Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van kotta Djankang.—Kotta Batoe
Sambong.—De legende van den batoe sambalajong.—De Kiham Hoeras.—De
bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De
boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts, de
Kapoeas op.—De karangan’s.—Kotta Karangan.
Gelukkig bleef Harimaoung Boekit verder van koorts bevrijd. De almacht
van Johannes was dus ten volle bewezen, hetgeen zijn prestige niet
weinig verhoogde. De ziekte van het Poenanhoofd had aanleiding kunnen
geven de voorgenomen reis te vertragen; nu bestond daartoe geen enkel
voorwendsel meer. De deserteurs drongen dan ook op een spoedig vertrek
aan en met te meer klem, dewijl zij zeer goed inzagen, dat, waar zij
thans zaten, een overval tot de zeer mogelijke gebeurtenissen behoorde.
Het verwonderde hen reeds, dat zij nog niets van de benedenlanden
vernomen hadden. Maar bij den eigenaardigen geest der inlandsche
bevolking van Nederlandsch Indië, die van geen haast weet en voor wie
het besef van tijdruimte bijna niet bestaat en dus haar beteekenis
mist, was niet tot meer spoed te drijven. Steeds kwam er iets in den
weg; nu eens moest dit of dat nog voor de reis toebereid worden; dan
weer moest voor het vertrek een gewichtige basara (proces) uitgewezen
worden; een andere keer had de Antang kwade voorteekens gegeven en
moest de reis uitgesteld worden om onberekenbare maar toch zekere
rampen te ontgaan. De Europeanen waren soms wanhopig onder al dat
gedraal; zij waren nu al veertien dagen te kotta Djankang en onmogelijk
zagen zij kans, zonder zich bloot te geven, aan dat gezeur paal en perk
te stellen. Gelukkig dat van een andere zijde aandrang kwam, en aan dat
getalm een einde maakte.
Op een morgen kwam een djoekoeng aan, door de gezanten afgezonden,
waarbij zij berichtten, dat wel is waar, de onderwerping van kotta
Djankang door het Nederlandsch bestuur aangenomen was, maar dat de
kommandant van Kwala Kapoeas zelf zoude komen met een stoomschip om den
toestand op te nemen en het nieuw gekozen hoofd af te halen; ten einde
den eed van getrouwheid in handen van den resident te Bandjermasin af
te leggen. Bij vertrek van Kwala Kapoeas, was men daar ieder oogenblik
het stoomvaartuig wachtende, dat dien kommandant zoude overvoeren. De
berichtgevers hadden dag en nacht doorgeroeid en op iedere geschikte
plaats van roeiers verwisseld, om maar tijdig aan te komen.
Die tijding hielp. En Harimaoung Boekit èn Amai Kotong begrepen, dat nu
ieder oogenblik dat vuurschip kon verschijnen en dat, wanneer het
gebeurde, van een geregelde verhuizing, zoo als zij die voor hadden,
geen sprake meer kon zijn, maar dat slechts een overijlde vlucht in de
wildernis hun leven zoude kunnen redden. Nu was alles in rep en roer en
waren alle handen ijverig bezig om de laatste toebereidselen te maken
en de laatste beschikkingen te treffen. Nu dacht niemand meer aan het
beeindigen van basarda’s; nog minder bekreunde zich iemand omtrent de
vlucht der Antangs. De laatste nacht, dien men te kotta Djankang
doorbracht, ging onder allerlei beslommeringen voorbij; en bij het
aanbreken van den dag was men in zoover tot vertrek gereed, dat nog
slechts de kanonnen, die men dien nacht voor alle zekerheid nog in
batterij gelaten had, aan boord der rangkans te brengen waren. Met de
pootige armen onzer Europeanen was dat in een oogwenk geschied; en....
ja nu begon een afscheidnemen, waaraan geen einde scheen te zullen
komen, toen Johannes eensklaps uitriep, terwijl hij met den vinger naar
het zuiden wees:
„Banama asep! banama asep!!” (een rookschip, een rookschip.)
En werkelijk, boven den boschrand aan den zuiderhoek kronkelde een
rookwolk omhoog. Dat gaf uitkomst. In allerijl nam nu een ieder plaats
in de vaartuigen en in minder tijd, dan noodig is om het te vertellen,
waren de tien rangkans, die de 165 personen, waaruit de volksverhuizing
bestond, met al hun have en goed bevatten, van wal gestoken. De
beseai’s kliefden krachtig het water, de lichte vaartuigen schoten
vooruit; nog een hoera! zoowel door de vertrekkenden aangeheven, als
door de achterblijvenden op den oever geschaard, en weldra was de
kotta, die onze reizigers zoo gul opgenomen had, voor hun oogen
verdwenen. Wel veegde Amai Kotong met den rug zijner hand een traan
weg, die hem over de wang biggelde, bij het herdenken, dat hij daar op
die plek, het grootste en schoonste gedeelte zijns levens gesleten had,
maar met de kinderlijke veranderlijkheid, den inlander zoo eigen, was
die traan weldra opgedroogd, en de herinnering uitgewischt, vooral toen
hij de beseai opnam, om mede te roeien.
De rook, dien Johannes gezien had, was een loos alarm geweest; het was
slechts de rook van een vuur, dat de wachthebbenden op dien hoek
waarschijnlijk gestookt hadden. Maar die rook had de goede uitwerking
van de roeiers tot verdubbelden spoed aan te zetten en het gevolg
daarvan was, dat in den letterlijken zin des woords de rangkans
vooruitvlogen.
In het voorbijvaren kon La Cueille nog eens een blik werpen op de
steenkolenader, die zich daar zoo gitzwart vertoonde tusschen het grijs
van de schieferklei, waaruit de oever bestond, en waartusschen die ader
besloten lag. Maar weldra waren zij die voorbij en bereikten zij nu de
zone van de kalkformatie. Het terrein werd hier woester, de oeverwanden
naakter; meestal verhieven zich die wanden loodrecht uit het water,
soms helden zij schrikwekkend over de oppervlakte en dreigden met dood
en verderf.
Nog altijd evenwel behield de rivier haar effen spiegel. Wel joegen
haar wateren met spoed voorwaarts, maar zij was nog steeds bevaarbaar
en de effenheid harer oppervlakte kon gerust tot die van haar bodem
doen besluiten. Wel waren er in sommige bochten wielingen en
draaikolken zichtbaar en golfde het water over kalkrotsen, die van de
uitgespoelde oevers waren afgestort; maar met wat omzichtigheid en
kennis van het vaarwater, waren die plaatsen wel te mijden en leverde
de Kapoeas nog altijd een breed vaarwater, waarop een niet te lang
stoomscheepje van zes voet diepgang zonder veel bezwaren had kunnen
manoeuvreeren.
Een paar uren na het vertrek werd kotta Batoe Sambong bereikt. Amai
Kotong stapte daar een oogenblik aan wal, om het hoofd van dien
kampong, waarmede hij jaren lang als een goed buurman in vrede geleefd
had, vaarwel te zeggen. Belangstellend kwamen de kottabewoners de
vertrekkenden bij de prauwen begroeten en boden hun gebak en daarbij
een hartigen teug toeak aan. Beiden werden dankbaar aangenomen, en niet
alleen La Cueille, maar allen, zelfs de vrouwtjes, die, voor zoover
haar krachten zulks toelieten, ook de pagaai hanteerden, lieten zich
een mondvol van het hartversterkende vocht goed smaken. Bij het vertrek
was de aandoening algemeen; van weerszijden verloor men goede buren; in
een land als dit waren die wel te waardeeren. En welke zou men in de
plaats krijgen?
Het oponthoud had niet lang geduurd, een half uur hoogstens; maar toch
nog veel te lang voor het ongeduld van Johannes. Die vooral voelde zich
niet gerust, voordat hij den eersten waterval, dien slagboom voor de
stoomschepen, achter den rug zoude hebben. Eenmaal daar achter, kon hem
een uurtje dralen minder schelen. Dan konden de reizigers niet zoo
plotseling en ook niet door zoo’n verpletterende overmacht overvallen
worden. Moesten de Hollanders ook in rangkans tegen die watervallen op;
och, dan kon men zich verweren, dan kwamen de kansen meer gelijk. Maar
tot zoolang klonk zijn leus maar: vooruit! vooruit!! vooruit!!!
Op een korten afstand van kotta Batoe Sambong passeerde men een
alleenstaande kalkrots van ongeveer 50 voet hoogte, die, toen Johannes
zijn makkers er opmerkzaam op maakte, uit de verte gezien, den vorm
bleek te hebben eener reusachtige vrouw met den hoofddoek om het hoofd
gewonden in knielende houding. Tegen den voet dier rots brak de Kapoeas
kokend en schuimend en veranderde nagenoeg rechthoekig van richting.
Johannes vertelde hun verder, dat het aan dien steen was, die „batoe
sambalajong,” saamgetrokken, „batoe sambong” heette, dat de kotta in de
nabijheid gelegen, haar naam ontleende.
„Wat beteekent sambalajong?” vroeg Wienersdorf.
„Sambalajong is de naam van den witten hoofddoek, dien de weduwen
dragen. Zoodra haar echtvriend dit tranendal verlaten heeft, is de
Dajaksche vrouw verplicht, zich geheel in het wit te kleeden en dus ook
een witten hoofddoek te dragen.”
„Bijgevolg is wit de rouwkleur der Dajaks?” viel La Cueille in, „dat ’s
net als bij de Chineezen.”
„Slechts met dat verschil, dat alleen het eerste stel kleederen, dat de
weduwe na het overlijden aantrekt, wit moet zijn. Is dat versleten, dan
moet zij het vervangen door een geheel zwart pak en dat dan dragen
totdat het Tiwahfeest gehouden is.”
„Wat is dat voor een feest? Zoo een hebben wij nog niet bijgewoond,
niet waar?” vroeg Schlickeisen.
„Neen, en het is niet te hopen dat wij er een te zien zullen krijgen.
De Dajaks gelooven, dat na het overlijden de liau, de ziel of beter de
levensvonk, naar den „Kawawohan boelau” (Dajakschen hemel) verhuist,
maar dat de „karahang” of de ziel van het stoffelijk gedeelte des
lichaams in de nabijheid van het lijk blijft zweven, totdat een groot
feest, Tiwah [129] geheeten, gegeven is, waarbij de Balians haar
bezweringsgezangen gillen om de karahang den hemel binnen te geleiden
om met de liau tot een „hambaroeang” (volmaakte ziel) vereenigd te
worden.”
„Mooi, dat weten we al weer,” meende La Cueille. „Maar, waarom heet die
kalkrots batoe sambalajong?”
„Wel zie je dan niet, dat dat vrouwenbeeld een sambalajong, een
weduwendoek op het hoofd heeft? Men zou batoe sambalajong of batoe
sambong kunnen vertolken door weduwensteen, wat ook in de eigenlijke
bedoeling heeft gelegen.”
„Hoe zoo?” vroeg Wienersdorf nieuwsgierig. „Aan dien steen is zeker een
legende verbonden, hè?”
„Ja zeker, evenals aan alle dergelijke steenen hier in de Dajaklanden.
En een drommels mooie legende ook. Ik heb ze hooren vertellen bij een
tocht, dien ik toen met den kommandant in deze streken gemaakt heb. Ik
heb ze voor hem moeten opschrijven; daarvan weet ik ze zoo goed.
Luistert:
„Daar ter plaatse, waar nu die steen staat, zou volgens de overlevering
vroeger een hutje gestaan hebben, waarin de gelukkigste echtgenooten in
de Dajaklanden zouden geleefd hebben. Maar helaas! niet steeds is in
dit ondermaansche het geluk bestendig van duur. In de verre bovenlanden
was een machtig opperhoofd gestorven en, om dien een prachtige uitvaart
te geven, moest een groot aantal ongelukkige pandelingen geslacht
worden. Wel had men een zeker aantal dier rampzaligen beschikbaar; maar
zooals het hier in de bovenlanden wel meer gebeurt, de erfgenamen
vonden het veel meer met hun belangen strookende, andere menschelijke
wezens te offeren, dan wel hun eigen pandelingen, die, alles goed
gerekend, toch door elkander een waarde van 200 gulden
vertegenwoordigden. Maar hoe aan die andere wezens te komen? Wel niets
eenvoudiger dan dat. Door gewapenderhand strooptochten bij de naburige
stammen te ondernemen en bij die tochten te pogen alles wat maar mensch
heet, mannen, vrouwen en kinderen, te ontvoeren, wordt op een niet te
dure wijze den overledene een met zijn rang overeenkomend escorte naar
de Dajaksche Elyzeesche velden medegegeven en kunnen de aanwezige
pandelingen ten voordeele van den boedel behouden worden.
„Het was bij zulk een strooptocht dat het hutje, waarin ons paartje met
ongekend geluk het leven smaakte, overvallen werd. In het eerste
oogenblik van verwarring was het de vrouw des huizes, onbewust van den
aard van wat rondom haar voorviel, gelukt zich uit de voeten te maken
en zich schuil te houden; maar toen de roovers met hun vaartuigen van
wal staken en haar man en vijf kinderen gekneveld medevoerden, toen
ontwaakten in haar de moeder en de echtgenoote; toen dacht de arme
vrouw aan geen zelfbehoud meer, maar vloog in haar radelooze wanhoop
naar den rivieroever, viel daar aan den rand des waters op haar knieën
en bad en smeekte, dat men haar haar dierbaren zoude wedergeven. Doch
welke hartverscheurende klanken de diep ongelukkige ook in den toon
harer stem legde, alles te vergeefs!
„Een oogenblik echter hielden de roovers op met roeien. Niet dat hun
hart zich met deernis vervulde, niet dat zij er aan dachten om de bede
der rampzalige vrouw te verhooren, maar het getal slachtoffers was nog
niet voltallig, en die vrouw, die hun ontsnapte, die nu, door haar
wanhoop overstelpt, hoegenaamd geen gevaren zag, zou een wisse en
gemakkelijke prooi zijn. Dat was wat den roeislag verlamde en de snelle
stroom voerde reeds de prauw naar haar afvaartspunt terug en de
ongelukkige echtgenoote en moeder tegemoet, toen in de verte de
alarmtonen op de garantong zich hooren lieten en de roovers, beducht om
door de vereenigde bevolking der naburige kampongs aangevallen te
worden, hun beseai’s met kracht in het water sloegen en in een
oogenblik met hun buit in de duisternis verdwenen waren.
„Ontroostbaar bleef de ongelukkige vrouw aan den rivieroever geknield
liggen, het met tranen gevulde oog onafgebroken naar de plek, waar zij
alles, wat haar op aarde dierbaar was, had zien verdwijnen. Dagen, ja
weken bleef zij zoo liggen, en lang had de tijding van den dood van
haar man en haar kinderen haar bereikt; alle hoop op weerzien was
vervlogen en toch bleef zij aan die plek geboeid, totdat de machtige
Sangiang Assei, door zooveel wanhoop bewogen, de rampzalige weduwe in
een verbazend grooten witten steen veranderde, welke steen bij die
verandering haar geheele gedaante behield.
„Het volk knoopt aan die legende de voorspelling vast, als een
onbestemde hoop van wat de beschaving in de toekomst brengen zal, dat
wanneer een vuurschip dien Batoe Sambong zal voorbij stevenen, die
steen weer zijn oorspronkelijke menschelijke natuur zal aannemen en
alsdan een vreeselijken vloek over het koppensnellen en de
menschenoffers zal uitspreken, waardoor al de daaraan schuldige stammen
zullen omkomen.”
„Nom d’une pipe!” barstte de Waal los, toen Johannes zweeg. „Oef! je
moet bekennen, dat het weer knapjes akelig geweest is. Ik geloof, dat
jij pret in al die narigheden vindt. Je hebt nooit eens iets te
vertellen, waarin wat van een lieve flinke meid voorkomt.”
„Kom, jij met je lieve flinke meid,” lachte Schlickeisen. „Kijk jij
maar naar je Moendoet. Zie die eens lachebekken met een der roeiers.”
„We zullen haar hier in ons vaartuig nemen?” raadpleegde de Waal.
„Wel zeker! dan zul jij veel roeien kunnen,” beet Johannes hem toe.
„Kom laat de deern lachen, het gaat haar zoo goed af. Als zij met je
getrouwd zal wezen, zal ze tijd genoeg hebben om te huilen, misschien
wel redenen ook.”
Allen lachten, behalve La Cueille, die door die aardigheid niets
gesticht was.
„Maar,” hervatte Wienersdorf het vorige gesprek, „ligt in die legende
en in die voorspelling niet de toekomst opgesloten? Zullen de
Europeanen niet eindelijk genoodzaakt zijn, de gruwelen, die hier te
midden van het grootste, het schoonste en het rijkste eiland der aarde
gepleegd worden, te vuur en te zwaard tegen te gaan? Zal de tijd niet
komen, dat Borneo in den maalstroom der beschaving zal opgenomen
worden, dat dan de vuurschepen den Batoe Sambong zullen voorbijstoomen,
dat dan het rood der schaamte de kaken van hen zal verven, die zich
heer en meester noemen van zoo schoon een land en dat dan dat
koppensnellen, dat menschenslachten en nog meer menschonteerende
gruwelen zullen ophouden?”
De Zwitser had met klimmende opgewondenheid gesproken. Bij zijn laatste
vraag keek hij Johannes half uitdagend aan.
„Ja, dat zou zoo moeten zijn,” antwoordde deze bitter, „maar het is
reeds lang geleden, dat het eerste vuurschip voor den Batoe Sambong
zijn anker heeft laten vallen en, let er op, aan den toestand is niet
veel veranderd. Er is sedert geen kop minder gesneld, er is sedert geen
pandeling minder geslacht geworden. En dat zal wel zoo blijven, mits de
rapporten maar van rustige rust gewagen; och! wat let het den
beheerscher, wanneer de eene helft van Borneo de andere onthoofdt of
gruwelijk slacht? Onder den invloed van het kilkoude flegma der
Hollanders heeft de Batoe Sambong zijn gedaante behouden, hun
vuurschepen hebben hem niet kunnen ontdooien; de steen is steen
gebleven en heeft zijn vloek niet kunnen uitspreken, omdat de
veroveraars vrede met al die gruwelen schijnen te hebben en niet alles
willen aanwenden, om daaraan voor goed een einde te maken.”
Men had den Batoe Sambong al lang uit het gezicht verloren en Johannes
was wellicht nog verder in zijn beschouwingen gegaan, toen eensklaps
het „halt” van den voorsten rangkan weerklonk. Men was bij Kiham
Hoeras, den eersten waterval aangekomen. Reeds sedert lang had zich een
dof gerommel, dat evenwel al duidelijker en duidelijker werd, laten
hooren. Maar onder den indruk van het verhaal der Batoe Sambong-legende
hadden de Europeanen niets gehoord. Nu evenwel de verhaler zweeg en ook
het getiktak op den rand der vaartuigen, onvermijdelijk aan het
pagaaien verbonden, ophield, nu klonk hun de verheven stem des waters
in haar volle majesteit in de ooren en lag daar de schoone rivier, die
in vele bochten, langs een hellend vlak tusschen ontelbare rotsen
doorschuivende en klotsende, naar beneden schoot, vlak voor hen. Het
benedengedeelte des Kihams werd gevormd door zware kalkrotsen, die in
de grilligste gedaanten als door elkander geworpen schenen. Bij het
hoogere gedeelte was die kalkformatie door plutonisch dioriet
doorbroken en vertoonden zich de donkerblauwe rotsbanken tusschen den
witten kalksteen aan de oppervlakte. Hier en daar kwam het bijna zwarte
gesteente als verweerd te voorschijn en scheen in kogelvormige massa’s
uit elkander gevallen te zijn. Maar verreweg het grootste gedeelte der
dioriet-rotsen was gespleten en het gesteente vertoonde den vorm van
regelmatige achtkantige zuilen. Bijna het geheele bovengedeelte van den
Kiham Hoeras spreidde zich voor het oog ten toon, als een
opeenstapeling van zulke woest over elkander gestorte zuilen. De
indruk, door dat natuurtafereel op onze reizigers gemaakt, was machtig.
In stomme bewondering zaten zij er naar te kijken, terwijl hun rangkan
op het schuimende water als danste; zij hadden vooreerst geen woorden,
om hun gedachten in te kleeden. Eindelijk riep La Cueille:
„Mille millions de pipes! que c’est beau!”
Wanneer hij aangedaan was, de lezers zullen het wel opgemerkt hebben,
dan uitte de Waal zijn gevoelens allereerst in het Fransch.
„Ja, ’t is mooi,” sprak Wienersdorf getroffen en met een van aandoening
trillende stem; „kijk daar eens, hoe fraai geschakeerd die witte en
zwarte steen door elkander gemengd is; ziet daar ginds dat plekje, de
kunstigste mozaïekwerker der wereld zou het niet kunnen verbeteren!”
„En daar verder op, daar schijnt de kalksteen als uitgeknipt, ziet hem
eens helder en uiterst fijn bewerkt op dat zwarte gesteente uitkomen;
het is als een reusachtig kantwerk.”
„Ja, en van een minder broos maaksel dan uw Brusselsche, Mechelsche of
Appenzellsche prullen,” voegde er Johannes aan toe.
„En ziet eens,” ging Wienersdorf in opgetogenheid voort, „die hooge en
steile oeverwanden, waarin de kalksteen met den dioriet als om den
voorrang twist en waarover het bekoorlijke zachte groen van reusachtige
varens, als uitgebreide maar smaakvolle pluimen heenwuivende, die
wanden als met een groen zijden net overspant, waarboven het sombere
loof van het krachtig oorspronkelijk woud zich hoog in de lucht welft,
als de trotsche gothische bogen eener middeneeuwsche kathedraal.”
„En ziet daar verder op, in de hoogte, daar hellen de boomstammen
voorover en buigen de takken omlaag, vlechten zich, ook met de vele
slingerplanten, in elkander om, als ’t ware, een lage spelonk te
vormen, waaruit het wit schuimende water, als uit de machtige urn van
den stroomgod, te voorschijn schiet.”
„Maar wat schijnt het hier stil, niet waar? Niets, niets dan het geraas
van het voortijlende water,” sprak Wienersdorf. „Geen vogel, die zijn
stem hooren laat, geen dier, dat door zijn gebrul of geschreeuw die
stilte verbreekt. Het is of het leven hier uitgestorven is.”
„Laat op je schieten!” lachte Johannes. „Ziekelijke verbeelding, anders
niets. De dichter zoekt weer eenzaamheid, waar zij niet is. Het
murmelen, het klateren, het klotsen en het donderen van den stroom
overstemt alles; anders zou je het schrille geschreeuw wel hooren der
zwermen grauwgroene parkieten [130], die gindsche boomkruinen bevolken.
Je zoudt die kudde „badjang’s” (herten) [131], die daar ginds op de
toppen der rotsen staan te grazen en ons nu en dan een angstigen en
nieuwsgierigen blik toewerpen, hun harden doordringenden kreet hooren
slaken. Je zoudt die kleine „bakai’s” [132], die daar in de verte met
behulp van hun lange staarten langs de boomtakken en langs de varens en
de slingerplanten over den afgrond gymnastiseeren, hun opgewekt: kirah,
kirah hooren uitgalmen. Neen, bij God! het leven is hier niet
uitgestorven! Integendeel, het openbaart zich zoo krachtvol mogelijk
rondom u, tot in de wateren toe, waarin je geheele scholen van
prachtige zalmsoorten kunt zien, die dartelend in den schuimenden
stroom vooruitschieten, maar zorgvuldig onze nabijheid mijden. Ja, de
nabijheid van den mensch, vooral van den Europeaan, veroorzaakt soms
een leegte rondom hem, welke hij zichzelven te wijten heeft. Ook hier,
hoe woest en wild de natuur zich ook vertoont, heeft het onredelijk
wezen met het redelijke reeds kennis gemaakt en ondervonden, hoe
gevaarlijk die kennismaking is. Straks, wanneer wij aanstalten maken
zullen, om dien wilden waterstroom te beteugelen en naar boven te
stevenen, dan zal je alles, als met een tooverroede aangeraakt, zien
verdwijnen. Dan zal het in werkelijkheid stil en leeg rondom je zijn,
zooals je dat nu droomt; maar dat zal volstrekt niet aan de natuur,
maar uitsluitend aan den mensch, aan ons zelven te wijten zijn.”
Terwijl de deserteurs zoo redekavelden en philosopheerden, hadden de
Dajaks alle maatregelen getroffen, om de gevaarlijke en moeitevolle
bestijging van den kiham te volvoeren. Vrouwen en kinderen stapten aan
wal en moesten te voet de rotsen beklimmen, die als het ware de trappen
vormden tot het hooger gelegen terras, van waar de Kapoeas met geweld
afschoot. Onze vier deserteurs met hun nimmer missende geweren en nog
een vijftal Dajaks met hun lansen en mandauws gewapend zouden het
schoone geslacht tot beschermers strekken; maar toch ook een wakend oog
houden op hetgeen op de rivier kon gebeuren.
Al dadelijk werden de rottankabels, die onze zwervers in soengei
Dahasan en soengei Basarang gesneden en de kettingen van de Tjipannas,
die zij in soengei Naning opgedaan hadden, te voorschijn gehaald en aan
elkander gebonden. Toen men daarmede klaar was, werd die lange kabel
door een achttal mannen naar boven gehaald, waarbij zij van rots tot
rots springen, niet zelden tot aan het middel door het water waden of
enkele armen der rivier overzwemmen moesten. Na een inspanningsvollen
arbeid van ruim twee uren was het boveneinde van den kabel om een
stevigen boomstam geslagen, die langs den oever boven de
stroomversnelling stond en haar geheel beheerschte; terwijl de kabel
zelf in het midden langs de lengteas van het stroombed gelegd was en
haar uiteinde tot bij de vaartuigen reikte. Nu bleven twee Dajaks bij
den boom ter bewaking van den kabel en gingen de zes anderen te water
en lieten zich door den woedenden stroom medeslepen, terwijl zij zich
met een verbazende vlugheid en behendigheid aan den kabel vastklemden
of, beter gezegd, dien door de handen lieten glijden. Menigmaal
verdwenen zij onder het schuim in de draaikolken en sloeg het hart
onzer Europeanen reeds sneller bij het duchten van een ongeluk; maar
dan zagen zij de lange sluike haren van den zwemmer weer op het
groenblauwe water verschijnen, het geheele hoofd opduiken, terwijl de
eigenaar zich ijlings verder werkte.
Het doel van die manoeuvre was, om zich te verzekeren, dat de kabel
niet onder den een of anderen rotsklomp of boomstam geraakt was,
waardoor bij het ophalen der vaartuigen een wezenlijk bezwaar, niet
zelden een groot gevaar zoude kunnen ontstaan. Hoewel die kabel ruim
600 M. lang was, bereikten die koene zwemmers in weinige seconden haar
benedenste uiteinde, en veegden zich het aangezicht af, alsof niets
gebeurd was.
In ieder der rangkans namen nu vijf mannen plaats, waarvan een de
stuurpagaai hield; terwijl de vier anderen den kabel grepen, om zich
daar langs tegen den zwaren stroom op te halen. Onmogelijk konden de
rangkans die stijging te zamen volvoeren, maar moesten wachten, totdat
ieder hunner den tocht volbracht zoude hebben. Vooreerst toch zoude de
kabel niet sterk genoeg wezen om aan zoo’n krachtsinspanning weerstand
te bieden. Ook zoude, wanneer een der voorste vaartuigen, een beletsel
ontmoetende, kantelde of dwarsstrooms geraakte, haar ongeval noodlottig
voor de achter haar komende kunnen wezen en die insgelijks in het
ongereede brengen.
De rangkans volvoerden evenwel, dank zij de behendigheid der Dajaks en
Poenans, dien tocht zonder eenig ongeval, zonder dat zelfs een spat
water daarin iets bevochtigd had. Er ging een zucht van verlichting op
zoowel uit de borst van Harimaoung Boekit en Amai Kotong als van de
vier deserteurs, toen het laatste vaartuig boven gekomen was. De
waterval toch stelde tusschen de Nederlanders en hen een slagboom daar,
die wel niet onoverkomelijk geacht kon worden, toch niet gemakkelijk te
overschrijden was en een verdere vervolging groote en eigenaardige
bezwaren in den weg zoude leggen.
Een groote zorg was nu den kabel naar boven te halen, want die moest
nog meer dienst doen. Met dien arbeid waren ook een paar uren gemoeid.
Herhaalde malen toch klemde hij vast tusschen rotsblokken en dan hielp
geen vereend halen, al schreeuwde men nog zoo daarbij. Men zou hem
eerder stuk getrokken hebben. Dan moesten weer een paar zwemmersbazen
er langs naar beneden om den hinderpaal uit den weg te ruimen.
De dames hadden geen langen weg af te leggen gehad. Wel was het pad,
dat haar naar boven voerde, geen kegelbaan te noemen geweest en hadden
zij nog al te klimmen gehad, waarbij de geleiders in de gelegenheid
geweest waren galant hun sterke schouders of armen tot steun te kunnen
aanbieden. Vermoeiend evenwel was die wandeling voor die natuurkinderen
niet geweest. In minder dan een half uur was de beklimming geschied en
zaten zij weldra bij den boom verzameld, om welks stam de kabel
gebonden zoude worden. De jongsten kortten den tijd met gekeuvel en
geginnegap, waarbij zij de zwemmers dapper uitlachten, en de oudsten
stookten verscheiden vuurtjes om het maal voor het geheele gezelschap
te bereiden. Om de schoone sekse sloegen haar bewakers een beschermende
keten van schildwachten, zoodat zij zich dan ook geheel en al in
zekerheid gevoelden. Te midden van dat vrouwelijk gekakel liet zich
plotseling een stem hooren:
„Nom d’un chien!” riep La Cueille, terwijl hij met den kolf van zijn
geweer ongeduldig op den grond stampte, „wat krieuwelt me toch zoo
pijnlijk in den hals en op den rug?”
En den lap, dien hij tot afwering der zonnestralen als halsdoek
gebezigd had, afrukkende, slaakte hij een angstigen kreet, toen hij
dien met bloed als doorweekt zag.
„Mon Dieu! ayez pitié de moi!” riep hij radeloos. „Ik meende dat het
zweet was, dat mij langs den rug en de borst droppelde. O, Sainte
Vierge, ma patronne! ik ben zeker gekwetst?”
Zijn makkers schoten toe; ook eenige Dajaks drentelden nabij, maar die
mededoogenloozen lachten in plaats van deernis te toonen. Vóór nog dat
de Waal eenig antwoord op zijn vraag bekomen had, had hij de vingers
langs den hals laten glijden en aldaar eenige glibberige en slijmerige
voorwerpen gevoeld, waarvan hij de hand schuw en vies terugtrok.
„Mon Dieu! wat is dat?” vroeg hij angstig.
„Halamantek,” was het flegmatieke antwoord van een Dajak.
„Que dit-il? wat zegt hij. O, mon ange gardien! ik ben zeker weer door
vergiftigde pijltjes verwond. Halamantek! wat is dat toch?”
„Och loop heen, je stelt je aan als een nar,” grinnikte Johannes.
„Halamantek zijn eenvoudig boombloedzuigers, die je alleen maar wat van
je venijnig Walenbloed afgetapt hebben.”
Een zucht van verlichting verruimde de borst van den gekwetste. En
werkelijk, bij den tocht over land had het pad door een zwaar bosch
geleid en het was daarin, dat niet alleen de Waal, maar bijna allen,
die de wandeling medegemaakt hadden, die lieve diertjes opgedaan
hadden. La Cueille evenwel had, om welke reden bleef onbekend, het
ruimste deel daarvan genoten.
„De boombloedzuiger is een diertje,” verklaarde Johannes, „dat veel op
een grauwen draad gelijkt, daarvan de dikte heeft en ongeveer een
vinger lang wordt. Het huist op boomen, liefst op de onderste takken en
bespringt van daar, mensch of dier, zijn prooi. Daartoe krult het
draadje zich zoodanig te zaam, dat het mondeinde bij het achtereinde
komt, terwijl daarbij het lichaam als een boogje bolvormig staat. Door
het lichaam plotseling als met een ruk uit te strekken, verkrijgt de
bloedzuiger een veerkrachtige beweging, die hem eenige passen ver
slingert, maar met zulk een nauwkeurigheid, dat het diertje zelden zijn
doel mist, waarop het zich dadelijk vasthecht. Fluks kruipt het onder
de plooien der kleeding en begint gulzig zijn maaltijd. In den beginne
is zijn steek niet pijnlijk, eerder wordt een lichte krieuweling
opgewekt. Het is eerst later wanneer zich het dier volgezogen heeft en
zoo dik als eene pink is, dat het wondje pijnlijk wordt.”
„Dat heb ik drommels gevoeld,” gromde de Waal.
„Weet je ook den wetenschappelijken naam van dien boombloedzuiger?”
vroeg Wienersdorf.
„Ja aan de oude talen heb ik niet veel gedaan,” lachte Johannes. „Hoe
noemt men den bloedzuiger in het latijn?”
„Hirudo,” antwoordde Schlickeisen.
„Nu dan zal het wel „hirudo springans” zijn.”
Beide Zwitsers proestten het van lachen uit op dat dwaze antwoord.
Inmiddels had de lieve Moendoet een flinke pruim tabak gegrepen, had
die een oogenblik in wat kokend water laten aftrekken en waschte nu
liefdevol den hals van haar hartedief daarmede. Onder het saamtrekkende
van dat afkooksel vielen de bloedzuigers spoedig af en sloten de
wondjes zich ras. De Waal was nu gerustgesteld.
„Satané pays!” pruttelde hij evenwel, „waar je niet eens wandelen kunt
gaan, of het wordt er op je bloed aangelegd.”
„Ja, die dingen zullen we nu wel meer aantreffen,” zei Johannes, „die
kunnen soms een ware plaag worden. We zullen het beste doen, steeds wat
tabakswater in een onzer veldflesschen gereed te hebben. Moeten we dan
tochten te land verrichten, dan is, bij onze Dajaksche kleeding, de
moeite gering, om onze huid met dat vocht in te smeeren.”
„Moeten we nog vele kihams passeeren?” vroeg Wienersdorf.
„Ja, nog verscheidene; morgen zeker een viertal. Maar waartoe die
vraag?”
„Wel, dan zullen we ons viermaal met tabakssaus moeten insmeren. We
zullen ten laatste stinken als de inhoud van den waterzak eener
Duitsche pijp.”
„Dat zal er wel nabij komen,” grinnikte Johannes. „Maar we hebben
gelukkig geen entrée de salon te maken; of vrees je dat Hamadoe haar
fijn neusje tegen je zal optrekken? Och, maak je daarover niet
ongerust; ze is aan veel erger gewoon.”
Toen de kabel eindelijk ingehaald was, had ook de zon haar loopbaan
volbracht en dook zonder vele komplimenten achter den boschrand in het
westen weg. Onze mannen, vooral de Dajaks en de Poenans hadden een
inspanningsvollen dag gehad en haakten naar rust. Er werd dan ook
besloten den nacht in de nabijheid door te brengen. De rangkans werden
op een rij aan een overhellenden boomtak stevig vastgebonden en wel
zoo, dat zij nagenoeg in het midden van den stroom te wiegelen lagen.
De vrouwen en kinderen namen daarin hun intrek, terwijl een tiental
mannen in de beide vleugelvaartuigen plaats namen. Van dezen zoude
minstens één waakzaam en op uitkijk blijven. De overige troep verdeelde
zich in twee gelijke deelen, die ter zelfder hoogte als de rangkans op
de beide oevers der rivier post vatten en ieder hunner zich met een
keten schildwachten omgaven.
Wienersdorf en La Cueille hadden wel de wacht op de vaartuigen in de
nabijheid hunner aangebedenen willen betrekken; op de vertogen van
Johannes zagen zij daar evenwel van af, om zich aan een degelijke
waakzaamheid te kunnen wijden. De vier deserteurs verdeelden zich in
dier voege, dat twee hunner op iederen oever aanwezig waren, waarvan
minstens een steeds wakker en in de schildwachtenketen, hoewel aan geen
vaste plaats gebonden, moest vertoeven.
De voorzorgen waren uitmuntend genomen en getuigden van de zorgen, die
Johannes steeds voor het algemeene welzijn trof. Zij waren evenwel
overbodig, want de nacht ging rustig voorbij. De eenige stoornis, die
voorviel, werd door Schlickeisen veroorzaakt. Deze hoorde bij zijn
morgenwake, tegen het aanbreken van den dag, een gekraak in het bosch,
dat den oever omzoomde. Hij keek scherp uit met het geweer vaardig.
Eensklaps zag hij een troep herten van wel vijftig stuks, aangevoerd
door een prachtig mannetje met veelvuldig vertakt gewei, het talud
afdalen om zich aan het kristalheldere rivierwater te komen drenken.
Terwijl de kudde zich laafde en elkander verdrong, keek haar aanvoerder
strak rond, snoof de lucht op en spitste de ooren. Hij stond boven op
den taludrand, om het terrein te beter te kunnen overzien. Plotseling
bij een beweging van den Zwitser, om zijn wapen in den aanslag te
brengen, wierp het fraaie dier het gewei in den nek, stiet een schellen
kreet uit en deed zijn eersten maar ook zijn laatsten sprong. De zoo
zeker afgezonden kogel trof het dier in de volle borst. Van de steile
hoogte aftuimelende, rolde het in het water en de stroom zou het zeker
medegevoerd en door de nabijheid van den waterval buiten bereik gesteld
hebben, ware het niet tegen de rangkans aangedreven, waar het met de
veelvuldige punten van het gewei in de touwen vasthaakte en zoo als
verankerd liggen bleef.
De rest van de kudde was in een ommezien spoorloos verdwenen.
Maar de schrik en de verwarring, toen dat schot met zijn honderdvoudige
echo daar tusschen die steile en hoog begroeide oeverwanden, donderend
weergalmde, waren groot zoowel onder de mannen als onder de vrouwen.
Het was in de eerste oogenblikken een gegil van angst, waarbij de
kinderen hun partij goed volhielden. Gelukkig dat de Europeanen zich
beijverden de orde zoo spoedig mogelijk te herstellen en hun
geruststellende stemmen te laten hooren; anders waren zeker ongelukken
gebeurd. Nu leidde het geheele geval slechts tot een vervroegd
ontwaken. Toen men vernam, wat aanleiding tot den schrik gegeven had,
lachten de vrouwen met de veranderlijkheid harer inborst er het hardst
om en duurde het niet lang of het geschoten hert was uit het water
gehaald, gevild en gevierendeeld en beloofden de lekkerbekken zich een
uitnemend heerlijken beet straks bij het maal. Schlickeisen werd geluk
gewenscht met zijn fraai schot. Hij evenwel nam zich voor, voortaan
minder doldriftig te zijn en niet meer op ongelegen uren te schieten.
Een uur later stevende de flotille weer voorwaarts, den steeds meer en
meer driftig wordenden stroom op.
Ook dien dag had men met overgroote moeielijkheden te kampen. Niet ver
boven Kiham Hoeras, nabij kotta Hoerakan, vervangt een grofkorrelige
bruingele zandsteen de dioritische formatie. Deze zandsteen, veel
spoediger aan verweering onderhevig, heeft met zijn brecciën, het
rivierbed dermate opgevuld, dat er passages aangetroffen worden, waar
een prauw niet door zoude kunnen komen en een rangkan nog behoedzaam
moet sturen, om het soms uiterst smalle vaarwater te houden. Het puin
van dezen zandsteen wordt gemakkelijk door de onstuimig voortschietende
watermassa verplaatst en vormt bij die plaatsen in de rivier, waar de
stroom minder sterk is, rolsteenbanken, die soms tot geheele eilanden
aangroeien. Deze banken en eilanden worden door de bevolking
„karangans” genaamd. Harimaoung Boekit verhaalde onze vrienden, dat die
karangans zeer rijk aan stofgoud zijn en dat er niet zelden loovertjes,
ja kleine klompen gedegen goud aangetroffen wordt. Het goud op die
karangans gevonden, was het beste goud van de geheele Kapoeas.
„We moesten ons geluk dan maar eens hier beproeven,” uitte La Cueille
als zijn meening.
„Te drommel neen,” antwoordde Johannes, „vooruit, vooruit ligt de weg.
We zijn nog veel te dicht bij de Hollanders; we moeten eerst nog eenige
watervallen tusschen hen en ons stellen.”
„Daarenboven,” sprak Amai Kotong, „we kunnen zoo maar niet aan het
goudwasschen gaan. We zouden het spoedig te kwaad met de bevolking
dezer streken krijgen. Iedere kotta heeft hier haar gronden en
riviergedeelten, die zij niet ongestraft door vreemden zou laten
aantasten.”
„Nu vooruit dan maar,” gromde de Waal.
Maar behalve het woeste riviergedeelte in de nabijheid dier karangans,
had men heden vier kihams te bestijgen. De twee voornaamste daarvan,
Koetoes Kala en Boenoet genaamd, vereischten veel inspanning, nog een
graad erger dan te Kiham Hoeras. Het was dan ook ruim vier uur in den
namiddag, toen de reizigers vermoeid en afgemat—althans het mannelijke
gedeelte er van—te kotta Karangan aankwamen.
Die kotta, op den linkeroever der Kapoeas gelegen, was een fraaie en
machtige versterking, die een bevolking van ruim 2000 zielen telde.
Hadden de doodshoofden, die de palissadeering van kotta Djankang
versierden, den blik onzer deserteurs tot zich getrokken, hier waren
zij ontzet van het groot aantal bekkeneelen, dat daar boven op die
palen stond te bleeken. Hoe veel menschenlevens had het niet gekost, om
dat getal bij elkander te krijgen? Niet het getal van de hoofden, die
men daar zag prijken, kon dat bepalen, neen lang niet; want iedere
koppensnellerstocht lokt van de tegenpartij weerwraak uit, die ook op
haar kotta dergelijke gruwelijke versiering aanbrengt. Hier waren
daarenboven niet alle schedels aanwezig. Kotta Karangan was veel rijker
dan dat. In iedere woning in die sterkte hingen geheele rozenkranzen
van die grijnzende doodshoofden en in de omliggende kotta’s werd met
een soort van afgunst gemompeld, dat daar koppen van groote waarde
onder waren, koppen van Europeanen, die ruim 2000 realen en van
Chineezen, die de helft daarvan golden. Hoe men aan die zoo kostbare
schedels kwam, werd niet medegedeeld.
Amai Kotong had ook hier zijn bekenden en werd zonder aarzelen binnen
de kotta toegelaten. De aanwezigheid van Harimaoung en zijn Poenans
wekte evenwel de grootste achterdocht en het kostte wezenlijk den
gewezen Amai van kotta Djankang veel moeite om de Karanganners te
overreden, het plegen van vijandelijkheden na te laten. Met behulp van
Dalim en Johannes gelukte dat evenwel. Deze laatste herhaalde de fabel,
te Kotta Baroe reeds opgedischt, namelijk: dat zij gezonden waren door
het Nederlandsch bestuur, om te trachten met de Olo Ott in aanraking te
komen en de gezindheid van dien stam op te nemen. Niet zonder inzicht
had hij dan ook nog voor de aankomst te kotta Karangan de Nederlandsche
vlag op den grootsten der rangkans geheschen. Nu vertoonde hij deftig
het gezegelde papier, aan Damboeng Papoendeh ontnomen, en voegde er
bij, dat het Poenanhoofd hem door den Grooten Heer te Bandjermasin
toegevoegd was, om het samenkomen met de Otts te vergemakkelijken.
Of de Karanganners dat verhaal geloofden, viel te betwijfelen. Wel
bekeken zij met een soort van eerbied het zegel, in rood lak afgedrukt
en onthielden zich van vijandelijkheden, maar stonden niemand van het
geheele reisgezelschap dan alleen aan Amai Kotong toe, hun kotta te
betreden. Aan de overigen wezen zij de tomoi die zij konden betrekken,
aan. Dit was een geruststelling daar zij nu ook als gasten beschouwd
werden; op dat punt zijn de wetten der gastvrijheid stellig en zouden
niet geschonden worden.
Onze zwervelingen konden zich dan ook zonder argwaan aan de nachtrust
overgeven en hadden slechts te waken tegen de gevaren, die van buiten
af zouden kunnen opdagen. Daartoe was het voldoende, dat een der vier
Europeanen waakzaam was, vooral toen deze zich een paar Dajaks
toevoegde, om op alles voorbereid te zijn.