drukken en

geluk wenschen.”

„Gaarne,” lachte La Cueille, „ik houd van geluk wenschen, omdat dan een

oorlam niet ver af is.”

Johannes sprong op een der draagmandjes toe, greep een paar vierkante

flesschen, echt merk A.V.H., schonk ieder der aanwezigen een flinken

teug in, verhief daarna zijn klapperdop en sprak:

„Mannen! broeders! Heden ochtend hebben wij den zadelrug van het Batang

Loepar gebergte overschreden. De kam van dat gebergte maakt de grens

uit tusschen het Nederlandsche grondgebied en Sarawak. Die grens zijn

wij overgetrokken en we bevinden ons thans op het gebied van Radja

James Brooke. Mij dunkt dat het wel een gelukwensch waard is. De meeste

en grootste gevaren liggen even als die grens achter ons. Weinige

dagreizen scheiden ons nog slechts van de zee en, vergeleken met

hetgeen wij doorworsteld hebben, is het afteleggen traject als

kinderwerk te beschouwen. Broeders! ik drink op Radja James Brooke, die

zoo ter rechter tijd op de onherbergzaamste kust van geheel Borneo een

rijk heeft gesticht, als het ware om ons na zoo’n tocht op te nemen en

in veiligheid te brengen. Hip! hip!! hoera!!!”

„Hip! hip!! hoera!!!” antwoordden de overige Europeanen.

„Lēēēh lĕlĕlĕlĕlĕ ouiiiiit!!!” gilden de Poenans.

De reizigers lieten nu de oogen weiden over de vlakte, die zich aan hun

voeten uitspreidde. Hoe woest ook de hellingen aan deze zijde van het

Batang Loepar gebergte waren, daar beneden strekte zich een tapijt uit

van het weligste groen. Te midden van dat tapijt ontrolde zich een

zilveren lint, hetwelk nagenoeg van zuid naar noord slingerde.

Harimaoung Boekit verklaarde den vrienden, dat het de soengei Oendoep

was. Hij wees hun op een punt aan den horizon, dat helder wit op het

liefelijke groen uitblonk. Wienersdorf greep zijn kijker:

„Het zijn witte Europeesche gebouwen!” riep hij met van aandoening

trillende stem.

„Goddank!” riep Schlickeisen.

„Bénie soit la très Sainte Vierge de Jupille,” mompelde La Cueille zeer

devoot, terwijl hij zijn hoofddoek afnam.

„Ja, het zijn gebouwen, behoorlijk gewit,” ging Wienersdorf aandachtig

kijkende voort. „Als ik wel onderscheid, ligt daar een fort. Het

schijnt een vierkante, gebastionneerde redoute te zijn. Ik zie zelfs

den vlaggestok. Maar die vlag? Slap en bewegingloos hangt zij langs de

lijn. Zij schijnt.... maar ah! daar ontplooit haar een windje. Een veld

van goud, waarop een rechtstandig kruis, hetwelk de geheele baan in

vier vakken verdeelt. De opstand van het kruis is half rood en half

zwart, en de eene kruisarm vertoont deze, de andere gene kleur.”

„Dat is waarschijnlijk de Sarawaksche vlag,” sprak Johannes.

„Die plaats heet Simangang,” lichtte Harimaoung Boekit toe.

De reizigers waren nu snel beneden aan den voet van de bergketen en

vóórdat de zon ten ondergang neigde, waren zij bij het Sarawaksche fort

aangekomen. Aanvankelijk liep de bezetting te wapen, toen ons troepje

reizigers verscheen, maar Schlickeisen, die uitmuntend Engelsch sprak,

trad alleen vooruit. Toen de assistent-resident tevens militaire

kommandant vernam, dat vier Europeanen tot dat troepje behoorden, dat

dit vier soldaten waren, die van de Hollanders weggeloopen waren,

krulden zich zijn lippen tot een glimlach. Dat „the damned Dutchman”

een kool gestoofd was, bracht Mr. Spencer in een buitengewoon goede

luim. Hij trad naar buiten, monsterde het troepje en stond genadig toe,

dat de Europeanen hun intrek in het fort namen. Harimaoung Boekit met

zijn Poenans zouden evenwel buiten moeten blijven.

„Gij treft het bijzonder,” betuigde de Engelschman; „morgen ochtend

vertrekt de „Firefly” naar Koetshing; met die kunt gij de reis

medemaken. Daar zult gij wel een vaartuig aantreffen om u naar

Singapore te brengen.”

De Europeanen dankten innig voor deze gunst. Zij verkozen evenwel den

nacht buiten het fort door te brengen. Het zouden de laatste uren zijn,

die zij in gezelschap van het brave Poenanhoofd zouden doorbrengen. Hij

zou zijn vrienden aan boord zien stappen, om onmiddellijk daarna den

terugtocht naar soengei Miri te ondernemen.

Onder opgeruimd gekout, soms afgewisseld door een weemoedige stemming

bij de gedachte aan de naderende scheiding, ging de nacht voorbij. Bij

het aanbreken van den dag brachten de Europeanen hun draagmandjes,

waarin hun schatten verborgen waren, aan boord van de „Firefly”.

Harimaoung Boekit vergezelde hen tot op het dek. Toen het laatste gegil

van de stoomfluit weerklonken had, greep hij zijn zuster om den hals en

keek haar aandachtig in de oogen, alsof hij zich haar beeld in de ziel

wilde griffen; terwijl heete tranen hem langs de wangen biggelden.

Onstuimig klemde hij haar eindelijk aan zijn borst, greep toen de hand

van Wienersdorf en bracht die aan de lippen.

„Paharingkoe Dohong” (mijn broeder Dohong) sprak hij snikkend. Dat

waren de eenige woorden, die hij in zijn ontroering vermocht uit te

brengen.

Nog een getjingel van de bel, nog een gegil van de stoomfluit, toen

rukte hij zich los uit de omarming van Hamadoe, drukte de vier vrienden

nogmaals de hand en sprong aan wal. De loopplank was reeds ingetrokken,

de raderen volbrachten hun omwentelingen en weldra was er een klove

tusschen zuster en broeder, een klove die met iedere seconde in

uitgebreidheid toenam, totdat beider beeld zich in den morgennevel

oploste en zij onzichtbaar voor elkander waren. Hamadoe wischte zich

toen een traan van de frissche wang, sloeg haar arm om den hals van

Wienersdorf en lispelde:

„Nu zijt gij mijn alles!”

Een hartelijke omhelzing beantwoordde haar omstrengeling en de

innigheid daarvan overtuigde haar, dat de man, voor wien zij alles op

aarde verliet, haar niet minder liefhad dan zij hem.

„Wat zag het er smerig uit in dat fort,” zeide La Cueille, toen het

viertal bij elkander een kringetje op het dek gevormd had. „Ik heb

gisteren daar eens in rondgewandeld; maar foei, wat ’n vieze boel.”

„Je kondt wel zien, dat de schrobbende, poetsende, wrijvende en

boenende Hollanders daar niet huishouden. Ik heb daar ook rondgewandeld

en ziet hier, wat ik opgemerkt heb. Het fortje te Simangang, welks

borstwering, zooals gij hebt kunnen zien, uit ijzerhouten palissaden

bestaat, is bewapend met vier gladziels kanonnen van 6 ℔, geplaatst op

rolpaarden; oude vuile dingen, die daar als bangmakers staan en waarvan

bij aanranding meer gevaar dan heil voor de bezetting te verwachten

zoude zijn. Het garnizoen, geheel uit Dajaks bestaande, is 35 man

sterk, die evenwel met de Sniderkarabijn, een uitmuntend

achterlaadgeweer, gewapend zijn. Er is maar één Europeaan in het fort,

de assistent-resident. Dat is een burger, wien tevens het kommando over

het fort is opgedragen.”

„Het is wat moois,” grinnikte La Cueille, „een politiek! wat zullen die

soldaatjes zich lekker gevoelen en wat zal er voor hen gezorgd worden.”

„Zwijg kerel; dat je die lui hier aan boord niet hooren, maar het is

ellendig. Om zoo’n zwartrok eenigszins in staat te stellen een niet al

te mal figuur te slaan tegenover zijn manschappen, is hem een

instructie uitgereikt onder den officieelen naam van: „hints to young

out-station officers from the rajah.” Een curieus stuk, waarin op

eigenaardige wijze den pseudo-officier zijn verplichtingen zijn

voorgehouden. Zoo wordt er o.a. in voorgeschreven, dat om zich te

overtuigen of de wapens in orde zijn, hij den vinger in de geweerloopen

moet brengen, ten einde te zien of die ook beroest zijn. Ook dat het

beste en zekerste bewijs van een goede waakzaamheid is het hooren van

den stap van den schildwacht.”

„Kom laat naar je kijken,” lachte de Waal, „dat weten de korporaals van

de plattelands garde civique in mijn land nog voor zij hun kemelsharen

galons verwerven.”

„Wel mogelijk, maar dat moet aan de Sarawaksche dienstdoende officieren

schriftelijk gegeven worden, anders weten zij het niet. Dat is nu

eenmaal zoo. Ik vernam verder, dat in Sarawak veertien van die fortjes

bestaan, waarvan het meerendeel slechts door een dozijn soldaten bezet

zijn. Simangang als grenspost eischt evenwel een sterker garnizoen.”

„Twaalf Dajaks onder bevel van een stalen pen, duizend duivels! zoo’n

fort moet onneembaar zijn.”

„Dat Simangang is prachtig gelegen,” sprak Schlickeisen, „het is een

wel uitgekozen punt aan de samenvloeiing van twee rivieren. Hoe heeten

die?”

„De hoofdstroom heet Batang Loepar.”

„Maar zoo heet het gebergte, waarover wij getrokken zijn.”

„En zoo heet ook de stroom, die aan den voet van dat gebergte

ontspringt. Het is een prachtig vaarwater bijna aan een zeearm gelijk.

De rivier, die zich tegenover het fort Simangang in de Batang Loepar

ontlast, heet soengei Sakarang.”

De „Firefly” was een flinke raderboot, die zich op dien fraaien breeden

stroom snel en sierlijk bewoog. Bij het vallen van den avond had zij de

monding bereikt en konden de reizigers zich in den aanblik der zee

verlustigen. De steven werd nu westwaarts gewend en nog voor dat de dag

aanbrak, was zij de monding van de soengei Moratabas, een tak van de

Sarawak-rivier, binnengestevend. Een paar uur later lag zij voor

Koetshing, de hoofdplaats van het Sarawaksche rijk ten anker. Radja

James Brooke ontving onze reizigers welwillend en hoorde het verhaal

hunner wederwaardigheden met de meest onverdeelde belangstelling aan.

Onverholen bewonderde hij hun stoutmoedigheid, hun geestkracht en

doortastendheid, maar ook onbewimpeld veroordeelde hij de volvoerde

desertie, die hij als „faithlessness” trouwbreuk tegenover het

gouvernement, waarmede een verband was aangegaan, brandmerkte. Toch kon

hij niet over zich verkrijgen de mannen, die zoo’n tocht volvoerd

hadden, die zooveel geleden en ondervonden, die alles gewaagd hadden om

hun vrijheid terug te krijgen, aan de Nederlandsche autoriteiten uit te

leveren.

Twee dagen later vertrok de „Rainbow”, een elegant schroefscheepje als

bark getuigd, naar Singapore en scheepten onze reizigers zich daarop

in. De Europeanen hadden zich het verblijf te Koetshing ten nutte

gemaakt en alle pogingen aangewend, hun huid met veel zeep van haar

katitingverf te ontdoen, hetgeen niet geheel en al gelukte. De

bronskleur, die hen zoolang beschermd had, liet zich zoo maar niet

verwijderen en zij bleven uitzien als Indo-Europeanen, d.w.z. als

individuën van gemengd ras. Zij moesten het aan den tijd overlaten om

hun huid op te bleeken.

„Crétonnerre!” pruttelde La Cueille, „niemand zal mij te Jupille

herkennen.”

„Dat zal razend jammer zijn,” lachte Johannes, „maar laat je

bamboemesje van soengei Naning zien, ik verwed, dat je dan toch de

opmerkzaamheid van al de Walinnetjes van het geheele Luikerland tot je

trekt.”

Allen lachten, alleen de Waal bewaarde verontwaardigd zijn ernst.

„Maak je maar niet ongerust,” ging de spotter voort, „je hebt nog wel

een paar maanden voor den boeg, alvorens te Jupille aan te komen.

Gebruik je nu vlijtig eau de Javelle, dan zul je wel voldoende gebleekt

zijn, om er weer uit te zien als een jodenpaaschkoek. En mocht er nog

een spoor van de katiting overgebleven zijn, dan zal dat bij de

Walenmaagden wel door den inhoud van je wandelstok vergoed worden.”

„Te drommel ja,” lachte Schlickeisen, „weinig reizigers kunnen zich

beroemen, met zulke kostbare stokken te huis te komen.”

Het viertal had ook getracht zich van fatsoenlijke kleeding te

voorzien. Wel zijn de modemagazijnen te Koetshing met een lantaarn te

zoeken; toch slaagden zij naar wensch en konden de ewah en de „klambi”

(baadje) die hen tot heden gedekt hadden, tegen een matrozen zondagspak

verwisselen. Hamadoe had zich onder de leiding van haar echtgenoot en

van Johannes eenige sierlijke sarongs en witte kabaai’s aangeschaft en

zag er, daarin getooid, allerliefst uit. Ook Dalim en zijn makker van

Kwala Kapoeas hadden zich getransformeerd en prijkten nu in de

smaakvolle kleederdracht van de bemiddelde Maleiers. Allen zagen er dus

bij het aan boord stappen zeer deftig uit en onmogelijk kon men hen

aanzien, dat zij ongeveer drie maanden in Borneo’s wildernissen hadden

rondgezworven.

De „Rainbow,” te Glasgow gebouwd, was een wakker scheepje, dat den

postdienst tusschen Sarawak en Singapore volvoerde. Denzelfden dag van

vertrek liep het vaartuig bij kalm en helder weder dicht onder de

rotsen van Tandjoeng Datoe en kon ons viertal nog een laatsten blik

werpen op het eiland, dat zij van zuid naar noord doorgetrokken en

alwaar zij in zulke zonderlinge toestanden verkeerd hadden. Allen keken

met aandoening naar die kaap, niet het minst de jonge vrouw, die met

verkropte droefheid nog een tip van het land harer geboorte daar

voorbijschuiven, langzaam op den achtergrond treden en eindelijk aan

den gezichteinder verdwijnen zag.

„Naughe,” lispelde zij, „ajoeë Mahatara mangkilak.” (Het zij hoe het

zij, het is Gods begeerte). Zij wendde den blik van den horizon af,

waar haar oog nog lang had getracht Poeloe Kalimantan te ontwaren en

zocht toen troost bij haar gemaal.

Drie etmalen later liet de „Rainbow” het anker op de reede van

Singapore vallen. De ontscheping was ras geschied. Het eerste bezoek,

dat de deserteurs in die wereldstad brachten, was bij den

Nederlandschen consul. De veroordeeling door Radja Brooke over hun

desertie uitgesproken, had voornamelijk de Zwitsers diep getroffen. Zij

wilden weten, welke uitgaven de Nederlandsche staat voor hun aanwerving

als soldaat gedaan had. Toen zij dat vernomen hadden, deponeerde ieder

hunner bij den consul voor een waarde van duizend gulden aan stofgoud,

om die onkosten te vergoeden en om voor den nog te verloopen diensttijd

van hun verband een plaatsvervanger aan te werven. Ook verzochten zij

dien consul, een fraaien veldkijker en dito boussole met twee keurig

bewerkte Remmingtongeweren, die zij hem ter hand stelden, te willen

toezenden aan den kommandeerenden officier van Kwala Kapoeas, wiens

naam zij hem duidelijk opgaven. Zij erkenden gaarne, dat zij door de

instrumenten en wapenen van den luitenant mede te nemen, zich aan de

eerlijkheid, vergrepen hadden. De consul, door die gedragingen

getroffen, voelde zooveel sympathie voor die mannen, dat hij zich

gaarne te hunner beschikking stelde, om hen in hun moeilijken toestand

te helpen. Door zijn tusschenkomst maakten zij hun stofgoud en hun

bezoarsteenen op de meest voordeelige wijze te gelde en bevonden dat,

na Dalim en zijn makker rijkelijk beloond te hebben, ieders deel ruim

25,000 gulden bedroeg, die de consul gedeeltelijk in sovereigns en

gedeeltelijk in wissels aan de beide Zwitsers en aan den Waal

uitbetaalde. Johannes, die zich te Singapore wilde vestigen, zou voor

en na over zijn deel beschikken.

De consul ging in zijn edelmoedige bemoeiingen nog verder. Hij schreef

naar Batavia en verkreeg, nadat bij het Indische leger vier

plaatsvervangers voor de gedeserteerden gesteld waren, hun papieren en

behoorlijk ontslag uit den militairen dienst. Dat had evenwel tijd

gekost, maar gedurende de drie maanden, die daarmede gemoeid waren, had

hij de twee Zwitsers als schrijvers op zijn kantoor gebezigd en La

Cueille bij een wapensmid bezorgd, zoodat zij hun brood ruim verdienen

konden, zonder hun kapitaal te behoeven aan te raken.

Van dien tusschentijd maakte Wienersdorf gebruik om zijn ega

trapsgewijze in het westersche leven in te wijden. Hij was begonnen met

haar in een der voornaamste magazijnen in een Europeesche dame te

transformeeren. Hij had de zaken goed en met smaak gedaan, zoodat dan

ook het lieve vrouwtje in dat nieuwe toilet er allerbetooverendst

uitzag. Overigens was zij van nature goed ontwikkeld, zij had de gave

van alles goed en vlug in zich op te nemen, zoodat haar vervorming

niets geen moeite kostte. Bij gelegenheid dat de dominé van Riouw eens

een uitstapje te Singapore maakte, werd deze in den arm genomen, om het

paar kerkelijk in te zegenen. Zijn WelEerwaarde liet zich alle

omstandigheden van het Dajaksche huwelijk mededeelen en toen hij dat

alles vernomen had, aarzelde hij geen oogenblik, maar zegende den band

onder zoo vreemde omstandigheden gesloten, in weerwil dat de geboden

niet hadden plaats gehad. Stellig beloofde Wienersdorf, dat bij

aankomst in Zwitserland hij de verbintenis ook door den landamman zoude

laten bekrachtigen.

Eindelijk waren de papieren van Batavia aangekomen en weerhield niets

meer onze Europeanen om naar hun vaderland terug te keeren. Alvorens

evenwel te vertrekken, brachten de vier lotgenooten een laatste bezoek

bij den Nederlandschen consul, die hen zoo ter zijde gestaan had;

hartelijk drukten zij hem de hand, en als bewijs hunner erkentelijkheid

boden zij hem het dagregister aan, dat La Cueille te kotta Rangan

Hanoengoh van Harimaoung Boekit ontvangen had en waarschijnlijk van den

in 1825 vermoorden Georg Müller afkomstig was. Getroffen nam de consul

dien foliant aan en maakte het voornemen hem aan het museum voor land-

en volkenkunde te Batavia aan te bieden.

Daags daarna stonden onze mannen vereenigd op een der steigers van New

Harbour, de aanlegplaats der mailstoomers te Singapore. De Hydaspe,

mailboot der Fransche messagéries impériales lag met stoom op en tot

vertrek gereed. Aandoenlijk was het afscheid, dat Johannes van zijn

makkers nam. Hun aller gemoed was te vol om veel woorden te kunnen

wisselen. Zwijgend en snikkend drukten zij elkander de hand en de boot

was reeds de straat ingestoomd, die Poeloe Pandjang van het eiland van

Singapore afscheidt, toen de drie vrienden nog uittuurden en nog

meenden in de verte een zakdoek te zien waaien. Met een snik riep

Johannes hen na:

„Dat God hen nu verder geleide! het waren flinke ferme kerels!”

De Hydaspe was weldra uit het oog verdwenen en stevende straat Malakka

in.

De kommandant van Kwala Kapoeas had na den terugtocht van kotta

Djankang geen poging meer aangewend om de deserteurs in handen te

krijgen. Toen hij kort daarop met een stoomschip voor die kotta kwam,

vernam hij de ware toedracht van het gebeurde, maar ook dat de vogels

gevlogen waren. Zeer verbolgen was men te Batavia, evenwel niet zoo

zeer over die desertie; maar Secretarie en IIe Afdeeling van het

Departement van Oorlog konden niet verkroppen, dat de verantwoording

des luitenants sloot als een bus en dat met diens rapporten in de hand

geen zondebok was aan te wijzen. Maar.... behelsden die rapporten wel

de waarheid, de geheele waarheid, niets dan de waarheid? In die

fabrieken van geflatteerde verslagen en rapporten over rustige rust nam

men de vrijheid daaraan te twijfelen. Er werd een commissie gezonden

met vertoonbare instructie, om de toedracht van het gebeurde tot

klaarheid te brengen; maar met geheime opdracht om stipt na te gaan of

des luitenants handelingen geen aanleiding tot die desertie gegeven

hadden. De commissarissen, volijverige landsdienaren, namen hun taak

volgens die geheime opdracht op en ondervroegen iedereen tot den bijkok

toe, of ook de kommandant soms bij de een of andere gelegenheid redenen

tot ontevredenheid had gegeven. Toen die bijkok, een rechte snaak,

daarop antwoordde, dat niet de kommandant, maar wel het

hongerlijderstarief tot gepruttel en wrevel en wellicht ook tot die

desertie aanleiding hadden gegeven, werd eerst die uitdrukking uiterst

gekuischt geverbaliseerd; maar daar zij niet geheel weg te moffelen

was, werd de geheele arbeid van die commissie in den doofpot gestopt.

De IIe Afdeeling van het Departement van Oorlog en de Secretarie waren

troosteloos.

Geen zondebok! Zoo iets was nog nooit voorgekomen.

Wat zullen ze in den Haag wel zeggen?!!

Eens toen de chef van gemelde afdeeling met een

gouvernements-sekretaris over die zaak van gedachten wisselde, kreeg

hij een lumineus idée.

„In het jaar 1800.... laat zien,.... zeven?... neen, acht en vijftig

werd een kapitein der infanterie gestraft met veertien dagen provoost

en overplaatsing, omdat bij het doen van reglementair voorgeschreven

saluutschoten op ’s Konings verjaardag een paar manschappen der

bediening door het ontijdig afgaan van het stuk ernstig gekwetst

werden. Die manschappen werden voor den dienst afgekeurd en een jaar na

het gebeurde werd op dien kapitein ook nog verhaald de geldelijke

schade aan het rijk door het ontijdig pensionneeren van de gekwetsten

berokkend. Het bedrag dier schade werd jaarlijks van zijn traktement

gekort.”

„Drommels! drie straffen voor één feit, dat was ook geen vriendje.”

„Dat tot daar aan toe, maar dat kan als antecedent dienen.”

„Ja, daar zijt gij sterk in bij uw departement. Het antecedentensysteem

spaart de moeite van te denken uit.”

„Om het even; thans kan het goeden dienst presteeren. Die olijkert daar

in de Dajaklanden, die de brutaliteit heeft om te bewijzen, dat hij

geen schuld aan het geval heeft en daarenboven de onbeschaamdheid

ontwikkelt bij die bewijsvoering een dosis talent voor den dag te

brengen, moet op zijn voorman gezet worden. Waar zou anders het

prestige der bureaux blijven? Door die desertie is het rijk schade

berokkend; schuld of geen schuld, die moet hij vergoeden.”

De legerbevelhebber diende overeenkomstig dit schitterend denkbeeld een

voorstel in om den kommandant van Kwala Kapoeas te belasten met een som

van 4000 gulden, zijnde het vermoedelijk bedrag van hetgeen die vier

deserteurs aan den staat gekost hadden, na aftrek van een redelijk

tantum voor de diensten, welke zij Nederland bewezen hadden. Hoewel

niemand dan de strafrechter boeten en alleen de rekenkamer vergoedingen

opleggen kan, was toch reeds het betrekkelijk besluit geschreven ter

Secretarie en zou naar Buitenzorg opgezonden worden, om met de

handteekening van den Gouverneur Generaal te worden bekrachtigd, toen

van den consul te Singapore een even groote som ontvangen werd om voor

de deserteurs plaatsvervangers te stellen. Dat was te erg; dat bracht

den geheelen kladwinkel van Batavia in de war.

„Die kerel is met den helm geboren, geloof ik,” werd op zekere kamer

van het paleis te Weltevreden gemompeld; „maar.... hij is nog geen

kapitein, daar kan ik hem een briefje van geven. Die desertie zal later

nog wel dienst doen.”

Een vriendenhand schreef het gansche verloop en den geheelen snooden

toeleg naar Kwala Kapoeas. De luitenant legde des avonds toen zij bij

elkaar zaten den dokter dat geschrift voor. Toen de esculaap het

geheele relaas van den consul te Singapore gelezen had, barstte hij

uit:

„Brave Kerle!!”

En meteen vloog hij het vertrek uit, maar kwam een oogenblik daarna

weer binnengestoven met een flesch echte Veuve Cliquot in de hand.

Zenuwachtig liet hij de kurk knallen, de glazen waren ras gevuld.

„Ik thrink, ik thrink op de wohlgeschlaagde.....”

De luitenant vloog op, hield den medicinae doctor de hand op den mond:

„Je drinkt op de eindbeschikking der Voorzienigheid, die mij voor de

betaling van vierduizend pop behoed heeft. Drommels mijn waarde mof, ik

beken dat is een dronk waard. Ik dank je van harte. Kijk daar ga je.”

De dokter keek den officier een oogenblik wezenloos aan. Eindelijk

scheen hij te begrijpen. Hij bracht het glas aan den mond, maar toch

kon de onverbeterlijke Germaan niet weerhouden uit te roepen, alvorens

hij dronk:

„Salamat djalang!” (Geluk op hun reis.)

Borneo van Zuid naar Noord · 第 73 / 77 题