XXXII.

Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der

stofgoudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De

diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van Georg

Müller.—Huwelijksplechtigheden.

Daags na dien tocht, werd het goudwasschen weer met ijver hervat en zou

dat bedrijf voortgezet worden tot het vertrek van onze avonturiers. Zij

waren van oordeel, dat zij niet te veel van dat kostbare metaal konden

verzamelen. En wat het vervoer betrof, daaromtrent had de trouwe

Harimaoung Boekit hen gerustgesteld. Hij beloofde hen uitgeleide te

doen met een dertig zijner onderhoorige Poenans, zoo mogelijk tot dat

zijn beschermelingen de Sarawaksche grens zouden bereikt hebben.

Dankbaar werd die hulp door Wienersdorf en zijn metgezellen aangenomen

en de toebereidselen dienovereenkomstig gemaakt.

Bij dat dagelijksche goudwasschen, hetwelk al meer en meer winstgevend

werd, naarmate de behendigheid der fortuinzoekers zich meer volmaakte,

maakte La Cueille de opmerking, dat de terreinen vanwaar dat stofgoud

afgevoerd werd onmetelijk rijk moesten zijn. Vooral kwam hij tot die

gevolgtrekking, toen hij van de bevolking vernam, dat bij iederen

watervloed de uitgeputte rijkdommen in de beddingen der rivieren en op

de zandbanken en uitspringende hoeken weder hersteld werden en dat na

iederen westmoesson het stofgoud weer even overvloedig aanwezig was,

alsof nimmer de hand aan de ontginning geslagen ware. Als een

bijzonderheid werd hem nog medegedeeld, dat hoe meer er gewasschen

wordt, hoe meer het gedegen goud verdwijnt, totdat het slechts als

uiterst schaarsche korrels voorkomt, terwijl het stofgoud zich weer

even overvloedig als voorheen voordoet.

„Dat bewijst,” verzekerde Schlickeisen, „dat de gedegen goudkorrels

nederzettingen van lagere tijdperken zijn, die zich zoo spoedig niet

aanvullen.”

„Maar dan moet het stofgoud toch zeer veelvuldig voorkomen,” sprak

Wienersdorf peinzend. „En wat moet daarvan niet voor de menschen

verloren gaan, wanneer dat fijne bijna ontastbare stof door het geweld

der wateren medegesleept, zich in de uitgebreide benedenbekkens met het

zoo zachte slib vermengt. Ik geloof niet, dat het overdreven is te

beweren, dat de beddingen der meeste rivieren op Borneo goudhoudend

zijn tot aan hun uitwatering toe.”

„Wel zeker zijn zij dat,” viel Johannes in. „Voor de monding der

Kapoeas, die wij opgevaren hebben, ligt een eilandje, hetwelk

Mangboelau (goudzoeken) heet. In de overleveringen van de menschen van

Kwala Kapoeas bestaat de herinnering nog, dat op dat eilandje goud

gewasschen werd. Er is nog stofgoud te vinden, maar de opbrengst loont

de moeite niet. Wanneer evenwel de wateren gedurende een reeks van

jaren hun taak ongestoord zullen kunnen volbrengen, dan zal een

ontginning weer winstgevend zijn.”

„Als wij eens die terreinen konden bezoeken, van waar dat stofgoud

afgevoerd wordt,” sprak La Cueille, die zich met dat onderwerp slechts

bezig hield.

„Die streek zullen wij doortrekken,” antwoordde Johannes, „maar wij

zullen er ons niet kunnen ophouden. Zij is slechts bewoond door Olo

Otts, door Penheng’s, door Modang’s, door Tering’s enz. allemaal

stammen, waarvan de een al woester dan de ander is, waar wij ons leven

geen oogenblik zeker zullen zijn en waar wij daarenboven onmogelijk in

ons onderhoud zouden kunnen voorzien, wanneer wij daar eenigen tijd

wilden verwijlen. De geheele Kaminting bergketen is rijk goudhoudend;

want alle rivieren, die daar ontspringen, voeren goud af onverschillig

naar welke windstreken zij haar wateren stuwen. Evenwel worden de

Kapoeas Moeroeng met haar nevenrivieren de soengei Mawat en de soengei

Sirat, de Kahajan met haar schatplichtige soengei’s, de Miri, de

Roengan en Manohin en verder de boven Katingan als de rijkste

aangemerkt. Het is dus te voorzien, dat het gebergte, waaruit die

rivieren ontspringen met zijn uitloopers bij onderzoek de meest

bevredigende opbrengst zou opleveren.”

„Hoe zou dat goud in het oorspronkelijke gebergte voorkomen?” vroeg La

Cueille.

Daarop wist niemand te antwoorden, zelfs de Poenans niet, die daarover

nimmer nagedacht hadden. Een toeval zou den Waal daaromtrent iets

hoewel niet veel mededeelen.

Eens, dat hij bezig was de munitie voor kotta Rangan Hanoengoh in orde

te brengen, kreeg hij in het hoofd geweerpatronen te vervaardigen. Die

zouden voor de Poenans van oneindig meer gemak bij de behandeling

hunner vuurwapenen ook minder gevaarlijk zijn en tot minder

kruitverspilling aanleiding geven. Nu stortten die wildemannen maar een

zekere hoeveelheid in den loop, veel of weinig, op gevaar af, dat het

wapen hun in de handen sprong. Maar om patronen te kunnen maken had hij

papier voor de hulzen noodig. Dat was evenwel in een Dajaksche kotta,

ver in het binnenland gelegen, zoo maar niet te vinden. Hij sprak er

met Harimaoung Boekit over en liet hem daarbij eenige zijner patronen

zien. Toen deze begreep wat noodig was, liep hij naar binnen en bracht

een pak oude boeken te voorschijn. Het waren meestal bijbels in de

Dajaksche taal, die overvloedig verspreid tot daar in de binnenlanden

doorgedrongen waren, hoewel onder de bevolking geen sterveling lezen

kon. Onder die boeken trof de Waal een foliant aan, die een geschreven

dagregister scheen te zijn, maar in uiterst ontredderden toestand

verkeerde. Een gedeelte er van bestond nog uit witte bladen, de

beschrevene waren meerendeels verscheurd en aan flarden. Een titelblad

was er niet, zoodat niet te zien was, wie er de schrijver of de

eigenaar van geweest was. Er in bladerende, troffen hem de volgende

zinsneden op een bladzijde, waarvan ook meer dan de helft ontbrak.

„14 Oktober 1824.

„Ik heb bevonden dat het goud hier(?) even als in andere landen in

aardlagen voorkomt, die naarmate van de vorming van het terrein,

meer of minder verwijderd van elkander liggen, zoodat op de eene

plek soms een ware schat en op een andere in de onmiddellijke

nabijheid niets, hoegenaamd niets gevonden wordt. Het goudhoudende

zand rust gewoonlijk op een schacht van lichtgele leemaarde en is

met een donkerkleurige bitumineuse klei bedekt. Dat zand bevat

behalve een fijnkorrelig kwarts, goud in korrels, in vliesjes en in

de gedaante van stof. Enkele platinadraadjes en korrels worden er

ook onder aangetroffen. Zóó wordt het gevonden aan den voet der

heuvels, soms ook op de benedenhellingen, maar onveranderlijk in

zoodanig terrein, hetwelk door de afstroomende wateren afgezet is,

dus in aangeslibde gronden. Het is mij nog niet mogen gelukken

goudaderen in het kwartsgesteente te ontdekken, hoewel het daar in

zijn oorspronkelijken toestand en dan wellicht in vrij aanzienlijke

gedegen brokken te vinden moet zijn. Want onweerlegbaar zijn de

korrels en schilfers, die in die alluviale terreinen en allerwege

in de rivierbeddingen aangetroffen worden, uit hun kwartsomvatting

losgerukt of van grootere massa’s afgescheurd, terwijl het stofgoud

ontstaan is en nog ontstaat uit de wrijving van de schilfers en

korrels tegen elkander en tegen ander gesteente, voortgesleurd als

zij worden door het woeste geweld van het water.

„Eigenlijke bergwerken, waarin de aardlagen....”

Hier was de bladzijde afgescheurd en ontbrak het overige gedeelte.

„Dat ’s drommels jammer,” mompelde de Waal en zuchtend vervolgde hij

droomend: „ja, daar in dat gebergte daar moeten onmetelijke rijkdommen

opgestapeld liggen.”

Hij ging voort met bladeren. Eensklaps hield hij op; zijn aandacht was

weer gevestigd.

„Drommels dat is interessant. Dat moet ik lezen.”

„16 Juli 1824.

„Gisteren namiddag heb ik den grooten diamant van den Sultan van

Matam gezien. Men heeft mij niet gefopt, dat kon ik ook wel aan de

voorzorgen zien, die genomen werden. Anders laat de vorst wel aan

nieuwsgierige vreemdelingen, die hij wantrouwt, een fraaien djakoet

zien, die met den grooten diamant veel overeenkomst heeft. Maar ik

heb den echten gezien en hem in handen gehad. Het is een prachtige

steen, die in het rijk Landak gevonden is. Hij weegt 361 karaat; ik

heb hem zelf gewogen. Het is een pyramidale dodekaëder of dubbel

zeszijdige pyramide, welke op ongeveer twee derden van zijn geheele

lengte gebroken is, waarschijnlijk bij het losmaken uit de hem

omringd hebbende korst, iets dat meermalen wordt waargenomen. De

gedaante is niet regelmatig, maar eenigszins schuins. De steen is

van een uiterst zuiver water, de zeer lichte speling van kleuren,

welke opgemerkt wordt en naar het rooskleurige overhelt, moet meer

aan de straalbreking door de scheuren veroorzaakt worden

toegeschreven, dan wel aan minder zuiverheid. Zijn lengteas is 5.7,

zijn kortste 3.3, de korte pyramidaalzijde is 2.9, de lange 3.9 cM.

In de Dajaksche taal heet hij Sagima (hoekig), in het Maleisch

Danau Redjo. Zijn waarde bedraagt 5,212,000 gulden.”

„Vijf millioen gulden!” schreeuwde de Waal buiten zich zelven. „Vijf

millioen gulden! ik wou dat ik zulk een steentje vond.”

Sedert hij zijn twintig K.G. goud gevonden had, was onze La Cueille

onverzadelijk. Hij verbeeldde zich, dat om diamanten van vijf millioen

te vinden, hij maar te bukken had.

Hij riep zijn makkers tot zich en stelde hun de vraag, waar Landak

gelegen was. Wienersdorf en Schlickeisen keken elkander eens aan. In

Indische aardrijkskunde hadden zij nimmer uitgemunt en knikten dan ook

ontkennend. Johannes evenwel strekte den arm uit en zei:

„Daar ginds in het zuidwesten.”

„Komen wij daar dicht bij?” vroeg de Waal.

„Hoe heb ik het nu met je?” vroeg Johannes verbaasd. „Wij moeten steeds

noordwaarts op en wij zouden daar dicht bij komen?”

„Zullen wij ook streken passeeren, waar diamanten te vinden zijn?”

„Drommels neen! Die dure keitjes worden, zoo ver ik weet, alleen in

Tanah Laout, de zuidoostspits van Borneo en in Landak, waar je naar

verneemt, op de westkust gevonden. Maar waarom vraag je dat?”

„Kijk eens hier,” sprak de Waal opgetogen, terwijl hij den ontredderden

foliant vertoonde. „In Landak is een diamant gevonden die 5,212,000

gulden waard is. Dat is, als ik het wel heb, ruim elf millioen francs.

Zeg, als we zoo’n steentje konden vinden?”

„Zoo! wildet jij zoo’n steen van elf millioen francs vinden? Je wordt

onverzadelijk, mijn waarde Eburoon,” lachte Wienersdorf.

„L’appetit vient en mangeant,” mompelde de Waal. „Maar waarom noem je

mij Eburoon?”

„Dat staat in verband met je gestaarte voorouders, die de tegenwoordige

Walenkwartieren bewoonden en toen Eburonen genoemd werden. Ik zal je

dat later wel eens uitleggen.”

„Omtrent je klimmende appetijt naar edelgesteente,” viel Johannes in,

„valt je de waarschuwing te geven van daarvan je lippen en verhemelte

maar schoon te houden. Je hebt het goudzoeken van nabij gezien, niet

waar? welnu het diamantzoeken is oneindig veel lastiger en moeielijker.

Ik heb dat jaren geleden in het Martapoerasche kunnen waarnemen. Om dat

werk naar eisch te verrichten, moeten putten gegraven worden van vier à

zes voet vierkant, totdat de diamantbevattende laag bereikt is.”

„Hoe ziet die laag er uit?” vroeg La Cueille.

„Het is in den regel een mengsel van kiezel en stukjes zandsteen in een

laag klei van bijzonder roode kleur vervat. Daaronder strekt zich een

laag donkerblauwe klei uit, waarin de „batoe ampar anoem”, ook wel

„djakoet” genoemd, een prachtige soort van bergkristal, door de

oningewijden niet van den diamant te onderkennen, aangetroffen wordt.

Ontmoet men deze blauwe kleilaag zonder dat de roode aangetroffen is,

dan is dat een zeker teeken, dat daar geen edelgesteenten aanwezig

zijn.”

„Hoe diep zijn die putten?” vroeg de Waal.

„Dat hangt af van het terrein en van de dikte en het aantal der

dekkende lagen, waardoor heen gewerkt moet worden. Ik heb putten

gezien, die 20 à 25 voet diep waren. Gemiddeld kun je ze rekenen op 12

à 15 voet.”

„Waaraan herkent men de gronden, waarin diamanten verwacht worden? Men

zal toch maar niet op goed geluk af dien moeitevollen arbeid van dat

putgraven gaan ondernemen?” vroeg Schlickeisen.

„Waarachtig niet. In de diamantdistrikten heeft men daartoe „malim’s”

(gidsen, loodsen). Deze gaan tegen zonsondergang, van drie à vier man

vergezeld, door de bosschen en wildernissen dwalen. Alvorens den tocht

te ondernemen, hebben zij zich met een zekere tooverolie, „minjakh

tjelang boemi”, een vette, vertikale streep tusschen de beide oogen tot

over het neusbeen getrokken. De malim beweert dat die olie hem het

vermogen schenkt de verborgenheden van het binnenste der aarde te

kunnen aanschouwen.”

„Ik wou dat ik van die olie had,” mompelde de Waal.

„Ook zou de malim boven den grond, waaronder diamanten bedolven liggen,

een lichtenden glans zien als van een glimworm, groot of klein naarmate

van de grootte der steenen daardoor aangeduid.”

„Hoe gaat dat diamantzoeken in zijn werk?” vroeg Wienersdorf.

„Wanneer de put gegraven en de bedoelde roode kleilaag bereikt is, dan

wordt die zuiver en netjes uitgestoken en de klei in een met boomschors

afgeperkt vierkant verzameld, waarna, wanneer van die klei een

genoegzame hoeveelheid bijeengebracht is, zij in de nabijheid van

stroomend water gedragen wordt om uitgewasschen te worden.”

„Zeker in een doelang, zooals wij bij het goudzoeken bezigen?”

„Neen, waarachtig niet, maar in een legèh, hetwelk een soort van mand

is, die de gedaante heeft van een halven cilinder, maar zoo fijn van

bamboereepjes en gespleten rottan gevlochten is, dat het kleinste

steentje er niet door kan. Alleen de klei wordt onder een voortdurend

kneden en wasschen door het water als in suspensie opgenomen en

medegevoerd. De achtergebleven kiezeltjes en gruis worden nog eens

gezeefd en later met de hand gelijkmatig in de legèh uitgestreken in

een zeer dunne laag en dan met de meeste zorgvuldigheid uitgezocht.

Dikwijls wordt de legèh geledigd zonder dat er een steentje in gevonden

is nog zoo klein. Gij ziet dat het geen gemakkelijk werk is, in ieder

geval geen, waarmede wij ons bezig zouden kunnen houden, al kwamen wij

ook door streken, alwaar dit edelgesteente aangetroffen wordt.”

„Dat ’s verd... jammer!” pruttelde La Cueille. „Een vondst van vijf

millioen hollandsche guldens zou wel wat inspanning waard zijn.”

„Ja zeker, maar steenen van vijf millioen vind je zoo maar niet. Het is

lang geleden toen die steen uit den schoot der aarde voor den dag

gehaald werd. Ik meen dat dat in 1690 of 1695 gebeurd is; dus zoo wat

een en drie kwart eeuw geleden. Sedert is er geen enkele meer van die

taille gevonden. Zelfs zijn er geleerden en ambtenaren, die beweren dat

die geheele Danau Redjo niet bestaat en dat het eenvoudig een prachtige

djakoet is, die vertoond wordt. Maar laat zien, wat staat er van dien

diamant in jou smerig boek?”

Johannes nam het manuscript over en las. Toen hij die

diamantbeschrijving ten einde had, bladerde hij in dat boek, hetwelk

zijn belangstelling opwekte. Eindelijk zocht hij naar den naam van den

schrijver of van den bezitter; maar te vergeefs.

„Wat drommel, hoe kom je aan dat vod?” vroeg hij eindelijk aan den

Waal.

La Cueille verhaalde nu, dat hij dat boek van Harimaoung Boekit met

eenige andere ontvangen had, om patroonhulzen te maken. De Poenan werd

ondervraagd en deze verhaalde na eenig bedenken, dat hij bij een

koppensnellerstocht op het grondgebied der Penheng’s, een stam, welke

aan de Pendeh, een soengei westelijk van de boven Doesson stroomende,

woont, dat boek had buitgemaakt. Hij vertelde, dat er toen vele prenten

in waren (waarschijnlijk schetsen en teekeningen); maar die waren er

door de kinderen uitgescheurd.

Bij nader onderzoek meende Johannes te ontdekken, dat op de bladzijde

wit papier, welke den omslag aan de binnenzijde bekleedde, eenig

schrift te bespeuren was. Hij zocht die bladzijde zachtjes los te

maken, hetgeen gemakkelijk geschiedde, daar het kleefmiddel door vocht

en tijd verteerd, krachteloos geworden was. Toen hij den omslag

behoorlijk gereinigd had, las hij met ontzetting het navolgende:

„Heden zijn al mijne reismakkers geslacht. Morgen is het mijne

beurt. God zij mijne ziel genadig.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 70 / 77 题