XXVII.

Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De

ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de

Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk

gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor

den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der

Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.

„Sedert geruimen tijd liep het gerucht dat Soerapatti

krijgstoerustingen op groote schaal maakte, ten einde de Kapoeas- en

Kahajanstreken af te loopen. Dat wil zeggen: Oude vrouwen, grijsaards

en zeer jonge kinderen zouden eenvoudig om hals gebracht worden. De

vrouwen, die op schoonheid konden bogen, zouden de bijzitten der

overwinnaars worden, de andere vrouwen en de mannen, die in staat waren

te werken, zouden zich het gruwzaamste slavenjuk moeten getroosten.

Vreeselijk waren de verhalen van de Maleische handelaren, die van de

boven-Doesson teruggekeerd waren. Het krijgsplan was: van uit het

landschap Siang en Moeroeng op te breken naar de boven-Kahajan, dien

stroom al moordende en roovende af te zakken; de soengei Troessan door

te trekken, de beneden-Kapoeas uit te moorden en langs de kleine

Dajakrivier terug te keeren. Moest men de berichten gelooven, dan

zouden meer dan 10,000 strijders aan den tocht deelnemen; latere

tijdingen brachten dat getal op 4000 terug. Het gemeenschappelijk

gevaar vereenigde al de bewoners der bedreigde streken en deed alle

veeten, die hen onderling verdeelden, vergeten. Alle twisten werden

bijgelegd; de huisgezinnen verlieten de oevers der genoemde rivieren en

trokken zich diep in de wildernissen terug. Toen het gevaar nader kwam,

togen de gezamenlijke strijders dier streken uit ten getale van ± 6000,

om bij de monding der soengei Troessan, op weinige uren afstands van de

uitwatering der kleine Dajakrivier in de Javazee, den

gemeenschappelijken vijand slag te leveren en, zoo het kon, te

vernietigen. De krijgsmacht van Soerapatti was uiterst verwonderd

geweest, de negorijën langs de Kahajan leeg te vinden. Het was hun

slechts gelukt, hier en daar een armen pandeling te overvallen, die

achtergelaten was om have en goed te bewaken. En dat was nog maar

schaars gebeurd, daar de meesten dier bewakers den tijd hadden gehad

bij de nadering der vijandelijke vaartuigen de bosschen in te vluchten.

Zij, die overvallen waren, hadden een rampzaligen martelvollen dood

gevonden en hun grijnzende schedels prijkten aan den voorsteven van

eenige der vijandelijke vaartuigen. De kotta’s en woningen werden

verwoest en tot den grond afgebrand. Zoo kwamen de Doessonners in de

beneden-Kahajan aan, waar zij ook de kampongs verlaten vonden. Zij

raasden en scholden de bewoners voor oude wijven; evenwel de echo

beantwoordde alleen hun uittartingen. Maar zoodra hun rangkans uit de

Troessan deboucheerden, schoten de verbondenen met hun vaartuigen toe

en thans begrepen de Doessonners, waarom zij de negorijën verlaten

gevonden hadden. Nu begon een gevecht, dat drie dagen duurde en met de

ontbinding van Soerapatti’s legermacht eindigde. Dit opperhoofd mocht

zich gelukkig achten, bij die neerlaag niet tegenwoordig te zijn

geweest; ook hij zou het waarschijnlijk met den dood bekocht hebben.

Een randjoe-wond, in de boven-Kahajan bekomen, had hem genoodzaakt het

opperbevel aan zijn broeder Toengah over te geven, terwijl hij met

weinige volgelingen naar de boven-Doesson teruggekeerd was. Niet dan na

een hardnekkigen strijd, behaalden de verbondenen eenige voordeelen,

door verwarring in de gelederen der vloot bij hun tegenstanders te

berokkenen. Deze, eindelijk door een panischen schrik bevangen, wierpen

zich in de maagdelijke bosschen, die de kleine Dajakrivier en de

soengei Troessan omzoomen; doch hier vreemd, en weg noch steg wetende,

werden zij door de bondgenooten als wild opgejaagd en als dolle honden

doodgeslagen. Van Soerapatti’s heirmacht zijn geen 200 man in hun

negorij teruggekeerd; de overigen vielen door het zwaard of kwamen van

ellende om. Dat het leger der Doessonners zoo totaal vernietigd werd,

was voornamelijk daaraan te wijten, dat het op een hoogst ongunstige

plaats op de vlucht sloeg. Vooreerst waren er in den omtrek op

verscheiden marschdagen afstands geen kampongs of bebouwde velden, waar

de vluchtelingen hopen konden eenig voedsel te vinden. Daarbij waren na

hun vlucht al hun vaartuigen vernield of door hun vijanden genomen, en

zaten zij in een zeer moerassig land tusschen twee hoofdrivieren

ingesloten; terwijl eindelijk de bewoners dier streek hun doodsvijanden

waren. Vertoonde zich een enkele dier ongelukkigen, door den bittersten

nood gedrongen, in de nabijheid van een kampong, dan werd hij als een

verscheurend dier afgemaakt. Maanden na den slag werden nog bij het

ontdekken van sporen in het woud groote drijfjachten gehouden, waarbij

mededoogen onbekend was. Zoo werden nog een dertigtal, die na de

grootste ontberingen, na een ongeloofelijken marsch van vele maanden

door een woest en vijandig land, zich overdag schuil houdende en ’s

nachts behoedzaam noordwaarts trekkende, eindelijk het hoogland hier in

de boven-Kapoeas bereikt hadden en zich reeds behouden wanende, den

stroom op een klein vlot wilden oversteken, daarbij ontdekt, gevangen

genomen en later op de wreedste wijze omgebracht. Onder deze was ook

Soerapatti’s broeder.”

Gedurende dat verhaal had de tijd niet stil gestaan. Het was evenwel

ongeveer vier uur in den namiddag geworden, toen de flotille, waarbij

de Samoehingers zich gevoegd hadden, de monding der soengei Sirat

bereikte. Nog steeds was niets verdachts ontwaard. Toen evenwel eenige

der Poenans aan wal gestapt waren, om den omtrek te verkennen, dewijl

men daar den nacht wilde doorbrengen, kwamen die al zeer spoedig terug

met het bericht, dat op den noordelijken oever van de soengei, ongeveer

200 passen van den waterkant, een duidelijk spoor in het lange gras te

ontwaren was, van een groote menigte menschen, die daar langs getrokken

waren. Teneinde dat spoor nauwkeurig waar te nemen, gingen Harimaoung

Boekit en Dalim als echte woudverspieders derwaarts. Tot dekking

vergezelden hen Johannes, Schlickeisen en een tiental Dajaks, waarvan

de helft met geweren gewapend was.

De verkenners waren spoedig terug; zij waren tot de overtuiging

geraakt, dat het spoor zeer versch en door een vrij talrijke bende

veroorzaakt was, dat die bende van het westen naar het oosten getrokken

was, te oordeelen naar de afdrukken van de voetstappen, die men op

minder dichtbegroeide plekken had kunnen waarnemen. Zeer waarschijnlijk

was het een bende stroopers, die den omtrek afliepen om te fourageeren.

Men had het spoor gevolgd over een lengte van eenige duizenden meters,

alwaar het aan de Kapoeas uitkwam en zich noordwaarts omboog. Vooral

aan de boorden der Kapoeas bleek het, dat het gevolgde spoor zeer

versch was; de indrukken op den zandigen oever waren zoo scherp

begrensd en nog zoo vochtig van het water, door den voet te

zamengeperst, dat het voor deze natuurkinderen geen twijfel overliet,

of er bevond zich op korten afstand voor hen uit een vrij aanzienlijke

bende volks. Harimaoung Boekit meende zelfs een oogenblik

menschenstemmen in die richting gehoord te hebben. Wat er ook van aan

was, het was zaak zeer op zijn hoede te zijn. Er werd dan ook besloten,

de rangkans onder den zuidelijken oever achter een vrij scherpe bocht

te bergen, zoodat zij voor afkomende vaartuigen niet eerder zichtbaar

werden, dan wanneer die den hoek geheel gerond hadden. Op den hoek

zelven werden een viertal Dajaks, met geweren gewapend, in boomkruinen

op schildwacht geplaatst, om de soengei stroomopwaarts te bewaken. Zij

zouden door schieten alarm maken, wanneer onraad bespeurd werd. In de

rangkans zoude de helft der weerbare manschap waakzaam en met de wapens

in de hand blijven, om bij ieder voorval gereed te zijn, krachtdadig te

kunnen optreden. Aan den wal werden, ter plaatse waar de rangkans

lagen, eenige zware boomen geveld, die met het omringende struikgewas,

dat ook omgekapt werd, een verhakking vormde, waardoor heen zich geen

weg te banen was, zonder de opmerkzaamheid gaande te maken. Dat al die

voorzorgen niet overbodig waren, zouden de reizigers al heel spoedig

ondervinden.

Het kon omstreeks middernacht zijn, toen een der schildwachten, die op

den hoek in de boomen zaten, een voorwerp aan zijn voeten in de soengei

zag drijven, dat veel van een boomstam had. Het kon ook wel een kaaiman

wezen. Daarom floot hij zachtkens, om de wachthebbenden in de

vaartuigen op hun hoede te doen zijn; want het zoude niet onmogelijk

zijn, dat zoo’n ondier, van de nachtelijke stilte gebruik makende, zijn

prooi onverwachts uit een vaartuig greep en daarmede in de diepte

verdween, vóór dat de opvarenden eigenlijk begrepen, wat er gaande was.

Op dat gefluit evenwel zag de schildwacht dien boomstam of kaaiman zich

bewegen en naar den wal zwemmen, in welke beweging hij gevolgd werd

door een vijftal dergelijke gedaanten. Dat zwemmen was niet het

geruischloos voortschieten van een dier van het krokodillengeslacht;

ook dat er zoo veel anderen in de nabijheid waren, die zich richtten

waarheen de eerste zwom, was in strijd met de geaardheid dier dieren.

Hier was dus wat anders gaande. De schildwacht loste zijn schot; ook

zijn makkers, opmerkzaam gemaakt, openden hun vuur. Nauwelijks evenwel

hadden die schoten in de nachtelijke stilte weerklonken, of een

kannibalisch gebrul verhief zich achter de verhakking; verscheidene

gedaanten poogden daardoor heen te breken, dat aan enkelen hunner

gelukte. De nacht was gelukkig niet donker, de lucht was zuiver en de

sterren fonkelden vriendelijk, terwijl juist dien nacht het zodiakaal

licht schemerde, waardoor het aardrijk slechts in een halfduister

gehuld was. Van wat er achter de verhakking geschiedde, was evenwel

niets te ontwaren; maar wie zich door dat beletsel heenwrong, verscheen

als een donkere gestalte op een flauw verlichten grond en stond aan de

zeker treffende kogels van de vier Europeanen bloot. De Dajaks, wien

geweren in handen gegeven waren, hadden met al de opgewondenheid hun

landaard eigen, een oorverdoovend vuur op de verhakking geopend. De

Europeanen meer bedaard, gaven hun schot slechts af, wanneer zij zulk

een donkere gedaante op den oever zagen toeijlen en misten hun doel dan

nooit. Zelfs de twee Zwitsers onthielden zich stipt, aan het

vuurgevecht deel te nemen en bewaarden zorgvuldig den inhoud hunner

repeteergeweren voor oogenblikken van onmiddellijk groot gevaar. En wel

bekwam hun dat gedrag; want op eens drong een aantal aanranders door

een opening, die zij in de verhakking hadden weten te maken en stormden

onstuimig op den oever toe, om zich met den mandauw in de vuist op de

rangkans te werpen. In den grootsten doodsangst gilden de vrouwen en

waren radeloos van ontsteltenis; maar daar mengden de beide Zwitsers

zich in den strijd, gaven kalm en bedaard vuur, nog eens vuur en nog

eens. De aanvallers vielen op die schoten paarsgewijze. Met kreten van

woede zetten zij den aanval door. De schoten der Zwitsers klonken

regelmatig en velden een ieder, die den oever nabij kwam. Toch drongen

een paar Doessonners, als onder dat vuur doorduikende, door, wierpen

zich te water en klemden zich aan de rangkans vast, wanhopige pogingen

aanwendende, om de vaartuigen, die zij gegrepen hadden, te doen

omkantelen. Nu was het de beurt van de Dajaks om toe te slaan; eenige

mandauwhouwen kloofden een paar schedels en deden een paar afgekapte

vingeren tot in den schoot van de nedergehurkte vrouwen springen. Een

paar gillen, een paar kreten, wat doodsgerochel en het pleit was

beslist; de aanvallers plompten in het water en werden dood of zwaar

gewond, den krokodillen ten prooi, door den stroomdraad medegevoerd.

Alles was nu stil aan den oever, zoo stil zelfs, dat men bijna niet

gelooven kon, dat daar zoo even nog een kamp op leven en dood gevoerd

werd. De Zwitsers haastten zich de kolven hunner Remmingtongeweren van

munitie te voorzien en een ieder hield zich gereed voor hetgeen nog

komen kon.

Daar weerklonken eensklaps opvolgend, vier geweerschoten, door angst-

en hulpgeschrei gevolgd. Het waren de vier schildwachten, in de boomen

gezeten, die nu aangetast werden. Duidelijk zag men eenige gedaanten

zich langs de boomstammen naar boven werken. De schildwachten waren dus

in groot gevaar en het waren hun koppen, waarop de aanvallers het nu

gemunt hadden. Op dat gezicht begaf Harimaoung Boekit zich met zijn

Poenans in alle stilte te water en toen zij den oever bereikt hadden,

gaven de Europeanen nogmaals vuur, waardoor de vijanden, die het hoogst

geklommen waren, doodelijk getroffen, naar beneden tuimelden en de

achter hen volgenden in hun val medesleepten. Van de daardoor ontstane

verwarring, maakten de Poenans meesterlijk gebruik, om zich met een

luid gehuil onder de ontstelde vijanden te werpen en daar de mandauws

hun bloedig werk te laten verrichten. Rauwe kreten van vertwijfeling,

van angst, van woede, van teleurstelling deden zich gedurende dat

kortstondige gevecht met het blanke wapen hooren. Na een zeer korte

wijl verschenen gillend en tierend de Poenans weder en hield ieder

hunner minstens een bloedigen menschenkop in de hand; er waren er bij

die er twee droegen. Een gejuich, dat uit de borst van alle Dajaks,

zoowel mannen als vrouwen opsteeg, ontving de overwinnaars. Maar voor

dat men hen nog naar eisch had kunnen verwelkomen, lieten zich

andermaal alarmkreten hooren en werd door de schildwachten aangeduid,

dat thans het gevaar van de rivierzijde dreigde. En inderdaad

vertoonden zich bovenstrooms op de soengei een viertal rangkans, zwaar

bemand, die pijlsnel voortschoten met het oogmerk, om de vaartuigen

onzer reizigers te enteren. Maar weldra klonk ook hun een goed

onderhouden geweervuur tegen, eerst door de Dajaks begonnen, en toen

dat niet afdoend bleek, om de aanvallers te doen deinzen, door de

Europeanen gevoed, waarbij de repeteergeweren van de Zwitsers andermaal

wonderen verrichtten. Met al hun moed vermochten de Doessonners door

zoo’n kogelregen niet te dringen. Al spoedig telden zij een groot

aantal dooden en gekwetsten en waren zij daardoor tot den terugtocht

genoodzaakt. Toen zij hun achterwaartsche beweging begonnen, die tegen

den zwaren stroom in niet spoedig ging, verzamelde Johannes de

geweerdragende Dajaks en liet hen salvo’s geven. Dat waren nu wel geen

salvo’s van geregelde troepen; zij vergrootten evenwel de vrees der

vluchtenden en bespoedigden hun aftocht. De drie andere Europeanen

kozen meer kalm hun doelwit, schoten bedaard en zonder overijling en

veroorzaakten daardoor bij hun bedrevenheid als schutter dood en

verderf in de vijandelijke vaartuigen. Het was voornamelijk de

achterste rangkan, die van hun kogels het meeste te lijden had. Schot

op schot, dat dreunde, kwetste of doodde een roeier. Eindelijk waren er

niet meer genoeg, om den stroom te kunnen breken. Een oogenblik bleef

de rangkan onder de wanhopige pogingen der overblijvenden op dezelfde

plek, zonder voor- of achteruit te kunnen; maar daar werd andermaal een

roeier geveld; toen begon het vaartuig te deinzen, eerst langzaam,

totdat weer een stervende hand de pagaai liet ontglippen. Toen sprongen

de ongedeerd gebleven Doessonners te water, om zich door de vlucht te

redden en kwam de rangkan, met al de snelheid afdrijven, die de

stroomdraad er aan verleenen kon. Op dat gezicht waren de Poenans niet

te weerhouden; in een oogwenk waren zij te water en hadden zij het

vaartuig geënterd. In minder tijd dan verteld kan worden, waren al de

gekwetsten en dooden, die daarin lagen, onthoofd. De lijken werden in

het water geworpen en de rangkan al zwemmende naar den wal gestuurd,

van waar hij langs het struikgewas voortgetrokken, als buit bij de

flotille gebracht werd.

Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der

mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun

vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze

Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien

gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en

konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun

haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren

afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen

de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de

oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om

de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte

bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat

gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en

moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk

schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten,

zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld

en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven,

dat zij „helden met beo’s [134] harten waren.”

De nacht ging verder ongestoord voorbij. Toen de dag aanbrak, stapte de

helft der Dajaks en al de Poenans aan wal, onthoofdden de vijanden,

gesneuveld of gewond bij de verhakking en wierpen de lijken in de

rivier. Het aantal buit gemaakte schedels klom nu tot negen en dertig.

Bij een verkenning, op beide oevers der soengei ondernomen, kwam men

tot de gevolgtrekking, dat de bende, waarvan men daags te voren de

sporen ontdekt had, op haar beurt het reisgezelschap bespeurd en

bespied en eindelijk een gekombineerden aanval te land en te water

beraamd had, die, wanneer hij gelijktijdig ondernomen ware, het

grootste gevaar had kunnen opleveren.

Het was nu zaak om goed uit te kijken. Men was in aanraking geweest met

den vijand en hoewel geen verliezen geleden waren, leerde de opgedane

ondervinding, dat de vijand, waarmee men te doen had, stoutmoedig en

ondernemend was. Johannes bepaalde nu, dat de rangkan, waarin hij met

zijn makkers gezeten was, de spits zoude uitmaken; dat zij geen deel

meer zouden nemen aan het roeien, maar dat zij met Amai Kotong en Dalim

scherp zouden uitzien, om met hun wisse schoten onmiddellijk waar het

noodig was krachtdadig te kunnen optreden. Harimaoung Boekit met zijn

Poenans zou de achterwacht vormen, terwijl bij hem nog eenige

geweerdragenden werden ingedeeld, om desnoods alarm- of seinschoten te

kunnen doen.

Dat men niet te veel voorzorgsmaatregelen kon treffen, zoude ras

ondervonden worden.

Het kon ongeveer 9 uur in den morgen zijn; men had ijverig doorgeroeid

en tot nu toe niets van vijanden op de oevers bespeurd, toen Dalim

eensklaps een lichten kreet uitstiet en den Europeanen een man wees,

die bijna geheel gedekt door een’ boomstam, met zijn mandauw bezig was

een paar rottantouwen door te hakken.

„Parabah!” riep Dalim met ontzetting.

„Pambeseai goeloengoeloeng!” (hard roeien) beval Amai Kotong, terwijl

hij de achteraankomende rangkans waarschuwde.

De man aan den wal had reeds een touw doorgekapt; hij keek aandachtig

naar de rangkans en toen hij die genoegzaam genaderd zag, verhief hij

den arm, om den tweeden rottan door te slaan. Maar daarbij moest hij

zich bloot geven; de borst werd een ondeelbare poos zichtbaar en dat

was voor de beide Zwitsers meer dan voldoende, om hun nimmer falende

kogels af te zenden. Bijna op dezelfde plek door de beide projectielen

getroffen, volvoerde de Doessonner een luchtsprong, terwijl hij zijn

wanhopig gezicht ten hemel verhief, en dood nederstortte. Een makker

sprong van achter een boom te voorschijn om het voorgenomen werk te

verrichten; maar voor dat die twee schreden gedaan had, weerklonken

andermaal twee geweerschoten en viel ook deze, in voorhoofd en in borst

getroffen, dood neder. Een derde onderging het zelfde lot. Een vierde

bewoog zich, als een slang schuifelende, langs den grond; die was niet

door de scherpschutters te ontwaren. Daar bereikte hij het touw, dat

met een dubbelen slag om een boomstam gewonden was ongeveer op vijf

voeten boven den grond. Om dat te bereiken, moest hij zich op de knieën

oprichten. Dat deed hij en greep daarbij het touw met de linkerhand,

die toen alleen voor de schutters zichtbaar werd. In die houding

verhief hij de rechterhand, om den houw op den sterk gespannen rottan

toe te brengen, toen andermaal twee schoten weerklonken, die hem de

linkervuist verbrijzelden, maar tevens het noodlottig gevolg hadden het

touw door te snijden.

„Goeloengoeloeng! pambeseai goeloengoeloeng!!” gilden Amai Kotong en

Dalim.

De rangkans schoten vooruit, terwijl zij het schuim onder hun stevens

deden opstuiven. Voor een oogenblik zag men de kruin van een der

woudreuzen, een ontzaglijken boom, die zich op den oever der soengei

verhief, als beschonken heen en weer waggelen; de rechte stam boog,

hernam den rechten stand weer, neigde andermaal, om zich weer terug te

buigen en viel toen, eerst langzaam en weifelend, vervolgens allengs

versnellend, krakend en met donderend geweld ter neder en overdekte met

zijn takken en loof de rivier, die onder dien val wild en woest

opspatte en zich als een fijne stofregen van schuim in de lucht

verdeelde en de plek als in een nevel hulde. Gelukkig waren de

rangkans, toen de boom viel, de gevaarvolle plaats voorbij; alleen de

laatste vaartuigen dreigden om te slaan en te zinken door het woeste

geweld van het opgezweepte water. Een paar seconden vertraging in de

vaart der rangkans of vervroeging in den val des booms, dan ware de

flotille vernietigd geweest en niemand der opvarenden ware ontkomen.

Van de vaartuigen had men het kunststuk van schuttersbedrevenheid der

Zwitsers kunnen zien. Met benepen harten, had men het verloop, dat in

weinige seconden plaats moest hebben, gadegeslagen. Men moest daar ter

plaatse voorbij, en wel zoo spoedig mogelijk, dat begreep iedereen.

Ware toch de boom vóór in stede van achter de vaartuigen nedergestort,

dan zou men een groot oponthoud gehad hebben; want aan een opruiming

van dien woudreus, die daar nu in de soengei lag en haar volkomen

afsloot, zou niet te denken geweest zijn. Men zou niets anders hebben

kunnen doen, dan de rangkans te ontladen en haar dan zoo over den

slagboom heenwerken. Dat ware een arbeid geweest van minstens twee

dagen, ongerekend nog de ongevallen, die uit de nabijheid des vijands

konden geboren worden. Dankbaarheid was dan ook in ieders oog te lezen

voor die mannen, die zoo ter rechter tijd geholpen hadden. En het was

met een soort van ontzag, dat evenwel gevoelens van genegenheid niet

uitsloot, dat men voortaan opkeek naar hen, die met hun kogels zoo

juist wisten te treffen.

„Mille noms de noms!” brulde La Cueille, „daar zijn we mooi door heen

gekomen!”

„Dat mag je wel zeggen,” lachte Johannes vergenoegd. „Maar opgepast;

jullie ziet nu waartoe die duivels in staat zijn. Dat is een van de

gewone krijgslisten der Dajaks. Op de boorden der rivier, waarlangs zij

de nadering van vijanden verwachten, worden groote boomen, de grootste

en zwaarste bij voorkeur, zoodanig onder aan den voet ingekeept, dat,

wanneer de rottantouwen, die de kruinen steunen, doorgekapt worden, de

woudreuzen in het vaarwater storten moeten. Een zestal mannen houden

bij zoo’n boom de wacht. In den regel blijven zij verscholen en van het

geheele toestel is gewoonlijk niets te ontwaren. Eenmaal de touwen

doorgekapt, maken zich de wachthebbenden uit de voeten, om op een

afstand de gevolgen gade te slaan.”

„Ik hoorde Dalim „parabah” schreeuwen bij het begin van die pret.

Begreept ge dat woord?” vroeg Schlickeisen.

„Dat is de benaming van de krijgslist van het boomen laten vallen.”

„Het is mooi uitgedacht, dat moet erkend worden,” sprak La Cueille.

„Als je zoo’n boom op je bol of op je lendenen krijgt, dan ben je zoo

plat als een velletje postpapier. We zullen bliksems goed onze oogen

den kost moeten geven.”

„Ja, wel zeker, dat zullen we moeten,” antwoordde Johannes. „Maar ik

heb besloten, om voortaan op iederen oever der rivier een twaalftal

mannen te laten marcheeren, die de vaartuigen een vijftig passen

vooruit blijven en, hoewel met elkaar in verband blijvende, het

geboomte doorzoeken moeten, om zoodoende dergelijke vallen onschadelijk

te maken.”

„Maar, hoe wil je die vallen onschadelijk maken?”

„Wel, wanneer menschen ontdekt worden, verjaagt men die of schiet ze

dood. Men zoekt dan de ingekeepte boomen op, die met hun verwondingen

niet moeielijk te ontwaren zijn aan de landzijde. Men houdt dan de

wacht bij den val tot al de rangkans voorbijgetrokken zijn, waarna de

rottantouwen doorgehakt worden en de boom omvalt. Dat zal het voordeel

hebben onze rugzijde te dekken zoowel tegen de Doessonners, die langs

de soengei versterking uit hun negorij kunnen krijgen, als tegen een

vervolging van den kant der Hollanders, wanneer die ons op ’t spoor

mochten zijn. Tegen dien maatregel is geen ernstige bedenking te maken.

In den regel zijn het slechts weinige mannen, die zoo’n parabah

bewaken, en die zullen wel spoedig met geweervuur te verdrijven zijn.”

Met spoed, maar toch zoo behoedzaam mogelijk, werd verder getrokken.

Een tweetal boomen, die op het vallen stonden, werden nog ontdekt.

Maar, zooals Johannes voorzien had, waren een paar schoten voldoende,

om de bewakers te verjagen, en al ras was een driedubbele verhakking in

de soengei daargesteld, die den toegang van de benedenlanden afsloot.

Zoo werd voortgerukt. Het was twee uur in den namiddag ongeveer, toen

men kotta Hamiak in het gezicht kreeg; maar wat daar ontwaard werd, was

alles behalve opbeurend. Men was daar verwoed aan het vechten. Boven de

toppen der palissadeering, die hier, evenals elders in de Dajaklanden,

van afstand tot afstand met gebleekte schedels prijkte, zag men de

verdedigers der kotta in uitdagende houding verschijnen en alles, wat

hen onder handen kwam, werpen naar het hoofd der aanvallers, die op een

paar punten de ompaling trachtten te beklimmen. Op een kleinen afstand

zag men twee kanonstukjes, achter een kunstmatig heuveltje van

rijshout, die van tijd tot tijd hun kogels op de kotta afzonden. Veel

uitwerking van dat vuren was niet te ontwaren, hoewel de aankomenden

het volle gezicht op het geteisterde gedeelte hadden; de zware

ijzerhouten boomstammen, die de borstwering der kotta uitmaakten,

schenen met de kogeltjes te spotten. Het bleek dan ook al ras, dat dat

kanonvuur niet zoo zeer tot doel had bres te schieten, dan wel om de

bezetting vrees aan te jagen en van dat gedeelte der borstwering te

verdrijven. Inderdaad op het midden dier face hadden de Doessonners een

hoop droge takkebossen te zaam gebracht, die tegen de palissadeering

opgestapeld en toen in brand gestoken. Het scheen dat dit vuur al

eenigen tijd gebrand had, hoewel van een beschadiging van de omheining,

die gevaarlijk kon worden voor de belegerden, niet veel te bespeuren

was.

Onze reizigers waren tot nu toe onder de taluds van de diep ingesneden

soengei ongemerkt gebleven en bespiedden den vijand van achter dichte

struiken, die langs den oever groeiden. Nadat Johannes den toestand een

oogenblik gadegeslagen had, wenkte hij Harimaoung Boekit tot zich, wees

hem in de verte een boschje van dicht struikgewas, dat de positie van

het gros der aanvallers vrij dicht in den rug naderde en fluisterde hem

iets in het oor. Grinnekend verzamelde het Poenanhoofd zijn makkers,

stapte met hen aan wal en verdween achter het loof, dat de boorden der

soengei voor het oog verborg. Toen Johannes hen niet meer zag,

verzamelde hij zijn lotgenooten, voegde daaraan nog een dertig

geweerdragende Dajaks, waaronder ook Dalim, toe, drukte de

achterblijvenden onder aanvoering van Amai Kotong goed op het hart de

vrouwen en kinderen te bewaken en te beschermen, en trok daarop recht

op den hoofdgroep der Doessonners los. Tot nu toe waren de bewegingen

onzer reizigers voor dezen verborgen gebleven. Hun strijd met de

Siratters had hun geheele opmerkzaamheid tot zich getrokken; ook een

zekere zorgeloosheid den inlanders zoo eigen, had hen doen nalaten een

waakzaam oog op de soengei te houden. Toen Johannes nu plotseling met

zijn troepje uit het struikgewas te voorschijn trad, was de verbazing

groot. Zij duurde evenwel kort, want aangemoedigd door het geringe

aantal van de naderenden, stoof hun het grootste gedeelte der

Doessonsche strijders met een luid lēēēē lēlēlēlē ouiiit! en de

mandauws zwaaiende te gemoet. Zij dachten met hun verpletterende

overmacht een gemakkelijke overwinning te behalen op dat troepje

hetwelk nog geen vijfendertig man sterk bleek te zijn. Het uitzicht, om

zonder veel inspanning die schedels te kunnen buit maken, lachte de

helden uitermate toe. Met iedere seconde verminderde de afstand

tusschen beide partijen. Johannes wist een voorbeeldelooze tucht onder

de zijnen te bewaren. Geen stem verhief zich, geen geluid werd van hun

zijde vernomen; het scheelde waarachtig weinig of dat troepje

marcheerde in den pas als een sectie afgedrilde rekruten en trok rustig

en kalm vooruit. De Doessonners daarentegen naderden gillend en

tierend, hortend en stootend, met sprongen of in den looppas. Daar

stond eensklaps het troepje van Johannes stil en scheen als aan den

grond genageld. Lēēēēh lēlēlēlēlē ouiiiit! brulden de Doessonners en

stormden vooruit, in de meening dat hun tegenstanders de schrik om het

hart sloeg. De geweren vielen nu evenwel in den aanslag en een flink

uitgevoerd salvo temperde den aanloop aanmerkelijk. Vier der aanvallers

lagen op den grond te kermen. Voordat de Doessonsche helden van hun

verbazing bekomen waren, hadden de Kapoeassers weer geladen en zonden

andermaal hun lood in den dichten drom. Ditmaal vielen zeven vijanden.

De Europeanen hadden zich tot nu toe van de deelneming aan het gevecht

onthouden en spaarden hun vuur, om de eindbeslissing op het wichtige

oogenblik te bevorderen. Nu zich evenwel een soort van razernij van den

aanvallenden troep scheen meester gemaakt te hebben en de vijanden

steeds voorwaarts stoven, openden ook zij hun vuur en verspilden hun

munitiën niet. Ieder schot was raak en het aantal gevallen Doessonners

werd al grooter en grooter. Vooral de repeteergeweren in de handen der

Zwitsers verrichtten andermaal wonderen. Bij de totale windstilte, die

heerschte, was het kleine troepje als in een rookcirkel gehuld, van

waaruit bliksemstralen knetterden, die het als met een muur van lood

omgaven. Toch rukten de aanvallers, niettegenstaande hun verliezen, al

nader en nader. De lansen begonnen zich reeds met de bajonetten te

kruisen; reeds hadden Johannes en La Cueille, die geen tijd meer hadden

om hun trompladers te herladen, de revolverpistolen ter hand genomen.

Vloeken en verwenschingen, angstgillen en zegekreten weerklonken

allerwege. De Europeanen schoten hun laatste patronen, die in de

geweerloopen zaten af, staken woedend de bajonetten in de naakte

borstkassen, of grepen de geweren bij den loop, om de kolf als een

knods te hanteeren en schedels te verbrijzelen of schouders te

ontwrichten. De toestand werd allerhachelijkst. Reeds waren eenige

Dajaks onder de slagen der aanvallers gevallen; Schlickeisen had een

flinken houw over den linkerarm gekregen, die hem buiten gevecht

stelde. Gelukkig dat La Cueille den tweeden houw met zijn geweer

pareerde, den Doessonner de bajonet in den buik stak en nog tijd had

zijn revolver uit den gordel te rukken, om een tweeden, die toeschoot,

à bout portant te vellen.

Maar daar kwam eensklaps verademing. Harimaoung Boekit verscheen met

zijn Poenans in den rug der Doessonners, en wierp zich onverschrokken

met den mandauw in de vuist in hun gelederen. Ontzettend was de kamp,

die zich nu ontspon. De Doessonners dachten er niet aan zich gewonnen

te geven, maar stelden zich wanhopig te weer. Johannes evenwel, van het

oogenblik van verademing gebruik makende, verzamelde zijn troepje, deed

snel herladen en liet nu salvo op salvo geven. Van een andere zijde

deden de verdedigers van kotta Hamiak, na hun brandende palissadeering

gebluscht te hebben, een uitval, tastten de legerplaats der Doessonners

aan, staken die in brand en vermeesterden de twee kanonstukjes, die hen

zoo beangstigd hadden. Toen de vlammen achter hen hoog opdwarrelden,

toen de wanhoopskreten van allerwege weerklonken, toen dat geweervuur

hen teisterde en bleef teisteren, toen begon de moed der Doessonners te

zinken. Nog een salvo, dat Johannes in hun gelederen zond, en waarbij

een lange slungel viel, die als hoofd de anderen aanmoedigde, bracht de

verwarring ten top en nu was er geen houden meer aan; de geheele bende

sloeg op de vlucht. In minder tijd dan noodig is, om het te vertellen,

was de geduchte schaar, die kotta Hamiak belegerd had, uit elkander

gespat en hadden de strijders een toevlucht in de bosschen gezocht.

Maar, daarmede was het gevecht niet ten einde. Een bende van de

verdedigers der kotta stormde ook de bosschen in, om den vijand nog

zooveel mogelijk schade toe te brengen, maar vooral om gevangenen te

maken.

Toen de laatste Doessonners uit het gezicht verdwenen waren,

vereenigden zich de strijders van ons reisgezelschap met de bewoners

der kotta, terwijl ook de rangkans naderbij kwamen en vrouwen en

kinderen aan wal stapten. Een ontzettend tooneel begon al ras. Zoowel

de mannen der kotta, als de Dajaks der rangkans en de Poenans van

Harimaoung Boekit hielden zich onledig met de gevallen vijanden dood of

gewond te onthoofden. Een paar licht gekwetsten werden gespaard; hun

zou een vreeselijker lot beschoren zijn. Toen de koppen verzameld

waren, herhaalde zich het afzichtelijk tooneel van den vorigen nacht,

maar nu op veel grooter schaal. Helaas! de wetten der menschelijkheid

werden door die onwetenden en verwaarloosden wel verkracht.

Bij de opruiming der vijandelijke lijken, die eenvoudig in de soengei

gesmeten werden, ontdekte men dat vijf Poenans en zes Dajaks van het

reisgezelschap gesneuveld waren, terwijl ook de lijken van een drietal

Sieratters gevonden werden. Maar wat de meeste droefheid veroorzaakte

en al de bewoners der kotta in weeklachten deed uitbarsten, was dat ook

Amai Mawong, hoofd van kotta Hamiak bij den uitval, dien hij aangevoerd

had, omgekomen was. Hij was steeds een persoonlijke vijand van

Tomonggong Soerapatti geweest, die jaren geleden hem een dochter

ontstolen had en wien hij op zijn beurt een paar zijner meest geliefde

vrouwen ontkaapt had. Krijgs- en sneltochten, invallen over en weer in

elkanders gebied, waren daarvan het gevolg geweest en de nu plaats

gehad hebbende aanranding van Soerapatti had geen ander uitgangspunt

dan zijn haat tegen Amai Mawong, waarbij zich de zucht gepaard had om

zich op de Kapoeassche en Kahajansche bevolking voor vroegere

nederlagen te wreken.

Het lijk van het geliefde hoofd werd met veel misbaar binnen de kotta

gedragen en daar ten toon gesteld tot dat de begrafenis zoude plaats

hebben. De Poenans en de Dajaks van kotta Djankang maakten alle

toebereidselen, om de lijken hunner makkers den volgenden morgen te

verbranden. Dat is een gewoonte bij sommige stammen, wanneer geen tijd

genoegzaam voorhanden is, om de begrafenisplechtigheden te kunnen

volvoeren. Men sprak de hoop uit, dat de uitgetrokken Hamiakkers een

flink aantal gevangenen zouden maken. Men sloot de gevangen genomen

Doessonners in karandahs op en men haalde bij voorbaat nog meerdere

kooien te voorschijn, om de verwachte slachtoffers te bergen. De nacht

was reeds ingevallen, toen de menschenjagers te huis kwamen. Het was

hun gelukt een troep Doessonners te overvallen, die, uitgeput van de

vermoeienissen, dien dag ondervonden, neergevallen waren, toen zij zich

in veiligheid waanden en in diepen slaap gedompeld lagen. Voor zij zich

te weer stellen konden, waren hun handen en voeten gebonden; zij, die

zich te woest aanstelden, ontvingen een zwaren slag op den schedel, die

hen bewusteloos deed neerzinken. Mededoogen werd niet gekend. Zoo

werden acht menschelijke wezens aangebracht, die onmiddellijk in de

boeien in zekerheid gebracht werden. De volgende zon zoude hun

vreeselijk uiteinde te aanschouwen geven.

Wienersdorf verbond den arm van zijn gekwetsten makker op het

liefderijkst. De wond was wel groot en had nog al bloedverlies

veroorzaakt, maar de houw was meer in een schuine richting aangebracht

en was niet diep doorgedrongen, zoodat weinig gevaar bestond. Een papje

van de fijngewreven bladeren van den boentoek kakoembang werd op de

wond gelegd, om de ontsteking te weren. Johannes regelde nu den

zekerheidsdienst voor den nacht, die trouwens zoo heel zwaar niet

behoefde te zijn, daar een terugkeer van den vluchtenden vijand wel

niet verwacht kon worden, waarna allen zich te rusten legden. Alleen

Wienersdorf en La Cueille gingen hun dulcinea’s nog eens opzoeken, om

heel galant te vernemen, of de ontsteltenis, dien dag ondervonden,

eenigszins bedaard was. Och, zulke tooneelen waren haar niet vreemd; de

deernen waren vrij opgeruimd en verheugden zich van ganscher harte, dat

die gevaren al weer achter den rug waren. Al spoedig zaten de gelieven

bij elkander in een druk gesprek gewikkeld en uitten de beide

Europeanen, volgens de inspraken van hun hart en de mate hunner

ontwikkeling, ruw en ongekunsteld of gevoelvol en beschaafd, maar

beiden onverholen, de hoop om toch spoedig zoo’n land van

verschrikkingen te kunnen verlaten.

De beide verliefde paren zaten met nog eenige jonge dames in het

vertrek, alwaar de meisjes gastvrijheid gevonden hadden. Hamadoe en

Wienersdorf zaten innig met elkander te keuvelen en weldra was hun

omgeving, ja het geheele heelal voor hun liefdevolle blikken, die

elkaar slechts zochten, verdwenen. Het gesprek tusschen Moendoet en La

Cueille vlotte zoo niet. Hij had dien dag vele inspanningen

doorgestaan, misschien had hij ook wel hier of daar een teugje toeak

weten machtig te worden. Hoe het ook zij, hij voelde zich wezenlijk

vermoeid en uitgeput. Na een poos met zijn schoone gepraat te hebben,

werd hij al loomer en loomer, hij strekte de ledematen gemakkelijk uit

op het matje, waarop hij, naast het meisje gehurkt, gezeten had, liet

het hoofd op haar schoot rusten en geraakte in dien verdoofden

toestand, niet zelden in de keerkringslanden, die geen slapen en geen

waken is, waarin het lichaam rust, maar waarbij de geest nog ten halve

werkzaam blijft. Liefdevol zat het meisje hem aan te staren, haar blik

bleef op hem geboeid. Zij hield zich stil, om zijn rust niet te storen.

Bij een beweging, die de slaapdronkene maakte, en waarbij hij met de

hand door de haren woelde, streek zij hem de lokken uit het aangezicht

en bracht die met zachte hand op hun plaats. Zij begon er een soort van

genoegen in te vinden, de vingers door die zijdeachtige haren te laten

gaan, zoo verschillend met de harde haren van haar zelve en van haar

stamgenooten. Zacht streelde zij dat hoofd; maar plotseling begonnen

haar vingers meer bedrijvigheid te toonen. Zij boog voorover en

fluisterde tot een harer vriendinnen:

„Panggoeti.”

Dat woord laat zich zoo gemakkelijk niet vertalen. „Pang” is een

voorzetsel dat „veel” beteekent en „goeti”; wel.... dat is de

„pediculus capitis” der latijnen.

De vriendin schoof naderbij en beide meisjes waren weldra bezig een

vreemdsoortige jacht op het hoofd van den Waal te houden. De vingers

woelden tusschen de lokken en vervolgden het wild op de haarhuid.

Iedere pediculus, die zich liet verrassen, lokte een waas van

vergenoegen op het gelaat der schoonen. Het diertje werd op de hand

gezet, bewonderd, weer tusschen den duim en voorsten vinger gegrepen en

tusschen de lippen van de vriendin gebracht, die het insect tusschen de

tanden deed knappen en zich zoo het verhemelte streelde. Die

vriendschapsbewijzen geschiedden over en weer en gingen met de

gebruikelijke kwinkslagen gepaard. Eindelijk door dat gewiemel op zijn

hoofd uit zijn verdooving geraakt, opende de Waal de oogen en zag zich

niet onaardig geëncadreerd door de beide lieftallige wezens. Hij

glimlachte en trok Moendoet naar zich toe, om haar een kus te

ontrooven; maar op dat oogenblik scheen de jacht juist buitengewoon

voorspoedig te zijn. Beide meisjes haalden de hand bedachtzaam uit zijn

hoofdhaar terug en brachten die te gelijkertijd aan zijn mond. De Waal,

onbekend met wat er omging, opende lachend de lippen en ontving de

levende lekkernij op de tong. Toen hij haar gekrieuwel gevoelde, keek

hij de meisjes een poos aan, die zijn blik met een argloozen oogopslag

beantwoordden. Lang niet gerustgesteld, spoog hij op zijn hand, bekeek

wat hij in den mond had gehad en barstte in een wilden vloek uit:

„Des poux! des poux! sacré saloppes! des poux dans ma bouche!”

En meteen gaf hij ieder der meisjes een oorvijg, die klonk als een

klok. De deernen begonnen zoo te gillen en te schreeuwen, dat een

gedeelte der bewoners van de kotta, in hun nachtrust gestoord, kwam

kijken wat er toch gaande was. Er ontstond toen een leven als een

oordeel. De meisjes beweerden huilende en snikkende, dat zij den vrijer

een beleefdheid hadden bewezen, door hem een lekkernij aan te bieden;

de Waal vloekte en raasde, omdat men hem, volgens zijn beweren, onreine

dingen in den mond gestopt had. De twist liep al hooger en hooger, tot

dat Johannes en Dalim aankwamen en zich lieten inlichten. Nu was de

zaak spoedig opgehelderd. Moendoet werd aan het verstand gebracht, dat

haar vrijer nog te nieuwbakken Dajak was en dat hij nog maar niet kon

vergeten, dat hij Arabier was, en uit een land kwam, waar zulke

gerechten niet op prijs worden gesteld. De Waal vernam, dat de

versnapering, die hem aangeboden was, een wezenlijke attentie geweest

was, die hij met een lompheid beantwoord had.

„Ik laat me villen,” mompelde hij, terwijl hij zich nogmaals den mond

afveegde, „als ik haar nog een zoen geef.”

„En toch zult ge daartoe moeten overgaan,” was het kalme wederwoord van

Johannes, „want je hebt een bewijs van toegenegenheid met een

onbetamelijkheid beantwoord; daar valt niets aan te doen, die moet je

herstellen.”

En Moendoet bij een hand grijpende, bracht hij het mokkende meisje bij

den Waal, die het lieve gezichtje toch al met een soort van spijt en

verlangen aanschouwde. Johannes gaf haar een kleinen duw, zoodat zij in

La Cueille’s geopende armen terecht kwam. Hij kon haar toch niet op den

grond laten vallen. De lippen zochten elkander, een hartelijke zoen

weerklonk en de vrede was gesloten. De Waal benutte een oogenblik, dat

hij meende ongezien te zijn, om zich nogmaals den mond af te vegen.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 65 / 77 题