Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der
krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche
krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke
macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei
Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s.”—„Ramon petak
kinan.”—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist.
Den volgenden morgen waren alle kottabewoners, ook de Poenans en
Kapoeassers in de weer, om de verdere toebereidselen te treffen en de
gesneuvelde makkers, die niet tot de bezetting van kotta Hamiak
behoorden, te verbranden. Op het binnenplein der versterking werd een
„sanggarang” opgericht, een fraai besneden mast, die zich ongeveer tien
M. boven den grond verhief. Op den top van dien mast was een houten
vogel met uitgespreide vleugels bevestigd, en onmiddellijk daaronder
een aarden pot, waaruit de bodem geslagen was. Onder dien pot was een
dwarslat aangebracht, die aan weerszijden van den sanggarang een paar
d.M. uitstak en waarover heen elf lansen waaiervormig waren
vastgemaakt, even veel als er lijken waren, Amai Mawong en de gevallen
Siratters niet meegerekend, voor wie de lijkplechtigheden later zouden
plaats hebben. De Dajak gelooft dat de zielen van den sanggarang, van
den vogel, den pot en de lansen allen in de lewoe liau (het
zielenverblijf) in een menigte kostbaarheden ten dienste der
overledenen veranderd worden.
Omdat de betreurden door ’s vijands handen gevallen waren, werd naast
den sanggarang een „pantar solangan” opgericht, een driekant bekapte
mast, die vijftien M. boven den grond uitstak, waarop een schedel van
een der gevallen vijanden geplaatst was. Op ieder der drie vlakken van
den mast waren zeven schuinsche inkepingen aangebracht, waarin dunne
dwarsstokjes gebonden waren, die ook een paar d.M. uitstaken en waaraan
bevallig gekrulde bladeren van den palasboom (een palmsoort) als
versierselen waren gehangen.
Vlak voor de masten werd een rij sapoendoe’s geplant, die noodlottige
palen, waaraan de krijgsgevangenen gebonden moesten worden. En voor het
midden dier rij sapoendoe’s werd een aardhoop opgeworpen, die een M.
hoog, twee breed en vier lang was. Toen die goed aangestampt was, werd
daarop de „pamahei” (brandstapel) opgericht, zijnde dit een regelmatige
kubus, die van droog brandhout tot twee M. boven het grondvlak van den
aardhoop opgetrokken werd. Op het grondvlak zelf en ook nog op andere
plaatsen in de zijwanden, werden mandjes, met hars gevuld, tusschen het
hout ingewerkt, om het vuur krachtig te voeden.
Toen men daarmede gereed was, verzamelden zich alle aanwezigen in de
kotta om den brandstapel en nu werden de lijken der gesneuvelden in hun
vollen oorlogstooi daarop gerangschikt. Het hars, in de onderste
houtlagen ingewerkt, werd nu op alle zijden van den pamahei in brand
gestoken en weldra verhieven zich dikke rookwolken, waartusschen vurige
vlammenspitsen lekten. De krijgsgevangenen werden nu uit hun kooien
gehaald en aan de sapoendoe’s gebonden. Die menschen zagen er ellendig
uit, hun haren hingen hun verward langs de schouders, bij de meesten
hing de ewah, het eenige kleedingstuk, dat zij om het lijf hadden, aan
flarden om de lendenen. Overigens was hun voorkomen kalm en rustig.
Niet uitdagend, maar ook volstrekt niet terneergeslagen. Zoodra zij
allen vastgebonden waren, begonnen de Balians hun gezangen en was dat
het teeken, om de afzichtelijke plechtigheid te beginnen.
Eenige mannen schaarden zich om den brandstapel en bliezen vergiftigde
pijltjes in den opdwarrelenden rook, om de booze geesten te verdrijven.
Maar het gros sloeg een grooten kring om de arme slachtoffers. In de
hooge boomen rondom zaten een troep antangs, hongerige gieren, die
wisten wat ging gebeuren.
Daar trad Amai Kotong vooruit; hij hief zijn lans op en bracht den
eersten krijgsgevangene, die gedood zoude worden, een lichte wond in
den schouder toe. Op hem volgde Harimaoung Boekit, daarop de Poenans,
de Kapoeassers en de Siratters door elkander. Ieder bracht op zijn
beurt een steek toe en maakte plaats voor zijn opvolger. Zoodra allen
hun beurt gehad hadden, trad de eerste weer voor. Zoo duurde dat lijden
meer dan een half uur; want slechts lichte verwondingen werden
toegebracht. Het bloed stroomde en vormde op den grond beekjes en
plasjes. Van tijd tot tijd daalde een der gieren van zijn verheven
standpunt naar beneden, greep met bek en klauw een gelei van geronnen
bloed en hernam zijn plaats in den boom, om zich daar naar hartelust te
goed te doen. O! de pijn, het lijden had tot nu toe geen smartkreet aan
den gemartelde kunnen ontlokken, maar op dat gezicht steeg de angst van
den ongelukkige ten top. Zoo voor oogen te hebben, wat het lot van zijn
lijk na den dood zal wezen, was een foltering zoo ontzettend wreed en
onmenschelijk, dat het alleen in een duivelenbrein kon opkomen, een
krijgsgevangene daaraan te onderwerpen. Machteloos daar aan dien paal
gebonden te zijn; niets te kunnen doen, om tegen den onverbiddelijken
dood te kampen; toch nog, niettegenstaande alle ondergane ellende en
beproeving, niettegenstaande de ondervonden marteling, aan het leven
gehecht blijven; maar bij elken lanssteek, bij elken luwen luchtstroom,
door de vlucht der nederstrijkende antangs veroorzaakt, die hij gulzig
zijn bloed ziet verzwelgen, herinnerd te worden aan het
onvermijdelijke, dat was de toestand van den rampzalige, die, hoewel
zijn aangezicht slechts angst en vertwijfeling verkondigde, toch geen
geluid gaf, dat het hart zijner beulen zou hebben kunnen streelen.
Doch, eindelijk was de marteling ten einde; de ongelukkige zakte in
elkander, bezweken aan bloedverlies. De menschelijke aanvallers lieten
nu eerst af en begaven zich naar het volgende slachtoffer, wiens
marteling nu begon. Het nog lauwe lijk hing letterlijk in zijn banden
aan den noodlottigen paal en verstijfde zoo in die houding. Nu streken
de antangs er op neer en begon een maaltijd, die alleen in
afgrijselijkheid op zijde gestreefd wordt, wanneer menschen zich aan
het vleesch hunner natuurgenooten vergasten. Een der oudste gieren, „de
roode ngabi” zooals de Dajaks hem noemden, had van zijn privilege
gebruik gemaakt en de oogen voor zijn buit uitgekozen. Met krachtigen
klauw en scherpgehaakten snavel scheurde hij die uit en vloog daarmede
in een naastbijzijnden boom. In een oogwenk was het lichaam
onherkenbaar, het vertoonde slechts een afzichtelijke bloederige massa,
waarin bek en klauw wroetten, totdat eenige Dajaks toesnelden, de
roofvogels verdreven, het lijk van zijn banden ontdeden, het
onthoofdden en op den brandstapel plaatsten, om het met de lijken
zijner vijanden te verbranden.
Zoo werden dien dag, onder dezelfde martelingen, onder dezelfde
ontzettende omstandigheden nog tien menschelijke wezens ter dood
gebracht.
De vier Europeanen hadden zich aan dat schouwspel, zoo veel hun
mogelijk was, onttrokken. Eerst hadden zij een toevlucht in een hoekje
van het binnenplein gezocht, waar zij voor het vreeselijk gezicht
gedekt zaten, maar waar de wind hun den schrikkelijken rook van den
brandstapel met zijn geuren van gesnerkt vleesch aanbracht. Toen hadden
zij aan de andere zijde van het plein onder een afdakje plaats genomen,
alwaar zij niet geheel en al het afzichtelijk tooneel ontgaan konden,
maar waar zij trachtten zich bezig te houden, met het in orde brengen
niet alleen van hun eigene wapenen, maar ook van de geweren door de
Dajaks gebruikt, die dat wel noodig hadden. Helaas! de wreedaardige
handeling, die plaats had, konden zij niet verhinderen.
Johannes had met veel moeite van de hoofden verkregen, dat een der
gekwetste Doessonners, die daags te voren binnengebracht en in een
karandah opgesloten waren, het leven geschonken en aan hem Johannes als
pandeling afgestaan werd. Het was een jongeling van ten naastebij
twintig jaren, die bij een zachtmoedig uiterlijk er toch ferm en
vastbesloten uitzag. Hij was slechts licht gewond door een houw over
het achterhoofd, die, behalve in de schedelhuid, niet diep ingedrongen
was. De hevige pijn had hem evenwel bewusteloos doen neerstorten en het
was in dien toestand, dat hij krijgsgevangen gemaakt was. Toen hij tot
bewustzijn wederkeerde, was hij in een karandah opgesloten.
Aanvankelijk, nadat hij uit de kooi gehaald was, toonde hij zich schuw
en schichtig, een jonge tijgerkat gelijk. Hij kon niet begrijpen, dat
iemand belang in zijn lot kon stellen, dat iemand alleen uit medeleden
hem het leven wenschte te redden. Maar, toen die vier mannen, die zich
daar zoo afgezonderd hielden, hem vriendelijk toespraken, alles
aanwendden, om hem aan het verstand te brengen, dat hij van hen niets
te vreezen had; toen hij ondervond dat zij liefderijk en zacht zijn
wond betten en verbonden, hun voedsel met hem deelden; toen ontdooide
de ijskorst, die dat jeugdige gemoed omgaf, werd hij spraakzaam, ja
mededeelzaam, en eindigde met de vragen, die Johannes hem deed,
openhartig te beantwoorden.
Voorzeker, om een menschenleven te redden, had deze zich het lot van
dien jongeling aangetrokken; maar vooral ook om bekend te worden met
den aard en de bedoeling van den krijgstocht van Tomonggong Soerapatti.
Na de genegenheid van den gevangene gewonnen te hebben, vernam hij al
ras, dat Soerapatti met ongeveer 1200 man uit soengei Lahej opgerukt
was, met het doel, om in de eerste plaats zich op Amai Mawong te wreken
en vervolgens om de Kapoeas- en Kahajanstreken te vuur en te zwaard af
te loopen. Hij had een macht van ongeveer 200 strijders voor kotta
Hamiak, onder aanvoering van zijn zoon Goesti Kornel achtergelaten, met
opdracht, die sterkte te verwoesten en hem het hoofd zijns vijands te
brengen. Met het andere gedeelte was hij voortgetrokken naar Kahajan en
was kotta Oepon-Batoe het eerste doel van dien tocht. Daar voerde
Tomonggong Toendan bevel en ook deze werd tot de aartsvijanden van het
Doessonsche hoofd gerekend. De gevangene verhaalde, dat bij dien
hoofdtroep verscheidene strijders met geweren gewapend waren, ook dat
die drie of vier kanonstukjes met zich voerden. Die vuurwapenen waren
afkomstig van het „banama apoei hai,” het groote vuurschip, zooals de
Doessonners de veroverde „Onrust” groothartig noemen. Het plan was om,
langs de soengei Sirat voort te stevenen zoover men kon, tot aan
Njakatan [135]. Daar zou de weg landwaarts ingeslagen worden; men zou
de rangkans over de heuvelkling slepen, die de waterscheiding uitmaakt
en slechts weinige honderd passen breed is, en haar in de soengei
Danampat te water laten. Dat riviertje zoude afgevaren worden, om zoo
in de soengei Miri te geraken. Deze laatste rivier zoude men bij nacht
afvaren, om voorloopig met de bevolking daar geen verwikkelingen te
hebben; want Soerapatti haakte er naar, de kotta van Tomonggong Toendan
zoo spoedig mogelijk te bemachtigen.
Dat waren allen belangrijke mededeelingen, die niet verwaarloosd
mochten worden. De betoonde mededoogendheid zoude woekerwinsten
afwerpen. Toen de avond gevallen was en de meeste mannelijke bewoners
der kotta bij elkander gezeten waren, om de koppen der geslachte
krijgsgevangenen van hun vleeschdeelen te ontdoen, gordde Johannes den
geredden Doessonner een mandauw om het middel, gaf hem een mandje op
den rug, waarin voor verscheidene dagen leeftocht geborgen was, bracht
hem buiten de versterking, wees hem naar het oosten, gaf hem een
handdruk en liet hem vrij. Geen tweede maal liet de Doessonner dat
gebaar herhalen; hij greep de hand zijns weldoeners, legde die op zijn
hoofd, terwijl hij een oogenblik den nek boog; en trad toen zonder
aarzelen of omkijken op het sombere woud toe, waarin hij als een
spookgestalte verdween. Een poos tuurde Johannes hem achterna; toen hij
hem evenwel onder de schaduwen van het bosch in veiligheid zag, keerde
hij zich om, trad de versterking weer binnen en riep Amai Kotong,
Harimaoung Boekit en den zoon van Amai Mawong tot zich, om hun het
gehoorde mede te deelen en te beraadslagen wat er te doen stond. Die
berichten vielen lang niet in den smaak; zij baarden zelfs eenige
ontsteltenis. Want de weg, dien de Doessonners genomen hadden, was
juist dezelfde, dien Harimaoung Boekit dacht te volgen. Nu moest het
reisplan gewijzigd worden. De hoofden wenschten in persoon den
Doessonner te ondervragen, wanneer Tomonggong Soerapatti den tocht naar
soengei Miri aanvaard had; maar tot hun groote verontwaardiging was de
vogel gevlogen.
„Djari gila olo tèh!” (dat mensch is dol) mompelde Harimaoung Boekit op
Johannes wijzende.
Maar de bewoners van kotta Hamiak berichtten, dat het gevreesde
Doessonsche opperhoofd eerst daags te voren den tocht naar soengei Miri
ondernomen had.
„Er valt dus niet aan te denken, den weg te nemen, dien wij volgen
wilden,” sprak Harimaoung Boekit. „Het lijdt geen twijfel, òf we zouden
op de hoofdmacht onzer vijanden stuiten òf op een hunner zijtroepen,
die door strooptochten in de levensmiddelen moeten voorzien. En om hen
in het open veld aan te tasten, daartoe zijn we veel te zwak.”
„Hebt ge dan een anderen uitweg?” vroeg Johannes.
„Er blijven ons maar twee middelen over. Of hier te kotta Hamiak
blijven....”
„Loopen we dan geen gevaar ingesloten te worden? Die Doessonners moeten
weer naar hun land terug.”
„Er zijn zooveel verbindingswegen van de Kahajan naar de Kapoeas en
Doesson. In gewone omstandigheden zoude het zelfs niet waarschijnlijk
zijn, dat zij hier langs terugkeerden; maar de nederlaag der afdeeling,
die zij hier achterlieten om kotta Hamiak te belegeren, zal daar wel
wijziging in brengen. De zucht om weerwraak te nemen, zal Soerapatti
herwaarts voeren, wanneer hij te Oepon Batoe geslaagd zal zijn.”
„Welnu, dan zal het geen zaak zijn hier te blijven,” uitte Johannes als
zijn meening. „Er zal nu wel zoo’n groot gevaar niet zijn, dat de kotta
genomen zal worden, daar ben ik niet bang voor, maar met de koppigheid
en vasthoudendheid van Soerapatti zou het toch aanleiding tot een
langdurig beleg geven. Gij zeidet, dat er twee middelen overbleven.
Laat hooren het tweede.”
„Dat tweede middel,” antwoordde Harimaoung Boekit, „is, dat wij de
Doessonners trachten vooruit te komen, niet om dadelijk de soengei
Miri, maar om de Kahajan te bereiken.”
„Is dat mogelijk?”
„Met veel haast en veel inspanning ja. Ziet ge,” ging de Poenan voort,
terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte, „daar ligt soengei
Miri; we moeten evenwel dáár heen gaan,” en te gelijker tijd wees zijn
vinger in zuidwestelijke richting. „We zullen de soengei Sirat volgen
tot waar zij soengei Mantarat opneemt, alsdan deze laatste opstevenen
tot aan de kotta van denzelfden naam. Daar zullen we aan wal stappen,
de rangkans op het droge halen en ze tot aan de soengei Minjangan
sleepen. Wij laten ze daar te water, zakken die soengei af en komen dan
in de Kahajan.”
„Mooi gezegd!” riep Johannes. „Maar eerstens, hoe lang is de afstand
van de soengei Mantarat tot de soengei Minjangan?”
„Wanneer een mensch alleen reist en hij baadt in het eerstgenoemd
riviertje, dan is zijn hoofdhaar nog niet droog, wanneer hij het tweede
bereikt heeft.”
„Jawel, jawel,” lachte Johannes, „die tijdsberekening ken ik. Dat lange
in een wrong opgebonden haar, daarenboven beschut door een hoofddoek,
droogt niet gauw. Wij zullen maar stellen, dat die eenzame reiziger
daartoe vijf of zes uren zal besteden. Hoe is het terrein tusschen de
beide soengeis, dat wij door te trekken hebben?”
„Het gaat vrij steil omhoog, maar is toch niet zeer moeielijk. Ik heb
dien afstand meermalen afgelegd. Eenmaal op den Boekit Riwoet [136]
gekomen, dalen we zachtkens.”
„Toch zullen er wel twee dagen mede gemoeid zijn, niet waar, alvorens
de rangkans de soengei Minjangan zullen bereikt hebben?”
„Ja, dat zeker; zeer waarschijnlijk is het zelfs, dat we twee nachten
in het bosch zullen moeten doorbrengen.”
„Dat is minder. Maar hoe lang zal de reis op de soengei Minjangan
duren?”
„Ongeveer een halven dag; dan zijn we op de Kahajan.”
„Maar dan? Hoe ver zijn we dan nog van Oepon Batoe?”
„Toembang Minjangan ligt op vier „djoeking’s” (hoeken, stroombuigingen)
van kotta Oepon Batoe; ik reken dat we flink zullen moeten roeien, om
dien afstand in één dag af te leggen.”
„Maar zullen we Oepon Batoe voor Tomonggong Soerapatti bereiken?”
„Dat is niet zeker. Als we haast maken, misschien wel.”
„Maar als we die sterkte reeds belegerd vinden?”
„Naughe!” (het kan mij niet schelen) was het luchthartige antwoord van
den Poenan, „dan roep ik de stammen van de boven Kahajan te zamen. En
dan zullen we zien, wie baas zal spelen.”
„Dan mag er geen uur verloren gaan,” was de uitspraak van Johannes.
„Morgen ochtend met het krieken van den dag moeten we op weg zijn.”
De Poenans en de Kapoeassers waren al gewoon geraakt onder den invloed
der Europeanen, om op hun tijd te passen. Toen het dan ook na een
rustig doorgebrachten nacht, in het oosten begon te dagen, was reeds
alles in rep en roer en staken de rangkans een halfuur later van wal.
De bewoners van kotta Hamiak zagen de reizigers, die hun zoo bij tijds
ter hulp waren gesneld, met leede oogen vertrekken.
De reis tot aan de monding der soengei Mantarat, die men tegen 10 uur
des voormiddags bereikte, leverde niets merkwaardigs op. De rangkans
stevenden dat riviertje op, hetwelk door zijne geringe diepte, groot
verval en vele bochten nog al moeielijkheden opleverde, en bereikten
zoo omstreeks 2 uur in den namiddag kotta Mantarat. Daar wist men van
den vijand hoegenaamd niets af; als gewoonlijk was daar niemand
ontwaard, geen reiziger was zelfs voorbijgetrokken, zoodat de
tijdingen, die de reizigers van het beleg van het naburige kotta Hamiak
medebrachten veel verwondering, maar ook veel ontsteltenis baarden. De
bewoners besloten evenwel dadelijk alles tot een krachtige verdediging
klaar te maken. Onwaarschijnlijk was het niet, dat zij een bezoek van
een der stroopende benden zouden krijgen.
Dat het daar aan de soengei Mantarat zoo rustig bevonden werd, was wel
een bewijs, dat de jeugdige Doessonner in zijn erkentelijkheid aan
Johannes de waarheid verklaard had.
Onze reizigers hielden zich nu in de allereerste plaats bezig, om voor
iederen rangkan, die medegenomen zoude worden, een zestal houten rollen
te vervaardigen, met welker behulp het vervoer over de waterscheidende
heuvels tusschen de Kapoeas en Kahajan niet al te bezwaarlijk zoude
gaan. Toen men die rollen bij elkander had, werden de zes stevigste
rangkans uitgezocht, gedeeltelijk ontladen, daarna op den wal getrokken
en ieder op haar rollen geplaatst. Die vaartuigen werden nu weder
geladen en daarin werd ook de inhoud der achterblijvende vaartuigen
voor zooveel noodig geborgen. De reizigers beijverden zich vervolgens
touwen van rottan of andere slingerplanten te vervaardigen, om tot
trekwerktuigen gebezigd te worden. Van de rottankabels en kettings, uit
soengei Basarang en Naning medegebracht, zoude geen gebruik gemaakt
worden; die werden zorgvuldig bewaard, omdat op de Kahajan en ook op de
soengei Miri nog verscheidene kihams te passeeren waren. De avond was
al ver gevorderd, toen men met al die toebereidselen gereed kwam,
zoodat dan ook een ieder vrij vermoeid onder de hoede van de bewakers
der kotta ter ruste ging.
Den volgenden morgen werd met het aanbreken van den dag de moeitevolle
reis hervat. De weerbare mannen bedroegen nog slechts 72, waaronder
Schlickeisen die, hoewel zijn wond zich gunstig het aanzien, evenwel
aan geen inspanning kon deel nemen. Het was al wel, dat hij zijn geweer
droeg en dat hij de verzekering meende te kunnen geven, zijn wapen als
het noodig zoude zijn, te kunnen behandelen. Johannes verdeelde het
troepje nu in dier voege, dat tien mannen met geweren gewapend de
voorhoede uitmaakten, dat daarachter de zes rangkans volgden, ieder
door negen paar armen getrokken of gestuwd, waarachter de vrouwen en
kinderen kwamen, die ten slotte door acht geweerdragenden beschermd
werden.
Aanvankelijk trok de reizende kolonie vrij vlug vooruit. Zoolang het
terrein zacht klimmend was, rolden de rangkans goed voort en was niet
al te veel inspanning noodig, om hen in beweging te houden. Alleen de
plaatsing der rollen onder de vaartuigen vereischte bij het
voorttrekken eenige nauwkeurigheid, om tot geene vertraging aanleiding
te geven. Maar langzamerhand werden de hellingen steiler, meer scherp
en bij gevolg de moeielijkheden grooter. Met de hitte van den dag
schenen ook de bezwaren toe te nemen en kwamen er oogenblikken voor,
dat het geheele gezelschap bekaf naar den adem stond te snakken. Het
pad voerde nu eens over kale heuveltoppen slechts met allang allang
begroeid. Op die weggedeelten veroorzaakte het vervoer der rangkans
niet bijzonder veel moeite; hoewel het toch een zwaar stuk werk moest
heeten, die geladen vaartuigen door dat meterlange gras, waartusschen
het pad nauwelijks zichtbaar was, tegen die heuveltoppen op te werken.
Maar daar ter plaatse was de hitte onverdraaglijk, dáár blootgesteld
aan de volle zonnestralen, was het of men zich tusschen dat groengrijze
gras te midden van een oven bevond en rimpelde de onbeschermde huid in
den hals, op het aangezicht of op de handen in pijnlijke blaren op.
Slingerde het pad door het woud, dan was het daar veel koeler, maar de
bezwaren om de rangkans vooruit te krijgen werden daar ontelbaar,
schier onoverkomelijk. Hier stuitte men op de hooge en breede wortels
van een randoealas, verder zat men verward in de luchtwortels van een
wariengien, die met een aantal slingerplanten, deze laatste ruimschoots
van doornen voorzien, als een net vormden, waardoor heen slechts met
een hakmes in de vuist te breken was. Op andere plaatsen moesten de
vaartuigen over omgevallen boomen heen gewerkt worden, die niet om te
trekken waren. Vaak gebeurde het, dat de rangkans ontladen moesten
worden, om dan met vereende krachten een voor een naar boven of over
het beletsel heen getrokken of gezet te worden, bij welken arbeid de
hulp der vrouwen volstrekt niet versmaad werd. Het ergste van alles,
waren nog de insecten, waarmede men te kampen had. Hier bij het
overheen wringen van een vermolmden boom, waarin handen en voeten als
in een slijmerige brij zakten, werden de reizigers met een ontelbare
massa snuitkevers en torretjes, welke laatsten bij aanraking den
walgelijksten stank verspreidden, zoodanig overdekt en geplaagd, dat
zij geen raad wisten, hoe zich van die lastige gasten, die in al de
plooien des lichaams een toevlucht zochten, te ontdoen. Elders trapten
de zwoegenden in nesten van zwarte mieren, die hen als bij tooverslag
overdekten en zich met hun nijptangvormige kaken gevoelig wreekten; of
viel hun bij het vellen van een boom, die in den weg stond, een regen
van roode mieren in den nek, die hen als met vloeibaar vuur overgoot.
Iedereen was dan ook dood moe, toen zoo omstreeks drie uur in den
namiddag een scherpe hoogte bestegen was, die door haar steilte en
rotsachtigheid buitengewoon veel van de krachten onzer reizigers
vereischt had. Harimaoung Boekit beweerde dat, wanneer gindsche hoogte
bereikt en bestegen was, het zwaarste gedeelte van den weg achter den
rug lag. Niemand was echter te bewegen nog een stap voorwaarts te doen;
allen haakten naar rust. Er werd dan ook besloten in een boschje, dat
de hoogte kroonde, een schuilplaats te zoeken en den nacht daar door te
brengen. Een laatste inspanning werd evenwel nog van de afgetobten
geëischt, alvorens zij zich ter rust konden leggen. Johannes liet de
rangkans in den vorm van een zeshoek rangschikken zoodanig, dat zij een
flinke binnenruimte vormden, waarin het geheele reisgezelschap
bivouakeeren kon. Bovendien liet hij nog ettelijke jonge boomen
omhakken, om langs de facen van die geïmproviseerde borstwering een
verhakking daar te stellen, waardoor niet gemakkelijk heen te dringen
zoude zijn.
De vrouwen beijverden zich het eten klaar te maken en wel met een
spoed, die door de hongerigen nog aangewakkerd werd. Toen zij evenwel
de rijst wilden wasschen en koken, ontbrak daartoe wel het voornaamste,
namelijk: water. Daaraan had niemand gedacht. Van het oogenblik, dat
men de soengei Mantarat verlaten had, was geen beekje, geen spruitje,
noch bron ontwaard geworden. In den regel wordt die landreis in een
zestal uren zonder bijzondere inspanning afgelegd, waarbij de behoefte
aan koken of drinken niet, of niet in die mate gevoeld wordt, om tot
medevoering van water te noodzaken. Nu zat men erg in het nauw. Wel
stoven ettelijke Dajaks en Poenans de wildernis in en afgaande op hun
instinct, vonden zij weldra eenige kelken van den „ngagas”, die het
helderste water bevatten, en brachten die te huis.
De ngagas is een slingerplant, die tot het geslacht der „nepenthes”
behoort en bij een vrij bladerloozen stam een menigte ranken vertoont,
waaraan de sierlijkste kelkvormige bekers wiegelen, die gewoonlijk ten
halve met water, door de plant zelve afgescheiden, [137] gevuld zijn.
Die vondst werd met gejuich ontvangen; want iedereen had dorst en
wenschte zich met een koelen dronk te verkwikken; maar om rijst te
koken, daartoe was de aangebrachte hoeveelheid veel te min. Men
betreurde nu, dat men geen water in bamboegeledingen medegenomen had,
ook dat men verzuimd had, de rijst te kotta Mantarat te koken. Maar,
wie der reizigers, die dag in dag uit op het water gezwalkt hadden, had
kunnen vermoeden, dat men aan water gebrek kon krijgen? Het geval was
er nu eenmaal; men zou wat kalampies, of wat gedroogde visch eten en
overigens de buikgordels wat aanhalen, om de reclames van de maag het
zwijgen op te leggen. Vergenoegde gezichten werden toen weinig
ontwaard. Er is niets, dat meer ontstemt, dan een teleurgestelde
eetlust. Vooral de kinderen lieten luidkeels hun aanspraken gelden,
zich er niet aan storende, dat die niet bevredigd konden worden.
Dalim, die vroeger mijnwerker te Pengaron en te Kalangan geweest was,
en daar nog al ondervinding opgedaan had, nam zijn mandauw en sloop het
naastbijzijnde bosch in, een rotsachtigen heuvel tegemoet, die zich in
de nabuurschap verhief. Wat zijn doel was, wist hij zich zelven niet te
verklaren; het was meer het instinct van het dier, dat hem naar buiten
dreef, dan wel het uitzicht om iets bepaalds buit te maken. Na verloop
van ruim een uur keerde hij terug en bracht een in bladeren gewikkeld
pak mede. Nauwelijks binnengekomen, hurkte hij op den grond, spreidde
eenige bladeren uit, opende het medebrachte pak, waaruit een
grauwzwarte massa te voorschijn kwam, die veel had van pijpaarde.
Zoodra Harimaoung Boekit die in het oog kreeg, riep hij zegevierende
uit:
„Ramon petak kinan!” (eetbare aarde), en hurkte naast Dalim neer, wiens
maal hij begon te deelen. Beiden, onder toevoeging van hun ration visch
met wat sahang roebit, die in de wildernis overal groeit, lieten het
zich goed smaken. Zij riepen vervolgens de kinderen tot zich, sneden
met hun mes voor ieder een flinke schijf af, en stilden zoo den honger
en het geschreeuw der lieve kleinen. Zoodra de Poenans hun hoofd zich
zoo zagen te goed doen, wisselden zij eenige woorden met Dalim, die hun
den heuvel aanwees, waarheen hij getogen was, en stoven derwaarts om
weldra terug te keeren en het geheele reisgezelschap van die lekkernij
te voorzien.
Niet zonder wantrouwen hadden de twee Zwitsers en de Waal dat kostje
aangekeken, maar toen zij ook Johannes zagen toetasten en den noodigen
ballast innemen; toen zij vernamen, dat het een soort van aarde was,
die gegeten kon worden, en zij door hun magen lastig gevallen werden,
begonnen ook zij te proeven. Bepaald lekker was het niet te noemen,
maar terugstootend of walglijk ook niet; het was eer smakeloos of
zonder bepaalden smaak. Een paar korrels zout en wat spaansche peper
hielpen de deglutitie. Veel kon er evenwel niet van gebruikt worden,
want het goed lag zwaar in de maag en kon bepaald voor
conscientiestopper dienst doen. Na afgeloopen maaltijd zaten de
Europeanen bij elkander en praatten over het wonderland, waar zelfs
klei tot voedingsmiddel kan dienen. De geleerde Wienersdorf zat nog met
een brok in de hand en pedant, alsof hij bezig aan ’t doceeren was,
sprak hij:
„Ramon petak kinan is een amorfe fijnkorrelige massa, die tamelijk
broos en gemakkelijk tot poeder te wrijven is. Ziet, met het mes is de
massa snijdbaar en zichtbaar is op de snede, dat de structuur
schieferachtig is, terwijl de snijvlakken een glanzende bruinzwarte
kleur vertoonen. Die massa is zonder veel moeite splijtbaar; en ziet,
de splijtvlakken zijn mat en grauwzwart van kleur, met hier en daar
glanzende punten. De breuk is fijn splinterig. De reuk is zwak
bitumineus en het aanvoelen eenigszins vettig. Niet te droge lippen
blijven er aan kleven, doordat de stof sterk vocht opzuigt. De
smaak....”
„Die hebben wij geproefd, daar is niet veel aan,” viel La Cueille den
Zwitser in de rede. „Schei voor den duivel uit met dat geratel, het is
om zeeziek te worden. Nom d’une pipe! wat zijn die geleerde lui toch
vervelend. Vertel ons liever, of wij dat goedje nog lang zullen moeten
eten.”
„Neen, mijn waardste Waal,” lachte Johannes over dien uitval, „je zult
er morgen ochtend nog je ontbijt mee moeten doen. Bevalt je dien kost,
dan kun je er een voorraad van meenemen; maar ik hoop, dat we morgen om
dezen tijd bij de soengei Minjangan gekampeerd zullen wezen en dat de
vrouwtjes dan vlijtig aan het rijstkoken zullen zijn.”
„Goddank!” pruttelde La Cueille, „verbeeldt je dat we dat kostje nog
verscheidene dagen zouden moeten verorberen.”
„Je zoudt er niets magerder van worden, dat verzeker ik je. Integendeel
zou je er een mooie glanzende huid van krijgen. Men mengt daarom die
aarde wel eens in het voedsel der honden, of der paarden. Het heeft
evenwel een inconvenient.”
„En dat is?” vroeg Wienersdorf.
„Toch niet dat je een potten- en pannenfabriek in je buik krijgt?” was
de vraag van La Cueille.
„Niet geheel en al,” lachte Johannes, „maar toch, om bij eenigszins
langdurig gebruik tot het slikken van Zwitsersche pillen te noodzaken.”
„Dus aanmoediging van de industrie onzer nationale apothekers,” lachten
de Zwitsers.
Intusschen spoedde de dag ten einde. De zon begon reeds in het westen
den boschrand, die niet ver verwijderd lag, aan te raken, toen Hamadoe
Wienersdorf tot zich wenkte. Hij ijlde tot haar in de zoete hoop eenige
uren in haar bijzijn te kunnen slijten. Maar daarin had hij zich toch
verrekend. Integendeel hem wachtte een corvée, die niet zoo aangenaam
dan wel een herdersuurtje zoude zijn en daarenboven ietwat gevoelig in
haar gevolgen voor den verliefde zoude worden. De lieftallige maagd
leed namelijk erg aan dorst en verzocht haar aanbidder toch te
trachten, wat water machtig te worden. Zij had al beproefd, eenige
harer landslieden over te halen, ettelijke ngagaskelken te gaan halen;
maar vermoeid en afgemat als zij zich voelden, waren zij niet te
bewegen zich ook maar uit hun liggende houding op te richten.
Wienersdorf praaide La Cueille, die toch ook wel wat voor zijn schoone
mocht doen, en beiden haalden ook nog Dalim over, om hen te
vergezellen. Het drietal drong de wildernis in, in de richting hun door
de Poenans gewezen, om de bevallige kelken, met hun, in deze
omstandigheden zoo onschatbaren inhoud machtig te worden. Ten einde den
kring hunner doorzoekingen zoo ruim mogelijk op te vatten, spraken zij
af, dat zij niet bij elkander, maar afzonderlijk zouden zoeken, dat zij
zich evenwel niet buiten het bereik van elkanders stem zouden begeven
en dat om dat doel te bereiken, zij den kreet van den takakak nabootsen
en beantwoorden zouden.
Hun edelmoedige pogingen om de dorstigen te laven, werden met goed
gevolg bekroond. Zij hadden geen half uur in het woud gezocht en reeds
had ieder hunner een tiental ngagaskelken gevonden. De waternood was
evenwel zoo groot in het bivouac, dat zij begrepen, hun vondst niet
alleen zeer welkom zoude zijn, maar dat, wanneer de voorraad, dien zij
aanbrachten, niet groot was, zij zedelijk geprest zouden worden, om
andermaal het bosch in te dringen, ten einde het ontbrekende aan te
vullen. Daarom bleven zij nog vergaren en, daar de nepenthesbekers op
de plek, die zij bereikt hadden, toevallig overvloedig voorkwamen,
waren zij weldra als overladen. Wienersdorf had reeds zijn signaal
„taaaak kekākākak” gegeven, waarop door zijn metgezellen geantwoord
was; juist wilde hij hun toeroepen, dat het tijd was, om terug te
keeren, toen eensklaps iets zwaars, naar den bons te oordeelen, uit den
boom, aan wiens voet hij stond, voor hem neerviel. Hij bukte zich, om
te zien, wat dat was, en niet zonder verbazing ontwaarde hij daar iets
in het hooge gras liggen, dat, ware het niet rood behaard, veel had van
een leelijk menschenkind met dikken buik. Het individu, dat daar lag,
scheen door den val bedwelmd, althans het bewoog zich niet, was als een
bal ineengerold en hield het achterhoofd met beide handen vast, de
achterpooten opgetrokken, zóó dat het gezicht tusschen de beide
ellebogen en de buik tusschen de knieën uitstaken en goed zichtbaar
waren. Er was voor den Zwitser geen twijfel aan, of hetgeen hij daar
aan zijn voeten zag, was een aap. Maar van welke soort?
„Het is een groote species,” mompelde hij bij zich zelven.
En meteen schoof hij zijn vracht ngagaskelken bij haar ranken op een
schouder bij elkander, bukte zich en greep het dier in den nek, om het
van nabij te zien en des noods mede te nemen, toen hij plotseling iets
op zijn rug voelde vallen, ongetwijfeld een dier of een mensch, die hem
met krachtige vuist bij den strot greep en hem te gelijker tijd een
dracht stokslagen toediende, die een meesterhand kenmerkten.
„Himmels kreuz donnerwetter! Schockschwerenoth!” schreeuwde de Zwitser
ontsteld, „das ist ja ein Italiener, der so drauf losschlagt.”
Hij trachtte zich op te richten, maar dat was zoo gemakkelijk niet. De
vracht, die hem op den rug zat, was lang niet licht. Daarbij knelde de
hand, die hem bij de keel gegrepen had, als een schroef. Hij weerde
zich en poogde ook zijn aanvaller ergens te omvatten, maar dat gelukte
niet. Greep hij ook al een arm of poot, dan was hij door de spierkracht
van het dier verplicht het los te laten. Inmiddels regende het nog
steeds stokslagen en wist de arme Zwitser zich niet te bergen.
Eindelijk ademloos en het stikken nabij, begaven hem zijn krachten; hij
kon zich niet meer op de been houden, en nog een laatsten kreet
uitende:
„Helpt! om Godswil helpt!” gilde hij en stortte ter aarde, terwijl hem
het bewustzijn begaf.
Toen hij weer bijkwam, ontwaarde zijn oog het eerst het zorgvolle
gelaat van La Cueille, die over hem gebogen, hem het voorhoofd, de
slapen en de polsen met den koelen inhoud der ngagas waschte en daarbij
angstvallig zijn bewegingen gadesloeg. Zoodra de Waal zijn makker de
oogen zag opendoen, slaakte hij een kreet van vreugde:
„Cré nom de noms! tu peux te vanter, de m’avoir fait une jolie peur!”
was zijn eerste uitroep. „Mais quelle raclée mon cher! quelle raclée tu
as subi!”
Wienersdorf stak hem een hand toe; de Waal greep haar en trok hem
overeind. Toen betastte zich de Zwitser zorgvuldig het geheele lichaam,
maar dat onderzoek viel nog al gunstig uit. Wel voelde hij veel pijn,
maar de ledematen waren heel. Op een afstand lag een gedaante op den
grond, die Dalim bezig was te knevelen en daartoe de ineengestrengelde
ranken van de geplukte ngagas gebruikte.
Op het hulpgeschreeuw van Wienersdorf waren de Dajak en de Waal haastig
toegesneld. Zoodra zij de twee strijdenden in het oog kregen, riep
Dalim met een soort van angst dat enkele woord:
„Kahio!”
Daarop sneed hij in allerijl een stevigen tak af, vervaardigde zich
daarvan een knuppel en beduidde La Cueille spoedig ook zoo te doen.
Daarop naderde hij snel de vechtenden en begon den tegenstander van
Wienersdorf op zijn beurt geducht af te ranselen. Deze, die tot nu toe
door de hitte des gevechts de naderenden niet bemerkt had, liet, zoo
onzacht daartoe aangespoord, den Zwitser los en sprong zijn nieuwen
vijand met den stok in de vuist te gemoet. Lang duurde het gevecht
niet, maar toch lang genoeg, om te doen zien dat, met het meest
oorspronkelijke wapen in de hand, de mensch niet opgewassen was tegen
het dier, dat als een behendig batonnist rondom zijn tegenstander
voltigeerde, diens slagen meesterlijk pareerde en daarbij niet naliet
die tegenpartij op een roffel te onthalen, die haar hooren en zien deed
vergaan. De kansen begonnen voor Dalim zeer hachelijk te staan.
Eindelijk gelukte het den Dajak den knuppel zijns tegenstanders te
grijpen en stevig vast te houden. Van dat oogenblik maakte La Cueille,
die zich tot nu toe niet in het gevecht had kunnen mengen, omdat de
bewegingen der strijdenden met zooveel snelheid geschiedden, dat er
evenveel kans bestond om den vriend als den vijand te raken, gebruik,
om zijn knuppel met alle kracht fluitende op den schedel van den
schermbaas te doen nederkomen. De slag was zoo flink aangebracht, dat
het dier met een rauwen kreet in elkander zonk en bewusteloos daar neer
lag.
„Kahio!” riep Dalim andermaal, terwijl hij zich de pijnlijk getroffen
plekken met de eene hand wreef, en met de andere naar het dier wees.
„Orang oetan!” zeide La Cueille.
„Kahio,” was het wederwoord van den Dajak.
„Orang oetan.”
„Dia (neen) kahio.”
„Dia orang oetan.”
Die woordentwist had nog lang kunnen duren; maar daar bewoog
Wienersdorf zich lichtelijk kreunende. Ook het dier maakte een beweging
en trachtte overeind te krabbelen. Nu wierp zich Dalim op het laatste,
deelde het nog een dracht slagen toe, waarna hij het aan armen en
voeten bond. Middelerwijl was Wienersdorf onder La Cueille’s goede
zorgen weldra op de been. Van de door hen gevonden ngagasbekers waren
velen te loor gegaan, platgetrapt of leeg geloopen. Alles bij elkander
gerekend, waren evenwel nog een twintigtal ongeschonden en met haar
kostelijk vocht gevuld. Men zou nu den terugtocht aannemen, maar toen
men het nog steeds bewustelooze dier wilde opnemen, om het naar het
bivouac te dragen, bespeurde men dat het een wijfjesaap was, terwijl
het bleek, dat het diertje, dat voor den strijd aan de voeten des
Zwitsers gevallen was, haar jong was. Toen dat bij zijn moeder gebracht
was, trachtte het dadelijk te zuigen.