XXXI.

Triomftocht.—La Cueille’s neus opgewreven.—Tweestrijd van het

Poenanhoofd en Hamadoe’s beslissing.—Souvent femme

varie.—Ruilhandel.—Goudzoeken.—La Cueille in vervoering.—Hoe de

schatten mede te nemen.—Een nieuwe wijze van handeldrijven.

Twee maal vier en twintig uur later lag de flotille onzer vluchtelingen

voor kotta Rangan Hanoengoh vastgemeerd en waren de reizigers aan wal

gestapt. De reis had veel vlugger kunnen volvoerd worden, maar de vaart

op de soengei Miri was een ware triomftocht geweest. Onze vrienden

hadden te kotta Ohas en te kotta Behio moeten overnachten. Overal waren

zij met geestdrift ingehaald en het aantal Otdanom’s en Poenans, dat

zich om La Cueille verdrong, om den man te bewonderen, die bergen kon

doen vuurspuwen, was soms zoo groot, dat de zedigheid van den Waal

gevaar liep te gronde te gaan. Alle meisjes, die verloofd waren, alle

maagden, die hoopten verloofd te worden, alle getrouwde vrouwtjes, die

in de blijde verwachting waren, en alle, die daarin hoopten te geraken,

dus alle vrouwelijke wezens op de oudjes en de kinderen na, verdrongen

zich om den grooten man met het doel hem te kunnen aanraken, opdat iets

van zijn heldhaftigheid in haar mocht varen, hetgeen volgens aller

overtuiging op haar nakomelingen zou overgaan. De Waal was wonderwel in

zijn schik in dien bekoorlijken kring en stak zijn beide handen uit, om

aan de vriendelijke uitnoodiging tot aanraking te voldoen. Zijn ijver

werd evenwel aanmerkelijk getemperd toen een der oudste en leelijkste

vrouwen van den geheelen troep hem bij de ooren greep en haar mopneus

tegen den zijnen op en neer wreef met een kracht en een ijver alsof zij

een ouden schoen poetste. Nu begon hij te begrijpen, dat de lasten van

zoo’n heldenbaantje wel eens de baten konden overtreffen. Hij wrong

zich dan ook los uit de omhelzing en ontvluchtte een kring, waarin zijn

ijdelheid zich zoo gestreeld gevoeld had.

Al spoedig na aankomst had Wienersdorf een onderhoud met Harimaoung

Boekit gehad, waarin hij zijn levensloop aan den Poenan medegedeeld en

hem ook in kennis gesteld had van de beweegredenen, waarom hij en zijn

makkers van Kwala Kapoeas waren weggeloopen, voor zoover dat natuurkind

die zou kunnen begrijpen. Men kwam overeen dat de vier blanken hun

landaard steeds stipt geheim zouden blijven houden. Die geheimhouding

was noodzakelijk, want, beweerde het Poenanhoofd, tegenover de waarde,

welke Europeesche schedels in die streken hadden, was niemand te

vertrouwen. Maar nu de huwelijkskwestie? Harimaoung Boekit verlangde,

dat die in de eerste plaats zou besproken worden. Zoolang hij den

aanstaande van zijn geliefde zuster voor een Dajak had aangezien, had

hij met innig welgevallen ontwaard, hoe Hamadoe zich aan den man harer

keuze gehecht had; maar met nog meer belangstelling had hij de kleine

attenties gadegeslagen, waarmede Dohong zijn uitverkorene bij iedere

gelegenheid als overstelpt had, waaruit de innigste liefde en de

volkomenste waardeering van het beminnelijke kind te bespeuren waren.

Maar nu hij wist, dat die man een blanke was!? Sedert had hij somwijlen

behoefte om een vreeselijke gedachte te verjagen en moest hij zich

geweld aandoen, om zich te herinneren, dat hij het bloed van dien man

gedronken had, dat zij broeders waren en dat hij hem meermalen de

redding zijns levens te danken had. Eindelijk riep hij zijn zuster, zij

moest uitspraak doen. En toen zij verklaarde, dat zij dien blanke

liefhad, dat zij gereed was heinde en ver met hem te trekken, om lief

en leed met hem te deelen, toen sloot de Poenan haar in de armen en was

de moordduivel in hem verwonnen.

Alsnu werd bepaald, dat het huwelijk tusschen de beide jongelieden zoo

spoedig mogelijk zou voltrokken worden, waarna de Europeanen

onmiddellijk de reis zouden vervolgen, om de noordkust van het eiland

te bereiken. Maar met dat reizen en trekken was alweer de dag van volle

maan verstreken en, hoewel Hamadoe zich met een christen ging verbinden

en er minder aan hechtte op welk tijdstip de vereeniging plaats zou

hebben, zoo moest zij zich toch aan den wensch haars broeders

onderwerpen, die gaarne zoude zien, dat het huwelijk geheel volgens de

gebruiken zijns volks voltrokken werd. Er moesten dus nog vijf en

twintig dagen verloopen, alvorens de plechtigheid voltrokken zou

worden. Middelerwijl zou alles daartoe in gereedheid gebracht worden.

Van het andere voorgenomen huwelijk, dat namelijk tusschen La Cueille

en Moendoet, zou niets komen. Sedert die geschiedenis met den pediculus

capitis, waarvan de Waal beweerde nog het gekrieuwel op zijn tong te

voelen, was een merkelijke verkoeling tusschen die twee ontstaan, die

in een volslagene breuk overging, toen het meisje vernam, dat zij

eenmaal gehuwd zijnde, haar echtgenoot verweg zoude moeten volgen en

haar stam- en bloedverwanten vaarwel zeggen. Dat was te veel van haar

gevergd. Zij had ook de oorveeg niet vergeten, die de Waal haar zoo

goedsmoeds toegediend had; zoodat beiden zonder veel hartzeer van

elkander afzagen. Het duurde niet lang of de wufte schoone had het

aanzoek aangenomen van een befaamden koppensneller, die haar een risje

bekkeneelen kon aanbieden, die haar hart streelde en dan ook met een

bekoorlijken glimlach aangenomen werd.

„Souvent femme varie, bien fou qui s’y fie,” pruttelde de Waal, toen

hij die verloving vernam, onbewust de woorden herhalende van een

Fransch koning, die beweerde veel vrouwenkennis opgedaan te hebben.

Johannes had middelerwijl die gebeurtenissen met een aandachtig oog

gadegeslagen, en hoewel hij het uitstel van ruim drie weken om de reis

te vervolgen betreurde, nam hij er toch genoegen mede. En te eerder,

wijl hij zich dien tijd hoopte ten nutte te maken, ten einde oude

plannen te verwezenlijken om de financiëele positie van de maatschap,

welker hoofd hij nog steeds was, te verbeteren. Hij herinnerde den

Poenan zijn beloften met betrekking tot de bezoarsteenen en verkreeg

van hem na eenig onbeduidend dingen in ruil voor de zes kanonstukjes,

door de deserteurs medegevoerd tweehonderd van die ingewandsteenen, die

hij te Singapore te gelde hoopte te maken. Harimaoung Boekit stelde

evenwel als voorwaarde, dat de Europeanen dat geschut op zijn kotta op

de doelmatigste wijze in batterij zouden stellen en zij zijn Poenans in

de bediening daarvan zouden onderwijzen. Allen hielpen daaraan

volijverig en La Cueille werd opgedragen een artilleriecursus te

openen, hetgeen deze volgaarne op zich nam.

Het waren fraaie bezoarsteenen, welke in ruil voor die kanonnetjes

geleverd werden. Er waren er bij van buitengewone grootte. Toen de

Europeanen dan ook hun schat monsterden, kwamen zij volmondig tot de

erkenning, dat Johannes hun zaken wonderwel bestuurde. Die groengrauwe

erwten, die daar in een klapperdop voor hen lagen, en waarin zij met de

hand wroetten, vertegenwoordigden een som van veel meer dan 20,000

gulden. Johannes vertelde hun, dat hij ook een overeenkomst met den

Poenan getroffen had omtrent de te Kwala Hiang buitgemaakte geweren en

dat hij daarvoor honderd thaëls stofgoud zou ontvangen.

„Cré matin!” schreeuwde de Waal, „dat is 6000 gulden of 150 gulden per

stuk! Ik wou hier wel een geweerfabriek oprichten. Maar... die honderd

thaëls gevoegd bij de batoe boehies geeft een totaal van ruim 26,000

gulden. Wij komen aardig in onze nopjes.”

„Maar dat is nog niet alles,” lachte Johannes. „Ik heb èn met

Harimaoung Boekit èn met Amai Kotong afgesproken, om morgen goud te

gaan zoeken. Wij zullen ons daarmede onledig houden, zoolang wij hier

vertoeven, en zooals mij verzekerd is, zal dat bedrijf ons geen

windeieren leggen. Dan hebben wij nog onze koopmanschappen, die van de

hand moeten gezet worden. Laat mij maar begaan en gij zult zien, dat ik

ook daarmede naar wensch slagen zal.”

Zoo als gezegd is, zouden onze avonturiers den volgenden morgen het

goudzoekersambacht beginnen. Maar van het oogenblik af, dat zij tot die

afspraak gekomen waren, vergde Harimaoung Boekit van hen, dat zij alle

formaliteiten zouden in acht nemen, om de wraak van de sarok boelau

onschadelijk te maken. Hij wenschte niet andermaal de koorts op het

lijf gejaagd te krijgen. Zoo mochten de goudzoekers gedurende het

tijdperk, dat zij zich met dat bedrijf bezig hielden, nimmer een vuur,

vooral een steenkolenvuur naderen, nimmer gaan zitten met afhangende

beenen, b.v. op een boomstam of op den rand eener prauw; gingen zij

zitten, dan moesten zij steeds de beenen kruiselings onder het lichaam

gevouwen hebben; zij mochten geen staal of ijzer aanraken; bij het

baden nooit het gelaat stroomopwaarts keeren, enz. enz. Onze vrienden

beloofden, dat alles stipt te zullen betrachten.

Zij zakten nu de soengei Miri een onbeduidend eind af op een klein

vlot; en ter bestemder plaatse gekomen, werd het vastgemaakt door een

soort van trap, die aan het eene einde met zware steenen belast en aan

het andere door rottanlussen als scharnieren beweegbaar was, tot op den

bodem der rivier te laten zakken. Die trap diende dus tot anker, maar

voornamelijk om er langs af te dalen. Eenige Poenans, van houten bakken

voorzien, klommen nu naar beneden, doken onder water, vulden hun bakken

met goudhoudend zand, plaatsten die op het vlot en daalden weer met

andere onder den waterspiegel, om die weer te vullen. Die bakken,

„doelang” genaamd, hadden den vorm van een bord van ongeveer drie dM.

middellijn, en waren in den bodem van een kleine, komvormige uitholling

voorzien. Toen de eerste gevulde doelangs op het vlot geplaatst waren,

begon de leerschool voor onze Europeanen. Harimaoung Boekit en Amai

Kotong wezen hun, hoe zij dat bord aan de oppervlakte van de

snelstroomende rivier moesten brengen en daaraan een zacht schuddende

en tevens draaiende beweging mededeelen, waardoor gelegenheid gegeven

werd aan den sterken stroom om het lichtere zand en de klei mede te

voeren, maar het zwaardere stofgoud zich in de uitholling te laten

verzamelen. Aanvankelijk waren onze blanken bij dat handwerk uiterst

onhandig en ontlokten aan hun omgeving menigen gullen lach, wanneer de

stroom hun bord bij een verkeerde beweging schoon veegde en zand en

goud medenam. Maar langzamerhand werden zij meer bedreven en weldra

onder den invloed van een eerste slagen werden zij door de goudkoorts

aangetast. Zij zagen niet, zij praatten niet, zij rustten niet; slechts

één gedachte hield hun brein bezig, namelijk zooveel mogelijk van dat

kostbare metaal te verzamelen. IJverig en onverpoosd werkten zij voort

en toen de avond viel en de arbeid gestaakt moest worden, woog

Harimaoung Boekit de gevonden hoeveelheid stofgoud en bevond, dat het

ruim een halve thaël en dus een waarde van dertig gulden bedroeg.

„Het is nog niet veel,” grinnikte de Poenan Wienersdorf in het oor,

„maar wanneer mijn broeders bij het uitwasschen meer en meer handig

zullen worden, dan zal de opbrengst veel grooter worden. Nu is er nog

veel verloren gegaan.”

Maar het verkregen resultaat was toch van dien aard dat het den geest

van onze avonturiers bijna uitsluitend bezig hield. Vooral La Cueille

was zeer opgewonden; hij sprak onophoudelijk over het goudzoeken, en

toen hij eindelijk lang na middernacht den slaap vatte, droomde hij

slechts van goud en was het hem te moede, alsof het gansche heelal met

dat edele metaal beslagen was.

Dagen achtereen werd die arbeid voortgezet en, zooals Harimaoung Boekit

voorspeld had, steeds met toenemenden gunstigen uitslag. Onze

avonturiers waren zoo gelukkig daarbij, dat er dagen waren, waarin de

opbrengst tot vijf thaëls steeg en dus een waarde van 300 gulden

vertegenwoordigde. Het goud deed zich gewoonlijk in den vorm van fijn

bijna ontastbaar poeder, „boelau orei”, voor; maar het werd ook in den

vorm van blaadjes, schubjes of loovertjes of ook in korrels of draden

gevonden. Enkele brokjes „boelau massak” (gedegen goud) ter grootte van

eene erwt werden ook aangetroffen, hoewel uiterst schaars. Harimaoung

Boekit verhaalde hun, dat vroeger in de soengei Miri gedegen stukjes

gevonden werden van drie à vier kubieke cM. inhoud.

La Cueille, wien als mijnwerker niets aangaande het delfstoffenrijk

ontsnapte, had opgemerkt, dat het stofgoud immer van een glinsterend

zwartachtig zand vergezeld ging. Van de Poenans vernam hij, dat dit

zand „poega” geheeten, als een aanwijzing beschouwd wordt van de

aanwezigheid van het edele metaal. Wil de inboorling ergens gaan

goudwasschen, dan onderzoekt hij eerst of dat poega voorhanden is en,

in hoe grooter hoeveelheid dat aangetroffen wordt, des te grooter is de

hoop op een rijke vondst. Deze mededeeling had voor onze reizigers

merkwaardige gevolgen.

Eens, dat ten gevolge van minder arbeidslust bij de inlandsche

bevolking onze Europeanen tot werkeloosheid gedoemd waren en La Cueille

in den omtrek der kotta ronddrentelde, struikelde hij met den voet in

een gat, dat onder dor loof verborgen, hem haast van de been gebracht

had. Dit gat was de opening van een spleet in den geelen, leemachtigen

oever van een klein beekje. Toen hij zijn voet daar uithaalde bemerkte

hij, dat die geheel met poega overdekt was.

Hij verbreedde nu met de handen die spleet, wierp het loof naar buiten

en werkte zich naar beneden. Het zand toonde hem onmiskenbaar rijke

sporen van goud. Hij ging zijn doelang halen, maar nam te gelijker tijd

een schop en een pikhouweel mede. Daarmee gewapend, was hij eerst van

meening het rijke zand te gaan wasschen, maar kwam tot andere

gedachten, toen hij bij de uitdelving bevond, dat die spleet een

trechtervormige uitholling was, waarin de beek bij iederen hoogen

waterstand als in een kolk rondwielde. Het was een natuurlijke doelang,

maar van grooter afmetingen, door de natuur zelve gevormd. Deze

opmerking bracht hem op de gedachte het zand uit te scheppen om te

zien, wat op den bodem van dien monsterdoelang te vinden zou zijn. Hij

had zoo een voorgevoel, dat zijn moeite wel beloond zou worden. En

werkelijk, hoe verder hij in de diepte doordrong, hoe goudrijker de

poega werd, totdat hij op een laag verblindend wit keizand stuitte,

waarin het edele metaal in de zonnestralen hem in de oogen schitterde

en glom, alsof daar alle schatten der aarde bijeen gebracht waren. Hij

vulde zijn doelang en spoedde zich naar de beek en in weinige minuten

tijds vond hij in de uitholling van zijn werktuig eenige brokstukjes

boelau massak, alle grooter dan een erwt; hij herhaalde de bewerking en

bevond dat, hoe dieper hij kwam, hoe zeldzamer het witte zand, maar hoe

grooter en menigvuldiger die brokstukjes werden, totdat hij op den

bodem van dien kolk een laag stukjes aantrof van de grootte eener boon,

die als schoon uitgewasschen daar onvermengd lagen. Onder die laag

strekte zich dorre, grijze, vaste potaarde uit, die geen spoor van goud

meer opleverde.

De Waal was als krankzinnig van vreugd, toen hij dien schat daar in de

zon zag glinsteren. Hij sprong en danste er rondom; hij was in een

woord uitgelaten. Toen hij eindelijk wat tot bedaren kwam, bedekte hij

het hoopje met droge bladeren en takken, om de glinsterende massa aan

onbescheiden oogen te onttrekken en spoedde zich daarna naar de kotta,

alwaar hij Johannes deelgenoot van zijn vondst maakte. Beiden voorzagen

zich van een zak en brachten den buit te huis, alwaar deze bij naweging

bleek, bijna 400 thaëls of ongeveer 20 K.G. te bedragen.—„Tudieu!”

gniffelde La Cueille, „ik wist niet, dat ik zoo’n gelukskind was. Laat

kijken, dat is 400 maal 60 gulden.....?”

Hij keek daarbij Wienersdorf en Schlickeisen vragend aan.

„Dat is 24,000 gulden,” sprak de laatste; „dat is een mooie vondst, die

je gedaan hebt. Je zult je naam van Richard bewaarheiden. Ik wensch je

geluk.”

„En 24,000 gevoegd bij de 26,000 van de apensteenen?” vroeg de Waal

verder, die niet vlug uit het hoofd kon rekenen en op het gezegde van

Schlickeisen geen acht scheen geslagen te hebben.

„Dat maakt 50,000 gulden,” was het antwoord.

„Waarbij nog wel een 10,000 zullen komen, als opbrengst van het

stofgoud, dat we reeds gevonden hebben en wat we nog vinden zullen,

alsook nog van een kleinen handel, dien ik op het oog heb,” voegde

Johannes er lachend bij.

De Waal was opgetogen, boven de wolken van blijdschap.

„Dus,” riep hij, „60,000 gulden te zamen! En dat verdeeld in vieren,

maakt..... voor ieder 15,000; want 4 maal 15 is 60, niet waar?”

De overigen knikten en grepen de hand van den Waal, die ze met warmte

drukten. La Cueille had zich in het volle licht van zijn

kameraadschappelijke gevoelens voor hen vertoond. De brave kerel had er

geen oogenblik aan gedacht, dat de door hem gevonden goudmassa hem

alleen zou kunnen toebehooren.

„Ik wist wel, dat ik mij in hem niet vergist had,” mompelde Johannes

binnensmonds.

„Maar,” stoorde Wienersdorf, die had zitten peinzen, den algemeenen

gedachtengang, „dat La Cueille dat goud gevonden heeft is zeer mooi,

maar het zal bezwaren kosten het mede te nemen.”

„Wel zeker,” viel Johannes in, „zonder bezwaren heb je niets op dit

ondermaansche. Maar laat je dat geen zorgen baren.”

„Geen zorgen baren! Je wilt je goud zeker per spoor vervoeren?” vroeg

Wienersdorf lachende.

„Het zal nog wel wat duren alvorens de locomotief-fluit zich in deze

streken zal doen hooren. Maar luistert. Die goudkorrels, en brokstukjes

zullen wij zorgvuldig van het stofgoud scheiden. Voor de eerste zullen

wij ons van hertenvellen gordels vervaardigen, die van een stevige

dubbele voering voorzien, met de ruimte tusschen leder en voering

behoorlijk in vakken verdeeld, gedogen zullen, dat ieder van ons een

vrachtje van ongeveer vier K.G. aan edel metaal om de lendenen zal

kunnen dragen. Voor het stofgoud zullen wij van Dajaksche blaasroeren

wandelstokken of beter polsstokken vervaardigen. Die roeren zijn van

ijzerhout vervaardigd; zij zijn dus stevig en kunnen des noods een

geducht wapen in onze vuist wezen. De cilindervormige uitholling vullen

wij met stofgoud aan, hetgeen onze wandelstokken niet alleen een zekere

zwaarte geven, maar ze ook kostbaar maken zal. Vergis ik mij niet, dan

zal iedere stok van 1,50 Meter lengte bij een uitholling van 2½ c.M.

middellijn ruim een K.G. stofgoud kunnen bevatten. Het zal zaak zijn

zoo’n stok nergens te laten liggen of in een hoekje te laten staan.”

„Drommels neen,” lachte La Cueille, „vooral daar je hier zoo’n verlies

niet in de krant zoudt kunnen adverteeren, met belofte aan den

eerlijken vinder van een goede fooi. Maar zoo’n band van vier K.G.

zwaar om je lendenen en een stok van minstens een K.G. in je hand, zal

ook niet lekker kunnen heeten; want wij zullen toch wel meer dan dat te

dragen hebben bij den tocht, die voor den boeg staat.”

„Wel zeker, voor een groot gedeelte van den weg zal je je moeten

getroosten behalve je geweer en gevulden patroonzak, ook nog je

mondbehoefte en reserve-munitie in een mandje op je rug te dragen.

Daarover evenwel later. Maar als je nu gedacht hebt, dat onze

rijkdommen zoo maar zonder moeite mede te nemen zouden zijn, dan heb je

het verbazend mis. Zoo lang de spoorbaan nog niet klaar is, waarvan

Wienersdorf straks schertste, zul je je schatten zelf moeten dragen.”

„Zoo is er toch altijd wat op dit ondermaansche,” pruttelde de Waal,

„nu ik rijk ben, meende ik anderen voor mij te kunnen laten sjouwen.”

„Kassian, je bent waarachtig te beklagen,” lachte Johannes.

Terwijl nu ook langzamerhand de toebereidselen tot het aanstaande

vertrek gemaakt moesten worden, was Johannes er ook op bedacht, zich

van de verschillende koopmanschappen te ontdoen, die hij van Baba

Poetjieng verkregen had, in soengei Naning, op het vlot van Bapa Andong

en te Kotta Baroe bijeenvergaard had, om handel met de Olo Ott te

drijven. Toen hij dien handel bedacht had, was dat meer geweest als

middel om eenig stofgoud machtig te worden, ten einde niet geheel en al

berooid te Sarawak of Singapore aan te komen. Nu zij een wezenlijk

fortuin, althans voor hen, verworven hadden, was die handel niet meer

zoo noodig; ook had hij reeds een gedeelte van die koopmanschappen

bestemd, om als geschenk aan Harimaoung Boekit aan te bieden. Maar toch

wenschte hij dat handeldrijven, waarvan hij zooveel gehoord had, wel

eens van nabij te zien en ook door zijn reisgenooten te doen waarnemen.

Hij sprak er met het Poenanhoofd over en deze vond den voorslag

uitvoerbaar. Hij had er te meer ooren naar, wijl volgens hem de

geldzaken onzer reizigers daardoor merkelijk zouden verbeteren en het

geluk van Hamadoe, zijn zuster, bevorderd zou worden. Alles werd er dan

ook toe in gereedheid gebracht en op een morgen vertrokken onze vier

blanken en Dalim met Harimaoung Boekit en Amai Kotong en de noodige

roeiers met een groote rangkan en stevenden de soengei Miri op. Maar de

reis was vrij lang, want eerst den derden dag bereikten de reizigers de

monding van de soengei Danom Pari, alwaar zij bij een kolossaal hoogen

en zwaren boom, die zich aan den oever verhief, aanlegden. Aan den voet

van dien boom, die als een reus te midden van het hem omringende dichte

woud uitkwam, werd een matje gespreid en daarop eenige hoopjes zout en

glaskoralen, eenige kleedingstukken, als „klambie’s” (baatjes) en

ewah’s van grof linnen of van boomschors vervaardigd, een twintigtal

mandauw’s, verscheiden stukken ijzer en verscheiden dozijnen lompe

onbehouwen messen en een groote hoeveelheid tabak aan stengen

uitgestald. Dat alles werd stuksgewijze neergelegd. Zelfs eenig gebak

van verzuurde rijst vervaardigd en overvloedig met arengsuiker

bestrooid en een groote pot met toeak gevuld werden niet vergeten.

„Drommels! ik wou wel op dien pot blijven passen,” sprak La Cueille.

„Opdat hij niet wegloopen zou, niet waar?” lachte Johannes. „Kom maar

mee, want de pot zou minder op jou kunnen passen en in deze buurt zou

je bewaking noodig hebben, dat verzeker ik je. Wij zijn hier op het

gebied der Ott’s. Straks zal ik je daar meer van verhalen.”

Toen de uitstalling gereed was, greep Harimaoung Boekit een „garantong”

(metalen bekken), hing die aan een boomtak op en deed toen met een stuk

hout eenige slagen daarop, die luid in het stille woud weerklonken.

Daarna luisterde men aandachtig. Toen na verloop van een tiental

minuten niets vernomen werd, sloeg de Poenan nogmaals met kracht op het

bekken en nu liet zich in de verte een gelijk aantal slagen hooren, die

te oordeelen naar het geluid op een uitgeholden boom gegeven werden.

Harimaoung Boekit liet nu zijn gezelschap in den rangkan stijgen, sloeg

nog eens ferm op het bekken en voer toen de soengei ruim een

kwartieruurs af. Daar werd halt gemaakt en midden op stroom gewacht.

„De drommel hale mij, als wij iets van onze koopwaren terugzien,”

mompelde Schlickeisen tegen zijn makkers.

„Dat zal meevallen,” antwoordde Johannes. „Wacht maar.”

Dat wachten duurde niet al te lang. Na een paar uur weerklonken

andermaal de tonen van de garantong, die was blijven hangen en stevende

de rangkan op dat signaal de soengei weer op. In den zwaren stroom

evenwel was er ruim een uur noodig om het vaartuig weer bij de

uitstallingsplaats te brengen.

„Kijk, dat ’s aardig!” riep La Cueille, toen hij de koopwaren weer

terugzag, „maar de toeakpot is leeg.”

Maar zijn verwondering en die zijner makkers werden nog grooter, toen

zij ontwaarden dat naast ieder voorwerp een ander was neergelegd. Hier

waren het een of meer bezoarsteenen, die als aangeboden prijs moesten

dienen van den mandauw of het kleedingstuk, die er bij lagen. Daar

waren het afgepaste hoopjes stofgoud, die tot ruil moesten strekken

voor tabak, messen of glaskoralen. Elders weer waren het tijgervellen,

die aangeboden werden.

„Maar wat nu?” vroeg Wienersdorf.

„Wij zullen kijken en schatten,” antwoordde Harimaoung Boekit.

Alles werd zorgvuldig bekeken en bevonden, dat de aangeboden voorwerpen

verreweg de waarde van de koopmanschappen overtroffen. Het zout scheen

voor de Olo Ott wel het kostbaarste te wezen, want voor dat artikel

waren de grootste hoopjes stofgoud aangewezen. Toen onze nieuwbakken

kooplieden zich tevreden met den aangeboden ruil toonden, verzamelde de

Poenan alles wat de Olo Ott achtergelaten hadden, deed het in den

rangkan overbrengen, sloeg toen een flinken roffel op het bekken,

bracht dat muziekinstrument in het vaartuig en liet toen de terugreis

aannemen, terwijl de koopwaren onzer vrienden achterbleven. Toen

Johannes de balans van dien ruilhandel opmaakte, werd bevonden, dat zij

voor hun prullen en snuisterijen ongeveer honderd batoe boehies, ruim

zes thaëls stofgoud en een aantal tijgervellen ingeruild hadden. Aan

deze laatste hechtten onze Europeanen weinig; Johannes was echter van

plan daarvan baatjes te vervaardigen, die hun bij hun aanstaanden

marsch door de wildernis van veel dienst zouden zijn.

„Drommels, dat is een voordeelige handel,” meende La Cueille. „Daaraan

zouden de kooplieden van Antwerpen of Amsterdam een puntje kunnen

zuigen.”

„Maar....” was de bemerking van Wienersdorf, „wanneer de Otts geen

voldoenden prijs, achtergelaten hadden, wat dan?”

„Wel,” antwoordde Dalim, „dan hadden wij onze koopwaren eenvoudig

medegenomen en hun ruilartikelen laten liggen.”

„Maar als zij nu eens onze koopwaren medegenomen hadden zonder iets in

de plaats te laten?”

„Dat is nog nooit geschied,” lichtte Johannes toe. „De meest mogelijke

goede trouw wordt bij dien handel steeds betracht, zonder dat beide

partijen elkander te zien krijgen. Het moet eens gebeurd zijn, dat een

paar maleische kooplieden hun eigene koopwaren en de aangeboden

ruilmiddelen der Otts medegenomen hebben. Maar zij waren de soengei nog

niet uit, toen zij reeds overvallen waren en hun bedrog met hun leven

moesten boeten.”

„Je zei zoo even, dat partijen elkander nimmer zien. Is dat steeds

zoo?”

„Steeds. Wanneer de Otts zich vertoonen, dan is het een strijd op leven

en dood. Een der beide partijen wordt dan vernield.”

„Maar wat zijn dat voor lieden, die Olo Otts?”

„Ja, nu vraag je me meer, dan ik weet. Ik heb ze nimmer gezien. Doe die

vraag eens aan de Poenans, dan zullen ze je antwoorden, dat het halve

apen zijn, en met den grootsten ernst verzekeren, dat zij staarten

hebben.”

„Staarten?” stoof La Cueille op.

„Ja staarten, mijn waarde Waal,” lachte Johannes. „Vergeet niet, dat

jij ook een staart gehad hebt, althans je voorouders; en als....”

„Jou voorouders misschien,” sprak de Waal gebelgd, „maar de mijne

niet.”

„En als je goed voelt,” ging Johannes voort, zonder op de gevoeligheid

van La Cueille te letten, „als je goed voelt aan het uiteinde van je

ruggestreng, dan zul je ontwaren, dat daar de eindwervel van je

ruggegraat zich aanvoelt, alsof hij afgebroken is. Er zouden wel

geleerden te vinden zijn, die je bewijzen zouden, dat dat ontstaan is

door onze gewoonte van te zitten; die staart zou daardoor afgesleten en

die eigenaardigheid van afgesleten staart zou zoo van geslacht op

geslacht overgegaan zijn. Is het zoo niet Wienersdorf?”

„Ja,” antwoordde deze, „daar heb je Adams, Schlegel en later Darwin.

Verder nog....”

„Schei uit!” riep La Cueille, „wij kennen die lui toch niet.”

„Zooveel is zeker,” ging Johannes voort, „dat vele geleerden het eens

zijn, dat hier in Borneo nog stammen bestaan, die zich in het bezit van

een staart verheugen. Volgens hen zou dat evenwel niets anders zijn dan

een kleine, beweginglooze verlenging van de ruggegraat ter lengte van 6

à 8 cM. De daarmee behepte lieden, zouden steeds met zich voeren een

plankje, met een gat doorboord om op te zitten anders zou hun die

uitwas geweldig hinderen. Wat nu verder de Olo Ott betreft; zij worden

beschouwd als de oorspronkelijke bewoners van Borneo, die door andere

rassen langzamerhand teruggedrongen zijn. Zij zijn uiterst schuw, zeer

verraderlijk van karakter, aartsliefhebbers van koppensnellen en

volstrekt niet afkeerig van een rauwen menschenbout met of zonder zout

of lombokh. Kampongs hebben zij niet; zij zijn ook niet gezellig van

aard, want zij leven slechts met eenige familiën bij elkander, evenwel

talrijk genoeg, om een bende van twaalf tot vijftien manspersonen te

vormen. Dat neemt evenwel niet weg, dat bij gevaar, wanneer zij het

alarmteeken op hun uitgeholde boomstammen in hun wouden geven, zich al

spoedig een paar honderd weerbare mannen vereenigen. Huizen, in den zin

als wij begrijpen, kennen zij niet. Zij vervaardigen zich in een

grooten boom een soort van nest, waarin zij wonen. Overigens bewegen

zij zich in de kruinen hunner wouden met een gemakkelijkheid, waarvan

wij ons geen denkbeeld kunnen maken en waarin zij door de kahio’s, de

boehies en andere apensoorten overtroffen worden. Gij kunt er u

verzekerd van houden, dat van het oogenblik af, dat wij hun woonoord

genaderd zijn, wij geen oogenblik onbespied zijn gebleven en hoewel wij

hen niet gewaar worden, zijn zij ons toch steeds nabij.”

„Drommels!” bromde La Cueille, „dan zullen wij maar wat voortmaken met

roeien, dat wij uit die buurt komen.”

Met vereende krachten werd voortgeroeid en verbazend snel stevende de

rangkan stroomafwaarts.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 69 / 77 题