G. M.”

Peinzend bekeek Johannes die twee hoofdletters, die daar nog duidelijk

gegrift stonden.

„Sakkerloot!” riep hij eensklaps uit, „zou dat het dagboek van Georg

Müller zijn, het dagboek van den geleerde, die meer dan vijf en dertig

jaar geleden hier in de binnenlanden vermoord werd? Dat zou een vondst

zijn! O! ongetwijfeld is het dat.”

Harimaoung Boekit stormde zijn woning in en kwam weldra met een

rozenkrans van bekkeneelen naar buiten. Een daarvan toonde hij aan de

Europeanen, hetwelk, door den gelaatshoek niet te miskennen,

ontwijfelbaar aan een individu van het Kaukasische ras behoord had.

„Bij dat boek gevonden,” grijnsde de Poenan.

Met aandoening beschouwden onze avonturiers dat grijnzende doodshoofd,

hetwelk ongetwijfeld eenmaal de zetel van de verstandelijke vermogens

van den wakkeren reiziger geweest was, die der wetenschap ten offer

onder de handen van sluipmoordenaars gevallen was. Zij trachtten van

het Poenanhoofd nog bijzonderheden te vernemen, maar deze verklaarde er

niets meer van te weten, dan dat bij dien sneltocht al de Penhengs,

welke hij met de zijnen overvallen had, gedood waren. Een oude vrouw,

destijds als frissche jonge vrouw tot buit der overwinnaars

medegenomen, leefde nog. Zij was evenwel kindsch geworden en, toen ons

viertal haar ondervroeg en haar op dien schedel en dat boek wees, was

er niets uit te krijgen dan de volzin: „olo bapoeti bahalap” (een mooie

blanke).

Schlickeisen en Wienersdorf vereenigden hun smeekingen, om Harimaoung

Boekit te bewegen, hun dat bekkeneel af te staan; maar al hun pogingen

leden schipbreuk. Het bezit van den schedel eens blanken was den Poenan

te onwaardeerbaar; hij snoerde zijn rozenkrans behoedzaam te samen en

droeg hem binnenshuis. Johannes pakte evenwel het dagboek zorgvuldig in

en beveiligde het voor meerdere beschadiging.

Zoo langzamerhand waren de dagen verstreken, die Wienersdorf nog van

zijn huwelijk scheidden. Blaakte hij van ongeduld, om in het bezit

zijner lieftallige en aangebeden Hamadoe te geraken, Johannes van zijn

kant was niet minder ongeduldig, om de reis te kunnen voortzetten.

Eindelijk was de dag van volle maan daar, de dag waarop het huwelijk

zou voltrokken worden. Al heel vroeg in de weer, hadden Dalim en

Johannes den bruidegom kant en klaar voor de plechtigheid gemaakt.

Volgens Dajaksch gebruik had hij eerst in de rivier een bad moeten

nemen, waarna hij door zijn makkers met katitingverf geboend en

gewreven en eindelijk met „boengkang”, het vet eener zwarte kat,

ingesmeerd werd, zoodat zijn huid glom als een pas gepoetste

uniformknoop. De nagels aan handen en voeten werden hem verguld en op

het voorhoofd werden hem een paar dikke roode strepen geschilderd,

welke als twee vurige wenkbrauwen boven zijn van nature bruine dienst

deden. Hij werd met een „karoenkoeng”, een maliënkolder van

rottanschakels, gekleed en op zijn hoofd een mutsje van apenvel

geplaatst, waarop twee sierlijke staartveeren van den neushoornvogel

prijkten. De ewah, die hem om de lendenen geslagen werd, was uiterst

fijn van boombast geklopt en mocht een prachtstuk in zijn soort genoemd

worden. Daarover gespte hem Dalim den eigen staatsiemandauw van

Harimaoung Boekit, waaraan tallooze vlokken van menschenhaar bengelden,

ten bewijze dat dat wapen menigmaal zijn bloedig werk had verricht. Den

bruidegom werd nu nog een schild in de hand gegeven, waarop een

afzichtelijke krokodil geschilderd was, waarmede zijn dosch voltooid

was.

„Cré matin!” riep La Cueille bewonderend uit, „wat ben je mooi! Als

mevrouw Wienersdorf nu niet voor je wegloopt, dan begrijp ik er niets

van. Ik wou, dat ik je op de kermis te Jupille had. Met zoo’n wildeman

zou geld te verdienen zijn.”

De speculatiegeest begon waarachtig in den Waal te varen.

Maar nauwelijks was Wienersdorf getooid, toen drie afgevaardigden,

bloedverwanten van de bruid, verschenen, om hem ernstig af te vragen,

of hij tot de voltrekking van het huwelijk gereed was?

„Dat kun je begrijpen!” riep La Cueille, „de vent kookt van ongeduld.”

Na dat bevestigend antwoord ontvingen de afgezanten ieder een geschenk

in stofgoud van den bruidegom, ter waarde ongeveer van vijf gulden, en

vergezelde deze hen naar de woning der bruid. Zijn makkers met Dalim en

nog eenige Djankangers volgden hem in plechtigen optocht.

In een loods voor het huis van Harimaoung Boekit vond de trouwlustige

de geheele bevolking van kotta Rangan Hanoengoh bij elkander. Ja, meer

dan dat; velen waren van kotta Ohas en van kotta Behio voor die

plechtigheid overgekomen. Meer dan duizend zielen waren daar bij

elkander. De bruid, met haar lang zijden baatje en haar saloi met

gouddraad doorweven, zedig gekleed, zat tusschen een twintigtal harer

speelnootjes, die zonder blikken of blozen, met het bovenlijf bloot,

zich te midden dier menigte bewogen. Allen, bruid en bruidsmeisjes,

hadden den weelderigen haarwrong met melatiebloemen versierd.

Zoodra de bruidegom binnengeleid was, stond Amai Kotong, de oudste in

jaren van het gezelschap, op en sprak plechtig een invocatie uit,

waarbij hij Mahatara en al de Sangiang’s, maar vooral Kadjanka, den

goddelijken beheerscher der maan aanriep en hen smeekte het verliefde

paar voor alle rampen en ongelukken te behoeden. Hij somde daarbij met

luider stem al de bezittingen van de beide aanstaanden op, maar

overdreef bij het maken van dien huwelijksinventaris als naar gewoonte

niet weinig, omdat volgens de meening der Dajaks de godheid en de

bovenaardsche wezens meer belang in een rijken dan in een armen drommel

stellen. Vervolgens vermengde hij in een aarden pot het bloed van een

buffel, van een kip, van een woudduif en van een varken, en bezwoer de

Sangiangs bij dat mengsel eenig bloed van hun karbouwen, van hun

kippen, van hun duiven en van hun varkens te voegen.

Om meer kracht aan dat bezweringsformulier bij te zetten, werd het door

al de aanwezige Balians, vier-en-tachtig in getal, met vreeselijk

misbaar en onder luid getrommel op haar katambong’s herhaald.

Nadat Amai Kotong zich van zijn taak gekweten had, traden achtervolgens

de zes oudste mannen voor en herhaalden die invocatie, voor welke

handeling zij ieder van de bruid een schatting in stofgoud ter waarde

van ƒ 5.10 ontvingen.

Vervolgens moesten Hamadoe en Wienersdorf op een garantong (metalen

bekken) tegenover elkander plaats nemen. De bruidegom moest zich toen

het bovenlijf ontblooten. Gelukkig dat hij straks met katiting gebronsd

was, anders ware door de menigte ontdekt, dat hij een bleekhuid was.

Amai Kotong was Hamadoe behulpzaam, om ook bij haar die ontblooting te

verrichten. De lieve bruid bloosde onder den blik van zoovele oogen,

die op haar gericht waren, maar vooral onder dien van haar bruidegom,

dien zij toen wel had willen ontwijken. Daarop trad Amai Kotong met den

pot met bloed in de hand vooruit, stak de twee voorste vingers en den

duim der rechterhand in het mengsel en besmeerde nu, terwijl hij de

Sangiangs smeekte het jonge paar met een talrijke nakomelingschap te

zegenen, het voorhoofd, de schouders, de polsgewrichten, de maagholte

en den navel van bruid en bruidegom, in welke plechtige handeling hij

opgevolgd werd door de andere zes oudsten.

Toen die besmering afgeloopen was, deelde Wienersdorf geschenken aan de

bloedverwanten zijner bruid uit, waarmede de eigenlijke

trouwplechtigheden afgeloopen waren. Harimaoung Boekit kreeg een mooi

baatje van rood laken met breed vergulden kraag, Amai Kotong en de

overigen een fraaie ewah. En nu ging de juichende menigte tot het

bruiloft vieren over en aan het smullen, waarbij het bleek, dat het

Poenanhoofd de zaken ter eere van zijn zuster en van zijn bloedbroeder

Dohong zeer royaal getrakteerd had.

Toen bij het vallen van den avond de gemoederen, ten gevolge van het

ruime gebruik van toeak, opgewonden geraakten, en de feestvreugde zich

juichend en luide betuigde, wenkte Wienersdorf schier onmerkbaar zijn

vrouwtje en wilde zich met haar zachtkens verwijderen. O! tegen het

heengaan der bruid, daar was niets tegen; die werd door een viertal

bestjes naar haar vertrek begeleid, waar zij onder die liefelijke

bewaking den nacht slapeloos moest doorbrengen uit vrees voor

onheilspellende droomen. Maar toen Wienersdorf haar wilde volgen, werd

hij door Harimaoung Boekit, door Amai Kotong en, toen hij zich niet

gewillig onderwierp, door al de overige Dajaks tegengehouden. In geen

geval, zoo eischten ’s lands gebruiken, mochten de jonggehuwden

elkander thans ontmoeten. Ook mocht de bruidegom niet slapen uit vrees

voor nare droomgezichten. Er bleef voor hem niets anders over, dan den

nacht onder het genot van een toeakje met de feestvierende vrienden

door te brengen.

„Diable!” schaterde La Cueille, „une drôle de nuit nuptiale.”

De bruidegom deed of hij dien uitroep niet verstaan had.

Maar zoodra de zonneschijf zich den volgenden morgen aan de kim

vertoonde, werd de jonggehuwde vrouw door haar speelnootjes afgehaald.

Zij moest toen met haar echtgenoot in een djoekoeng stijgen en met hun

beidjes een eind uit den wal roeien. Ter bestemder plaatse in het

midden der rivier gekomen, gaf Hamadoe plotseling een schommelende

beweging aan het lichte vaartuig, waardoor het omkantelde. Wienersdorf

was geen koen zwemmer, zoodat die plotselinge indompeling hem verraste

en hij aanvankelijk naar de diepte zonk. Maar zijn lieve wederhelft

greep hem bij de hand, hielp hem en bracht hem behouden aan wal. Daar

strooiden de gillende Balians eenige rijstkorrels op beider hoofd en

brachten een levende kip er bij; toen deze die korrels gretig oppikte,

ging er een gejuich van de vergaderde menigte op; want nu was het

bewijs geleverd, dat alle ongeluk bezworen en verjaagd was. De

bruiloftsgasten keerden na het verorberen van nog een toeakje naar hun

huis terug en lieten de jonggehuwden aan hun overpeinzingen over.

Het huwelijk was nu wel voltrokken, maar gedurende de eerste zeven

dagen daarna mochten de jonggehuwden zich aan niemand vertoonen en

waren verplicht, afgezonderd van de geheele wereld te leven. Toen

evenwel die zeven dagen om waren, werd er andermaal bruiloft gevierd,

waarbij nu de makkers van Wienersdorf, zijn bloedverwanten

vertegenwoordigende, de honneurs waarnamen. De drie Europeanen met

Dalim en eenige Djankangers gingen in plechtigen optocht de

jonggehuwden afhalen en geleidden hen naar eene groote ruime loods,

daartoe expresselijk op het binnenplein der kotta gebouwd. Daar werden

toen dezelfde ceremoniën herhaald als vroeger. Alleen de bloedbesmering

der jonggetrouwden had nu plaats door de huisvrouwen van hen, die zulks

bij de eerste feestviering verrichtten. Tot slot der plechtigheid bood

Hamadoe met liefelijk gebaar aan Johannes, Schlickeisen en La Cueille,

als vertegenwoordigers der bloedverwanten van haar echtgenoot een fraai

bewerkte ewah aan.

„Drommels, wat zullen wij er deftig uitzien,” riep de Waal, „wanneer

wij als Dajaks gekleed te Singapore zullen rondkuieren.”

Borneo van Zuid naar Noord · 第 71 / 77 题