Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de
soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta
Dewa.—Aankomst te kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den
rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen.
In het bivouac hadden de medegebrachte gevangenen veel bekijk. Toch was
onder die natuurmenschen de stemming zeer medelijdendgezind. Men
beklaagde de arme moeder, die zoo in gevangenschap geraakt was, bij de
verdediging van haar kind. Want ontwijfelbaar was het voor een ieder,
dat de aanval op Wienersdorf slechts ten doel had, haar kind te
beschermen, hetwelk uit den boom gevallen was en dat zij bedreigd
achtte.
„Kahio!” had ook Harimaoung Boekit en de andere Dajaks geroepen, toen
zij de dieren zagen. La Cueille sloeg wanhopige blikken om zich heen.
Waren dat dan geen orang oetan’s? Volgens hem was er niets erger dan de
eigenzinnigheid der menschen, als zij zich iets in het hoofd gehaald
hebben. Hij vernam evenwel dat kahio de Dajaksche naam van het dier
was.
„Dus is het toch een orang oetan, niet waar?” hervatte hij met vuur.
„Juist, net zoo goed als een orang oetan een kahio is. Kahio is de naam
van het dier in zijn vaderland. Daar kent niemand dien naam van orang
oetan, die boschmensch beteekent, en door de Europeesche geleerden, in
hun dwaze zucht, om nimmer vrede met de inheemsche benamingen te
hebben, is uitgedacht.”
Den volgenden morgen trachtte Wienersdorf door tusschenkomst van
Hamadoe, een flinken brok arengsuiker machtig te worden. Toen hij dien
had, bracht hij het dier met zijn jong buiten het bivouac, stopte hem
de suiker in de hand en sneed zijn banden door. De kahio, zich vrij
gevoelende, uitte een gegrom van tevredenheid, rekte armen en beenen,
richtte zich overeind, greep toen het jong, dat die teedere moeder aan
haar borst klemde, vloog op een boom toe en had daarvan in een oogwenk
de onderste takken bereikt. Op een dezer gezeten, keek het dankbare
dier den Zwitser nog eens aan, murmelde iets met de lippen, waarbij het
als alle quadrumanen de wenkbrauwen op en neer bewoog en afschuwelijke
gezichten trok, en was weldra in den dichten loofwand verdwenen.
Alle reisgenooten gaven hun bijval te kennen, dat Wienersdorf die
moeder met haar kind in vrijheid had gesteld. Hij moest evenwel
erkennen, dat die moeder hem ter dege afgeranseld had. Alleen bij de
gedachte wreef hij zich nogmaals armen en beenen en bracht hij de hand
aan de keel, alwaar hij die klemschroef nog meende te voelen.
Met het rijzen der zon ving ook weer de inspanningsvolle arbeid aan.
Het kostte nog veel moeite en veel zweet om de rangkans over den
zadelrug, die den Boekit Riwoet met de aangrenzende heuvelreeksen
verbond, te voeren. Toen men ze evenwel daar bovenop had, werd wat
uitgeblazen, waarna de reis weer vol moed hervat werd. Het ging nu veel
gemakkelijker en derhalve ook veel sneller. Eensdeels waren de
hellingen naar het westen minder steil, zelfs zacht te noemen;
anderdeels leverde het terrein, ook door den aard zijner
plantenbekleeding minder bezwaren op. Kort nadat de afdaling begonnen
was, leidde het pad door ijzerhoutbosschen, en leverden die
betrekkelijk zeer weinig beletselen op. De ijzerhoutboom, bij de Dajaks
„tabaliën” genaamd, heeft veel overeenkomst met den djattiboom
(Tectonia grandis). Dezelfde vorm, dezelfde stam, dezelfde spreiding
van takken, nagenoeg hetzelfde ruwe blad; ontwijfelbaar zullen de
geleerden de beide boomen tot dezelfde familie rekenen. Met den
teakboom, heeft ook de tabaliën de geaardheid gemeen, om uitmuntend in
gezelschap van soortgenooten te tieren en daarbij struikgewas, slinger-
en parasietplanten onmeedoogend te verstikken. Hij duldt niets dan een
mager spichtig gras in zijn nabijheid, dat nog veelal in den drogen
tijd in brand geraakt. De bodem rondom is dan ook zoo zuiver, als in
een oorspronkelijk bosch niet te verwachten zoude zijn. Het gevolg van
dien toestand was, dat onze reizigers reeds vroeg in den namiddag aan
de boorden van de soengei Minjangan aankwamen. Het eerste, dat het
reisgezelschap deed, was een verfrisschend bad te nemen in de heldere
wateren van die soengei. Mannen, vrouwen en kinderen dartelden een poos
met wellust, alsof in de wereld niets anders te doen ware. Daarna
gingen de vrouwen lustig aan het koken en met te meer ijver, daar allen
en ook zij honger hadden.
De mannen ontlaadden de rangkans voor zooveel noodig, om ze zonder
bezwaar te water te kunnen brengen. Zij keken daarbij de vaartuigen
goed na, herstelden waar door dat vervoer schade aangebracht was, en
weldra lag de flotille te dobberen en gereed haar lading weer te
ontvangen. De dag was evenwel te ver gevorderd, om nu nog de reis te
kunnen vervolgen. Bij donker weer zouden de gevaren op de
snelstroomende rivier te groot zijn, om die te mogen trotseeren. Van de
weinige uren, die het daglicht nog gunde, gebruik makende, trokken
eenige jagers uit, eensdeels op verkenning der omstreken, ook om te
trachten eenig wild machtig te worden. Zij keerden terug met het
bericht, dat de omtrek behoorlijk veilig was en brachten daarenboven
een prachtig hert mede, dat zij in de nabijheid geschoten hadden. Dat
was inderdaad een belangrijke aanwinst voor de keuken.
Na alles zoo gereed gemaakt en verzorgd te hebben, kon het
reisgezelschap onder de hoede der schildwachten een welverdiende rust
genieten en was den volgenden morgen bij het eerste dagen gereed, om de
reis te vervolgen. Het ging nu stroomaf, en pijlsnel schoten de
rangkans vooruit. Het was alsof tusschen die zes vaartuigen een wedren
gehouden werd, met zoo’n geestdrift werd voortgeroeid. Vooral bij het
afvaren van kihams vlogen de reizigers de oevers met duizelingwekkende
vaart voorbij. Behalve den verbazend snellen stroom, dien de soengei
daar verkreeg, zetten zij, die de stuurpagaai in handen hielden, de
roeiers tot de uiterste krachtsinspanning aan, omdat zij alsdan in die
schuimende en kokende wateren te beter stuur over hun vaartuigen konden
houden. Onder een luid gegil schoot de eene rangkan voor, de andere na
zoo’n waterval af, waarbij de Europeanen zich het hart vasthielden. Het
bewustzijn, dat bij die pijlsnelle vaart de geringste aanraking met de
rotsen, die zich allerwege verhieven en waartusschen het water zich
wrong, de vernieling van het vaartuig en het verongelukken van al de
opvarenden, ten gevolge kon hebben, deed hen ijzen. Maar de
stuurbeseai’s waren in goede handen, de roeiers luisterden stipt naar
de wenken van de stuurlieden, zoodat de vaartuigen dan ook behouden de
Kahajan rivier bereikten.
Het was toen omstreeks middag. Onmiddellijk werd naar het noorden
gewend en stevenden de rangkans dien prachtigen stroom op. Harimaoung
Boekit wees den Europeanen achter hen op een hooge rots, die zich
loodrecht uit het midden van het rivierbed scheen te verheffen. Hij
verhaalde hun, dat daar ter plaatse een gevaarlijke draaikolk bestond,
„Labeho Tampang” genaamd, die tengevolge van een doorbraak gevormd werd
van den Boekit Taroilokong, welke als een reusachtige slagboom de
rivier in de voortijden afsloot. De stroom schoot daar een wijl
tusschen loodrechte rotswanden van leisteen en dioriet voort, terwijl
de verbrijzelde massa der doorbraak in den vorm van klippen en rotsen
het rivierbed tot een der gevaarlijkste passages maakte. De Poenan
verhaalde vervolgens dat eens, lange jaren geleden, de oeverbewoners
van de soengei Lepang, een zijrivier van de soengei Roengan, op haar
beurt een zijrivier van de Kahajan, bij het goudwasschen in de bedding
der soengei groote gedegen stukken van dat edel metaal vonden en
eindelijk op een vervaarlijk groote goudmassa stuitten, die, toen zij
haar van de zandlaag ontbloot hadden, welke haar bedekte, de gedaante
van een groot volwassen hert met breedvertakt gewei vertoonde. De
vinders stortten zich op dien schat, om hem te bemachtigen, maar
alvorens zij het grijpen konden, sprong het vlugge dier overeind en
spoedde het woud in. Terzelfder stond zagen een paar reizigers, die bij
Labeho Tampang de Kahajan afzakten, een gouden hert op de rotskruinen
verschenen en in den kolk springen, om een toevlucht te zoeken in een
grot of uitholling, die onder den waterspiegel in die rots zoude
bestaan. Dat was, vulde Harimaoung Boekit zijn verhaal aan, de „sarok
boelau hai” (de groote ziel van het goud), die haar toevlucht in deze
streken genomen heeft en de oorzaak is, dat van dat oogenblik hier
zooveel en zulk goed goud gevonden wordt.
IJverig werd intusschen voortgeroeid. Het was omstreeks drie uur in den
namiddag, toen de reizigers kotta Dewa bereikten. Hier stapten Amai
Kotong en Harimaoung Boekit aan wal om poolshoogte te nemen. Zij vonden
hier reeds alles in rep en roer, want er waren berichten ontvangen van
den inval van Tomonggong Soerapatti. Het hoofd dier kotta, Amai Raden
genaamd, was afwezig; hij was naar de velden geijld, om zijn
pandelingen te verzamelen en binnen de versterking te brengen. Het
gezag werd intusschen uitgeoefend door zijn echtgenoote Njahi Balau.
Dat was een vrouw van ongeveer veertig jaar oud, krachtig van
lichaamsbouw en met een ware heldenziel bedeeld. Meermalen had zij bij
vijandelijke aanrandingen, de mannen, waaronder ook haar ega, die
vluchten wilden, met den mandauw in de vuist tot staan gebracht en
tegen de vijanden aangevoerd. Onze reizigers vonden haar bezig met de
voorbereidselen tot een krachtige verdediging. Zij had reeds
zendelingen uitgezonden, om de naburige soengeibewoners, die onder
kotta Dewa stonden, tot den strijd op te roepen. Van de Doessonners had
zij in zoover tijdingen, dat zij wist mede te deelen, dat die in
soengei Miri door de bevolking ontdekt en aangetast waren geworden,
waardoor zij in de noodzakelijkheid waren gekomen, om het beleg voor
kotta Ohas te slaan.
Op die tijding was Harimaoung Boekit natuurlijk niet meer te houden.
Hij vloog, na in weinige woorden met Njahi Balau afgesproken te hebben,
dat zij met de meesten harer weerbare mannen volgen zoude, zijn rangkan
in en voort ging het verder de Kahajan op. Het was evenwel een lang
traject, dat onze reizigers nog af te leggen hadden. Zij hadden volop
tijd, om op te merken dat, sedert zij de soengei Minjangan verlaten
hadden, het landschap geheel en al van karakter veranderd was, dat,
waar langs die soengei en ook langs de Kapoeas slechts oorspronkelijk
woud de oevers omzoomde en op een volslagen ontvolking duidde, hier
ontgonnen boschperceelen allerwege het oog boeiden en geheele velden
met rijst, katjang, katella pohon, djagoong enz. beplant, ontwaard
werden. Er werden zelfs geheele uitgestrektheden waargenomen, die
uitsluitend en regelmatig met klapperboomen of met sagopalmen beplant
waren. De grenzen van het maagdelijk bosch waren op sommige punten
zoover het oog reikte teruggedrongen, en stroomde de schoone rivier,
kalm en zacht kabbelend, zich tusschen zacht golvende heuvels
kronkelende, te midden van een schilderachtig landschap, dat allerwege
tooneelen van de zegeningen van den landbouw aanbood. De streek was ook
goed bevolkt, want bijna ontelbaar waren de kotta’s te noemen, die zich
op de beide oevers van den fraaien stroom verhieven. Evenwel die
kotta’s duidden op zich zelven reeds aan, dat de bewoners een stevige
insluiting voor hun veiligheid noodig achtten; de schedels, die ook
hier overal op de palissadepunten prijkten, bewezen nog krachtiger, dat
het bebouwde landschap slechts een schijnbeeld van meerdere beschaving
verleende; want het koppensnellen behoorde ook tot de gewoonten van de
bevolking van Kahajan en deze stond dus even laag op de
maatschappelijke ladder als iedere andere stam in de binnenlanden van
Borneo.
De reis werd onverpoosd voortgezet. De stroom stelde weinig of geen
beletselen in den weg. De helling van dit riviervak was zeer gering en
derhalve de kracht van het afstroomend water zwak. Toen de nacht inviel
drong Harimaoung Boekit er op aan, dat de reis zou worden voortgezet,
waartegen te minder bedenkingen waren in te brengen, dewijl bij het
gevaarlooze van een nachtelijken tocht op den breeden zachtvlietenden
stroom, ook nog de maan in rekening te brengen was, die met haar zacht
licht, den nacht bijna in dag herschiep. Alle reisgenooten juichten dan
ook het voorstel toe, en met onvermoeide kracht kliefden de beseai’s de
wateren.
Bij het doorkomen van het eerste morgenrood ontwaarden de reizigers,
dat het terrein, hetwelk na het ondergaan van de maan, gedurende enkele
uren aan hun waarneming onttrokken was geweest, langzamerhand van
karakter was veranderd. De heuvelen, die zich langs de oevers
verhieven, waren hooger, steiler, woester van vorm geworden. Op sommige
plaatsen naderden zij den stroom zoodanig, dat die niet dan met geweld
zich een doortocht had kunnen banen. Steil omhoogstijgende rotswanden
en afgebrokkelde oevers volgden elkander nu weer op, terwijl ook de
rivieroppervlakte de liefelijke kalmte, die daags te voren onze
reizigers zoo boeide, verloren had. Integendeel, dwarlkolken,
stroomversnellingen, watervallen en schuimende golvingen waren weer aan
de orde en baarden den roeiers veel inspanning.
Het was zoo omstreeks acht uur, toen de reizigers in de verte aan den
linkeroever een kolossale rots met zacht afgeronden top, als loodrecht
uit het bed der rivier zagen verrijzen. Dat was Oepon Batoe [138], het
doel van de reis voor heden, de rots waarop de kotta van Tomonggong
Toendan gelegen was. Met inspanning van alle krachten vorderden de
rangkans slechts langzaam in de witschuimende golven, welke die
loodrechte rotswanden van ongeveer 400 voeten hoog, aan twee zijden,
het zuiden en het westen, omgaven. Toen men eindelijk de westzijde iets
te boven was, scheen de Oepon Batoe eenigszins terug te wijken als om
plaats te maken voor een kleinere rots, die op haar beurt uit den vloed
scheen op te rijzen. Die rots van een driekante gedaante, heette Batoe
Soeli [139]. Harimaoung Boekit verhaalde, dat vroeger die driekante
steen dwars in het rivierbed lag en de gemeenschap geheel en al
verbrak. Toen treurden de visschen en krokodillen en beklaagden zich er
over bij Mahatara dat zij geen verkeer konden hebben met hun vrienden
aan de andere zijde van den slagboom.
Sangiang Sangoeman kreeg bevel het beletsel uit den weg te ruimen,
hetgeen hij volvoerde, door het gevaarte met machtige hand op te tillen
en op den oever overeind te zetten.
In de ruimte, tusschen den Oepon Batoe en den Batoe Soeli, was als een
kom in den oever met een wit zandig strand, waarop een tomoi gebouwd
was en waar de vaartuigen konden aanleggen. Bij het landen ontwaarden
de reizigers drie vrij groote rangkans aan de aanlegplaats vastgemaakt,
waarvan de bewakers bij het zien van de naderende vaartuigen op de
vlucht sloegen.
„Olo Doesson! olo Doesson!” (menschen van Doesson, Doessonners) was de
kreet, die ons reisgezelschap slaakte en niet weinig verwarring vooral
onder de vrouwen en kinderen veroorzaakte. Harimaoung Boekit riep hun
evenwel eenige woorden toe, waarop de rangkans elkander naderden. Uit
twee daarvan stapten de vrouwen en kinderen haastiglijk in de anderen
over en werden door een gelijk aantal mannen vervangen. Daarop schoten
de vier rangkans met de vrouwen, die ook de pagaai konden hanteeren,
naar den rechteroever over en lieten zich verder de rivier tot beneden
Oepon Batoe afzakken. De twee andere vaartuigen met geweerdragenden,
waaronder ook onze Europeanen, bemand, legden bij den tomoi aan. Geen
sterveling was daar echter te ontwaren. Voorzichtig werd het kleine
gebouw doorzocht, maar niets daarin gevonden. Behoedzaam stegen de
vijftig dapperen voorwaarts het pad op, dat steil tegen een hoogen
leemheuvel opslingerde, zich nu eens als hollen weg voordeed, om een
oogenblik later over den nok van een zadelrug te voeren. Eindelijk
kregen zij den kalen wand van de rots in het gezicht, waarop de kotta
lag, en zagen daar, op ongeveer een vijftig pas voor zich, een
zestigtal Doessonners bij elkander gegroepeerd, die de aankomenden
onder het zwaaien hunner mandauws met uitdagende kreten en met
scheldnamen en verwenschingen begroetten. Tegen die rots waren
boomstammen geplaatst of gehangen, van inkervingen voorzien, waarlangs
een twintigtal menschelijke wezens zich naar boven heschen om den
bovenrand van den wand te bereiken. Zoodra Johannes, die het opperbevel
weer aanvaard had, dien troep zag, liet hij halt maken en een
rottenvuur openen, d.w.z., dat, zonder zich om iets te bekreunen, een
ieder op dat menschelijke kluwen mocht schieten, zooals hij goed vond,
hetgeen de beste waarborgen tot goed raken gaf. De twee Zwitsers
volgden hun oude tactiek, zij bespaarden zorgvuldig hun munitie voor
ernstiger oogenblikken. La Cueille en Johannes openden hun vuur op de
klouteraars, waarbij zij bij voorkeur hen tot doelwit kozen, die reeds
het hoogst geklommen waren. De uitwerking daarvan was verrassend. Zij
die vielen, sleepten de achter hen komenden in hun val mede. De
daardoor ontstane verwarring werd nog vergroot, toen die twee schutters
ook nog hun nimmer falende kogels te midden der saamgedrongen
Doessonners begonnen te zenden, waartusschen zij meer effect maakten
dan al het geraasvolle schieten der Dajaks. Al spoedig bedekte een
menigte dooden en gewonden den grond en hun aantal vermeerderde ieder
oogenblik. Toen het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, traden
de koenste der Doessonners vooruit, met het doel zich op hun aanvallers
te werpen, maar het geweervuur, dat hun onafgebroken tegenknetterde,
velde een ieder, die poogde voorwaarts te treden. Nogmaals wierpen zij
zich in hun wanhoop vooruit; zelfs gelukte het eenigen hunner tot tegen
de bajonetten, tot er onder zelfs, door te breken, maar in dezen
hachelijken stond brachten ook nu de Zwitsers met hun repeteergeweren
de beslissing aan. Door hun juiste en spoedig op elkander volgende
schoten scheidden zij die voorvechters van den hoofdtroep af, die,
trots hun heldhaftigheid, onondersteund als zij bleven, ellendig
afgemaakt werden. Nu beving een radelooze angst de overgebleven
Doessonners. Onberaden van ontzetting en als blind stormden zij een pad
af, dat zijwaarts van hun aanvallers door een kloof naar de rivier
scheen te leiden, maar naar den rand eener rots voerde, die als
onderdeel van de hoofdsteenmassa zich boven den stroom verhief. Een
oogenblik kwamen hier de vluchtelingen tot staan, maar toen het
geweervuur met alle woede achter hen andermaal kraakte; toen in hun
doodsangst stortten zij zich hals over kop in de golven en trachtten al
zwemmende de overzijde te bereiken. Velen hunner verdronken; de anderen
werden later opgespoord en als wilde dieren gejaagd.
Na dit drama wilden de Poenans en de Kapoeassers de gevallen
Doessonners, zoo gekwetsten als dooden, onthoofden, toen eensklaps
boven op de rots een vreeselijk geschreeuw en gegil ontstond, dat de
aandacht onmiddellijk afleidde. Hoewel niets te bespeuren was,
verzekerde Harimaoung Boekit, dat het hem nu duidelijk was, wat daar
boven gebeurde. Volgens hem ondernamen op dit oogenblik de Doessonners
met hun geheele macht aan de oostzijde den hoofdaanval; maar hadden, om
den vijand tot versnippering van krachten te noodzaken, een
beklautering van de rots aan de noordzijde beraamd, die slechts door
een betrekkelijk klein aantal stoutmoedigen onbemerkt zoude moeten
volvoerd zijn. Die stoute beklimming zoude voorzeker gelukt zijn,
wanneer het toeval onze avonturiers niet daar ter plaatse gebracht had.
Johannes deelde, zoodra hij die waarschijnlijkheid uit den mond van
Harimaoung Boekit vernomen had, eenige bevelen uit en, zelf het
voorbeeld gevende, wierp hij het geweer bij den riem over den rug en
begon de bestijging langs de ingekerfde boomstammen, die alleen aan
deze zijde toegang tot den bovenrand der rots verleenden. Met een
daverend hoera volgden hem de Kapoeassers en de Poenans en in het
volgende oogenblik hing daar een menschentros hoog boven den afgrond
tusschen hemel en aarde. Na een moeitevolle beklimming van ruim een
half uur, waren de stoutmoedige klauteraars allen boven, behalve
Schlickeisen,—wiens wond zulk een inspanning niet gedoogde en die zijn
Remmingtongeweer met dat van La Cueille geruild had,—en nog een viertal
Dajaks, die in het kortstondig gevecht van man tegen man nog al
belangrijk gewond waren. Deze zochten een toevlucht in de rangkans en
wachtten daar met den vinger aan den trekker, den uitslag der
beklimming af.
Zoodra Johannes boven was, beijverde hij zich, hoe aamechtig ook, zijn
makkers in rij en gelid te scharen en hun vooral bedaardheid in te
spreken. De houten borstwering van de kotta was aan deze zijde, alwaar
een aanval moeielijk kon verwacht worden, niet hoog. Toen hij zijn
troepje wat bekomen en overigens kalm en bedaard genoeg zag, om zijn
bevelen te kunnen opvolgen, klom hij met Harimaoung Boekit de
palissadeering over, om een kijkje in de kotta te nemen en naar
omstandigheden te kunnen handelen. Wat hij daar zag, vereischte al
dadelijk in hooge mate zijn aandacht. Op de oostzijde der versterking
werd verwoed gestreden. Met de vertwijfeling der wanhoop verdedigde
zich de bezetting tegen de overmachtige Doessonners en was het daaraan
alleen te wijten, dat hij met den Poenan onbemerkt had kunnen
binnendringen. Met een oogopslag overzag hij het kritieke van den
toestand. Geen schot werd hier gehoord; alles geschiedde met het blanke
wapen. Op een paar punten hadden de aanvallers de borstwering reeds
beklommen en vasten voet op het banket verkregen. De meest wanhopige
pogingen, om hen van daar te verdrijven, gelukten niet. Met ieder
oogenblik groeide het aantal der binnengedrongenen aan, weldra zouden
zij zich sterk gevoelen om weer aanvallend te werk te gaan en zich in
de binnenruimte der kotta te werpen. Het pleit zou dan bij de groote
overmacht der Doessonners spoedig beslist zijn. IJlings spoedde
Johannes terug, om zijn makkers te wenken, terwijl het Poenanhoofd
voorwaarts drong, om er op in te hakken; maar voornamelijk om de
bezetting toe te roepen, dat hulp nabij was. Plotseling knalde een
schot, en een Doessonner, die juist zijn eene been over de
palissadeering bracht, om naar binnen te springen, stortte gillend en
doodelijk getroffen achterover naar buiten. Een tweede, een derde
ondergingen hetzelfde lot. Als onwrikbare uitvoerders van het noodlot
schoten de Europeanen ieder Doessonner neder, wiens hoofd zich boven de
palissadeering vertoonde. Middelerwijl hadden de overige Kapoeassers de
bezetting gewenkt om ruimte te maken en weldra klonk een onafgebroken
geweervuur het kleine troepje, dat daar nog in verdedigende houding op
den walgang stond, schrikkelijk als de titih, als de doodsklok, in de
ooren. Eenigen dier stoute aanvallers werden getroffen, dat
veroorzaakte verwarring, en daarvan maakten de belegerden meesterlijk
gebruik, om op die indringers te vallen en tot den laatsten man af te
maken. Dat gaf lucht. Onze redders in nood klommen nu ras op het
banket, vuurden zoo vlug zij konden in den dichten drom, die aan den
voet der palissadeering krioelde, vuurden nogmaals en nogmaals, en toen
zich aan dat vuur nog een flankaanval paarde, die de belegerden in dat
oogenblik ondernamen, toen stoven de aanvallers uiteen en vluchtten
Soerapatti’s scharen den heuvel af, om zich aan den voet daarvan weer
te verzamelen.
Voor de belegerden ontstond nu eenige verademing, waarvan de drie
Europeanen gebruik maakten om den toestand te overzien. Kotta Oepon
Batoe kon sterk, tegenover een inlandschen vijand, zeer sterk genoemd
worden. Langs twee zijden was zij bij voldoende waakzaamheid volkomen
onaantastbaar. Daar steeg de rots, zooals wij gezien hebben loodrecht
uit het water omhoog. Een genaakbaar punt bestond alleen daar,
waarlangs onze reizigers binnengedrongen waren, maar waar ook twee
verdedigers, desnoods een, voldoende waren, om een beklimming
onmogelijk te maken. Aan de andere zijden was de heuvel ook wel zeer
steil te noemen maar daar was een bestijging uitvoerbaar. Aan die
kanten vooral was de palissadeering in vrij goeden staat. Het plateau,
waarop de kotta zich verhief, was in zijne natuurlijke gesteldheid door
een soort van aardspleet in twee deelen gescheiden. In die spleet welde
een kristalheldere bron op, die zoo overvloedig water gaf, dat een
beekje ruischend en murmelend langs die soort van hollen weg naar
beneden schuimde. Overigens was het geheele plateau met groote
rotsblokken als bezaaid. Twee daarvan trokken in hooge mate de
opmerkzaamheid van La Cueille tot zich. Het waren twee verbazend groote
tafelsteenen [140] plat maar toch zeer dik, die op een afstand van
slechts weinige ellen van elkander, elk op een veel kleineren maar
bolvormigen steen rustten, evenwel zoodanig in hun zwaartepunt
geschraagd werden, dat een eenigszins krachtige drukking met de hand
voldoende was die kolossale steenmassa’s in een wiegelende beweging te
brengen. Dat vond de Waal aardig, hij drukte, hij drukte nog eens en
nog eens en scheen zich maar geen rekenschap van de beweeglijkheid dier
gevaarten te kunnen geven. Hij bukte en zag dat beide steenen ongeveer
drie voet boven den grond verheven waren; wijders merkte hij op, dat
zij buiten de borstweringenceinte stonden, onmiddellijk aan den rand
van het plateau boven de helling van den bovenbedoelden hollen weg. Hij
boog zich over den rand, maar zag niets dan een dicht begroeide
trechtervormige schacht, op welker bodem het beekje ruischte.
Plotseling kreeg hij een inval; hij riep Johannes tot zich, fluisterde
dien eenige woorden in, waarop beiden aan het werk togen en onder ieder
der twee beweeglijke steenen aan de kotta zijde een grooten steen
wentelden, zoodanig dat die tot steun van de wankelende gevaarten
diende. Daarna holden zij den bodem onder die steenen eenigermate uit,
vulden die ruimten met een hoeveelheid van ongeveer tien K.G. buskruit,
dat zij op voorspraak van Harimaoung Boekit van het kottahoofd
verkregen, en stopten verder de mijnen, na daaraan geleiddraden,
behoorlijk met een buskruitsas bestreken, bevestigd te hebben, met
zware rotsblokken op. Toen dat klaar was, verlengde La Cueille de
geleiddraden en voerde ze tusschen de palissaden door tot binnen de
kotta, waar hij ze onder een paar takkebossen verborg.
Maar nog was men niet met alle voorbereidselen klaar, toen een daverend
gejoel aankondigde, dat de stoutmoedige vijand den aanval ging
hervatten. En werkelijk, in dichte drommen stegen de Doessonners de
hoogte aan den oostkant met de meeste snelheid op. Al dadelijk barstte
het geweervuur los, maar had aanvankelijk weinig of geen uitwerking,
gedekt als de aanvallers op de helling nog waren door den randkam des
heuvels. In een oogwenk waren zij boven op het plateau en met een
weergalooze doodsverachting begonnen zij de bestorming. Een heldentroep
vloog vooruit en beijverde zich met apenvlugheid tegen de
palissadeering op te klouteren. Helaas! al die stoutmoedigheid kon den
weerstand niet breken. Ieder hoofd, dat zich boven de borstwering
vertoonde, diende tot mikpunt, en, ontkwam ook al een enkele aan de
wisse kogels, niet ondersteund als hij was bij zijn binnenspringen,
werd hij op de lansen en mandauws opgevangen en onmeedoogend afgemaakt.
Middelerwijl knetterde het geweervuur onafgebroken door de schietgaten
en berokkende den aanvallers zware verliezen. Toch wisten zij van geen
opgeven; zij hielden met een volharding stand, eene betere zaak
waardig. Elkander aanmoedigende en slechts voor de belegerden een
verachtelijk scheldwoord over hebbende, beklommen zij nogmaals en
andermaal de borstwering, maar steeds met hetzelfde noodlottig gevolg.
Maar, terwijl de geheele bezetting der kotta schier ademloos en
gespannen, het oog op dien aanval gericht hield, had La Cueille, die
zijn eigene inzichten scheen te hebben, ook elders zijn aandacht
gevestigd. Wel zond hij zijn kogel af, wanneer hem het oogenblik
geschikt voorkwam, maar zijn hoofdgedachte was elders. Eindelijk meende
hij eenig gedruisch te vernemen aan den noordkant. Fluks sloop hij naar
buiten, kroop of beter schoof als een slang over het plateau tot aan
den rand en.... werkelijk, hier zag hij een dichten drom, die in alle
stilte door de beekgleuf den heuvel besteeg. Ja, hij had goed geraden,
hier was het gevaar; die aanval ginds was slechts een schijnaanval, een
kloekmoedige opoffering van helden, om hun makkers tijd en gelegenheid
te geven den hoofdaanval te volvoeren. Stil als hij gekomen was, sloop
La Cueille terug, wenkte Johannes en Wienersdorf, vloog toen naar de
keuken om een brandende houtspaan te halen. Daarmede stak hij de
geleiddraden aan; een oogenblik zag ons drietal de vuurvonk langs de
beide gezwinde lonten over den grond voortschrijden, flikkeren en
tusschen de palissadeering door verdwijnen. Die mannen wachtten,
wachtten met ongeduld; zij zagen niets, niets meer. Soms meende een
hunner nog een kronkelend rookwolkje in het gras te ontwaren; maar
daarna niets, niets meer. De eerste vijanden begonnen zich reeds aan
den rand van het plateau te vertoonen. Zij sprongen er op; anderen
volgden hen. Weldra was een honderdtal boven. God! God!! zou de lont
uitgedoofd zijn? dat ware verschrikkelijk. De drie Europeanen openden
hun vuur op de beklimmers; maar in weerwil daarvan werd het aantal
vijanden steeds grooter en begonnen zij zich reeds om het plateau te
verspreiden. De toestand werd netelig. Daar ginds de schijnaanval, die
bijna niet te bedwingen was, en hier aan het zwakste gedeelte een
bende, die met iedere seconde aangroeide. Maar hoort..... daar
weerklonk eensklaps een knal, zoo hevig, zoo schrikwekkend, dat voor
een poos aanvallers en aangevallenen, van schrik als verstijfd,
bewegingloos bleven. Een vreeselijke bliksemstraal schoot uit den grond
te voorschijn, alsof een krater zich opende; een dikke rookwolk voer
pijlsnel ten hemel en toen zag men een der beweegbare rotsmassa’s, als
door een reuzenhand opgetild, zich oprichten, van haar steunpunt
afschieten, kantelen, vooroverbuigen en donderend en krakend langs de
beekgleuf in den afgrond verdwijnen. Voordat de aanvallers zich
rekenschap konden geven van wat er gebeurde, had een tweede uitbarsting
plaats, en stortte ook de andere steenmassa in de diepte. Goed
aangelegd en verzorgd, waren La Cueille’s mijnen uitstekend geslaagd.
De gevaarten, langs de helling afrollende, ploegden ieder een
verschrikkelijke vore in den opstijgenden menschendrom en deed hem als
kaf uiteenstuiven. Zij, die reeds boven waren, sloegen met den schrik
in het hart op de vlucht, terwijl ook de schijnaanval, na die
vreeselijke verijdeling van den hoofdaanval gestaakt moest worden.
Toen de bezetting eenigermate tot bezinning gekomen was en rondkeek,
werd bespeurd, dat ook zij belangrijke verliezen te tellen had.
Veertien lijken der Kahajanners werden tusschen een veel grooter aantal
Doessonners aangetroffen, terwijl bovendien nog wel het dubbele getal
gewond was. Niemand hunner ontveinsde zich, dat, indien onze reizigers
niet van pas aangekomen waren, de uitslag oneindig noodlottiger geweest
zou zijn. Vooral keek de menigte met bewondering tegen La Cueille op,
tegen den man, die over donder en bliksem kon beschikken, die dien
donder en bliksem uit de aarde kon doen te voorschijn komen, om
rotsblokken, die de Sangiangs alleen zouden kunnen bewegen, op hun
vijanden te storten. De Waal, niet ijdel van aard, liet zich die
bewondering met zelfopofferende gelatenheid welgevallen en vond het
baantje van held niet onaangenaam.
Toen onze vrienden kotta Oepon Batoe verder opnamen, vonden zij onder
de hoofdgebouwen veertig karandah’s, in ieder waarvan een menschelijk
wezen opgesloten was. Zij vernamen alsnu, dat Tomonggong Toendan, het
kottahoofd, kortelings overleden was, en dat die ongelukkigen bestemd
waren, om bij zijn lijkfeest geslacht te worden [141]. De gekwetste
Doessonners werden ook bijeengebracht. Die zouden den volgenden morgen
den vreeselijken marteldood ondergaan, om de gesneuvelde helden der
bezetting, die dan verbrand zouden worden, tot escorte in het
zielenland te dienen. Overigens herhaalde zich ook hier de
afschuwelijke schedeloogst van de gesneuvelde vijanden en de walgelijke
tooneelen, die daarmede gepaard gingen.
Met afschuw wendden de Europeanen zich af en informeerden bij
Harimaoung Boekit of er al berichten van de vrouwen waren; vooral
Wienersdorf begon ongeduldig naar zijn Hamadoe uit te zien. Het
Poenanhoofd zond een paar zijner strijders uit, om van den rand der
rots de rangkans op te sporen en te praaien. Middelerwijl klom Johannes
met een paar Dajaks langs de boomen naar beneden, waarlangs zij straks
naar boven gestegen waren, om Schlickeisen en de vier gewonde
Kapoeassers naar boven te halen. Toen hij beneden kwam, bij de
aanlegplaats aan de tomoi, vond hij daar den rangkan, waarmede zij
geland waren, verdwenen. Op den oever, half in het water, lagen de vier
onthoofde lijken van de Kapoeassers, dicht daarbij lag ook het geweer
van Schlickeisen; maar overigens van den Zwitser geen spoor.