Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der
stofgoudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De
diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van Georg
Müller.—Huwelijksplechtigheden.
Daags na dien tocht, werd het goudwasschen weer met ijver hervat en zou
dat bedrijf voortgezet worden tot het vertrek van onze avonturiers. Zij
waren van oordeel, dat zij niet te veel van dat kostbare metaal konden
verzamelen. En wat het vervoer betrof, daaromtrent had de trouwe
Harimaoung Boekit hen gerustgesteld. Hij beloofde hen uitgeleide te
doen met een dertig zijner onderhoorige Poenans, zoo mogelijk tot dat
zijn beschermelingen de Sarawaksche grens zouden bereikt hebben.
Dankbaar werd die hulp door Wienersdorf en zijn metgezellen aangenomen
en de toebereidselen dienovereenkomstig gemaakt.
Bij dat dagelijksche goudwasschen, hetwelk al meer en meer winstgevend
werd, naarmate de behendigheid der fortuinzoekers zich meer volmaakte,
maakte La Cueille de opmerking, dat de terreinen vanwaar dat stofgoud
afgevoerd werd onmetelijk rijk moesten zijn. Vooral kwam hij tot die
gevolgtrekking, toen hij van de bevolking vernam, dat bij iederen
watervloed de uitgeputte rijkdommen in de beddingen der rivieren en op
de zandbanken en uitspringende hoeken weder hersteld werden en dat na
iederen westmoesson het stofgoud weer even overvloedig aanwezig was,
alsof nimmer de hand aan de ontginning geslagen ware. Als een
bijzonderheid werd hem nog medegedeeld, dat hoe meer er gewasschen
wordt, hoe meer het gedegen goud verdwijnt, totdat het slechts als
uiterst schaarsche korrels voorkomt, terwijl het stofgoud zich weer
even overvloedig als voorheen voordoet.
„Dat bewijst,” verzekerde Schlickeisen, „dat de gedegen goudkorrels
nederzettingen van lagere tijdperken zijn, die zich zoo spoedig niet
aanvullen.”
„Maar dan moet het stofgoud toch zeer veelvuldig voorkomen,” sprak
Wienersdorf peinzend. „En wat moet daarvan niet voor de menschen
verloren gaan, wanneer dat fijne bijna ontastbare stof door het geweld
der wateren medegesleept, zich in de uitgebreide benedenbekkens met het
zoo zachte slib vermengt. Ik geloof niet, dat het overdreven is te
beweren, dat de beddingen der meeste rivieren op Borneo goudhoudend
zijn tot aan hun uitwatering toe.”
„Wel zeker zijn zij dat,” viel Johannes in. „Voor de monding der
Kapoeas, die wij opgevaren hebben, ligt een eilandje, hetwelk
Mangboelau (goudzoeken) heet. In de overleveringen van de menschen van
Kwala Kapoeas bestaat de herinnering nog, dat op dat eilandje goud
gewasschen werd. Er is nog stofgoud te vinden, maar de opbrengst loont
de moeite niet. Wanneer evenwel de wateren gedurende een reeks van
jaren hun taak ongestoord zullen kunnen volbrengen, dan zal een
ontginning weer winstgevend zijn.”
„Als wij eens die terreinen konden bezoeken, van waar dat stofgoud
afgevoerd wordt,” sprak La Cueille, die zich met dat onderwerp slechts
bezig hield.
„Die streek zullen wij doortrekken,” antwoordde Johannes, „maar wij
zullen er ons niet kunnen ophouden. Zij is slechts bewoond door Olo
Otts, door Penheng’s, door Modang’s, door Tering’s enz. allemaal
stammen, waarvan de een al woester dan de ander is, waar wij ons leven
geen oogenblik zeker zullen zijn en waar wij daarenboven onmogelijk in
ons onderhoud zouden kunnen voorzien, wanneer wij daar eenigen tijd
wilden verwijlen. De geheele Kaminting bergketen is rijk goudhoudend;
want alle rivieren, die daar ontspringen, voeren goud af onverschillig
naar welke windstreken zij haar wateren stuwen. Evenwel worden de
Kapoeas Moeroeng met haar nevenrivieren de soengei Mawat en de soengei
Sirat, de Kahajan met haar schatplichtige soengei’s, de Miri, de
Roengan en Manohin en verder de boven Katingan als de rijkste
aangemerkt. Het is dus te voorzien, dat het gebergte, waaruit die
rivieren ontspringen met zijn uitloopers bij onderzoek de meest
bevredigende opbrengst zou opleveren.”
„Hoe zou dat goud in het oorspronkelijke gebergte voorkomen?” vroeg La
Cueille.
Daarop wist niemand te antwoorden, zelfs de Poenans niet, die daarover
nimmer nagedacht hadden. Een toeval zou den Waal daaromtrent iets
hoewel niet veel mededeelen.
Eens, dat hij bezig was de munitie voor kotta Rangan Hanoengoh in orde
te brengen, kreeg hij in het hoofd geweerpatronen te vervaardigen. Die
zouden voor de Poenans van oneindig meer gemak bij de behandeling
hunner vuurwapenen ook minder gevaarlijk zijn en tot minder
kruitverspilling aanleiding geven. Nu stortten die wildemannen maar een
zekere hoeveelheid in den loop, veel of weinig, op gevaar af, dat het
wapen hun in de handen sprong. Maar om patronen te kunnen maken had hij
papier voor de hulzen noodig. Dat was evenwel in een Dajaksche kotta,
ver in het binnenland gelegen, zoo maar niet te vinden. Hij sprak er
met Harimaoung Boekit over en liet hem daarbij eenige zijner patronen
zien. Toen deze begreep wat noodig was, liep hij naar binnen en bracht
een pak oude boeken te voorschijn. Het waren meestal bijbels in de
Dajaksche taal, die overvloedig verspreid tot daar in de binnenlanden
doorgedrongen waren, hoewel onder de bevolking geen sterveling lezen
kon. Onder die boeken trof de Waal een foliant aan, die een geschreven
dagregister scheen te zijn, maar in uiterst ontredderden toestand
verkeerde. Een gedeelte er van bestond nog uit witte bladen, de
beschrevene waren meerendeels verscheurd en aan flarden. Een titelblad
was er niet, zoodat niet te zien was, wie er de schrijver of de
eigenaar van geweest was. Er in bladerende, troffen hem de volgende
zinsneden op een bladzijde, waarvan ook meer dan de helft ontbrak.
„14 Oktober 1824.
„Ik heb bevonden dat het goud hier(?) even als in andere landen in
aardlagen voorkomt, die naarmate van de vorming van het terrein,
meer of minder verwijderd van elkander liggen, zoodat op de eene
plek soms een ware schat en op een andere in de onmiddellijke
nabijheid niets, hoegenaamd niets gevonden wordt. Het goudhoudende
zand rust gewoonlijk op een schacht van lichtgele leemaarde en is
met een donkerkleurige bitumineuse klei bedekt. Dat zand bevat
behalve een fijnkorrelig kwarts, goud in korrels, in vliesjes en in
de gedaante van stof. Enkele platinadraadjes en korrels worden er
ook onder aangetroffen. Zóó wordt het gevonden aan den voet der
heuvels, soms ook op de benedenhellingen, maar onveranderlijk in
zoodanig terrein, hetwelk door de afstroomende wateren afgezet is,
dus in aangeslibde gronden. Het is mij nog niet mogen gelukken
goudaderen in het kwartsgesteente te ontdekken, hoewel het daar in
zijn oorspronkelijken toestand en dan wellicht in vrij aanzienlijke
gedegen brokken te vinden moet zijn. Want onweerlegbaar zijn de
korrels en schilfers, die in die alluviale terreinen en allerwege
in de rivierbeddingen aangetroffen worden, uit hun kwartsomvatting
losgerukt of van grootere massa’s afgescheurd, terwijl het stofgoud
ontstaan is en nog ontstaat uit de wrijving van de schilfers en
korrels tegen elkander en tegen ander gesteente, voortgesleurd als
zij worden door het woeste geweld van het water.
„Eigenlijke bergwerken, waarin de aardlagen....”
Hier was de bladzijde afgescheurd en ontbrak het overige gedeelte.
„Dat ’s drommels jammer,” mompelde de Waal en zuchtend vervolgde hij
droomend: „ja, daar in dat gebergte daar moeten onmetelijke rijkdommen
opgestapeld liggen.”
Hij ging voort met bladeren. Eensklaps hield hij op; zijn aandacht was
weer gevestigd.
„Drommels dat is interessant. Dat moet ik lezen.”
„16 Juli 1824.
„Gisteren namiddag heb ik den grooten diamant van den Sultan van
Matam gezien. Men heeft mij niet gefopt, dat kon ik ook wel aan de
voorzorgen zien, die genomen werden. Anders laat de vorst wel aan
nieuwsgierige vreemdelingen, die hij wantrouwt, een fraaien djakoet
zien, die met den grooten diamant veel overeenkomst heeft. Maar ik
heb den echten gezien en hem in handen gehad. Het is een prachtige
steen, die in het rijk Landak gevonden is. Hij weegt 361 karaat; ik
heb hem zelf gewogen. Het is een pyramidale dodekaëder of dubbel
zeszijdige pyramide, welke op ongeveer twee derden van zijn geheele
lengte gebroken is, waarschijnlijk bij het losmaken uit de hem
omringd hebbende korst, iets dat meermalen wordt waargenomen. De
gedaante is niet regelmatig, maar eenigszins schuins. De steen is
van een uiterst zuiver water, de zeer lichte speling van kleuren,
welke opgemerkt wordt en naar het rooskleurige overhelt, moet meer
aan de straalbreking door de scheuren veroorzaakt worden
toegeschreven, dan wel aan minder zuiverheid. Zijn lengteas is 5.7,
zijn kortste 3.3, de korte pyramidaalzijde is 2.9, de lange 3.9 cM.
In de Dajaksche taal heet hij Sagima (hoekig), in het Maleisch
Danau Redjo. Zijn waarde bedraagt 5,212,000 gulden.”
„Vijf millioen gulden!” schreeuwde de Waal buiten zich zelven. „Vijf
millioen gulden! ik wou dat ik zulk een steentje vond.”
Sedert hij zijn twintig K.G. goud gevonden had, was onze La Cueille
onverzadelijk. Hij verbeeldde zich, dat om diamanten van vijf millioen
te vinden, hij maar te bukken had.
Hij riep zijn makkers tot zich en stelde hun de vraag, waar Landak
gelegen was. Wienersdorf en Schlickeisen keken elkander eens aan. In
Indische aardrijkskunde hadden zij nimmer uitgemunt en knikten dan ook
ontkennend. Johannes evenwel strekte den arm uit en zei:
„Daar ginds in het zuidwesten.”
„Komen wij daar dicht bij?” vroeg de Waal.
„Hoe heb ik het nu met je?” vroeg Johannes verbaasd. „Wij moeten steeds
noordwaarts op en wij zouden daar dicht bij komen?”
„Zullen wij ook streken passeeren, waar diamanten te vinden zijn?”
„Drommels neen! Die dure keitjes worden, zoo ver ik weet, alleen in
Tanah Laout, de zuidoostspits van Borneo en in Landak, waar je naar
verneemt, op de westkust gevonden. Maar waarom vraag je dat?”
„Kijk eens hier,” sprak de Waal opgetogen, terwijl hij den ontredderden
foliant vertoonde. „In Landak is een diamant gevonden die 5,212,000
gulden waard is. Dat is, als ik het wel heb, ruim elf millioen francs.
Zeg, als we zoo’n steentje konden vinden?”
„Zoo! wildet jij zoo’n steen van elf millioen francs vinden? Je wordt
onverzadelijk, mijn waarde Eburoon,” lachte Wienersdorf.
„L’appetit vient en mangeant,” mompelde de Waal. „Maar waarom noem je
mij Eburoon?”
„Dat staat in verband met je gestaarte voorouders, die de tegenwoordige
Walenkwartieren bewoonden en toen Eburonen genoemd werden. Ik zal je
dat later wel eens uitleggen.”
„Omtrent je klimmende appetijt naar edelgesteente,” viel Johannes in,
„valt je de waarschuwing te geven van daarvan je lippen en verhemelte
maar schoon te houden. Je hebt het goudzoeken van nabij gezien, niet
waar? welnu het diamantzoeken is oneindig veel lastiger en moeielijker.
Ik heb dat jaren geleden in het Martapoerasche kunnen waarnemen. Om dat
werk naar eisch te verrichten, moeten putten gegraven worden van vier à
zes voet vierkant, totdat de diamantbevattende laag bereikt is.”
„Hoe ziet die laag er uit?” vroeg La Cueille.
„Het is in den regel een mengsel van kiezel en stukjes zandsteen in een
laag klei van bijzonder roode kleur vervat. Daaronder strekt zich een
laag donkerblauwe klei uit, waarin de „batoe ampar anoem”, ook wel
„djakoet” genoemd, een prachtige soort van bergkristal, door de
oningewijden niet van den diamant te onderkennen, aangetroffen wordt.
Ontmoet men deze blauwe kleilaag zonder dat de roode aangetroffen is,
dan is dat een zeker teeken, dat daar geen edelgesteenten aanwezig
zijn.”
„Hoe diep zijn die putten?” vroeg de Waal.
„Dat hangt af van het terrein en van de dikte en het aantal der
dekkende lagen, waardoor heen gewerkt moet worden. Ik heb putten
gezien, die 20 à 25 voet diep waren. Gemiddeld kun je ze rekenen op 12
à 15 voet.”
„Waaraan herkent men de gronden, waarin diamanten verwacht worden? Men
zal toch maar niet op goed geluk af dien moeitevollen arbeid van dat
putgraven gaan ondernemen?” vroeg Schlickeisen.
„Waarachtig niet. In de diamantdistrikten heeft men daartoe „malim’s”
(gidsen, loodsen). Deze gaan tegen zonsondergang, van drie à vier man
vergezeld, door de bosschen en wildernissen dwalen. Alvorens den tocht
te ondernemen, hebben zij zich met een zekere tooverolie, „minjakh
tjelang boemi”, een vette, vertikale streep tusschen de beide oogen tot
over het neusbeen getrokken. De malim beweert dat die olie hem het
vermogen schenkt de verborgenheden van het binnenste der aarde te
kunnen aanschouwen.”
„Ik wou dat ik van die olie had,” mompelde de Waal.
„Ook zou de malim boven den grond, waaronder diamanten bedolven liggen,
een lichtenden glans zien als van een glimworm, groot of klein naarmate
van de grootte der steenen daardoor aangeduid.”
„Hoe gaat dat diamantzoeken in zijn werk?” vroeg Wienersdorf.
„Wanneer de put gegraven en de bedoelde roode kleilaag bereikt is, dan
wordt die zuiver en netjes uitgestoken en de klei in een met boomschors
afgeperkt vierkant verzameld, waarna, wanneer van die klei een
genoegzame hoeveelheid bijeengebracht is, zij in de nabijheid van
stroomend water gedragen wordt om uitgewasschen te worden.”
„Zeker in een doelang, zooals wij bij het goudzoeken bezigen?”
„Neen, waarachtig niet, maar in een legèh, hetwelk een soort van mand
is, die de gedaante heeft van een halven cilinder, maar zoo fijn van
bamboereepjes en gespleten rottan gevlochten is, dat het kleinste
steentje er niet door kan. Alleen de klei wordt onder een voortdurend
kneden en wasschen door het water als in suspensie opgenomen en
medegevoerd. De achtergebleven kiezeltjes en gruis worden nog eens
gezeefd en later met de hand gelijkmatig in de legèh uitgestreken in
een zeer dunne laag en dan met de meeste zorgvuldigheid uitgezocht.
Dikwijls wordt de legèh geledigd zonder dat er een steentje in gevonden
is nog zoo klein. Gij ziet dat het geen gemakkelijk werk is, in ieder
geval geen, waarmede wij ons bezig zouden kunnen houden, al kwamen wij
ook door streken, alwaar dit edelgesteente aangetroffen wordt.”
„Dat ’s verd... jammer!” pruttelde La Cueille. „Een vondst van vijf
millioen hollandsche guldens zou wel wat inspanning waard zijn.”
„Ja zeker, maar steenen van vijf millioen vind je zoo maar niet. Het is
lang geleden toen die steen uit den schoot der aarde voor den dag
gehaald werd. Ik meen dat dat in 1690 of 1695 gebeurd is; dus zoo wat
een en drie kwart eeuw geleden. Sedert is er geen enkele meer van die
taille gevonden. Zelfs zijn er geleerden en ambtenaren, die beweren dat
die geheele Danau Redjo niet bestaat en dat het eenvoudig een prachtige
djakoet is, die vertoond wordt. Maar laat zien, wat staat er van dien
diamant in jou smerig boek?”
Johannes nam het manuscript over en las. Toen hij die
diamantbeschrijving ten einde had, bladerde hij in dat boek, hetwelk
zijn belangstelling opwekte. Eindelijk zocht hij naar den naam van den
schrijver of van den bezitter; maar te vergeefs.
„Wat drommel, hoe kom je aan dat vod?” vroeg hij eindelijk aan den
Waal.
La Cueille verhaalde nu, dat hij dat boek van Harimaoung Boekit met
eenige andere ontvangen had, om patroonhulzen te maken. De Poenan werd
ondervraagd en deze verhaalde na eenig bedenken, dat hij bij een
koppensnellerstocht op het grondgebied der Penheng’s, een stam, welke
aan de Pendeh, een soengei westelijk van de boven Doesson stroomende,
woont, dat boek had buitgemaakt. Hij vertelde, dat er toen vele prenten
in waren (waarschijnlijk schetsen en teekeningen); maar die waren er
door de kinderen uitgescheurd.
Bij nader onderzoek meende Johannes te ontdekken, dat op de bladzijde
wit papier, welke den omslag aan de binnenzijde bekleedde, eenig
schrift te bespeuren was. Hij zocht die bladzijde zachtjes los te
maken, hetgeen gemakkelijk geschiedde, daar het kleefmiddel door vocht
en tijd verteerd, krachteloos geworden was. Toen hij den omslag
behoorlijk gereinigd had, las hij met ontzetting het navolgende:
„Heden zijn al mijne reismakkers geslacht. Morgen is het mijne
beurt. God zij mijne ziel genadig.