Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De
„boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In
veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta
Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar
vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas.
Met het aanbreken van den dag waren de reizigers weer tot vertrek
gereed. Toen dat oogenblik gekomen was, deelde Johannes een twintigtal
stengen tabak aan de voornaamsten van kotta Karangan uit; aan de
echtgenoote van het hoofd bood hij een halssnoer van fraaie glaskralen
uit de pacotille van Baba Poetjieng aan, welke oplettendheid zeer
gewaardeerd werd, en dan ook allen argwaan wegnam. Als tegenbeleefdheid
beijverde de gastvrouw zich den vertrekkenden pakjes „parei poeloet”
(ketanrijst) in pisangbladeren gewikkeld, aan te bieden en bij ieder
dier pakjes een flink stuk gebraden „kalamboe-ei” of „bakatak” te
voegen. Een flinke teug dubbel overgehaalden toeak werd ook ieder der
reizigers gegund.
Dien toeak dronk La Cueille met graagte. Hij smakte nog lang daarna met
tong en lippen, veegde zich begeerig den mond af en begon zijn ontbijt.
De kleverige rijst was hem bekend; met wat fijn zout, fijn geraspte
klappernoot smaakte zij niet kwaad. Maar met een wantrouwend oog bekeek
hij de vleeschspijzen, die hem zoo maar in de hand gestopt waren. Hij
rook er eens aan. Verduiveld! die geur kittelde aangenaam zijn
reukorganen. Hij zette er de tanden in en waarachtig de smaak overtrof
nog den geur. Hij verbande alle herinneringen aan paalworm en slangen
en liet zich het zoodje goed smaken, totdat Johannes hem vroeg, of hij
wel wist, wat hij daar at.
„Om het even,” antwoordde de Waal, „’t is afgedriedonders lekker!”
„Als het je maar smaakt, dan is alles goed. Ik vind het ook lekker, al
is het wat vies.”
Met een stuk in den geopenden mond, keek de Waal Johannes aan.
„Wat is het dan?” bracht hij stotterend uit, terwijl hij de hand aan
den mond bracht.
„Neen, laat zitten; ’t is te lekker om weg te gooien. Daarenboven, zoo
erg is het niet. De „kalamboe-ei” is een vuistdikke tuinslak met
prachtige schelp.”
De Waal kokhalsde reeds.
„En het andere?” vroeg hij met vertwijfelende stem.
„De „bakatak” is een groene kikvorsch, die hier allerwege langs de
rivierboorden gevonden wordt.”
„O, mon Dieu!” kreunde de Waal met een verdachte beweging van
zeeziekte.
„Kom, wat is dat voor gekheid!” riep Johannes, „je bent toch nu lang
genoeg in de Dajaklanden, om die meisjesgrillen afgeleerd te hebben.
Daar, drink eens voor het vet.”
En meteen gaf hij hem een bamboemaatje met jenever gevuld over. In een
slok sloeg de Waal den inhoud naar binnen en zei, terwijl hij zich de
maagstreek wreef:
„Fichtre! dat smaakt; voor nog zoo’n borrel eet ik tien slakken op.”
„Dat wil ik wel gelooven,” lachte Johannes, „die tien slakken zouden
evenwel je maag bezwaren. Je hebt daarenboven nu genoeg
hartversterking. Pruim je rijst nu maar op.”
La Cueille gehoorzaamde stipt; maar hij moffelde toch het lekkere
gebraad weg en moest zich omkeeren van walging, toen hij zijn Moendoet
zich met een genotvol gelaat de vingers zag aflikken. Hij nam zich
voor, haar in volle vier en twintig uren geen zoen te geven.
Na afloop van dat lekkere maal nam een ieder weer zijn plaats in de
vaartuigen in, en onder een luid hoera zette zich de rangkanvloot in
beweging.
De stroom werd al meer en meer woest en de vaart moeielijker. Wel had
men heden slechts drie kihams te boven te komen, die daarenboven niet
lang, niet bochtig en derhalve niet veel moeielijkheden opleverden;
maar de rivier zelve werd al smaller en smaller en al meer en meer
ondiep. Haar watervermogen verminderde allengskens en bij iedere
zijrivier, die men voorbijvoer, deed zich dat al meer en meer gevoelen.
Toen men kotta Karangan eenige uren achter den rug had, zagen de
Europeanen in, dat het overgaan in rangkans van een goede bekendheid
met deze streken getuigde. Al had men ook hun prauw tegen de kihams
kunnen ophalen, hier toch had zij de vaart moeten staken.
Van kotta Karangan af was het terrein een ware chaos. De taluds der
rivier vertoonden een onregelmatige opvolging van kalklagen,
diorietmassa’s en zandsteen, hier en daar doorsneden met calcedonen en
vuursteenen, het alles gedekt door een dikke humuslaag, die aan een
rijken plantentooi het noodige voedsel verschafte.
Tegen den middag legde de flotille bij een eilandje aan, dat bestond
uit verblindend wit zand, spaarzaam met kleine afgeronde witte keitjes
vermengd. Een eiland was het eigenlijk niet; het was niets anders dan
een zandbank, die thans bij den lagen waterstand boven de oppervlakte
verscheen. Door de geringe breedte der rivier kon het woud op de beide
oevers dit plekje overschaduwen, zoodat het een bekoorlijk rustpunt
aanbood. Tenauwernood had het reisgezelschap de vaartuigen verlaten, om
zich de beenen wat te ontspannen, toen men een geheele troep „boehies”
[133] door de hooge boomen zag voltigeeren. Nieuwsgierig als alle
vierhandige dieren, naderden zij den boschrand en gluurden, onder het
maken van allerlei koddige luchtsprongen, naar hetgeen de reizigers
daar op dat eiland uitvoerden. Al meer en meer vertrouwvol wordende,
naderden zij, naderden nog meer; ja eenige der jongeren waagden zich
tot op de onderste takken, lieten zich aan hun lange staarten afhangen
en wiegelden zich zoo vlak boven de hoofden der menschen, die zij
bijkans met hun voorhanden konden aanraken. Toen de vertrouwelijkheid
zoo ver gevorderd was, sprak Harimaoung Boekit eenige woorden, waarop
de vier Europeanen hun geweren met groven hagel en gekapt lood laadden
en eenige Dajaks hun blaasroeren grepen.
Nog altijd sprong de lustige apenkolonie boven de hoofden der menschen,
onbewust van het gevaar, dat dreigde. Op een gegeven teeken knalden de
geweerschoten en een twaalftal boehies stortten voor het meerendeel
doodelijk gewond neder. Hartverscheurend was het geklaag, dat deze
gekwetste dieren aanhieven. Hun makkers verdwenen in allerijl. Toch
niet allen; een moeder, die haar jong onder het moordend lood had zien
vallen en zelve ongedeerd was gebleven, liet zich van boven afvallen,
greep haar stervend kind, klemde dat aan de borst en sprong, vóór dat
er zich iemand tegen verzetten kon, te water, dook onder, bereikte den
oever en was in een oogwenk in het dichte groen verdwenen. Een ander
der gekwetsten viel niet. Krampachtig hield hij zich met de
achterhanden vast aan den tak, waarop hij zich kluchtig verlustigde,
toen de menschen hun moordaanslag volvoerden. Een oogenblik hing hij
daar; men kon hem met de hand bijna aanraken. Tranen droppelden hem uit
de oogen en met de voorhanden hield hij zich de borst omklemd, terwijl
het bloed hem tusschen de vingeren doorsijpelde. Daar had hij een
gapende wond, het scheen wel een snee, waarschijnlijk door het
afschampen van een scherphoekig stuk lood te weeg gebracht. Klaaglijk
klonk het gesteun van het arme dier; zijn blik had een weemoedig
verwijtende uitdrukking, alsof het vragen wilde: „wat heb ik u toch
gedaan, om mij zoo te behandelen?” De uitdrukking van dien blik was zoo
meewarig, dat geen der Dajaks, zelfs geen der woeste Poenans een vinger
uitstak, om zich van het dier meester te maken. Allen stonden met het
oog vol deernis toe te kijken. Eindelijk verzamelde de arme boehies al
zijn krachten, greep met de voorarmen den tak, waaraan hij hing, tilde
zich omhoog en zette zich neder. Nu plukte hij eenige bladeren en jonge
spruiten, kauwde die fijn en legde de zoo gevormde pap op de wond. Nu
hield hij zich een wijl stil, als om adem te scheppen; waarna hij zich
met behulp van zijn staart en drie zijner handen, terwijl de vierde de
wond bleef bedekken, langzaam verwijderde en tusschen het donkere loof
verdween.
Bij dat schouwspel èn van die moeder, die alles waagde, om haar kind te
redden, èn van dien gekwetste, die met zulk een welsprekende mimiek de
deernis zijner beulen wist in te roepen, hadden de Europeanen spijt
gevoeld, zich tot die moordpartij te hebben laten verleiden. Maar nog
voor zij hun gevoelens hadden kunnen uiten, waren de Dajaks met den
mandauw in de hand op de gekwetste apen toegesprongen en hadden ze
niettegenstaande hun hartverscheurend geschreeuw in een oogenblik
gedood. Nu begon een afzichtelijk schouwspel. Ieder, die een lijk in
handen hield, haastte zich den buik daarvan open te snijden, om met
volle handen in de lauwe ingewanden te wroeten. In de darmen van
sommige dieren, maar vooral van de boehies, wordt dikwijls een
groenachtige steen ter dikte van een groote erwt aangetroffen. In
vroegere tijden werd dien steen door de blanken een buitengewone
geneeskundige kracht toegeschreven. In Europa werd hij onder den naam
van bezoar ter markt gebracht, alwaar hij toen met het zeldzaamste
edelgesteente in kostbaarheid wedijverde. In den tegenwoordigen tijd is
zijn oude roem, althans bij de blanken, verdwenen, maar bij de bewoners
van den geheelen Indischen Archipel heeft hij nog een zekere waarde
behouden en geldt zulk een groene erwt, zoowel te Batavia als te
Singapore soms 200 gulden.
Onze reizigers waren uiterst gelukkig geweest bij deze vangst. Soms kan
het gebeuren, dat de jager drie, ja meer boehies doodt, alvorens een
„batoe galiga”, zoo is de Dajaksche naam van den bezoar, te vinden.
Thans had men twaalf apen gedood en daaruit werden acht steenen te
voorschijn gehaald, die, wel is waar, niet allen even groot en
onberispelijk van samenstel waren, maar die toch door elkander elk 150
gulden waard waren. Harimaoung Boekit verzamelde ze grinnekend, stopte
ze in een bamboecylindertje en bood ze als een bewijs van dankbaarheid
aan den redder zijns levens en als een bewijs zijner toegenegenheid aan
den aanstaanden echtgenoot zijner zuster aan.
„Dat spekt de mas!” mompelde La Cueille, „Crétonnerre, als ieder schot
honderd vijftig gulden kon opbrengen; jongens! ik ga op den uitkijk
zitten en ieder boehies, dien ik ontwaar is de mijne.”
„Je kunt je de moeite voorloopig gerust sparen,” antwoordde Johannes.
„Die apensoort is zoo heel overvloedig niet. Het kost soms vrij wat
moeite, om er een in het gezicht te krijgen. En nu dat geweervuur
tusschen dien troep weerklonken heeft, drommels! je zoudt hier lang
kunnen wachten, voor dat je er nog een van te zien kreegt.”
„Ik heb nog veel batoe galiga te soengei Miri,” gniffelde Harimaoung
Boekit tegen Johannes. „Als we daar zijn, heb ik u een ruil voor te
slaan voor de kanonnen, die ge van kotta Djankang medegenomen hebt. Die
zou ik gaarne op mijn kotta zien prijken.”
„Als we daar zijn, waarde Amai, zullen we daarover verder praten,”
kreeg de Poenan ten antwoord. „De kanonnen, wellicht ook de geweren,
zult ge kunnen krijgen.”
„Ik begin te gelooven,” mengde de Waal zich in het gesprek, „dat we
niet met ledige handen thuis zullen komen.”
„Dat zou wel kunnen zijn; maar.... voor alles moeten we trachten te
huis te komen; en zoo ver zijn we nog niet, reken daar maar op.”
De Waal zuchtte eens diep.
Terwijl dit alles voorviel, hadden de vrouwtjes van het reisgezelschap
den tijd uitstekend benuttigd, om het maal gereed te maken. Bijna op
alle plekjes van het eilandje brandden vuurtjes en de geheele
atmospheer rook zoo lekker, dat buiten het ongeduld om verder te
stevenen, ook nog de aanspraken van de maag zich deden gelden.
Eindelijk zat of beter lag de geheele reiskolonie, in verschillende
groepen verdeeld, rondom de matten, waarop de gaven des Scheppers
uitgestald en aangerecht waren. Hoopen dampende rijst, bijna sneeuwwit,
droog van korrel gekookt en daarbij een menigte potjes en bladeren als
schaaltjes met toespijs gevuld. Het hertenvleesch van den bok, des
morgens geschoten, verscheen in allerhande vormen, was rechtvaardig
verdeeld en scheen allen goed te smaken.
Op de mat, waarom de Europeanen gelegen waren, stond een koperen pot,
hermetisch met een houten deksel gesloten. Eerst hadden de reizigers
daar niet op gelet; nu de honger ietwat verzadigd was, begon die hun
nieuwsgierigheid gaande te maken.
„Wat zou daar toch in zijn?” vroeg La Cueille.
„Och, dat’s soep,” sprak Johannes, „de lui hebben vernomen, dat die te
Bandjermasin nog al eens gegeten wordt en, om ons te verrassen, hebben
de vrouwtjes die klaar gemaakt.”
„Soep,” vroeg Schlickeisen, „soep? wel dat had je wel eerder kunnen
zeggen, dan hadden we ons maal met een lekker bord kunnen beginnen.
Maar om het even, smaken zal ze toch wel.”
En den pot naar zich toehalende, nam hij het deksel af, en snoof met
wellust de heerlijke geuren, die zich verspreidden, op. Nu stak hij er
een lepel in en maakte aanstalten zich een klapperdop vol op te
scheppen, maar met een kreet liet hij plotseling den lepel vallen,
greep een soort tweetandige houten vleeschvork, stak daarmede in den
pot en haalde iets voor den dag, dat allen—Johannes uitgezonderd—van
ontzetting deed achteruit deinzen. Tusschen de tanden van den vork
bekneld, vertoonde zich als het ontvleesde hoofd van een kind en aan
dat hoofd was nog het lichaam verbonden, dat ten halve nog uit den pot
getild, twee armen met welgevormde handjes vertoonde. Sprakeloos en vol
afschuw keken de Zwitsers en de Waal die gedaante aan. Schlickeisen had
het besef niet, de vleeschvork los te laten. Hij stond daar als aan den
grond genageld.
„Wat is er? wat hebt jullie nu weer voor een kippenkuur?” vroeg
Johannes.
„Maar zie je dan niet?” was het hijgende antwoord van La Cueille.
„Wat, die soep? Zeker zie ik die, die zal drommels lekker smaken.”
„Ze willen menscheneters van ons maken!” gilde de Waal. „Dat nooit!”
„Menscheneters?” vroeg Johannes onnoozel. „Kom, hou me niet voor den
gek.”
En Schlickeisen op zijde duwende, vulde hij zijn klapperdop met de
geurige soep, zette dien aan den mond en slurpte met volle teugen.
„He!” riep hij, eindelijk eens ademhalende, „verduiveld lekker!”
„Hoe kun je zoo iets doen?” vroeg Wienersdorf met diepen weemoed in de
stem. „Verwildert dan de mensch geheel en al in dit gevloekte land?”
„Dat ik wat heb kunnen doen?” vroeg Johannes schijnbaar verbaasd.
„Wel, die menschensoep drinken!”
„Menschensoep?!!”
„Ja, menschensoep! zie je dan dat kind niet, dat Schlickeisen te
voorschijn heeft gebracht?”
De Sienjo had zijn doel bereikt; die domme Europeanen waren er mooi
ingeloopen. Hij schaterde het uit.
„Menschensoep! die krijgt jullie in Europa, zelfs in het Grand Hôtel du
Louvre niet! Onbetaalbaar!” gierde hij uit. „Ik lach me nog een
ongeluk.”
En de vork uit de hand van Schlickeisen grijpende, tilde hij de
vleeschmassa verder uit den pot, waardoor met twee lange beenen, van
handen voorzien, ook een ellenlange staart te voorschijn kwam.
„Een aap!” riep La Cueille.
„Een boehies, een van die, welke wij straks geschoten hebben. De
vrouwtjes hebben dat dier netjes in kokend water gestopt, om hem van
zijn pels te ontdoen en toen een lekkere soep daarvan bereid.”
De Waal en de twee Zwitsers stonden met de hand voor den mond even
ernstige gezichten te trekken, alsof de zekerheid, dat het geen
menschensoep was, hen even ontsteld had, als straks de meening, dat het
een kind was, dat zij gezien hadden. De walging, die zij aan den dag
legden, nu zij overtuigd waren, dat het apensoep was, kon niet erger
zijn, al legde Johannes hun ook uit, dat een aap een der zindelijkste
dieren der schepping is, die zich met niets dan met plantaardig voedsel
voedt en daarbij uiterst kieskeurig is.
„Als gij daar eens mede vergelijkt het varken en de kip,” riep hij uit,
„waarvan het vleesch u zoo smaakt, dan begrijp ik niet, wat ge tegen
het verorberen van een aap hebt.”
„Maar die gelijkenis! ’t is alsof je je broer opeet!” sprak
Schlickeisen nog steeds ontzet.
„Te drommel!” hernam Johannes lachende, „dat is een argument, hetwelk
Darwin vergeten heeft aan te halen, om zijn beroemde stelling
aannemelijk te maken; namelijk, de afschuw, dien de mensch heeft van
apenvleesch, omdat hij het bewustzijn heeft zijn broeder op te
peuzelen. ’t Is waar, dat de Dajak dien afschuw niet kent en dien ook
niet voor het menschenvleesch gevoelt.”
Johannes kon oreeren als wijlen Demosthenes, maar overtuigen kon hij
zijn makkers niet. De soep bleef dan ook onaangeroerd, behalve de
flinke portie, die hij zelf er van verorberde en het been, waarvan hij
de kuit met graagte afkluifde en die hem bijzonder smaakte.
Toen het maal verorberd was, werd de reis voortgezet Sedert het vertrek
van kotta Djankang was het terrein al meer en meer oploopend geworden;
het waren evenwel nog slechts heuvels, die men ontwaard had, waarvan de
hoogste slechts 250 voet bereikten en waartusschen de Kapoeas zich heen
slingerde. Van nu af begonnen de reizigers in het noorden en
noordwesten een bergketen in het gezicht te krijgen, die als zeer
uitgesneden, een menigte toppen in de verte vertoonde. Johannes wees
zijn makkers die keten en duidde hun aan, dat zij daarover moesten, om
de Chineesche zee te kunnen bereiken. Maar, voegde hij er zuchtende
bij:
„We beginnen thans de zuidelijke helling te zien; wanneer wij de andere
helling zullen afdalen, dat weet God alleen.”
Met kracht werd voortgeroeid. Het kon omstreeks drie uur in den
namiddag zijn, toen Amai Kotong het teeken gaf, om aan te leggen. Men
bevond zich toen voor de monding der soengei Samoehing, die men, na een
korte beraadslaging onder de Dajaks, binnen stevende. Johannes vroeg
aan Harimaoung Boekit, wat dat te beteekenen had, daar men nog ruim een
drietal uren zou kunnen doorreizen en wellicht Toembang Roengoi
bereiken. Zonder antwoord te geven, wees de Poenan naar den hemel in
het noorden, die daar erg donker uitzag en een onweder voorspelde.
Dalim vertelde den Europeanen, dat een „soho” een watervloed, in de
maleische streken „bandjer” genaamd, hier zeer gevaarlijk kon zijn. Het
water rijst dan plotseling en stroomt met onweerstaanbaar geweld. De
vaartuigen, er door overvallen, worden in weerwil van alle inspanning
medegesleept en loopen groot gevaar in den een of anderen labehoe
(draaikolk) te gronde te gaan, of op de rotsen der kihams verbrijzeld
te worden. Zoodra men binnen de monding der Samoehing was, beijverden
de reizigers zich, de lichte rangkans zoo hoog mogelijk op den zacht
glooienden oever te halen, om ze buiten het bereik van het water te
brengen. Ter nauwernood was men met dien arbeid klaar, of een gerommel
liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader
kwam. De Europeanen meenden, dat het werkelijk het geluid van een
onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt,
daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dichten
wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te
vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven,
alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel. Dalim riep
evenwel de deserteurs tot zich, beklom met hen den boekit (heuvel), die
de landtong vormt tusschen de Kapoeas en de Samoehing. Aan de
oeverzijde was dat niet gemakkelijk, daar door het herhaalde rijzen der
wateren, alle plantengroei belet was en de helling vrij steil omhoog
liep. Maar na een kleine inspanning waren zij boven en hadden van daar
een ruim vergezicht over de rivier. Alles was doodstil in de natuur,
geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die
kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken
drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke
hitte, die de zweetdroppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een
spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid, die
niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping
zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed
zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem
beheerschte alles, geweldig, machtig, als de stemme Gods, die zij ook
was.
„Ziet! ziet!” riep Schlickeisen, die in angstige verbazing de hand naar
het boveneinde van den stroom uitstak.
Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam, en nu den
heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te
omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voet
hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar
de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde,
schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer
machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de
ontzaglijke baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof
zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing
omklemmen en uit de voegen, die hem geketend hielden, dringen wilde, om
hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van
wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en
donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder
een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven,
dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich,
om weer, aan een machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei
der wateren paarden zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen
verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd,
wanneer die rotsbrokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen
anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des
waters medegevoerd; groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van
klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water,
waarop zij een poos schenen te drijven, alvorens te zinken, zoo groot
was de kracht en de snelheid van den stroom.
De verschijning van dien watermuur duurde maar een oogenblik, den tijd
ter nauwernood dien een sneltrein noodig heeft, om den wandelaar
vooruit te stuiven. Toen hij voorbij was, was de rivieroppervlakte
twaalf tot vijftien voet hooger dan een oogenblik te voren, en ging die
nog voort te stijgen. Loeiend rolde de gele drabbige watermassa, waar
straks een kristalheldere rivier ruischte en klaterde en over helder
wit zand en reine kiezelsteentjes voortschoot.
Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren;
maar nog voordat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was,
werd hun bewondering afgeleid. Want, alsof die voortijlende watermassa
het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit
los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende
bliksemflits geopend, waarop een ratelende donderslag volgde, die de
voorbode was van een menigte anderen, die van verscheidene punten van
het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich
een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter
aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen
met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde, om
zijn verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er, alsof alle
geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den
voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het
gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende
boomen, het gehuil van den stormwind, het angstig getjilp der vogelen,
het klagend geschreeuw der apen, en vormde, hoe wanluidend iedere toon
op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich
wild en woest verhief, maar het hart met ontzetting vervulde en tot
bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.
Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het
aardrijk, totdat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden
houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel,
geen droppels die neerdaalden, maar waterstralen, die door den wind
gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den
gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinige
passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken
en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling
van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.
Nu spoedden onze zwervers den heuvel af om zich bij hun makkers te
voegen. Zij vonden daar allen bedrijvig, want de plotselinge stijging
der wateroppervlakte was van zoodanigen omvang geweest, dat al zeer
spoedig werd ingezien dat de rangkans niet hoog genoeg op den wal waren
gehaald. Gelukkig dat de eerste aandrang des waters voorbijschoot
zonder de vaartuigen te bereiken. Maar bij de voortdurende stijging van
het water, begreep men dat alles gedaan moest worden om de
vervoermiddelen in veiligheid te stellen. De vier Europeanen togen mede
aan den arbeid en met de kracht, door die vier paar armen aangebracht,
vorderde hij snel, zoodat in weinig tijds de vaartuigen buiten bereik
van gevaar lagen.
Het onweder duurde nog geruimen tijd met onbezweken kracht voort,
waarna het zich in zuidwestelijke richting verwijderde. De
bliksemstralen werden minder scherp en schichtvormig en gingen meer
over in ontvlammingen, die het heelal schenen in vuur te zetten; de
donderslagen werden minder menigvuldig, de tijdruimte tusschen die
slagen en de bliksemflitsen werd gedurig grooter en het geluid zwakker.
Ook bedaarde de wind allengskens en ging de plasregen in een fijnen
stofregen over, die ook weldra ophield; terwijl de wolken, zich
verdeelende, het hemelazuur lieten aanschouwen en een gulden straal der
ondergaande zon het aardrijk kwam verkondigen, dat de strijd uitgewoed
had. Alleen de rivier bleef nog verbolgen en stuwde haar drabbige
wateren grommig en loeiend voort. Maar vóór nog de zon aan de westerkim
wegdook, was de stijging tot stand gekomen en vóórdat de nacht
ingetreden was, hadden de reizigers zich kunnen vergewissen, dat een
daling merkbaar was. Allen legden zich dan ook vertrouwvol onder de
hoede der schildwachten te rusten.
Den volgenden morgen was ons reisgezelschap al heel vroeg tot vertrek
gereed. Wel was de rivier gedurende den nacht sterk gevallen, maar toch
kon de waterafvoer in vergelijking met de vorige dagen nog zeer
aanzienlijk genoemd worden. Er stond ruim zes voet meer water dan daags
te voren. Door den zwaren stroom zoude meer krachtsinspanning gevorderd
worden, om vooruit te komen; daar stond echter tegenover, dat, nu de
watermassa over een aantal beletselen heen rolde en die diep bedolf,
men daarover heen kon varen welke gisteren nog in allerlei bochten
vermeden moesten worden.
Even voorbij het omvaren van den eersten hoek, werden de reizigers een
aanzienlijke versterking gewaar, kotta Samoehing genaamd, alwaar
alarmkreten weerklonken en op de garantongs geslagen werd, toen de
bewoners de flotille rangkans in het oog kregen. Deze kotta verhief
zich op de helling van den heuvel, op welks top de Europeanen den
watervloed daags te voren hadden gadegeslagen. Die top had nog al
uitgebreidheid en de hellingen waren zeer dicht begroeid; terwijl de
Kapoeas langs twee zijden van den heuvel kronkelde, waardoor die
versterking, als in het groen verscholen, aan hun oog onttrokken was
geweest. Johannes beijverde zich de Nederlandsche vlag te laten
wapperen, terwijl Amai Kotong de menschen aan den wal toewuifde en hun
woorden van vrede en geruststelling deed hooren. Toen de Samoehingers
het oude hoofd van kotta Djankang herkenden, bedaarde hun
angstvalligheid en hielden de alarmkreten op. Bij het aan wal stappen,
vernam Amai Kotong, dat een gerucht liep, volgens hetwelk de
Doessonners onder aanvoering van Tomonggong Soerapatti in de
Kapoeasstreken zouden gevallen en dat Dajaksche hoofd thans met de
bewoners van soengei Sirat aan het oorlogen zoude zijn. In den omtrek
van kotta Samoehing was nog geen vijand verschenen; maar er werden
angstwekkende verhalen van de voornemens van dien woesteling gedaan,
als zoude hij de bewoners der Kapoeas te vuur en te zwaard willen
vernielen, om zich te wreken over een nederlaag, die de Doessonners in
vroegere jaren geleden hadden. Dat waren voor onze Europeanen geen
opbeurende berichten, ook niet voor het overige reisgezelschap. De weg,
dien zij af te leggen hadden, leidde langs de soengei Sirat en de
tijding dat die weg door den erfvijand van de boven-Kapoeas bezet werd,
was wel geschikt om een ieder neerslachtig te maken. Johannes evenwel
zag in, dat hij die stemming geen vorderingen mocht laten maken, daarom
riep hij Amai Kotong, Harimaoung Boekit, zijn drie makkers, alsook
Dalim en het hoofd van kotta Samoehing, Amai Pari genaamd, in de tomoi,
die aan den voet van de versterking lag, bijeen, om te beraadslagen,
wat er te doen stond.
„Wat er te doen staat,” zei Amai Pari, „is terugkeeren, van waar gij
gekomen zijt.”
„Ja,” viel Amai Kotong, wien de angst op het gelaat te lezen stond, in,
„ja naar kotta Djankang terug.”
„Hoe sterk worden de Doessonners geschat?” vroeg Johannes.
„Men spreekt van 1200 man.”
„Hebben zij vuurwapenen?”
„Slechts zeer weinig geweren zijn door de verspieders opgemerkt,
misschien een zestal; maar zij voeren vier garaboes met zich om de
borstweringen der kotta’s aan splinters te schieten.”
„Hoeveel mannen tellen wij?” was de vraag van Johannes aan Amai Kotong.
Deze keek hem verwonderd aan en antwoordde eerst niet, zoodat de vraag
herhaald moest worden.
„Dat weet gij zoo goed als ik.”
„Jawel, maar ik wilde het nog eens uit uw mond hooren.”
„Nu, als dat uw wensch is. Wij tellen alles en alles 84 weerbare
mannen.”
„Flinke, stevige kerels, niet waar? En hoeveel geweren hebben wij?”
„Ik meen zes en veertig.”
„Dat is juist,” viel La Cueille in. „Veertig te Kwala Hiang buit
gemaakt, onze vier modelgeweren en dan de twee remmingtons van den
luitenant. Maar we hebben ook nog twee revolverpistolen, systeem Le
Faucheux, alles is in zeer goeden staat; daar heb ik voor gezorgd.”
„En we zouden naar kotta Djankang terugkeeren!!” barstte Johannes in
woeste drift los. „Wij zouden naar kotta Djankang terugkeeren, om ons
daar door de blanken gevangen te laten nemen. Om u als weerspannig
hoofd te zien ophangen, omdat gij de wetten der herbergzaamheid
geëerbiedigd hebt en uw kotta tegen de blanken verdedigd hebt? Om
Harimaoung Boekit de ijzers aan de handen te zien slaan en om hem tot
dwangarbeid te hooren veroordeelen; dat wil zeggen, zijn leven lang
steenen te kloppen of de billen van de kinderen eens residents te
wasschen; omdat hij een onverbeterlijke koppensneller is? Zeg, Amai,
zijn we dan oude wijven, of klopt ons een mannenhart in de borst? Neen!
bij Mahatara en bij alle Sangiangs! geen stap terug, dat zeg ik u. Met
zes en veertig geweren in de handen van kerels, zooals wij zijn,
daarmede is Poeloe Kalimantan van het eene einde tot het andere door te
trekken en ik wil dien Soerapatti wel eens onder de oogen treden,
wanneer hij het wagen zoude, ons te willen weerstaan.”
De sienjo stond daar schoon in zijn verbolgenheid, aan een bronzen
beeld der verontwaardiging gelijk. Harimaoung Boekit, door zijn woorden
medegesleept, had zijn mandauw ontbloot, zwaaide dien met de
rechterhand, terwijl hij de hand van Johannes met de andere gegrepen
had.
„Neen!” brulde hij meer dan hij sprak, „neen geen voetstap terug!
Integendeel, voorwaarts! voorwaarts!! opdat wij die oude wijven van de
Doesson eens onder de oogen krijgen. Het zal de eerste maal niet zijn,
dat zij door de Ngadjoe’s van Kapoeas en Kahajan op de vlucht zullen
gedreven worden. Vooruit! vooruit! daar ligt de weg!”
Die ontboezeming was aanstekelijk. Zoowel Amai Kotong als Amai Pari
stemden met dien kreet van, „vooruit!” in; maar ook de menigte, die
buiten de tomoi de opgewonden toespraak van Johannes en die van
Harimaoung Boekit gehoord had, hief een luid gejuich aan, waarbij de
Poenans, als echte zonen der wildernis, zich niet onbetuigd lieten. Er
werd nu besloten dat het reisgezelschap den tocht dadelijk zoude
vervolgen en de Samoehingers verbonden zich een dertigtal strijders te
leveren, die zich onmiddellijk zouden gereed maken, in dier voege, dat
zij de anderen nog voor hun aankomst aan de monding der soengei Sirat
met hun rangkan zouden ingehaald hebben. De Samoehingers gingen daartoe
te eerder over, daar ook zij bij de verdrijving van den
gemeenschappelijken vijand groot belang hadden en de bewoners van
soengei Sirat hun stamgenooten waren en meest allen tot hun verwanten
behoorden. Ook het aantal vuurwapenen, die het reisgezelschap bij zich
had, legde gewicht in de schaal en deed aan de overwinning niet
twijfelen.
Na het ontbijt verorberd te hebben was de flotille een uur later weer
op weg en stevende de Kapoeas verder op. Volgens alle berekening zou
het de laatste dag zijn, dat onze zwervers dien stroom zouden
aanschouwen. Vóór den avond zouden zij de monding van de soengei Sirat
bereiken en van daar ging de weg westwaarts die nevenrivier op. Het was
nu drie en dertig dagen geleden, dat zij Kwala Kapoeas verlaten hadden,
om hun zwerftocht te beginnen.
Onvermoeid en onverpoosd werd voortgeroeid. Niets werd evenwel
ontwaard, wat den tocht kon vertragen of ook maar onrust kon baren.
Maar ook geen enkele djoekoeng op de rivier, geen menschelijk wezen op
den wal werd ontmoet of gezien, bij wien men inlichting zoude hebben
kunnen inwinnen. Het was of de streek uitgestorven was.
Het terrein klom al meer en meer. De taluds evenwel en de bedding der
rivier waren niet meer zoo rotsachtig; de grauwe klei en het dito
gekleurde zand werden langzamerhand vervangen door een roodachtige
vette klei, waartusschen in de oeverhellingen maar zeer weinig
rolsteenen ontwaard werden. De rivier was diep ingesneden; soms moest
de blik zich heel hoog richten om den hellingrand te bespeuren. Wel
verhieven de heuvels, die bespeurd werden, zich al meer en meer; maar
hun gedaante was minder grillig, meer eenvormig met afgeronde toppen en
flauwe hellingen. Prachtige bosschen verhieven zich aan weerszijden der
rivier; er was echter geen tijd om die te betreden; onze reizigers
konden hen slechts in het voorbijvaren bewonderen. Van tijd tot tijd,
wanneer een dalspleet zich opende, waardoor een riviertje zich baan
brak naar de Kapoeas, en de loofwand het veroorloofde, werd men het
naderend hooggebergte gewaar, dat in het noorden en noordwesten zich
als een blauwe gekartelde band vertoonde.
Om den gang der rangkans niet te vertragen, en zich niet te zeer te
vermoeien, losten de roeiers elkander regelmatig af. Bij een dier
verpoozingen, welke de Europeanen genoten, waren zij in hun rangkan bij
elkander geschoven, om het gehoorde te kotta Samoehing te bespreken.
Het was trouwens wel der moeite waard. Johannes bracht zijn makkers
geheel op de hoogte van wat er gaande was en legde hun uit, hoe netelig
hun toestand geworden was.
„Niemand wil ik ontmoedigen,” sprak hij, „integendeel, ’t zal een
vereischte zijn al onzen moed, al onze geestkracht bij elkander te
houden. Maar om den toestand onverschrokken en onbevangen onder de
oogen te treden, om hem te kunnen beheerschen, is het noodig hem geheel
en met al zijn gevaren te kennen. Vooruit, zullen we te midden van een
inlandschen oorlog met al zijn verschrikkingen geraken; terug kunnen we
niet, dat zou aan zelfmoord gelijk staan.”
„Zouden de Hollanders het zoo erg met ons maken?” vroeg Schlickeisen.
„Ze zullen ons niet ter dood brengen, maar of een veroordeeling tot
tien jaren tuchthuis te Samarang of detentie te Willem I niet als erger
te beschouwen is, laat ik aan de beslissing der vrienden over.”
„Tien jaren voor een uitstapje! kom, je neemt een loopje met ons,”
sprak La Cueille.
„Nou, wil jij het er op wagen? maar bedenk dat ze daar ginds dat
uitstapje: desertie in tijd van oorlog met medeneming van wapens,
zullen noemen. Bedenk, dat we ons met die wapens tegen het wettig gezag
verzet hebben. Allen, heldendaden bij het crimineel wetboek voor de
landmacht voorzien en waarop de strop staat. Zij zullen meenen al
drommels veel medelijden met ons te toonen, wanneer ze ons het leven
zullen schenken. De gedachte evenwel dat zij in ons vier flinke
schoenmakers zullen aanwerven, zal hen wel tot genade stemmen.”
„Neen, aan terugkeeren valt niet te denken,” sprak Wienersdorf ernstig.
„We zitten in het schuitje en moeten mede, laten we daarover geen
discussie meer voeren. Maar wie is die Soerapatti? Is dat dezelfde die
het stoomschip Onrust vermeesterde, waarvan je laatst vertelde?”
„Dezelfde. Hij is het erkend opperhoofd van de boven Doesson, alsook
van het landschap Siang en Moeroeng, dat zich tusschen die rivier en de
grenzen van Broenei uitstrekt. Als befaamd koppensneller is hij steeds
in oorlog met de omliggende stammen. Vooral is hij erg op de bewoners
van Kapoeas en Kahajan gebeten; die hebben steeds veel te lijden gehad
van zijn invallen.”
„Maar de Dajaks van de Doessonlanden zijn toch van denzelfden stam als
die uit deze streken. Waarom zijn zij zoo op elkander gebeten?”
„Vrouwengeschiedenissen, anders niet. Bij snel- en strooptochten worden
wel eens maagden, zelfs getrouwde vrouwen, wanneer deze zeer schoon
zijn, ontvoerd, die dan willens of onwillens de echtgenooten der
overwinnaars of beter hunner ontvoerders moeten worden. Zoo’n
vrouwenroof geeft steeds tot représailles aanleiding, waardoor men
vrouwen van beide partijen in de tegenovergestelde kampen aantreft. Dat
is de oorsprong van dien heilloozen haat, die tusschen de telgen van
een en denzelfden stam bestaat, waarbij evenwel ook nog de zucht tot
koppensnellen gevoegd moet worden.”
„Jawel, pas op je kop,” lachte La Cueille, „we hebben die machtspreuk
lang niet gehoord; ’t wordt tijd dat je die weer eens oprakelt.”
„Ja, pas op je kop! je bent hier in het land van de koppensnellers en
houd je er van verzekerd, dat alles wat je daaromtrent tot nu toe
gezien hebt, slechts kinderspel geweest is.”
„Nu ja, we zullen oppassen.”
„Bestaan er in de volksoverlevering verhalen van merkwaardige feiten
uit dien heilloozen krijg?” vroeg Schlickeisen.
„Ja eenige. In soengei Sirat zullen we Mawong, het hoofd van kotta
Hamiak ontmoeten, dat is een van de bitterste vijanden van Soerapatti,
die zal ons wel het een of het ander verhalen, als je daarop belust
zijt. Maar van één krijgstocht van Soerapatti wil ik je toch vertellen,
die is nog al merkwaardig. Die speelt ook niet in deze streken, maar in
de benedenlanden, tot waar de Doessonners in 1833 doorgedrongen waren.
Luistert.