Vervolging.—Een bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe
Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De
Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen
getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri.
Dat was een vreeselijke bevinding voor Johannes. In zenuwachtige haast
doorzocht hij de tomoi en den geheelen beperkten omtrek daarvan, zonder
iets verder te ontdekken. Daarna beklom hij in allerijl den Oepon Batoe
en gaf kennis aan zijn makkers van het ongeluk dat hen allen trof. Met
de diepste verslagenheid vernam vooral Wienersdorf dat relaas en
beweende met bittere tranen het uiteinde van zijn trouwen makker, van
zijn landsman. Want dat Schlickeisen niet meer tot de levenden
behoorde, daaraan viel bijna niet te twijfelen, dat stond vast bij hem
niet alleen, maar ook bij alle kottabewoners. Zeer waarschijnlijk waren
de gewonden, na het vertrek hunner makkers, door een troepje
Doessonners overvallen geworden; de Zwitser was ook gesneld, maar bij
de worsteling was het onthoofde lijk te water geraakt en door den
stroom medegesleept geworden. Een tweede veronderstelling, die geopperd
werd, was dat Schlickeisen wellicht gelegenheid had gevonden in het
water te springen, om zich zoo te redden. Hij was een behendig zwemmer,
verzekerde Wienersdorf. Maar Harimaoung Boekit wees op den wilden en
kokenden stroom, die, van boven af gezien, zich als een band van
glinsterend wit schuim tusschen de rotsen der oevers heenwrong, en
uitte de meening, dat geen wezen, indien het geen waterdier was,
daardoor heen kon komen, zonder honderd malen op de puntige rotsen
verscheurd te worden. Een derde veronderstelling, die de Europeanen
zich nauwelijks durfden toelispelen, was dat de ongelukkige levend in
handen der Doessonners gevallen en door hen weggevoerd was. Dat ware
een gruwzaam lot. Zij wisten toch en hadden het reeds verscheiden maal
gezien, hoe de volkeren hunner omgeving met de krijgsgevangenen
omsprongen. En wanneer nu die Doessonners, die wel tot de ruwste
stammen van Borneo’s binnenlanden konden gerekend worden, ontdekten dat
hun gevangene een blanke was? O! die gedachte alleen deed hen ijzen. En
toch klemde zich Wienersdorf met de vertwijfeling der wanhoop aan die
hypothese vast. Zij liet ten minste iets doorschemeren van een sprankje
hoop, dat hij en zijn vrienden hulp zouden kunnen aanbrengen, dat zij
den rampzalige zouden kunnen redden. Hij bepleitte die gedachte met een
vuur, dat door Johannes gedeeld werd, en het scheen ook hem niet
onmogelijk, dat Schlickeisen krijgsgevangen gemaakt was; en zijn
avontuurlijken aard getrouw, was de Sienjo dadelijk gereed in die
richting werkzaam te zijn. Beiden beijverden zich nu het Poenanhoofd
voor hun opvatting te winnen. Aanvankelijk gelukte dat slechts
middelmatig, want met het apathische karakter van den inlander, als het
zijn belangen niet raakt, en de uiterst geringe waarde, die een
menschenleven doorgaans in zijn oog heeft, was uit zijn mond niet veel
meer te halen dan het onverschillige:
„Naughe! kalotèh oewei.” (Wat kan het mij schelen! er valt niets aan te
doen.)
Maar onder de bezielende taal van die twee, werd eindelijk ook zijn
hart warm en was hij voor de zaak gewonnen. Allereerst werd nu
besproken, welke bende dien overval kon bewerkstelligd hebben en
waarheen zij getrokken kon zijn. Maar hier was goede raad duur, de
meeningen liepen nogal uiteen, totdat Wienersdorf voorstelde, dadelijk
naar kotta Ohas in de soengei Miri te vertrekken, waaromheen Soerapatti
zelf het beleg geslagen had. Op dien hoofdtroep toch zouden alle
uitzwermende benden steunen en daarbij zich na volbrachte taak
aansluiten. Ook was het zeer waarschijnlijk, dat alle krijgsgevangenen
het opperhoofd zouden aangeboden worden. Dat was wel het beste, wat er
te doen viel; en, leefde de ongelukkige nog, dan was met een zekere
mate van stoutmoedigheid veel tot zijn redding uit te voeren. Maar....
de rangkans waren nog niet aangekomen. Wel waren zij van de hoogte der
rots ver beneden strooms op de rivier ontwaard en door het scherpziend
oog der inboorlingen herkend; maar daar de avond viel, kon op hun
aankomst niet gewacht worden, die door het geringe aantal roeiers,
waarmede de flotille bemand was, nog wel verscheidene uren kon
vertraagd worden. Harimaoung Boekit sloeg dan ook voor: den tocht naar
soengei Miri onmiddellijk te aanvaarden en daartoe den weg over land te
kiezen. Hij en Amai Kotong verzamelden hun strijders, lieten hen een
flink rantsoen rijst in hun mandjes medenemen en toen de zon aan de kim
verdween, klom dat troepje Dajaks en Poenans, vergezeld van de drie
Europeanen, in alle stilte den heuvel af en richtte zijn schreden
behoedzaam door het bosch marcheerende, noordwaarts. Bij het afdalen
van de hoogte kon La Cueille opmerken, welke vreeselijke uitwerking
zijn krijgslist gehad had. In de diepe en breede voren, die de rollende
rotsblokken in den grond geploegd hadden, waren allerwege verpletterde
menschelijke lichamen in de aarde ingedrukt. Hier zag men een
verbrijzelden schedel, elders een opengereten buik, op een andere
plaats eenige handen en voeten, die als met een mes afgesneden waren.
En bloed, bloed overal. Het was een ontzettend gezicht. Zelfs de zoo
vereelte gemoederen der Dajaks waren bewogen; met afgrijzen wendden die
woudloopers den blik af en haastten zich voort.
Toen de voet van den heuvel bereikt was, slingerde het pad zich
evenwijdig aan de Kahajan, nu eens die rivier zeer dicht naderende, dan
weer, wanneer de stroom kronkelde en westwaarts om boog, er zich van
verwijderende. Den geheelen nacht en den daarop volgenden dag werd met
inspanning van alle krachten voortgemarcheerd, zonder dat iets van den
vijand ontwaard werd. Bij het vallen van den avond werd op een
geschikte plaats halt gehouden, om een paar uur uit te rusten en zich
eenigszins te verkwikken, waarna de marsch weer vol moed aanvaard werd.
Had de maan niet helder geschenen, dan ware zoo’n nachtelijke marsch
door een tropisch woud onmogelijk geweest. Nu nog bood hij
aanmerkelijke bezwaren en waren de vermoeienissen en inspanningen, die
vereischt werden, overgroot te noemen. Het pad was zoo smal, dat
slechts man voor man—de ganzenmarsch noemde La Cueille
dat—voortgetreden kon worden. Soms verloor het pad zich in de dichte
struiken of slingerende lianen en was het scherpzinnige instinct der
Poenans en hun plaatskennis noodig, om den troep voor verdwalen te
behoeden. Allerwege lagen omvergevallen boomstammen over den weg, de
een nog gaaf en als een ware slagboom, andere half vermolmd en vergaan,
overblijfselen van woudreuzen, die ook nu nog ongelooflijk moeilijke
beletselen, bij het wonderlijke maanlicht in dat bosch, aanboden. Op
sommige plaatsen moest met den mandauw in de hand een doortocht te
midden der doornachtige slingerplanten gebaand worden, die de schamele
kleeding der reizigers havenden en hun huid niet altijd onaangetast
lieten.
„Chien de pays!” bromde La Cueille, „ik zal er uitzien, of ik met al de
katten van de Dajaklanden gestoeid heb.”
Het kon ongeveer middernacht zijn—men was eenigen tijd over een
grasvlakte voortgetrokken, die geen beletselen aanbood en zich onder de
kruinen van ver uit elkander staand hoog geboomte uitstrekte—toen een
der Poenans waarschuwde, dat hij in de nachtelijke stilte een verdacht
gerucht op een korten afstand gehoord had; hij beweerde zelfs
menschenstemmen vernomen te hebben. Harimaoung Boekit prevelde zacht
eenige woorden, waarop hij met een zestal zijner makkers zich op den
grond lieten vallen en over het gras voortslopen. Gedurende een
kwartieruur stond het overige gedeelte van den troep ademloos stil, in
gespannen verwachting. Eensklaps verhieven zich eenige kreten van
angst, van woede en van vertwijfeling, waarna alles weer doodstil werd.
Die stilte duurde niet lang, want weldra verschenen de Poenans, waarvan
twee hunner ieder een menschenhoofd bij de haren in de hand hielden,
terwijl de vier anderen twee geknevelde gevangenen voortsleurden. Die
beiden, geheel ongedeerd, waren in hun slaap zoo snel overrompeld
geworden, dat zij geen tijd gehad hadden, om zich te weer te stellen.
Het meerendeel hunner makkers was of gedood of zwaar gewond. In de
verbijstering van het oogenblik hadden de overigen met apenvlugheid hun
heil in de vlucht gezocht. Johannes ondervroeg de gevangenen, die eerst
niet wilden antwoorden en in hun vermetele woede zelfs beleedigingen
voor hun overwinnaars ten beste hadden. Maar toen hun ondervrager hun
op een toon van gezag aan het verstand bracht, dat hij hen wel aan het
spreken zoude krijgen; maar vooral toen hij een nieuwe beleedigende
uitdrukking van een hunner met een flinken vuistslag tusschen de beide
oogen beantwoordde, die het den wrevelen groen en geel voor de oogen
deed worden, toen werden zij gedweeër en vertelden, hoewel hortend en
stootend, alsof ieder woord met geweld er uitgehaald moest worden, dat
zij tot een bende behoorden, die het land afliep, om te plunderen, en
dat zij van het wedervaren hunner stamgenooten weinig afwisten. Wel was
hun verteld, dat bij een uitbarsting van den Oepon Batoe veel der
hunnen omgekomen waren, maar dat daarbij ook al de bewoners der kotta
den dood gevonden hadden; de eigenlijke toedracht schenen zij evenwel
niet te weten. Zij verhaalden verder, dat de Doessonners een menigte
koppen buitgemaakt hadden en dat hun een blanke in handen was gevallen.
Ademloos hoorden onze vrienden dat bericht aan, terwijl Harimaoung
Boekit verbaasd opkeek. Zoo kalm als hem maar mogelijk was, vroeg
Johannes, hoe die blanke hier in deze streken kon gekomen zijn.
„Djaton tau” (dat weet ik niet) was het antwoord, „maar wij hebben hem
gezien, hij lag aan handen en voeten gebonden in een rangkan; men had
hem zijn baaitje afgescheurd. Zijn gezicht en handen waren bruin als
die van een onzer; maar zijn borst en rug waren blank, hoewel men zien
kon, dat hij zich de huid met katiting geverfd had.”
„En.... wat is er met dien blanke gebeurd?” vroeg Wienersdorf met
aarzeling, als vreesde hij die vraag te stellen. „Heeft men hem
gedood?”
„Neen, hoewel velen op zijn dood aandrongen, is besloten hem bij
Tomonggong Soerapatti te brengen. Die zal hem wel aan de Hollanders te
Bandjermasin uitleveren, met wien hij gaarne vrede wil sluiten.”
„Dus de gevangene is ongedeerd! Maar waar is hij nu?” was de
ongeduldige vraag des Zwitsers.
De gevangenen aarzelden, keken elkander aan en bewaarden het
stilzwijgen, ook toen de vraag door Johannes met allen ernst herhaald
werd. Maar toen La Cueille zijn vingerdikken rottan fluitend op den rug
der weerspannigen liet nederkomen en die tuchtiging bij langer
stilzwijgen herhaalde, was de tegenstand spoedig gebroken. Zij
verhaalden toen, dat zij den rangkan, waarin de gevangen blanke lag,
bij zonsondergang gezien hadden hier dicht bij, aan den oever der
rivier, alwaar de roeiers den nacht dachten door te brengen.
Onmiddellijk werd opgebroken, om te trachten dat vaartuig te
overvallen. En werkelijk, nog geen kwartier later, toen men de boorden
der Kahajan naderde, werd een rangkan ontwaard, die evenwel onraad
bespeurende, ijlings afstak om den overkant der rivier te bereiken. Wel
losten de Europeanen een paar schoten op het vluchtende vaartuig, maar
weldra was het onder de zwarte schaduwen van het zware bosch aan de
overzijde uit het oog verdwenen. Toen evenwel de schoten geknald
hadden, had men duidelijk de woorden: „hilf! hilf!” gehoord. Men was
dus op het goede spoor en onze zwervelingen hadden de overtuiging
verkregen, dat hun makker nog leefde. Er werd nu raad gehouden wat te
doen. Het Poenanhoofd gaf te kennen, dat de Doessonners genoodzaakt
zouden zijn de rivier te houden, daar de Kahajansche bevolking hun
vijandig was. Hij verzekerde een pad te kennen, dat hen spoedig
bovenstrooms van de vluchtelingen zoude brengen en alwaar onze
schutters naar omstandigheden zouden kunnen handelen. Alvorens evenwel
op te breken, moest nog aan een wreede noodzakelijkheid gehoorzaamd
worden. De twee Doessonsche krijgsgevangenen waren tot hier
medegenomen; hen verder mede te voeren, zou vertraging veroorzaken en
bijgevolg den uitslag van den tocht in gevaar kunnen brengen. Hen
vrijlaten, zooals Wienersdorf voorsloeg, was nog minder doenlijk, daar
zij hun zeer waarschijnlijk een geheele bende vijanden op den hals
zouden halen. Na nog een voorstel van La Cueille, om hen ongewapend aan
een boom te binden en hen zoo aan de genade Gods over te laten,
verworpen te hebben als noodeloos wreed, in geval niemand daar
voorbijkwam, of dat Kahajanners dien weg volgden, of als hoogst
gevaarlijk, wanneer zij door stamgenooten bevrijd werden, fluisterde
Johannes den Waal iets in het oor, waarop deze toestemmend knikte. De
marsch werd daarop hervat, waarbij La Cueille, die met de bewaking der
gevangenen belast was, den troep voorbij zich heen liet trekken,
terwijl Wienersdorf en Johannes aan het hoofd bleven. Niet lang was men
alzoo voortgetrokken, toen plotseling twee geweerschoten vernomen
werden en de Waal buiten adem kwam aanloopen, om te vertellen, dat zijn
gevangenen gepoogd hadden te ontvluchten, bij welke poging hij hen had
moeten neerschieten.
„Après tout,” voegde hij er luchthartig bij, „ce sont deux canailles de
moins.”
Of Wienersdorf die ontvluchtingspoging geloofde? Helaas! hij begreep
maar al te wel de noodzakelijkheid van die menschenoffers, die tot
redding zijns makkers gevallen waren. Hij kon zijn lotgenooten de list
niet euvel nemen, die zij gebezigd hadden, om zijn gevoeligheid te
sparen. Maar met een gebaar van afschuw zag hij de bloedige hoofden der
gevallenen in de mandjes der Poenans verdwijnen. Voor deze laatsten was
de buit te schoon voorgekomen, om hem achter te laten.
Met versnelden tred werd nu voorwaarts gemarcheerd en de dageraad begon
aan te breken, toen de troep een hoogte bereikte, die evenals Oepon
Batoe zich aan den oever verhief, terwijl de rivier als een woeste
waterval naar beneden schoot. Dat was de Kiham Batoe Naroi, wel de
moeielijkste en langste van alle stroomversnellingen op de Kahajan,
maar toch de minst gevaarlijke, omdat het vaarwater voldoende breed
blijft. Bij die hoogte aangekomen, verdeelde Harimaoung Boekit het
troepje in twee ongelijke deelen, waarvan het kleinste met Amai Kotong
en Wienersdorf de hoogte beklom en in een uitholling van den rotswand
post vatte in dier voege, dat zij bij een kromming der rivier de
opwaartsvarenden een geheel eind met hun vuur konden bestrijken. Het
andere gedeelte stelde zich aan den voet van den heuvel op, om wanneer
de Doessonners zouden willen terugkeeren, hun den pas af te snijden.
Beide troepen moesten achter rotsen en struiken verborgen blijven,
totdat het oogenblik van handelen daar zou zijn.
Zooals het Poenanhoofd voorzien had, duurde het nog een poos, alvorens
de verwachte rangkan zich vertoonde. Maar eindelijk kwam hij in het
gezicht. Al dadelijk konden de verspieders zien, dat het vaartuig door
een twintigtal roeiers bemand was, maar van den gevangene was door den
afstand nog niets te bespeuren. Toen de rangkan dichter bij gekomen
was, kon men eindelijk zien, dat Schlickeisen naakt, en aan handen en
voeten gebonden, op den bodem van het vaartuig lag en in
deerniswaardigen toestand scheen te verkeeren. Langzaam stevende de
rangkan de gevaarlijke passage in. Hier in het vijandelijke land was er
niet aan te denken, het vaartuig langs een kabel te halen; daartoe zou
men aan wal hebben moeten stappen. Alleen met roeien moest de zware
stroom gebroken worden en dat was een moeielijke taak. Zwoegend plasten
de roeiers hun pagaaien in het water en spanden alle kracht in. Soms
schoot de rangkan gedwee vooruit, maar soms ook was het of hij stil
stond op de schuimende wateren. Dan klonk het aanmoedigende gegil:
„eoh! eoh! pambeseai goeloengoeloeng!” (vooruit! roeit snel!) dan
verkortte de tijdmaat van den roeislag, dan sloegen de pagaaien dieper
in het water, dan verdubbelde de inspanning en zoo werd het moeielijke
punt te boven gekomen. Zoo was een geruimen tijd voortgetobt. Nog een
krachtige inspanning, dan zou de kiham bestegen en de rangkan in kalm
water gekomen zijn. Dus nogmaals: vooruit! vooruit!!
Maar.... wat was dat? Daar knalde een schot en de voorste roeier liet
zijn pagaai glippen, terwijl hij doodelijk getroffen achterover tegen
zijn makkers aanviel. Nogmaals klonk een schot, nogmaals en nogmaals en
andermaal en allen met hetzelfde doodelijk gevolg. Ah! nu kende
Wienersdorf geen ziekelijke menschenmin meer; het gold thans zijn
trouwen makker te redden. Geen kogel mocht missen, want missen op dat
kleine doel, stelde dien makker aan het grootste gevaar van zelf
getroffen te worden bloot.
Als een bronzen standbeeld lag hij daar geknield, de kolf van zijn goed
geweer tegen den schouder gesteund, het hoofd er even langs heen
gebogen, terwijl de linkerhand het wapen met een vastheid, een kalmte
omklemd hield, die iedere valsche beweging buitensloten. Het oog had
slechts een blik voor de vizierkeep, waardoor het de korrel zocht, om
die als in een lijn op gindsch doel te richten. Zijn geheele ziel hing
aan dien blik, het was of zijn bestaan, zijn alles geketend was aan die
denkbeeldige lijn, die zijn kogel den weg moest wijzen. Middelerwijl
bewoog hij, zonder adem te durven halen, den wijsvinger van de
rechterhand zacht en zonder rukken op den trekker, deed dien bedaard en
regelmatig overgaan en zond zoo met wisse hand kogel op kogel te midden
van dat vaartuig, dat een seconde te voren, voor geen gevaar beducht,
naar boven stevende en met den zwaren stroom worstelde.
Vier roeiers waren reeds getroffen, alvorens de opvarenden begrepen,
wat er gaande was. Door het geloei der wateren was het eerste schot
niet door allen gehoord, maar toen een tweede, een derde, een vierde
hunner gekwetst, zich daar akelig in de hevigste pijnen op den bodem
des rangkans wrongen, toen kwam er een oogenblik van aarzeling; vooral
toen de opvarenden duidelijk de blauwe rookwolkjes van de schoten langs
den rotswand zagen omhoog kronkelen. Toch nog bracht de aanvoerder der
bende een oogenblik van beradenheid te weeg. Op zijn geroep van „beseai
bewèi!” (roeit flink) spoedde het vaartuig nog eens krachtig vooruit;
maar daar knalden andermaal achter elkander drie schoten, die weer drie
roeiers zwaar verwondden, toen was er geen houden meer aan. De
overblijvenden sloegen hun pagaaien ruggelings te water en onder dien
aandrang en voortgezweept door den zwaren stroom schoot de rangkan
terug den kiham af. Maar nu weerklonk ook het geweervuur van achteren.
Thans was het de beurt van Johannes en La Cueille om bewijzen hunner
bedrevenheid te geven, en, al konden zij niet bogen op een vaste hand
als de Zwitser, hun kogels verdwaalden niet en weldra waren de
verliezen der Doessonners van zoodanigen aard, dat de overblijvenden in
hun vertwijfeling, nog voor dat het benedeneinde des woesten kihams
bereikt was, te water sprongen, om zich met zwemmen te redden. Dat was
het oogenblik, dat Harimaoung Boekit verwachtte. Terwijl thans al de
geweerdragenden een hevig vuur op de vluchtelingen openden, begaven hij
en zijn Poenans zich te water. Als waterrotten doorkliefden zij den
stroom, grepen den verlaten rangkan bij de boorden en brachten hem
behouden aan den wal; evenwel zoo snel niet, of Wienersdorf, die den
gang van het drama had kunnen gadeslaan, was bij het landen
tegenwoordig. O! wat had hij angstige oogenblikken doorgestaan! Toen de
rangkan aan wal kwam, boog hij er angstig over heen. God! wat een
aanblik. Daar lag Schlickeisen schier naakt, in bewusteloozen toestand
en blijkbaar de hevigste koorts ten prooi. De hals, de borst en de rug
waren zeer ontstoken en opgezet en met honderden kleine wondjes
overdekt. Daarenboven was het, alsof die lichaamsdeelen met een soort
van blauwe verf overdekt waren. Spoedig verzamelde Wienersdorf eenige
hoofddoeken zijner omgeving, waschte die schoon uit en lei ze daarna
met koel en helder rivierwater gedrenkt, op het voorhoofd en de wonde
plekken van den lijder.
Daarna beraadslaagde men wat met den zieke uit te voeren. Vooruit naar
soengei Miri, was wel het meest verlokkende, wijl men daar het dichtste
bij was; maar de munitie, die onze dapperen bij het verlaten der
flotille medegenomen hadden, was beperkt geweest en bij de verdediging
van kotta Oepon Batoe was die grootendeels verbruikt. Onder den invloed
van het ongeduld, om hun makker te hulp te snellen, was daaraan minder
gedacht en had men zich voortgespoed. Maar nu Schlickeisen gered was,
gebood de voorzichtigheid met dat gebrek aan kruit en lood ernstig
rekening te houden, vooral daar de geringe voorraad door het beschieten
van den rangkan nog meer geslonken was en men berekenen kon, dat men
bij het naderen van kotta Ohas met een overmachtigen vijand te doen
zoude hebben. Er werd dan ook besloten naar Oepon Batoe terug te
keeren. Maar de veroverde rangkan kon slechts omstreeks dertig personen
bevatten, terwijl de troep vijftig sterk was. Na eenig beraad kwam men
overeen, dat Amai Kotong met eenige zijner Kapoeassers en een gedeelte
der Poenans over land naar kotta Rangan Hanoengoh zouden vertrekken.
Dit troepje zoude uiterst omzichtig moeten marcheeren; want een
ontmoeting met een of andere bende was niet onmogelijk. Tien hunner
zouden met geweren gewapend zijn en daarmede achtten zij zich
onoverwinnelijk tegenover de Doessonners. Daarenboven kenden zij het
terrein uitstekend en was de weg, dien zij in rechte lijn af te leggen
hadden, veel korter dan de waterweg van die veelvuldig kronkelende
rivieren. En eindelijk hadden zij van de bevolking dezer streken alle
hulp te verwachten. De beslissing was dan ook snel genomen; de rangkan
voer de Kahajan af en Amai Kotong sloeg met zijn kleine bende den weg
naar het bosch in.
De koele omslagen, die Wienersdorf zijn kameraad op de gewonde deelen
gelegd had, misten hun gunstige uitwerking niet. Johannes en La Cueille
hadden van eenige stokken en wat bladeren een afdak boven den lijder
gemaakt, dat hem tegen de brandende stralen der zon beveiligde. Niet
lang na het vertrek opende Schlickeisen de oogen en keek rondom zich.
Een beweging, die hij maakte, perste hem een smartkreet af. Zijn
makkers bogen zich over hem, ververschten de omslagen, hetgeen den
lijder een gevoel van welbehaaglijkheid verschafte, lieten hem drinken,
in een woord, verleenden hem liefdevol die verzorging, welke zijn
toestand eischte. Toen zij zagen, dat de koorts geweken was, waschten
zij zijn lichaam af, door welke handeling de blauwe kleur, waarmede hij
ingesmeerd scheen, verdween en de bijna blanke huid te voorschijn kwam,
waarin ontelbare wondjes geprikt waren. Op het gezicht van die huid
zette Harimaoung Boekit groote oogen op. Hij boog zich voorover, bekeek
den lijder aandachtig en vestigde daarop zijn oog onderzoekend eerst op
Johannes en La Cueille, daarna op Wienersdorf. Allen voelden dien blik;
zij voelden dat iets beslissends plaats greep. Wienersdorf scheurde
zijn baatje open en, in den kring, waarin die vier mannen om den lijder
gehurkt zaten, ontblootte hij zich de schouders en vertoonde die,
evenwel zoo dat de roeiers er niets van zien konden, aan het
Poenanhoofd. Toen deze de blanke huid zag, waarvan de katiting
afgesleten was, prevelde hij:
„Olo bapoeti!” (een blank mensch).
Een oogenblik zat de woudzoon daar als versuft. Hij bedekte zich de
oogen met beide handen, als vreesde hij te zien vooral in zijn
binnenste, waar vreeselijke hartstochten loeiden. Maar zijn
verbijstering duurde slechts kort. In die weinige sekonden evenwel was
hem het gebeurde op het vlot in Danau Ampang voor den geest getreden,
hij had zich herinnerd, hoe Wienersdorf en Schlickeisen hem bij kotta
Djankang gered hadden, toen hij gestrikt, als een wild dier
voortgesleurd werd. Met een gebaar als veegde hij een onwelkome
gedachte van zijn voorhoofd weg, verhief hij het gelaat, vestigde een
open blik op Wienersdorf en vatte hem bij de hand:
„Naughe! ikau kakangkoe” (om het even! gij zijt mijn oudere broeder)
lispelde hij bijna onhoorbaar.
„En die?” vroeg de Zwitser op de drie overige Europeanen wijzende.
„Adingkoe!” (mijn jongere broeders) sprak de Poenan, terwijl hij ieder
afzonderlijk de hand schudde.
Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst van Johannes, die dat
geheele tooneel met angstig kloppend hart had aangestaard. Men kwam nu
overeen dat de Europeanen hun vermomming voor hun omgeving zouden
blijven behouden. Later zouden zij hun geschiedenis verhalen.
De aandacht werd nu verder op Schlickeisen gevestigd. Harimaoung Boekit
beweerde, dat zijn toestand niets te beteekenen had en verklaarde, dat
hij eenvoudig getatouëerd was. En werkelijk, toen de ontsteking zijner
wonden geheel geweken was, verhaalde de Zwitser dat hij, na het
verdwijnen zijner makkers bij de rotsbeklimming, met de vier gewonde
Dajaks, slechts oog en oor hebbende voor hetgeen boven op Oepon Batoe
plaats had, door een troep Doessonners was overvallen, die zich in een
vaartuig de rivier hadden laten afzakken. Zij waren plotseling van
achter den Batoe Soeli te voorschijn gekomen, en de overval was zoo
spoedig geschied, dat de Dajaks onthoofd waren, voordat zij zich te
weer konden stellen. Hij zelf was dat lot slechts ontkomen, door dat
bij de worsteling zijn baatje scheurde en zijn huid zichtbaar werd,
waarop zijn aanvaller uitroepende: olo bapoeti, zich op hem geworpen en
hem met beide armen omstrengeld had, hetgeen te gemakkelijker kon
geschieden, daar hij zich wegens zijn gewonden arm niet krachtig kon
verdedigen. In een oogwenk was hij gekneveld en voerden de Doessonners
hem gevankelijk mede. Hij hoorde hoe zijn overwinnaars er over spraken
hem naar Tomonggong Soerapatti te willen brengen en hoe die hem
waarschijnlijk aan het bestuur te Bandjermasin zouden uitleveren, om
door de redding van een withuid weer op een meer vredelievenden voet
met de Hollanders te geraken. Natuurlijk konden zij niet gissen welk
belang de Nederlanders hadden, een dier deserteurs in handen te
krijgen. De gedachte evenwel dat een blanke, die hun in handen was
gevallen, gespaard zoude worden en dat zijn kostbare schedel hun
ontgaan zou, scheen wrevel bij die woestaards te wekken, en zoo kwamen
zij op het denkbeeld hun gevangene te tatouëeren, om bij wijze van
aardigheid het Nederlandsch Indische Gouvernement een getatouëerden
blanke aan te bieden. Een der aanwezenden haalde een „pantoek,” een
priknaald voor den dag en begon den gevangene daarmede de kleine
wondjes toe te brengen, welker menigte de grillige figuren van het
„toetang” (tatoueering) moesten vormen. Die inprikking had plaats, door
de naald met de punt ter bestemder plaats op de huid te zetten en er
dan met een stuk hout zoodanig op te slaan, dat zij twee à drie m.m.
indrong. Daar men met een gevangene te doen had, werd niet zeer
zachtzinnig met hem omgesprongen en werd de naald veelal dieper in het
vleesch gedreven, dan wel stipt noodig was. Eerst werd om den hals en
het middel van het slachtoffer een kring van drie rijen gaatjes
geprikt, waarna die kringen door drie rechte lijnen, ieder van twee
rijen gaatjes, op de borst—waarvan twee over de tepels en een over het
midden der borstkas getrokken—en op den rug door een, welke over de
ruggestreng ging, vereenigd werden. Toen dat klaar was, wilde de
operateur zijn werk vervolgen, en de ruimte tusschen de lijnen met
grillige arabesken aanvullen; maar een zijner makkers deed hem
opmerken, dat de lijder dat niet verdragen, maar zeker bezwijken zou.
Daarom staakte hij het prikken en wiesch nu de wondjes eerst met heet
water, om een overvloedige verbloeding te bevorderen, en daarna met
citroensap, hetgeen den patiënt woest deed huilen en tieren van pijn.
Toen de wondjes ten gevolge van die laatste wassching behoorlijk
ontstoken en hevig gezwollen waren, werden zij met een papachtige
indigo-oplossing ingesmeerd; waarna de lijder in de hevigste pijnen
zonder een teug waters en zonder eenige dekking in den fellen
zonneschijn aan zijn lot overgelaten werd. Een koortsachtige toestand
was daarop ingetreden, die hem het bewustzijn had doen verliezen. Des
nachts was hij een oogenblik uit zijn verdooving opgeschrikt door een
paar geweerschoten; hij had toen om hulp geroepen; maar gefolterd door
de onverdraaglijke pijnen, die hij te verduren had, had hij zijn
bewustzijn weer verloren. Toen hij tot zich zelf kwam, zag hij zich
omringd door zijn makkers.
„Cré matin!” lachte La Cueille, „je bent door het oog van een naald
gekropen; maar eigenlijk is het jammer, dat de kerels je niet ten einde
toe beschilderd hebben; je zoudt er uitzien als een behangselpapier.
Kijk, net als die Poenan daar. Wat zou je mooi zijn! Nu zal je al veel
bekijks hebben van de meisjes in Zwitserland.”
De zieke glimlachte flauw over den uitval; toen echter zijn vrienden de
koele omslagen nog eens vernieuwd hadden, viel hij in een weldadigen
slaap, waaruit hij niet eerder ontwaakte, dan toen de rangkan te kotta
Oepon Batoe aangekomen was. Hij gevoelde zich toen zoo ver hersteld,
dat hij zonder iemands hulp aan wal kon stappen. Wel waren de geprikte
deelen nog uiterst pijnlijk, maar de ontsteking was geheel geweken en
van koortsachtigheid geen spoor meer. Maar door die kringen en die
lijnen was onze Schlickeisen voor zijn geheele leven onuitwischbaar
geteekend.
Na een korte kennismaking met het wedervaren van de vrouwen en
kinderen, dat niets bijzonders aanbood, maakte een ieder zich tot
vertrek gereed; en nog voordat de avond gevallen was, stevende de
flotille de Kahajan om. Harimaoung Boekit wilde geen uur verloren laten
gaan, om het benarde kotta Ohas te hulp te vliegen. Bij den helderen
maneschijn werd onverpoosd voortgeroeid; de vrouwen deden zelfs mede,
om de afwezige Poenans te vervangen. Maar al die haast en al die
inspanning waren geheel vruchteloos; want toen de rangkan, tegen het
middaguur Toembang Miri instevende, kwam hun een zwaar bemand vaartuig
te gemoet, dat het nieuws bracht, dat Amai Kotong met zijn troepje te
kotta Rangan Hanoengoh was aangekomen en de niet minder belangrijke
tijding, dat Tomonggong Soerapatti bij het vernemen van de vreeselijke
nederlaag der zijnen voor Oepon Batoe, het beleg van kotta Ohas had
opgebroken en met het overschot zijner krijgsmacht naar de
Doessonlanden was teruggekeerd. Wel had hij bij zijn vertrek den Dajaks
van Kahajan en van Kapoeas een vreeselijke wraak voor die nederlaag
gezworen; maar.... de bewoners dier streken waren hem nu al vast kwijt.
Keerde hij later terug, dan zou men hem met evenveel moed bekampen, als
dat nu geschied was.