Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De
ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de
Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk
gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor
den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der
Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.
„Sedert geruimen tijd liep het gerucht dat Soerapatti
krijgstoerustingen op groote schaal maakte, ten einde de Kapoeas- en
Kahajanstreken af te loopen. Dat wil zeggen: Oude vrouwen, grijsaards
en zeer jonge kinderen zouden eenvoudig om hals gebracht worden. De
vrouwen, die op schoonheid konden bogen, zouden de bijzitten der
overwinnaars worden, de andere vrouwen en de mannen, die in staat waren
te werken, zouden zich het gruwzaamste slavenjuk moeten getroosten.
Vreeselijk waren de verhalen van de Maleische handelaren, die van de
boven-Doesson teruggekeerd waren. Het krijgsplan was: van uit het
landschap Siang en Moeroeng op te breken naar de boven-Kahajan, dien
stroom al moordende en roovende af te zakken; de soengei Troessan door
te trekken, de beneden-Kapoeas uit te moorden en langs de kleine
Dajakrivier terug te keeren. Moest men de berichten gelooven, dan
zouden meer dan 10,000 strijders aan den tocht deelnemen; latere
tijdingen brachten dat getal op 4000 terug. Het gemeenschappelijk
gevaar vereenigde al de bewoners der bedreigde streken en deed alle
veeten, die hen onderling verdeelden, vergeten. Alle twisten werden
bijgelegd; de huisgezinnen verlieten de oevers der genoemde rivieren en
trokken zich diep in de wildernissen terug. Toen het gevaar nader kwam,
togen de gezamenlijke strijders dier streken uit ten getale van ± 6000,
om bij de monding der soengei Troessan, op weinige uren afstands van de
uitwatering der kleine Dajakrivier in de Javazee, den
gemeenschappelijken vijand slag te leveren en, zoo het kon, te
vernietigen. De krijgsmacht van Soerapatti was uiterst verwonderd
geweest, de negorijën langs de Kahajan leeg te vinden. Het was hun
slechts gelukt, hier en daar een armen pandeling te overvallen, die
achtergelaten was om have en goed te bewaken. En dat was nog maar
schaars gebeurd, daar de meesten dier bewakers den tijd hadden gehad
bij de nadering der vijandelijke vaartuigen de bosschen in te vluchten.
Zij, die overvallen waren, hadden een rampzaligen martelvollen dood
gevonden en hun grijnzende schedels prijkten aan den voorsteven van
eenige der vijandelijke vaartuigen. De kotta’s en woningen werden
verwoest en tot den grond afgebrand. Zoo kwamen de Doessonners in de
beneden-Kahajan aan, waar zij ook de kampongs verlaten vonden. Zij
raasden en scholden de bewoners voor oude wijven; evenwel de echo
beantwoordde alleen hun uittartingen. Maar zoodra hun rangkans uit de
Troessan deboucheerden, schoten de verbondenen met hun vaartuigen toe
en thans begrepen de Doessonners, waarom zij de negorijën verlaten
gevonden hadden. Nu begon een gevecht, dat drie dagen duurde en met de
ontbinding van Soerapatti’s legermacht eindigde. Dit opperhoofd mocht
zich gelukkig achten, bij die neerlaag niet tegenwoordig te zijn
geweest; ook hij zou het waarschijnlijk met den dood bekocht hebben.
Een randjoe-wond, in de boven-Kahajan bekomen, had hem genoodzaakt het
opperbevel aan zijn broeder Toengah over te geven, terwijl hij met
weinige volgelingen naar de boven-Doesson teruggekeerd was. Niet dan na
een hardnekkigen strijd, behaalden de verbondenen eenige voordeelen,
door verwarring in de gelederen der vloot bij hun tegenstanders te
berokkenen. Deze, eindelijk door een panischen schrik bevangen, wierpen
zich in de maagdelijke bosschen, die de kleine Dajakrivier en de
soengei Troessan omzoomen; doch hier vreemd, en weg noch steg wetende,
werden zij door de bondgenooten als wild opgejaagd en als dolle honden
doodgeslagen. Van Soerapatti’s heirmacht zijn geen 200 man in hun
negorij teruggekeerd; de overigen vielen door het zwaard of kwamen van
ellende om. Dat het leger der Doessonners zoo totaal vernietigd werd,
was voornamelijk daaraan te wijten, dat het op een hoogst ongunstige
plaats op de vlucht sloeg. Vooreerst waren er in den omtrek op
verscheiden marschdagen afstands geen kampongs of bebouwde velden, waar
de vluchtelingen hopen konden eenig voedsel te vinden. Daarbij waren na
hun vlucht al hun vaartuigen vernield of door hun vijanden genomen, en
zaten zij in een zeer moerassig land tusschen twee hoofdrivieren
ingesloten; terwijl eindelijk de bewoners dier streek hun doodsvijanden
waren. Vertoonde zich een enkele dier ongelukkigen, door den bittersten
nood gedrongen, in de nabijheid van een kampong, dan werd hij als een
verscheurend dier afgemaakt. Maanden na den slag werden nog bij het
ontdekken van sporen in het woud groote drijfjachten gehouden, waarbij
mededoogen onbekend was. Zoo werden nog een dertigtal, die na de
grootste ontberingen, na een ongeloofelijken marsch van vele maanden
door een woest en vijandig land, zich overdag schuil houdende en ’s
nachts behoedzaam noordwaarts trekkende, eindelijk het hoogland hier in
de boven-Kapoeas bereikt hadden en zich reeds behouden wanende, den
stroom op een klein vlot wilden oversteken, daarbij ontdekt, gevangen
genomen en later op de wreedste wijze omgebracht. Onder deze was ook
Soerapatti’s broeder.”
Gedurende dat verhaal had de tijd niet stil gestaan. Het was evenwel
ongeveer vier uur in den namiddag geworden, toen de flotille, waarbij
de Samoehingers zich gevoegd hadden, de monding der soengei Sirat
bereikte. Nog steeds was niets verdachts ontwaard. Toen evenwel eenige
der Poenans aan wal gestapt waren, om den omtrek te verkennen, dewijl
men daar den nacht wilde doorbrengen, kwamen die al zeer spoedig terug
met het bericht, dat op den noordelijken oever van de soengei, ongeveer
200 passen van den waterkant, een duidelijk spoor in het lange gras te
ontwaren was, van een groote menigte menschen, die daar langs getrokken
waren. Teneinde dat spoor nauwkeurig waar te nemen, gingen Harimaoung
Boekit en Dalim als echte woudverspieders derwaarts. Tot dekking
vergezelden hen Johannes, Schlickeisen en een tiental Dajaks, waarvan
de helft met geweren gewapend was.
De verkenners waren spoedig terug; zij waren tot de overtuiging
geraakt, dat het spoor zeer versch en door een vrij talrijke bende
veroorzaakt was, dat die bende van het westen naar het oosten getrokken
was, te oordeelen naar de afdrukken van de voetstappen, die men op
minder dichtbegroeide plekken had kunnen waarnemen. Zeer waarschijnlijk
was het een bende stroopers, die den omtrek afliepen om te fourageeren.
Men had het spoor gevolgd over een lengte van eenige duizenden meters,
alwaar het aan de Kapoeas uitkwam en zich noordwaarts omboog. Vooral
aan de boorden der Kapoeas bleek het, dat het gevolgde spoor zeer
versch was; de indrukken op den zandigen oever waren zoo scherp
begrensd en nog zoo vochtig van het water, door den voet te
zamengeperst, dat het voor deze natuurkinderen geen twijfel overliet,
of er bevond zich op korten afstand voor hen uit een vrij aanzienlijke
bende volks. Harimaoung Boekit meende zelfs een oogenblik
menschenstemmen in die richting gehoord te hebben. Wat er ook van aan
was, het was zaak zeer op zijn hoede te zijn. Er werd dan ook besloten,
de rangkans onder den zuidelijken oever achter een vrij scherpe bocht
te bergen, zoodat zij voor afkomende vaartuigen niet eerder zichtbaar
werden, dan wanneer die den hoek geheel gerond hadden. Op den hoek
zelven werden een viertal Dajaks, met geweren gewapend, in boomkruinen
op schildwacht geplaatst, om de soengei stroomopwaarts te bewaken. Zij
zouden door schieten alarm maken, wanneer onraad bespeurd werd. In de
rangkans zoude de helft der weerbare manschap waakzaam en met de wapens
in de hand blijven, om bij ieder voorval gereed te zijn, krachtdadig te
kunnen optreden. Aan den wal werden, ter plaatse waar de rangkans
lagen, eenige zware boomen geveld, die met het omringende struikgewas,
dat ook omgekapt werd, een verhakking vormde, waardoor heen zich geen
weg te banen was, zonder de opmerkzaamheid gaande te maken. Dat al die
voorzorgen niet overbodig waren, zouden de reizigers al heel spoedig
ondervinden.
Het kon omstreeks middernacht zijn, toen een der schildwachten, die op
den hoek in de boomen zaten, een voorwerp aan zijn voeten in de soengei
zag drijven, dat veel van een boomstam had. Het kon ook wel een kaaiman
wezen. Daarom floot hij zachtkens, om de wachthebbenden in de
vaartuigen op hun hoede te doen zijn; want het zoude niet onmogelijk
zijn, dat zoo’n ondier, van de nachtelijke stilte gebruik makende, zijn
prooi onverwachts uit een vaartuig greep en daarmede in de diepte
verdween, vóór dat de opvarenden eigenlijk begrepen, wat er gaande was.
Op dat gefluit evenwel zag de schildwacht dien boomstam of kaaiman zich
bewegen en naar den wal zwemmen, in welke beweging hij gevolgd werd
door een vijftal dergelijke gedaanten. Dat zwemmen was niet het
geruischloos voortschieten van een dier van het krokodillengeslacht;
ook dat er zoo veel anderen in de nabijheid waren, die zich richtten
waarheen de eerste zwom, was in strijd met de geaardheid dier dieren.
Hier was dus wat anders gaande. De schildwacht loste zijn schot; ook
zijn makkers, opmerkzaam gemaakt, openden hun vuur. Nauwelijks evenwel
hadden die schoten in de nachtelijke stilte weerklonken, of een
kannibalisch gebrul verhief zich achter de verhakking; verscheidene
gedaanten poogden daardoor heen te breken, dat aan enkelen hunner
gelukte. De nacht was gelukkig niet donker, de lucht was zuiver en de
sterren fonkelden vriendelijk, terwijl juist dien nacht het zodiakaal
licht schemerde, waardoor het aardrijk slechts in een halfduister
gehuld was. Van wat er achter de verhakking geschiedde, was evenwel
niets te ontwaren; maar wie zich door dat beletsel heenwrong, verscheen
als een donkere gestalte op een flauw verlichten grond en stond aan de
zeker treffende kogels van de vier Europeanen bloot. De Dajaks, wien
geweren in handen gegeven waren, hadden met al de opgewondenheid hun
landaard eigen, een oorverdoovend vuur op de verhakking geopend. De
Europeanen meer bedaard, gaven hun schot slechts af, wanneer zij zulk
een donkere gedaante op den oever zagen toeijlen en misten hun doel dan
nooit. Zelfs de twee Zwitsers onthielden zich stipt, aan het
vuurgevecht deel te nemen en bewaarden zorgvuldig den inhoud hunner
repeteergeweren voor oogenblikken van onmiddellijk groot gevaar. En wel
bekwam hun dat gedrag; want op eens drong een aantal aanranders door
een opening, die zij in de verhakking hadden weten te maken en stormden
onstuimig op den oever toe, om zich met den mandauw in de vuist op de
rangkans te werpen. In den grootsten doodsangst gilden de vrouwen en
waren radeloos van ontsteltenis; maar daar mengden de beide Zwitsers
zich in den strijd, gaven kalm en bedaard vuur, nog eens vuur en nog
eens. De aanvallers vielen op die schoten paarsgewijze. Met kreten van
woede zetten zij den aanval door. De schoten der Zwitsers klonken
regelmatig en velden een ieder, die den oever nabij kwam. Toch drongen
een paar Doessonners, als onder dat vuur doorduikende, door, wierpen
zich te water en klemden zich aan de rangkans vast, wanhopige pogingen
aanwendende, om de vaartuigen, die zij gegrepen hadden, te doen
omkantelen. Nu was het de beurt van de Dajaks om toe te slaan; eenige
mandauwhouwen kloofden een paar schedels en deden een paar afgekapte
vingeren tot in den schoot van de nedergehurkte vrouwen springen. Een
paar gillen, een paar kreten, wat doodsgerochel en het pleit was
beslist; de aanvallers plompten in het water en werden dood of zwaar
gewond, den krokodillen ten prooi, door den stroomdraad medegevoerd.
Alles was nu stil aan den oever, zoo stil zelfs, dat men bijna niet
gelooven kon, dat daar zoo even nog een kamp op leven en dood gevoerd
werd. De Zwitsers haastten zich de kolven hunner Remmingtongeweren van
munitie te voorzien en een ieder hield zich gereed voor hetgeen nog
komen kon.
Daar weerklonken eensklaps opvolgend, vier geweerschoten, door angst-
en hulpgeschrei gevolgd. Het waren de vier schildwachten, in de boomen
gezeten, die nu aangetast werden. Duidelijk zag men eenige gedaanten
zich langs de boomstammen naar boven werken. De schildwachten waren dus
in groot gevaar en het waren hun koppen, waarop de aanvallers het nu
gemunt hadden. Op dat gezicht begaf Harimaoung Boekit zich met zijn
Poenans in alle stilte te water en toen zij den oever bereikt hadden,
gaven de Europeanen nogmaals vuur, waardoor de vijanden, die het hoogst
geklommen waren, doodelijk getroffen, naar beneden tuimelden en de
achter hen volgenden in hun val medesleepten. Van de daardoor ontstane
verwarring, maakten de Poenans meesterlijk gebruik, om zich met een
luid gehuil onder de ontstelde vijanden te werpen en daar de mandauws
hun bloedig werk te laten verrichten. Rauwe kreten van vertwijfeling,
van angst, van woede, van teleurstelling deden zich gedurende dat
kortstondige gevecht met het blanke wapen hooren. Na een zeer korte
wijl verschenen gillend en tierend de Poenans weder en hield ieder
hunner minstens een bloedigen menschenkop in de hand; er waren er bij
die er twee droegen. Een gejuich, dat uit de borst van alle Dajaks,
zoowel mannen als vrouwen opsteeg, ontving de overwinnaars. Maar voor
dat men hen nog naar eisch had kunnen verwelkomen, lieten zich
andermaal alarmkreten hooren en werd door de schildwachten aangeduid,
dat thans het gevaar van de rivierzijde dreigde. En inderdaad
vertoonden zich bovenstrooms op de soengei een viertal rangkans, zwaar
bemand, die pijlsnel voortschoten met het oogmerk, om de vaartuigen
onzer reizigers te enteren. Maar weldra klonk ook hun een goed
onderhouden geweervuur tegen, eerst door de Dajaks begonnen, en toen
dat niet afdoend bleek, om de aanvallers te doen deinzen, door de
Europeanen gevoed, waarbij de repeteergeweren van de Zwitsers andermaal
wonderen verrichtten. Met al hun moed vermochten de Doessonners door
zoo’n kogelregen niet te dringen. Al spoedig telden zij een groot
aantal dooden en gekwetsten en waren zij daardoor tot den terugtocht
genoodzaakt. Toen zij hun achterwaartsche beweging begonnen, die tegen
den zwaren stroom in niet spoedig ging, verzamelde Johannes de
geweerdragende Dajaks en liet hen salvo’s geven. Dat waren nu wel geen
salvo’s van geregelde troepen; zij vergrootten evenwel de vrees der
vluchtenden en bespoedigden hun aftocht. De drie andere Europeanen
kozen meer kalm hun doelwit, schoten bedaard en zonder overijling en
veroorzaakten daardoor bij hun bedrevenheid als schutter dood en
verderf in de vijandelijke vaartuigen. Het was voornamelijk de
achterste rangkan, die van hun kogels het meeste te lijden had. Schot
op schot, dat dreunde, kwetste of doodde een roeier. Eindelijk waren er
niet meer genoeg, om den stroom te kunnen breken. Een oogenblik bleef
de rangkan onder de wanhopige pogingen der overblijvenden op dezelfde
plek, zonder voor- of achteruit te kunnen; maar daar werd andermaal een
roeier geveld; toen begon het vaartuig te deinzen, eerst langzaam,
totdat weer een stervende hand de pagaai liet ontglippen. Toen sprongen
de ongedeerd gebleven Doessonners te water, om zich door de vlucht te
redden en kwam de rangkan, met al de snelheid afdrijven, die de
stroomdraad er aan verleenen kon. Op dat gezicht waren de Poenans niet
te weerhouden; in een oogwenk waren zij te water en hadden zij het
vaartuig geënterd. In minder tijd dan verteld kan worden, waren al de
gekwetsten en dooden, die daarin lagen, onthoofd. De lijken werden in
het water geworpen en de rangkan al zwemmende naar den wal gestuurd,
van waar hij langs het struikgewas voortgetrokken, als buit bij de
flotille gebracht werd.
Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der
mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun
vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze
Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien
gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en
konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun
haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren
afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen
de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de
oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om
de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte
bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat
gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en
moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk
schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten,
zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld
en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven,
dat zij „helden met beo’s [134] harten waren.”
De nacht ging verder ongestoord voorbij. Toen de dag aanbrak, stapte de
helft der Dajaks en al de Poenans aan wal, onthoofdden de vijanden,
gesneuveld of gewond bij de verhakking en wierpen de lijken in de
rivier. Het aantal buit gemaakte schedels klom nu tot negen en dertig.
Bij een verkenning, op beide oevers der soengei ondernomen, kwam men
tot de gevolgtrekking, dat de bende, waarvan men daags te voren de
sporen ontdekt had, op haar beurt het reisgezelschap bespeurd en
bespied en eindelijk een gekombineerden aanval te land en te water
beraamd had, die, wanneer hij gelijktijdig ondernomen ware, het
grootste gevaar had kunnen opleveren.
Het was nu zaak om goed uit te kijken. Men was in aanraking geweest met
den vijand en hoewel geen verliezen geleden waren, leerde de opgedane
ondervinding, dat de vijand, waarmee men te doen had, stoutmoedig en
ondernemend was. Johannes bepaalde nu, dat de rangkan, waarin hij met
zijn makkers gezeten was, de spits zoude uitmaken; dat zij geen deel
meer zouden nemen aan het roeien, maar dat zij met Amai Kotong en Dalim
scherp zouden uitzien, om met hun wisse schoten onmiddellijk waar het
noodig was krachtdadig te kunnen optreden. Harimaoung Boekit met zijn
Poenans zou de achterwacht vormen, terwijl bij hem nog eenige
geweerdragenden werden ingedeeld, om desnoods alarm- of seinschoten te
kunnen doen.
Dat men niet te veel voorzorgsmaatregelen kon treffen, zoude ras
ondervonden worden.
Het kon ongeveer 9 uur in den morgen zijn; men had ijverig doorgeroeid
en tot nu toe niets van vijanden op de oevers bespeurd, toen Dalim
eensklaps een lichten kreet uitstiet en den Europeanen een man wees,
die bijna geheel gedekt door een’ boomstam, met zijn mandauw bezig was
een paar rottantouwen door te hakken.
„Parabah!” riep Dalim met ontzetting.
„Pambeseai goeloengoeloeng!” (hard roeien) beval Amai Kotong, terwijl
hij de achteraankomende rangkans waarschuwde.
De man aan den wal had reeds een touw doorgekapt; hij keek aandachtig
naar de rangkans en toen hij die genoegzaam genaderd zag, verhief hij
den arm, om den tweeden rottan door te slaan. Maar daarbij moest hij
zich bloot geven; de borst werd een ondeelbare poos zichtbaar en dat
was voor de beide Zwitsers meer dan voldoende, om hun nimmer falende
kogels af te zenden. Bijna op dezelfde plek door de beide projectielen
getroffen, volvoerde de Doessonner een luchtsprong, terwijl hij zijn
wanhopig gezicht ten hemel verhief, en dood nederstortte. Een makker
sprong van achter een boom te voorschijn om het voorgenomen werk te
verrichten; maar voor dat die twee schreden gedaan had, weerklonken
andermaal twee geweerschoten en viel ook deze, in voorhoofd en in borst
getroffen, dood neder. Een derde onderging het zelfde lot. Een vierde
bewoog zich, als een slang schuifelende, langs den grond; die was niet
door de scherpschutters te ontwaren. Daar bereikte hij het touw, dat
met een dubbelen slag om een boomstam gewonden was ongeveer op vijf
voeten boven den grond. Om dat te bereiken, moest hij zich op de knieën
oprichten. Dat deed hij en greep daarbij het touw met de linkerhand,
die toen alleen voor de schutters zichtbaar werd. In die houding
verhief hij de rechterhand, om den houw op den sterk gespannen rottan
toe te brengen, toen andermaal twee schoten weerklonken, die hem de
linkervuist verbrijzelden, maar tevens het noodlottig gevolg hadden het
touw door te snijden.
„Goeloengoeloeng! pambeseai goeloengoeloeng!!” gilden Amai Kotong en
Dalim.
De rangkans schoten vooruit, terwijl zij het schuim onder hun stevens
deden opstuiven. Voor een oogenblik zag men de kruin van een der
woudreuzen, een ontzaglijken boom, die zich op den oever der soengei
verhief, als beschonken heen en weer waggelen; de rechte stam boog,
hernam den rechten stand weer, neigde andermaal, om zich weer terug te
buigen en viel toen, eerst langzaam en weifelend, vervolgens allengs
versnellend, krakend en met donderend geweld ter neder en overdekte met
zijn takken en loof de rivier, die onder dien val wild en woest
opspatte en zich als een fijne stofregen van schuim in de lucht
verdeelde en de plek als in een nevel hulde. Gelukkig waren de
rangkans, toen de boom viel, de gevaarvolle plaats voorbij; alleen de
laatste vaartuigen dreigden om te slaan en te zinken door het woeste
geweld van het opgezweepte water. Een paar seconden vertraging in de
vaart der rangkans of vervroeging in den val des booms, dan ware de
flotille vernietigd geweest en niemand der opvarenden ware ontkomen.
Van de vaartuigen had men het kunststuk van schuttersbedrevenheid der
Zwitsers kunnen zien. Met benepen harten, had men het verloop, dat in
weinige seconden plaats moest hebben, gadegeslagen. Men moest daar ter
plaatse voorbij, en wel zoo spoedig mogelijk, dat begreep iedereen.
Ware toch de boom vóór in stede van achter de vaartuigen nedergestort,
dan zou men een groot oponthoud gehad hebben; want aan een opruiming
van dien woudreus, die daar nu in de soengei lag en haar volkomen
afsloot, zou niet te denken geweest zijn. Men zou niets anders hebben
kunnen doen, dan de rangkans te ontladen en haar dan zoo over den
slagboom heenwerken. Dat ware een arbeid geweest van minstens twee
dagen, ongerekend nog de ongevallen, die uit de nabijheid des vijands
konden geboren worden. Dankbaarheid was dan ook in ieders oog te lezen
voor die mannen, die zoo ter rechter tijd geholpen hadden. En het was
met een soort van ontzag, dat evenwel gevoelens van genegenheid niet
uitsloot, dat men voortaan opkeek naar hen, die met hun kogels zoo
juist wisten te treffen.
„Mille noms de noms!” brulde La Cueille, „daar zijn we mooi door heen
gekomen!”
„Dat mag je wel zeggen,” lachte Johannes vergenoegd. „Maar opgepast;
jullie ziet nu waartoe die duivels in staat zijn. Dat is een van de
gewone krijgslisten der Dajaks. Op de boorden der rivier, waarlangs zij
de nadering van vijanden verwachten, worden groote boomen, de grootste
en zwaarste bij voorkeur, zoodanig onder aan den voet ingekeept, dat,
wanneer de rottantouwen, die de kruinen steunen, doorgekapt worden, de
woudreuzen in het vaarwater storten moeten. Een zestal mannen houden
bij zoo’n boom de wacht. In den regel blijven zij verscholen en van het
geheele toestel is gewoonlijk niets te ontwaren. Eenmaal de touwen
doorgekapt, maken zich de wachthebbenden uit de voeten, om op een
afstand de gevolgen gade te slaan.”
„Ik hoorde Dalim „parabah” schreeuwen bij het begin van die pret.
Begreept ge dat woord?” vroeg Schlickeisen.
„Dat is de benaming van de krijgslist van het boomen laten vallen.”
„Het is mooi uitgedacht, dat moet erkend worden,” sprak La Cueille.
„Als je zoo’n boom op je bol of op je lendenen krijgt, dan ben je zoo
plat als een velletje postpapier. We zullen bliksems goed onze oogen
den kost moeten geven.”
„Ja, wel zeker, dat zullen we moeten,” antwoordde Johannes. „Maar ik
heb besloten, om voortaan op iederen oever der rivier een twaalftal
mannen te laten marcheeren, die de vaartuigen een vijftig passen
vooruit blijven en, hoewel met elkaar in verband blijvende, het
geboomte doorzoeken moeten, om zoodoende dergelijke vallen onschadelijk
te maken.”
„Maar, hoe wil je die vallen onschadelijk maken?”
„Wel, wanneer menschen ontdekt worden, verjaagt men die of schiet ze
dood. Men zoekt dan de ingekeepte boomen op, die met hun verwondingen
niet moeielijk te ontwaren zijn aan de landzijde. Men houdt dan de
wacht bij den val tot al de rangkans voorbijgetrokken zijn, waarna de
rottantouwen doorgehakt worden en de boom omvalt. Dat zal het voordeel
hebben onze rugzijde te dekken zoowel tegen de Doessonners, die langs
de soengei versterking uit hun negorij kunnen krijgen, als tegen een
vervolging van den kant der Hollanders, wanneer die ons op ’t spoor
mochten zijn. Tegen dien maatregel is geen ernstige bedenking te maken.
In den regel zijn het slechts weinige mannen, die zoo’n parabah
bewaken, en die zullen wel spoedig met geweervuur te verdrijven zijn.”
Met spoed, maar toch zoo behoedzaam mogelijk, werd verder getrokken.
Een tweetal boomen, die op het vallen stonden, werden nog ontdekt.
Maar, zooals Johannes voorzien had, waren een paar schoten voldoende,
om de bewakers te verjagen, en al ras was een driedubbele verhakking in
de soengei daargesteld, die den toegang van de benedenlanden afsloot.
Zoo werd voortgerukt. Het was twee uur in den namiddag ongeveer, toen
men kotta Hamiak in het gezicht kreeg; maar wat daar ontwaard werd, was
alles behalve opbeurend. Men was daar verwoed aan het vechten. Boven de
toppen der palissadeering, die hier, evenals elders in de Dajaklanden,
van afstand tot afstand met gebleekte schedels prijkte, zag men de
verdedigers der kotta in uitdagende houding verschijnen en alles, wat
hen onder handen kwam, werpen naar het hoofd der aanvallers, die op een
paar punten de ompaling trachtten te beklimmen. Op een kleinen afstand
zag men twee kanonstukjes, achter een kunstmatig heuveltje van
rijshout, die van tijd tot tijd hun kogels op de kotta afzonden. Veel
uitwerking van dat vuren was niet te ontwaren, hoewel de aankomenden
het volle gezicht op het geteisterde gedeelte hadden; de zware
ijzerhouten boomstammen, die de borstwering der kotta uitmaakten,
schenen met de kogeltjes te spotten. Het bleek dan ook al ras, dat dat
kanonvuur niet zoo zeer tot doel had bres te schieten, dan wel om de
bezetting vrees aan te jagen en van dat gedeelte der borstwering te
verdrijven. Inderdaad op het midden dier face hadden de Doessonners een
hoop droge takkebossen te zaam gebracht, die tegen de palissadeering
opgestapeld en toen in brand gestoken. Het scheen dat dit vuur al
eenigen tijd gebrand had, hoewel van een beschadiging van de omheining,
die gevaarlijk kon worden voor de belegerden, niet veel te bespeuren
was.
Onze reizigers waren tot nu toe onder de taluds van de diep ingesneden
soengei ongemerkt gebleven en bespiedden den vijand van achter dichte
struiken, die langs den oever groeiden. Nadat Johannes den toestand een
oogenblik gadegeslagen had, wenkte hij Harimaoung Boekit tot zich, wees
hem in de verte een boschje van dicht struikgewas, dat de positie van
het gros der aanvallers vrij dicht in den rug naderde en fluisterde hem
iets in het oor. Grinnekend verzamelde het Poenanhoofd zijn makkers,
stapte met hen aan wal en verdween achter het loof, dat de boorden der
soengei voor het oog verborg. Toen Johannes hen niet meer zag,
verzamelde hij zijn lotgenooten, voegde daaraan nog een dertig
geweerdragende Dajaks, waaronder ook Dalim, toe, drukte de
achterblijvenden onder aanvoering van Amai Kotong goed op het hart de
vrouwen en kinderen te bewaken en te beschermen, en trok daarop recht
op den hoofdgroep der Doessonners los. Tot nu toe waren de bewegingen
onzer reizigers voor dezen verborgen gebleven. Hun strijd met de
Siratters had hun geheele opmerkzaamheid tot zich getrokken; ook een
zekere zorgeloosheid den inlanders zoo eigen, had hen doen nalaten een
waakzaam oog op de soengei te houden. Toen Johannes nu plotseling met
zijn troepje uit het struikgewas te voorschijn trad, was de verbazing
groot. Zij duurde evenwel kort, want aangemoedigd door het geringe
aantal van de naderenden, stoof hun het grootste gedeelte der
Doessonsche strijders met een luid lēēēē lēlēlēlē ouiiit! en de
mandauws zwaaiende te gemoet. Zij dachten met hun verpletterende
overmacht een gemakkelijke overwinning te behalen op dat troepje
hetwelk nog geen vijfendertig man sterk bleek te zijn. Het uitzicht, om
zonder veel inspanning die schedels te kunnen buit maken, lachte de
helden uitermate toe. Met iedere seconde verminderde de afstand
tusschen beide partijen. Johannes wist een voorbeeldelooze tucht onder
de zijnen te bewaren. Geen stem verhief zich, geen geluid werd van hun
zijde vernomen; het scheelde waarachtig weinig of dat troepje
marcheerde in den pas als een sectie afgedrilde rekruten en trok rustig
en kalm vooruit. De Doessonners daarentegen naderden gillend en
tierend, hortend en stootend, met sprongen of in den looppas. Daar
stond eensklaps het troepje van Johannes stil en scheen als aan den
grond genageld. Lēēēēh lēlēlēlēlē ouiiiit! brulden de Doessonners en
stormden vooruit, in de meening dat hun tegenstanders de schrik om het
hart sloeg. De geweren vielen nu evenwel in den aanslag en een flink
uitgevoerd salvo temperde den aanloop aanmerkelijk. Vier der aanvallers
lagen op den grond te kermen. Voordat de Doessonsche helden van hun
verbazing bekomen waren, hadden de Kapoeassers weer geladen en zonden
andermaal hun lood in den dichten drom. Ditmaal vielen zeven vijanden.
De Europeanen hadden zich tot nu toe van de deelneming aan het gevecht
onthouden en spaarden hun vuur, om de eindbeslissing op het wichtige
oogenblik te bevorderen. Nu zich evenwel een soort van razernij van den
aanvallenden troep scheen meester gemaakt te hebben en de vijanden
steeds voorwaarts stoven, openden ook zij hun vuur en verspilden hun
munitiën niet. Ieder schot was raak en het aantal gevallen Doessonners
werd al grooter en grooter. Vooral de repeteergeweren in de handen der
Zwitsers verrichtten andermaal wonderen. Bij de totale windstilte, die
heerschte, was het kleine troepje als in een rookcirkel gehuld, van
waaruit bliksemstralen knetterden, die het als met een muur van lood
omgaven. Toch rukten de aanvallers, niettegenstaande hun verliezen, al
nader en nader. De lansen begonnen zich reeds met de bajonetten te
kruisen; reeds hadden Johannes en La Cueille, die geen tijd meer hadden
om hun trompladers te herladen, de revolverpistolen ter hand genomen.
Vloeken en verwenschingen, angstgillen en zegekreten weerklonken
allerwege. De Europeanen schoten hun laatste patronen, die in de
geweerloopen zaten af, staken woedend de bajonetten in de naakte
borstkassen, of grepen de geweren bij den loop, om de kolf als een
knods te hanteeren en schedels te verbrijzelen of schouders te
ontwrichten. De toestand werd allerhachelijkst. Reeds waren eenige
Dajaks onder de slagen der aanvallers gevallen; Schlickeisen had een
flinken houw over den linkerarm gekregen, die hem buiten gevecht
stelde. Gelukkig dat La Cueille den tweeden houw met zijn geweer
pareerde, den Doessonner de bajonet in den buik stak en nog tijd had
zijn revolver uit den gordel te rukken, om een tweeden, die toeschoot,
à bout portant te vellen.
Maar daar kwam eensklaps verademing. Harimaoung Boekit verscheen met
zijn Poenans in den rug der Doessonners, en wierp zich onverschrokken
met den mandauw in de vuist in hun gelederen. Ontzettend was de kamp,
die zich nu ontspon. De Doessonners dachten er niet aan zich gewonnen
te geven, maar stelden zich wanhopig te weer. Johannes evenwel, van het
oogenblik van verademing gebruik makende, verzamelde zijn troepje, deed
snel herladen en liet nu salvo op salvo geven. Van een andere zijde
deden de verdedigers van kotta Hamiak, na hun brandende palissadeering
gebluscht te hebben, een uitval, tastten de legerplaats der Doessonners
aan, staken die in brand en vermeesterden de twee kanonstukjes, die hen
zoo beangstigd hadden. Toen de vlammen achter hen hoog opdwarrelden,
toen de wanhoopskreten van allerwege weerklonken, toen dat geweervuur
hen teisterde en bleef teisteren, toen begon de moed der Doessonners te
zinken. Nog een salvo, dat Johannes in hun gelederen zond, en waarbij
een lange slungel viel, die als hoofd de anderen aanmoedigde, bracht de
verwarring ten top en nu was er geen houden meer aan; de geheele bende
sloeg op de vlucht. In minder tijd dan noodig is, om het te vertellen,
was de geduchte schaar, die kotta Hamiak belegerd had, uit elkander
gespat en hadden de strijders een toevlucht in de bosschen gezocht.
Maar, daarmede was het gevecht niet ten einde. Een bende van de
verdedigers der kotta stormde ook de bosschen in, om den vijand nog
zooveel mogelijk schade toe te brengen, maar vooral om gevangenen te
maken.
Toen de laatste Doessonners uit het gezicht verdwenen waren,
vereenigden zich de strijders van ons reisgezelschap met de bewoners
der kotta, terwijl ook de rangkans naderbij kwamen en vrouwen en
kinderen aan wal stapten. Een ontzettend tooneel begon al ras. Zoowel
de mannen der kotta, als de Dajaks der rangkans en de Poenans van
Harimaoung Boekit hielden zich onledig met de gevallen vijanden dood of
gewond te onthoofden. Een paar licht gekwetsten werden gespaard; hun
zou een vreeselijker lot beschoren zijn. Toen de koppen verzameld
waren, herhaalde zich het afzichtelijk tooneel van den vorigen nacht,
maar nu op veel grooter schaal. Helaas! de wetten der menschelijkheid
werden door die onwetenden en verwaarloosden wel verkracht.
Bij de opruiming der vijandelijke lijken, die eenvoudig in de soengei
gesmeten werden, ontdekte men dat vijf Poenans en zes Dajaks van het
reisgezelschap gesneuveld waren, terwijl ook de lijken van een drietal
Sieratters gevonden werden. Maar wat de meeste droefheid veroorzaakte
en al de bewoners der kotta in weeklachten deed uitbarsten, was dat ook
Amai Mawong, hoofd van kotta Hamiak bij den uitval, dien hij aangevoerd
had, omgekomen was. Hij was steeds een persoonlijke vijand van
Tomonggong Soerapatti geweest, die jaren geleden hem een dochter
ontstolen had en wien hij op zijn beurt een paar zijner meest geliefde
vrouwen ontkaapt had. Krijgs- en sneltochten, invallen over en weer in
elkanders gebied, waren daarvan het gevolg geweest en de nu plaats
gehad hebbende aanranding van Soerapatti had geen ander uitgangspunt
dan zijn haat tegen Amai Mawong, waarbij zich de zucht gepaard had om
zich op de Kapoeassche en Kahajansche bevolking voor vroegere
nederlagen te wreken.
Het lijk van het geliefde hoofd werd met veel misbaar binnen de kotta
gedragen en daar ten toon gesteld tot dat de begrafenis zoude plaats
hebben. De Poenans en de Dajaks van kotta Djankang maakten alle
toebereidselen, om de lijken hunner makkers den volgenden morgen te
verbranden. Dat is een gewoonte bij sommige stammen, wanneer geen tijd
genoegzaam voorhanden is, om de begrafenisplechtigheden te kunnen
volvoeren. Men sprak de hoop uit, dat de uitgetrokken Hamiakkers een
flink aantal gevangenen zouden maken. Men sloot de gevangen genomen
Doessonners in karandahs op en men haalde bij voorbaat nog meerdere
kooien te voorschijn, om de verwachte slachtoffers te bergen. De nacht
was reeds ingevallen, toen de menschenjagers te huis kwamen. Het was
hun gelukt een troep Doessonners te overvallen, die, uitgeput van de
vermoeienissen, dien dag ondervonden, neergevallen waren, toen zij zich
in veiligheid waanden en in diepen slaap gedompeld lagen. Voor zij zich
te weer stellen konden, waren hun handen en voeten gebonden; zij, die
zich te woest aanstelden, ontvingen een zwaren slag op den schedel, die
hen bewusteloos deed neerzinken. Mededoogen werd niet gekend. Zoo
werden acht menschelijke wezens aangebracht, die onmiddellijk in de
boeien in zekerheid gebracht werden. De volgende zon zoude hun
vreeselijk uiteinde te aanschouwen geven.
Wienersdorf verbond den arm van zijn gekwetsten makker op het
liefderijkst. De wond was wel groot en had nog al bloedverlies
veroorzaakt, maar de houw was meer in een schuine richting aangebracht
en was niet diep doorgedrongen, zoodat weinig gevaar bestond. Een papje
van de fijngewreven bladeren van den boentoek kakoembang werd op de
wond gelegd, om de ontsteking te weren. Johannes regelde nu den
zekerheidsdienst voor den nacht, die trouwens zoo heel zwaar niet
behoefde te zijn, daar een terugkeer van den vluchtenden vijand wel
niet verwacht kon worden, waarna allen zich te rusten legden. Alleen
Wienersdorf en La Cueille gingen hun dulcinea’s nog eens opzoeken, om
heel galant te vernemen, of de ontsteltenis, dien dag ondervonden,
eenigszins bedaard was. Och, zulke tooneelen waren haar niet vreemd; de
deernen waren vrij opgeruimd en verheugden zich van ganscher harte, dat
die gevaren al weer achter den rug waren. Al spoedig zaten de gelieven
bij elkander in een druk gesprek gewikkeld en uitten de beide
Europeanen, volgens de inspraken van hun hart en de mate hunner
ontwikkeling, ruw en ongekunsteld of gevoelvol en beschaafd, maar
beiden onverholen, de hoop om toch spoedig zoo’n land van
verschrikkingen te kunnen verlaten.
De beide verliefde paren zaten met nog eenige jonge dames in het
vertrek, alwaar de meisjes gastvrijheid gevonden hadden. Hamadoe en
Wienersdorf zaten innig met elkander te keuvelen en weldra was hun
omgeving, ja het geheele heelal voor hun liefdevolle blikken, die
elkaar slechts zochten, verdwenen. Het gesprek tusschen Moendoet en La
Cueille vlotte zoo niet. Hij had dien dag vele inspanningen
doorgestaan, misschien had hij ook wel hier of daar een teugje toeak
weten machtig te worden. Hoe het ook zij, hij voelde zich wezenlijk
vermoeid en uitgeput. Na een poos met zijn schoone gepraat te hebben,
werd hij al loomer en loomer, hij strekte de ledematen gemakkelijk uit
op het matje, waarop hij, naast het meisje gehurkt, gezeten had, liet
het hoofd op haar schoot rusten en geraakte in dien verdoofden
toestand, niet zelden in de keerkringslanden, die geen slapen en geen
waken is, waarin het lichaam rust, maar waarbij de geest nog ten halve
werkzaam blijft. Liefdevol zat het meisje hem aan te staren, haar blik
bleef op hem geboeid. Zij hield zich stil, om zijn rust niet te storen.
Bij een beweging, die de slaapdronkene maakte, en waarbij hij met de
hand door de haren woelde, streek zij hem de lokken uit het aangezicht
en bracht die met zachte hand op hun plaats. Zij begon er een soort van
genoegen in te vinden, de vingers door die zijdeachtige haren te laten
gaan, zoo verschillend met de harde haren van haar zelve en van haar
stamgenooten. Zacht streelde zij dat hoofd; maar plotseling begonnen
haar vingers meer bedrijvigheid te toonen. Zij boog voorover en
fluisterde tot een harer vriendinnen:
„Panggoeti.”
Dat woord laat zich zoo gemakkelijk niet vertalen. „Pang” is een
voorzetsel dat „veel” beteekent en „goeti”; wel.... dat is de
„pediculus capitis” der latijnen.
De vriendin schoof naderbij en beide meisjes waren weldra bezig een
vreemdsoortige jacht op het hoofd van den Waal te houden. De vingers
woelden tusschen de lokken en vervolgden het wild op de haarhuid.
Iedere pediculus, die zich liet verrassen, lokte een waas van
vergenoegen op het gelaat der schoonen. Het diertje werd op de hand
gezet, bewonderd, weer tusschen den duim en voorsten vinger gegrepen en
tusschen de lippen van de vriendin gebracht, die het insect tusschen de
tanden deed knappen en zich zoo het verhemelte streelde. Die
vriendschapsbewijzen geschiedden over en weer en gingen met de
gebruikelijke kwinkslagen gepaard. Eindelijk door dat gewiemel op zijn
hoofd uit zijn verdooving geraakt, opende de Waal de oogen en zag zich
niet onaardig geëncadreerd door de beide lieftallige wezens. Hij
glimlachte en trok Moendoet naar zich toe, om haar een kus te
ontrooven; maar op dat oogenblik scheen de jacht juist buitengewoon
voorspoedig te zijn. Beide meisjes haalden de hand bedachtzaam uit zijn
hoofdhaar terug en brachten die te gelijkertijd aan zijn mond. De Waal,
onbekend met wat er omging, opende lachend de lippen en ontving de
levende lekkernij op de tong. Toen hij haar gekrieuwel gevoelde, keek
hij de meisjes een poos aan, die zijn blik met een argloozen oogopslag
beantwoordden. Lang niet gerustgesteld, spoog hij op zijn hand, bekeek
wat hij in den mond had gehad en barstte in een wilden vloek uit:
„Des poux! des poux! sacré saloppes! des poux dans ma bouche!”
En meteen gaf hij ieder der meisjes een oorvijg, die klonk als een
klok. De deernen begonnen zoo te gillen en te schreeuwen, dat een
gedeelte der bewoners van de kotta, in hun nachtrust gestoord, kwam
kijken wat er toch gaande was. Er ontstond toen een leven als een
oordeel. De meisjes beweerden huilende en snikkende, dat zij den vrijer
een beleefdheid hadden bewezen, door hem een lekkernij aan te bieden;
de Waal vloekte en raasde, omdat men hem, volgens zijn beweren, onreine
dingen in den mond gestopt had. De twist liep al hooger en hooger, tot
dat Johannes en Dalim aankwamen en zich lieten inlichten. Nu was de
zaak spoedig opgehelderd. Moendoet werd aan het verstand gebracht, dat
haar vrijer nog te nieuwbakken Dajak was en dat hij nog maar niet kon
vergeten, dat hij Arabier was, en uit een land kwam, waar zulke
gerechten niet op prijs worden gesteld. De Waal vernam, dat de
versnapering, die hem aangeboden was, een wezenlijke attentie geweest
was, die hij met een lompheid beantwoord had.
„Ik laat me villen,” mompelde hij, terwijl hij zich nogmaals den mond
afveegde, „als ik haar nog een zoen geef.”
„En toch zult ge daartoe moeten overgaan,” was het kalme wederwoord van
Johannes, „want je hebt een bewijs van toegenegenheid met een
onbetamelijkheid beantwoord; daar valt niets aan te doen, die moet je
herstellen.”
En Moendoet bij een hand grijpende, bracht hij het mokkende meisje bij
den Waal, die het lieve gezichtje toch al met een soort van spijt en
verlangen aanschouwde. Johannes gaf haar een kleinen duw, zoodat zij in
La Cueille’s geopende armen terecht kwam. Hij kon haar toch niet op den
grond laten vallen. De lippen zochten elkander, een hartelijke zoen
weerklonk en de vrede was gesloten. De Waal benutte een oogenblik, dat
hij meende ongezien te zijn, om zich nogmaals den mond af te vegen.