Belofte maakt schuld.—Een Dajaksche ijzersmelterij.—Een
blaasbalg.—De sarok boelau wreekt zich.—Harimaoung Boekit heeft de
koorts.—Wienersdorf dokter.—Johannes bezweerder.—Een antoeën.—Een
Dajaksche legende.—Wedervaren van een vrouwelijk antoeën.—Het
ombrengen van een antoeën.
Des avonds zaten de vier vrienden nog laat bij elkander en gelukkig was
eindelijk het gesprek van het goudzoeken afgedwaald. La Cueille, die
hoegenaamd geen slaap, maar daarentegen een goed geheugen had,
herinnerde Johannes er aan, dat hij hun de belofte gedaan had, iets van
een Dajaksche ijzersmelterij te vertellen.
„„Belofte maakt schuld,” is een Hollandsch spreekwoord, dat ik als Waal
je niet in herinnering behoef te brengen.”
„Mij wel; we kunnen daarmede even goed een uurtje dooden, als met die
goudzoekerij, die ons voorloopig maar onnoodig opwindt. Als gijlieden
evenwel meent iets te zullen hooren van hoogovens en ijzersmelterijen
zooals die in Europa bestaan, waarin men schildknapen stookt om
Duitsche dichters gelegenheid te geven heel aardige verzen te
fabriceeren die door Nederlandsche poëten heel aardig nageaapt worden,
dan hebt ge ’t gloeiend mis. Zulk een Dajaksche smelterij is meer
primitief, en er zou geen plaats in zijn, om een Fridolin in te
stoppen, tenzij men hem eerst wilde opvouwen, alsof men hem in een
linnenkast zou opbergen. Ziet hier de geheele inrichting zooals ik die
bij het maken eener patrouille bevonden heb:
„Op een kleine natuurlijke of kunstmatige hoogte, in de nabijheid der
plaats waar het erts opgedolven werd, hadden de Dajaksche ijzersmelters
onder een zeer hoog dakwerk een bak van plastische klei vervaardigd,
die, wat de buitenafmeting betreft, nagenoeg den vorm van een kubieken
meter had. De wanden van dien teerling....”
„Zou je ons eerst niet iets van het erts vertellen en van de plaats
waar die aangetroffen wordt?” vroeg La Cueille.
„Zoo als je wilt. Het erts, waaruit het ijzer gewonnen wordt, is steeds
bijna in de nabijheid der steenkolenformatie te vinden. Schier altijd
worden beide mineralogische voortbrengselen bij elkander aangetroffen,
de eene laag de andere dekkende; zeer zeldzaam is het dat, waar het
eene aanwezig is, het andere ontbreekt.”
„Donders! dat is buitengemeen gelukkig,” juichte de Waal.
„Het kan zijn; maar laat me nu voortgaan. De lagen, die het ijzererts
bevatten, zijn langs de rivier doorsneden en gewoonlijk reeds bij
middelbaren waterstand in de diepe beddingen zichtbaar. De Dajaks
benutten de gelegenheid in den drogen tijd, om den noodigen voorraad
erts te bemachtigen. Dit erts, in den regel met water doortrokken, is
op het gevoel weekachtig. Het wordt eerst gedroogd in de zon, daarna in
stukken ter grootte van een okkernoot geklopt en verder in de nabijheid
onder een licht afdak opgeschuurd, tot den tijd, dat het gebruikt zal
worden. Dat erts bestaat uit een mengsel van grootere of kleinere
stukken van doffen ook wel glinsterenden bruin-ijzersteen en is een
soort van ijzer-oxyde-hydraat met geelachtig bruine streek, voorts uit
bruinen ijzer-oker, gevormd door de ontleding van het eerstgenoemde
mineraal en eindelijk uit vrij harden zandsteen waarin het erts afgezet
schijnt te zijn. Op 100 gram erts komen 34,6 gram zuiver ijzer voor.
Dat is al wat ik er van weet en dat heb ik nog uit de rapporten
gestolen.”
„Dank je voor de toelichting,” sprak de Waal, „je bent knapper beslagen
dan ik wel dacht; ga nu maar voort. Je waart aan de beschrijving van
dien bak van klei, die den vorm van een teerling had.”
„De wanden van dien teerling,” ging Johannes voort, „hadden van boven
een dikte van ongeveer een dM., maar namen naar beneden loopende
dermate in dikte toe, dat het grondvlak van de binnenruimte van den bak
slechts 9 vierkante dM. mat. Deze bak was de eigenlijke smelttoren en
werd „laboerang” geheeten. Zoo als mij verhaald werd, was die oven
gedurende een veertiental dagen in de zon gedroogd, waarna men beneden,
zoo wat twee dM. boven het grondvlak der binnenruimte een gat geboord
had om de pijp van den blaasbalg binnen te leiden, terwijl aan de
tegenovergestelde zijde een ander gat gemaakt was „alier” geheeten, dat
dienen moest, om gedurende de smelting de slakken te kunnen verwijderen
en later het verkregen ijzer uit den oven te halen. We kwamen met onze
patrouille juist aan, toen men den oven begon te laden. Hij was vooraf
met hoepels van rottan en bamboe omwoeld om het barsten en splijten te
voorkomen. Eerst werd op het grondvlak van de „laboerang” een dikke
laag zeer fijn houtskoolpoeder gestrooid. In die laag werd een
vierkante uitholling, „kakat” genaamd, uitgespaard, waarin het
vloeibare ijzer zich later zou verzamelen.
Boven die kakat werd in het daarvoor bestemde gat de buis van den
blaasbalg gebracht. Die buis „boetoeng” geheeten, was van klei gebakken
en reikte tot ver over het midden van de kakat. Vervolgens werd de
oven, zoo wat op ¾ van zijn hoogte met houtskolen gevuld, waarop het
erts gestort werd, dat vooraf in groote houtvuren geroost was, totdat
het een menieachtig roode kleur had gekregen. Daarna werd de houtskool
boven de kakat aangestoken en de alier met een laag natte klei
gesloten. Vervolgens werd de bamboebuis van den blaasbalg in de
boetoeng gebracht en het vuur eerst langzaam aangeblazen en daarna tot
zijn grootste hitte gestookt.”
„Je spreekt daar van een bamboebuis; die blaasbalg zal toch wel van
Europeesch maaksel geweest zijn?” vroeg La Cueille. „Zoo iets kunnen de
inlanders niet vervaardigen.”
„Daar heb je weer zoo’n oordeelvelling van een Europeaan!” sprak
Johannes met eene zweem van bitterheid in zijn stem. „Neen, die
blaasbalg was niet van Europeesch maaksel. Luister; ’k zal je op de
hoogte brengen. In een rechtstandigen houten cylinder, gewoonlijk een
uitgeholden boomstam, een middellijn hebbende van ongeveer drie dM. bij
een lengte van twee meter, bewoog zich een „kewoes” (zuiger), waarvan
de schijf, ter bevordering van de luchtafsluiting, door middel van
„djampol”, een soort van mastik van olie en hars, met donzige
kippenveeren beplakt was. Onder aan den cylinder was de gemelde
bamboebuis, „passiong” geheeten, bevestigd; door deze werd de lucht in
de boetoeng en verder in de laboerang geperst. De zuigerstang, zes à
acht meter lang, was boven aan een horizontaal geplaatste,
veerkrachtige lange bamboe bevestigd, waardoor de arbeid van het op en
neerhalen van dien zuiger aanmerkelijk verlicht werd. Die blaasbalg
werd „bapoetang” genoemd en de arbeiders deden daarmede, tot het
verkrijgen van de noodige hitte, veertig tot vijftig slagen in de
minuut.”
„Drommels, dat is mooi!” betuigde de Waal.
„St! laat me voortgaan. Toen de oven geladen was, werd het vuur tot de
grootst mogelijke hitte aangeblazen; en naarmate de inhoud door de
verbranding zakte, werd er nieuw erts van boven ingeworpen. Om echter
de laboerang steeds van de noodige brandstof te voorzien, werd toen op
een deel erts tien deel houtskolen gevoegd. Om het uur werd de alier
geopend, om de slakken te verwijderen, maar daarna onmiddellijk weer
met natte klei gesloten.
Dat stoken werd zoo den geheelen dag, van des morgens tot het vallen
van den avond voortgezet; daarna werd de oven uitgedoofd, de alier
geopend en het verkregen ijzer met groote houten tangen, van ijzeren
punten voorzien, uit de kakat gehaald. Dat ijzer deed zich toen voor
als een bruinrood gloeiende vormlooze taaie klomp en werd toen op den
grond, die vooraf met fijn gestampte slakken bedekt was, met houten
beukhamers tot een kubiek „rankan” genaamd, verwerkt, die ongeveer 30
K.G. woog. Daarna werd de rankan in tien gelijke deelen verdeeld. Deze
deelen heetten „bilah” en werden zoolang gehamerd en van slakken
gezuiverd, dat zij voor het smeden en klinken geschikt waren. Zulk een
bilah behoorlijk afgewerkt, woog ongeveer 2½ K.G. Zietdaar de geheele
bewerking. Ik kan er nog bijvoegen, dat het ijzer van de
Kapoeas-streken als het beste in kwaliteit gerekend wordt en dat het
Doessonsch het meest gewilde van geheel Borneo is, wat niet weinig
gezegd is, daar het Borneosch ijzer door den geheelen Indischen
Archipel beroemd is. De wapens daarvan vervaardigd worden overal op
hoogen prijs gesteld en terecht; want ik heb mandauw’s en Nagara-sabels
[123] gezien, waarmede een spijker van zeven op het pond doorgekapt
werd, zonder dat het scherp van het wapen iets geleden had. En nu heb
ik verteld, wat ik wist; ik hoop dat ik aan de weetgierigheid van onzen
Waal zal voldaan hebben.”
Deze grinnikte en antwoordde bij wijze van dank:
„’k Zal nu ten minste kunnen slapen, goeden nacht! Maar ja, hoe heet
ijzer in het Dajaksch?”
„„Sanaman” en de ijzererts „batoe sanaman.””
„Dank je, goeden nacht.”
Die wensch, hoe hartelijk ook gedaan, zoude evenwel blijken ijdel te
wezen. Niet lang na het middernachtsuur, werd Wienersdorf gewekt, door
een Dajak, die hem zachtkens aan een zijner groote toonen krieuwelde en
bij zijn ontwaken tot zich wenkte. Toen de Zwitser buiten kwam, vernam
hij dat zijn Hamadoe hem wenschte te spreken. Hij spoedde zich naar
haar woning, uitermate nieuwsgierig, wat zij in dit nachtelijk uur van
hem kon verlangen. Een te goede meening koesterde hij omtrent de
zedelijkheid van het meisje, om ook maar een enkele onedele gedachte
ingang te doen vinden. Hij vond haar in tranen badende. Zoodra zij hem
zag, sprong zij op en hem bij de hand nemende, geleidde zij hem bij de
slaapplaats van Harimaoung Boekit, haar broeder, die op zijn matje,
door een hevige koorts bevangen, te ijlen lag. In dikke droppels
parelde het zweet op het voorhoofd des kranken, zijn ademhaling was
heet en hijgend en in zijn wartaal had hij het er maar steeds over, dat
Johannes gedreigd had, hem de koorts te huis te sturen. Dat verhaal,
hetwelk hij al verscheidene malen opgedischt had, begon indruk op de
metgezellen van den Poenan, die rondom zijn legerstede geschaard
stonden, te maken, en een gemompel van ontevredenheid uitte zich en
zelfs werden enkele bedreigingen gehoord. Met het bijgeloof van zulk
een oorspronkelijk volk is het niet goed den spot te drijven.
Hamadoe, in haar bezorgdheid over den toestand van haar broeder, had
het geraden gevonden haar Dohong te laten roepen; wellicht dat die als
Kwala Kapoeasser, zoo dacht zij overluid, goeden raad zoude kunnen
geven. In haar hart evenwel geloofde zij aan de almacht der blanken op
het gebied der geneeskunst en twijfelde dus niet aan den uitslag van
een tusschenkomst van den beminden man. Deze liet zich het baantje van
geneesheer onder zoo lief geleide gaarne aanleunen, voelde den lijder
den pols, keek hem met een uiterst geleerd gezicht aan en betastte hem
het voorhoofd, de armen en de borst. Eindelijk deed hij het lichaam van
den Poenan met water en azijn wasschen en koele kompressen op zijn
hoofd leggen. Het gevolg daarvan was, dat de koorts-hitte afnam en de
zieke zijn bewustzijn herkreeg. Het eerste wat hij uitkraamde, gold de
ondankbaarheid van den man, dien hij het goudzoeken geleerd en zoo goed
gewaarschuwd had, toch den sarok boelau niet te vertoornen, en nu zijn
weldoener de koorts op het lijf joeg. Bedreigingen van den kant der
omgeving van den zieke bleven bij die woorden, die thans als in alle
kalmte gesproken, grooten indruk maakten, niet uit. Wel bestreed Dohong
de meening, dat zijn makker iemand ziek zoude kunnen maken, met klem;
maar het feit was daar en volgens aller meening niet te weerspreken;
Johannes had immers zelf gezegd, dat de koorts geen vat op hem had en
hij ze bij het Poenanhoofd zou zenden. Wienersdorf zag van ieder verder
betoog af; maar hij deed een aftreksel van „akar pahit” (bitterwortel)
[124] maken, voegde daarbij een goede dosis honig en beval den zieke
aan, daarvan telkenmale een flinken teug te drinken. Was het de
uitwerking van dat middel, of van wat anders? maar Harimaoung Boekit
viel in een gerusten en weldadigen slaap en Wienersdorf spoedde zich
heen, om Johannes op de hoogte van het gebeurde te brengen. Deze gierde
het uit van het lachen, toen hij dat vernam.
„Er valt niet te lachen,” meende de Zwitser, „de toestand is ernstig.
Geloof vrij, dat ik menige bedreiging tegen je gehoord heb. En zelf
moet je bekennen, dat het een raar volkje is.”
„Kom, kom; wel heb ik spijt, dat ik dat malle gezegde uitgeslagen heb;
maar voor het overige zal het wel losloopen. Maak je maar niet
ongerust. Als ze je weer in je kwaliteit van dokter komen halen, roep
me maar, dan ga ik mee en zal alles weer goed maken.”
Een paar uren nadat de dag aangebroken was, werd Dohong weer geroepen
en deze trad al spoedig daarop, van Johannes vergezeld, het
ziekenvertrek binnen en vond daar alle aanwezenden bezig alles klaar te
zetten, om door middel der Balians genezing van de Sangiangs, die
hulpvaardige wezens af te smeeken.
„Om Godswil niet!” riep Dohong, „dat getrommel, dat gezang en dat
gejoel zullen den zieke nog zieker maken.”
Deze laatste zette een donker gezicht, toen hij Johannes gewaar werd en
verweet hem, dat bij zich zoo ondankbaar getoond had.
„Ik vergeef het je,” sprak hij eenigszins weekhartig, „ter wille van
Dohong. Maar die ondankbaarheid heb je te Bandjermasin van de blanken
geleerd, niet waar? Wat heb ik je gedaan, om me zoo te behandelen?”
„Kom, kom,” sprak Johannes, „’t is niet anders dan een vergissing. Toen
ik gisteren die woorden sprak, was dat gekscherende, dat heb je wel
kunnen merken. Ik ben niet bang voor de koorts. Toen zij heden nacht
bij mij kwam, was ik slaapdronken—’k had gisteren avond wat toeak
geproefd.—’k Wilde haar naar den kommandant te Kwala Kapoeas zenden en
het schijnt, dat ik mij alstoen ergerlijk vergist en uw naam genoemd
heb. Maar heb ik de macht om iemand de koorts op het lijf te jagen, ik
heb die ook om ze weg te nemen. Je zult zien.”
En meteen een handvol ongepelde rijst uit een klapperdop, dien hij
medegebracht had, grijpende, strooide hij de korrels rondom de sponde
van den zieke, terwijl hij met luider stemme opdreunde:
„Baboho tawor tawèh balei Sangiang, lalento etan boelau madja balei
Sangiang.”
„O! gestrooide korrels gaat gezamenlijk in het huis der Sangiangs;
treedt met geruisch o! mijn gouden korrels het huis der Sangiangs
binnen.”
Daarna den zieke over het voorhoofd strijkende, waarbij hij met de hand
een beweging maakte, alsof hij iets wegwierp:
„Zie zoo,” sprak hij, „dat is klaar. Over een uur heeft de kommandant
van Kwala Kapoeas de koorts zoo hard, als gij ze gehad hebt. Blijf nu
maar stil liggen; drink de „obat” (medicijn), die Dohong u geven zal.
Wellicht zult ge over een half uur zware suizingen in de ooren hebben;
dat moet u niet ongerust maken. Dat is het teeken, dat de koorts
aftrekt en naar Kwala Kapoeas verhuist.”
Met een plechtigen stap verliet hij het vertrek. Wienersdorf haalde een
fleschje te voorschijn, waarin Johannes 24 grein sulphas chinicus in
citroenzuur opgelost had en liet dat den Poenan drinken. Deze zwelgde
zonder een spier te vertrekken het bittere goed naar binnen, veegde
zich den mond met den rug zijner hand af, maar betuigde, dat hij meer
vertrouwen had in het tooverformulier van Johannes, dan in alle bittere
drankjes ter wereld. Een kwartiertje later lag bij gerust te slapen.
Die sulphas chinicus had Johannes uit de verbandkist van den dokter van
Kwala Kapoeas bij een van diens talrijke tochten weten meester te
worden. Hij was een man van voorzorg en de toen gepleegde ontvreemding
kwam hem nu goed te stade. Het was eigenlijk een uitkomst, want Dalim
waarschuwde de deserteurs ernstig, zich van dergelijke aardigheden, als
Johannes’ zich veroorloofd had, te onthouden.
„Nu,” zeide hij, „hebben reeds bedreigingen weerklonken en zijn
allerlei vermoedens geuit. Er waren er, die beweerden, dat het
gevaarlijk is, zulke onbekende vreemdelingen zoo maar in de kotta’s te
ontvangen. Alles bepaalde zich evenwel tot gemompel; maar wanneer
eenmaal het woord „antoeën” ware uitgesproken geworden, dan zouden al
de mandauw’s als van zelven uit hun scheeden gevlogen zijn en dan laagt
ge al lang in uw bloed te wentelen en prijkte uw kop in de vuist van
een Poenan.”
„Mille tonnerres!” riep La Cueille, „nu is het mijn beurt eens om je
toe te roepen: „pas op je kop.””
„Antoeën, wat beteekent dat woord?” vroeg Schlickeisen.
„Antoeën beteekent: iemand die zich in een boozen geest kan veranderen,
om de zielen der menschen te ontrooven en hen zoo ziek te maken,”
antwoordde Dalim.
„Ik dacht dat iemands ziel te doen verhuizen, iemand dooden is?”
„Ja, als de ziel lang afwezig blijft, heeft dat den dood ten gevolge.
Voor den Dajak is iedere ziekte slechts een tijdelijke afwezigheid der
ziel, en genezing is alleen het kunstje om die ziel op haar tijd en dan
om te blijven, terug te voeren, ’t geen onze Balians behendig weten te
bewerkstelligen.”
„Daar zal wel een legende aan verbonden zijn, hé?” vroeg de
nieuwsgierige Zwitser.
„Ja zeker, als je wilt, zal ik ze je vertellen.”
De vier Europeanen stopten hun pijpen en schaarden zich om den Dajak,
die aldus begon:
„Er was eens een Dajaksche familie, die bij het graven van een gat in
den grond, om een stijl voor een te bouwen huis te plaatsen, een groote
roode waterslang vond, die doodde en haar met smaak oppeuzelde. Maar
die slang, Lendong genaamd, behoorde tot de familie der „Naga gallang
petak” [125] en was een bevoorrechte van Mahatara. Deze, vertoornd over
zulk een handelwijze, maakte allen, die van die slang gegeten hadden
tot antoeën. De huisvader van dat gezin werd het opperhoofd der
antoeëns en ontving bij die gelegenheid den schrikwekkenden titel van
„radja antoeën batoelang dohong” of „koning der antoeëns met beenderen
als slagzwaarden”. Die geheele familie bleef antoeën en hun
nakomelingen werden antoeën geboren.”
„Maar hoe openbaart een antoeën zich, of hoe gaat hij te werk om
iemands ziel te ontrooven?”
„Dat zal ik u vertellen. Wil een antoeën een mensch onheil berokkenen,
dan rijt hij zich zelf des nachts het hoofd van den romp. Deze
handeling heet bij de Dajaks: „baroewoet takoeloke” (kop afscheuren).
Met de daaraan hangende spieren en ingewanden vliegt die afgescheurde
kop weg naar het huis van hem, dien hij kwellen wil. Daar verandert hij
zich in een nachtvogel, rat of muis en dringt zoo de woning binnen. Hij
wacht daar, in een hoekje verborgen, tot zijn slachtoffer slaapt,
ontfutselt hem zijn ziel of steekt hem een houtsplinter of een
vischgraat onder de huid.”
„Hoe lapt hij hem dat?” vroeg La Cueille.
„De ziel van een slapend mensch slaapt eigenlijk niet, maar is toch
slaapdronken en daarbij zeer onrustig. Zij volgt dan gaarne ieder, die
haar roept.”
„En het splinters insteken, dat moet toch pijn doen?”
„Maar daar voelt de slapende toch niets van. Dat alles moet evenwel
voor het aanbreken van den dag geschied zijn; want wordt het licht vóór
dat de kop van den antoeën zijn lichaam weer opgezocht heeft, dan moet
hij tot den volgenden nacht wachten, alvorens hij er zich weer mee
vereenigen kan. Middelerwijl evenwel is het lichaam onder den invloed
van de over dag heerschende warmte reeds begonnen tot ontbinding over
te gaan, zoodat de antoeën dan ook sterven moet. Komt echter de kop nog
bijtijds bij zijn lichaam terug, dan zet de antoeën zich dien eenvoudig
weer op den romp en herneemt alzoo zijn menschelijke natuur.”
„Hoe geschiedt dat kopafscheuren en dat kopweeropzetten?” vroeg La
Cueille steeds nieuwsgierig.
„Dat weet ik niet; ik ben nimmer een antoeën geweest,” was het leuke
antwoord van den Dajak.
„Verduiveld, dat is jammer; ik had dat kunstje wel willen leeren,”
lachte de Waal. „Maar stelen de antoeëns slechts zielen, en stoppen zij
iemand alleen maar houtsplinters en vischgraten in het lijf? Dat is een
vrij onschuldige grappenmakerij. Van den splinter of graat krijg je
eenvoudig een steenpuist; en je ziel vraag je aan een mooie Balian
terug.”
Allen lachten om den kwinkslag, zelfs Dalim deed mee.
„Ja, maar,” ging hij voort, „het gebeurt ook wel eens, dat zulk een
antoeën zijn slachtoffer tot den laatsten droppel bloed uitzuigt en
niets dan een lijk achterlaat. Eens evenwel....”
„Nu ga voort,” sprak Johannes, bij de aarzeling van den spreker,
„waarom talm je, durf je niet?”
„Och, ’t is maar een sprookje, jullie blanken gelooft er toch niet
aan.”
„Kom, vooruit maar; ’k zie aan je neus, dat je brandt van verlangen, om
ons dat sprookje op te disschen.”
„’t Is eens gebeurd, dat zulk een antoeën zijn of beter haar wandeling
bijna zeer slecht bekomen was, maar toch nog bijtijds gered werd en
toen de haar verleende hulp zeer dankbaar beloonde. Het was een
jeugdige en zeer schoone vrouw, die het treurige voorrecht genoot,
antoeën te zijn. Zij had een braaf echtgenoot, die in de verste verte
niet bevroedde, welk kostbaar wijfje hij bezat. Iederen avond haalde
zij hem over een duchtigen teug toeak of arak te nuttigen en, wanneer
dan manlief zijn roes uitsliep, dan had het vrouwtje vrij baan.
„Bij een harer nachtelijke omzwervingen langs de boorden der Kapoeas,
had zij haar intrek genomen in de hut van een zeer knap jongeling, dien
zij in slaap gedompeld vond. In plaats van dadelijk haar
antoeënsbedrijf uit te oefenen, verdiepte zij zich in het aanschouwen
van het schoone uiterlijke van den slaper. In haar kwaliteit van
veelvermogend wezen, bezorgde zij hem aangename droomen, die een waas
van verrukking op zijn gelaat te voorschijn brachten. Zij betreurde het
in dit oogenblik haar antoeënswerk te moeten volbrengen. Hoe lang zij
in die beschouwing verzonken bleef, wist zij naderhand niet, maar dat
de tijd zich voortgespoed had, bewees haar het gekraai van een haan in
de nabijheid der hut. Verschrikt keek zij op. Het was nog donker. Toen
wierp zij zich op den argeloos slapenden en zoog hem het bloed af. Met
volle gulzige teugen zwelgde zij het levensvocht op en was juist
daarmee klaar, toen zich de „tantarah” [126] liet hooren, die met zijn
melancholieke stem het terugkeeren van den dageraad aan de woudbewoners
verkondigde. Spoedig haastte zich de antoeën naar buiten en vloog
ijlings heen. Maar de weg, dien zij af te leggen had, was lang; de zon
raakte reeds met den rand aan den gezichteinder en, om niet door de
dagvorstin beschenen en daardoor gedood te worden, was de antoeën
verplicht een schuilplaats te zoeken. Zij vond die, gelukkig zonder nog
door iemand bespeurd te zijn, onder een huis in een opgehangen korf,
waarin een hen te broeden zat. Het arme dier vloog angstig uit het
nest, toen die akelige gedaante daarin kroop, liep schreeuwende en
kakelende over den vloer heen en weer, keerde dan naar de mand terug,
vloog er bij op en neer, schreeuwde als een bezetene en wendde alles
aan om den ongenooden gast haar eieren te doen verlaten. Op dat geraas
van de hen kwam een oude vrouw buiten ’s huis, en de bewegingen der kip
gewaar wordende, trad zij op den korf toe en ontdekte weldra de
antoeën. Verschrikt stoof het vrouwtje achteruit en wilde vluchten,
maar zij hoorde zich roepen.
„Kom hier,” sprak een stem, „gij kunt mij een grooten dienst bewijzen
en ik zal niet ondankbaar zijn.”
Angstig vroeg de vrouw, wat van haar verwacht werd.
„Zet mij in uw „boetah” (draagmandje) en breng mij tot aan het gindsche
huis. Stoor u aan de menschen niet, die gij daar mocht ontmoeten; maar
ga door het middenvak van het huis en stoot de laatste deur aan uw
rechterhand open. Zijt ge daar binnen, sluit dan de deur goed achter u
dicht, open de „djangkoet” (bedgordijnen) en leg mij daar stil neder.
Nogmaals, ik zal u niet ondankbaar behandelen. Gij zijt pandeling; ik
zal al uwe schulden betalen; gij zult vrij zijn en ik zal u daarenboven
nog veertig realen geven.”
„Hoe zeer de arme slavin ook voor de akelige gedaante teruggedeinsd
was, zoo waren toch de beloften te schoon, om ze van de hand te wijzen.
Zij zette haar draagmandje op den grond, greep het hoofd bij de haren,
tilde het uit het kippennest en stopte het met darmen en spieren in de
boetah en begaf zich naar het aangeduide huis. Daar aangekomen,
ontmoette zij werkelijk een paar huisgenooten, die haar bij het
binnentreden vroegen: „kasen ikau manalih ikei?” (wat komt gij bij ons
doen?) Zij antwoordde evenwel niet of slechts geheel ontwijkend, maar
drong het huis in, begaf zich naar het aangeduide vertrek en trad dat
binnen. Na de deur achter zich gegrendeld te hebben, sloeg zij de
bedgordijnen open en zag daar den man des huizes, die nog in een zwaren
slaap gedompeld lag. Zij zette haar boetah naast den slapende neer,
sloeg de gordijnen dicht en spoedde de kamer uit, terwijl zij zich het
angstzweet van het voorhoofd wischte. Na verloop van een uur kwamen man
en vrouw te voorschijn; beiden gaven voor, dat zij zich verslapen
hadden, maar de huisgenooten merkten op, dat de jonge vrouw zeer bleek
en uitgeput uitzag. Nog denzelfden dag werd de oude pandelinge uit haar
dienstbaarheid verlost en haar, behalve de toegezegde som van veertig
realen, nog een fraai snoer van „lameang’s” (agaatsteenen)
overhandigd.”
„En gelooft ge aan dien nonsens van dat kop aftrekken, enz.?” vroeg La
Cueille, toen het verhaal uit was.
„Dacht ik het niet!” riep Dalim uit, „dat mijn verhaal geene geloovige
ooren zou ontmoeten. Ja, ik geloof er aan.”
„Hebt ge dan ooit zoo’n antoeën in zijn bedrijvigheid ontmoet?” vroeg
de Waal met deftige wijsheid in zijn stem.
„Neen; maar mijn vader wel, en dat is een man, die nimmer een leugen
uitgesproken heeft.”
„Te donder Dalim, dat is kras! een Dajak, die nooit gelogen heeft,”
lachte Johannes; „dat is net zoo sterk als een Chinees, die nooit
geschacherd zou hebben. Maar sta je er op, dat we je gelooven, dan
vooruit met de ontmoeting van je vader met dien antoeën.”
„Och maar, hij daar,” zeide Dalim, terwijl hij naar den Waal wees, „zal
me toch niet gelooven.”
„Ja zeker, dat zal hij net zoo wel, als hij gelooft, dat in zijn land
oude vrouwen zich in een zwarte kat kunnen veranderen of op een
bezemstok door de lucht kunnen rijden.”
„Dat kunnen ze ook!” viel de Waal driftig in.
„Daar zou je ook niet mee moeten spotten in de dalen van
Grauwbunderland, van Valtellino of Tessino,” voegde Wienersdorf er
ernstig bij.
„Zie je wel? daar heb je ’t al. Vooruit maar, je zult nog meer geloof
vinden, dan je kunt vermoeden,” grinnikte de Indo-Europeaan.
„In de nabijheid van het huis mijns vaders, dat te Kwala Kapoeas langs
de soengei Basiri stond, woonde een man, Moeèi genaamd, die sedert
eenigen tijd in verdenking stond, antoeën te zijn. In de onmiddellijke
omgeving gebeurden wel geen gevallen van bloedafzuiging, van
zielontrooving of van houtsplinter- of vischgraat-goochelarij; maar in
de naburige kampongs kwamen die des te menigvuldiger voor. Er ging
bijna geen nacht voorbij, dat niet het een of andere schelmstuk van
dien aard uitgevoerd was. Men paste op, men loerde, maar steeds zonder
eenig gevolg. Wel waren er, die beweerden, dat de antoeën zich steeds
in de richting van soengei Basiri verwijderde; maar dat kon een list
zijn. Toen evenwel andermaal een jonge vrouw, moeder van vijf kinderen,
bloedeloos en dood op haar legerstede gevonden werd, toen besloot de
geheele negorij de handen in elkander te slaan en een stipte
waakzaamheid in acht te nemen. Ook de mannen, in soengei Basiri
wonende, werden daartoe uitgenoodigd. Zoo trok mijn vader om den
anderen nacht op post en bezette dan met twee andere kampongbewoners
een wachthuisje, dat aan de monding der soengei geplaatst, een ruim
uitzicht opleverde. Maar was de antoeën op zijn hoede, of wel was men
op een verkeerd spoor? Genoeg, al dat waken bleek ijdel en leidde tot
niets, hoewel er bijgevoegd moet worden, dat gedurende een geruimen
tijd geen ongeval zich voordeed.
„Maar ziet, op een avond hoorden de buren zekere luidruchtigheid in de
woning van Moeèi en toen men luisterde, was hij bezig zijn huisgenooten
toeak te schenken en hen tot drinken aan te sporen. Dat wekte argwaan;
want Moeèi was een erge gierigaard, die niet dan om geldige redenen tot
zulken overdaad oversloeg. Dien nacht trok mijn vader niet op post in
het bedoelde wachthuisje; maar verborg zich achter een struik, die
dicht bij Moeèi’s woning stond en van waar hij goed kon waarnemen, wie
in- of uitging. Hij zal daar zoo omstreeks drie „krassa krapi” [127] in
het stof gelegen hebben, toen hij de deur zachtjes zag opengaan en een
gedaante verschijnen, die als een pijl recht toe recht aan de lucht
invloog en naar den kant van het oosten in het duister verdween. Er was
evenwel niet veel te onderscheiden geweest en te beweren, dat, wat hij
gezien had, een menschenhoofd was, dat kon mijn vader niet; want hij
verklaarde later, dat het wel iets van een „bangamat” (vliegende hond)
had. In het onzekere wachtte hij stil af om te zien, of de gedaante zou
wederkeeren. En jawel, in het oosten begon zich reeds een grauwe
lichtband te vertoonen, toen hij een geklepper in de lucht vernam, dat
snel naderde. Hij sprong op en greep toe op het oogenblik, dat de
gedaante door de reet der deur wilde binnen sluipen. Een worsteling
volgde nu. Hevig schudde de antoeën zijn afhangende darmen, om den
bespringer te doen loslaten en toen dat niet lukte verhief hij zich in
de lucht. En waarachtig, toen mijn vader den grond onder zijn voeten
voelde begeven, kon hij die glibberige darmen niet houden, door zijn
zwaarte schoten hem die door de handen en plofte hij onzacht op den
grond neer. Op het geschreeuw mijns vaders schoten een paar buren toe.
Met hun drieën drongen zij in Moeèi’s woning en vonden dien nog bezig
met zich het hoofd op den romp te plaatsen.”
„Hoe deed hij dat?” was andermaal de nieuwsgierige vraag van La
Cueille, „nu moet je ’t weten; je vader was er bij.”
„Toch weet ik het niet; wellicht met zijn tanden,” was het ontwijkende
antwoord van den Dajak.
„Nog was het drietal van hun verbijstering niet bekomen, toen Moeèi met
zijn arbeid klaar was en hen lachend te gemoet trad, alsof er niets
gebeurd was. Hij greep een bamboekoker, die in de nabijheid van zijn
bed hing, schudde dien leeg en vertoonde den omstanders een stapeltje
rijksdaalders, dat hij hun aanbood, als zij den mond wilden houden.
Maar zij trokken hun mandauws en sloegen op den antoeën in en kapten en
kerfden, zoolang maar een heel plekje van zijn huid te ontwaren was.
Zij waren nog bezig, toen het kamponghoofd van soengei Basiri op het
gerucht binnenkwam.”
„Te drommel ja,” riep Johannes, „die zaak herinner ik me. Ik maakte
deel uit van de patrouille, die de moordenaars oppakte. Jongens,
jongens, de bevolking wilde ons te lijf.”
„Wel zeker,” zeide Dalim, „wat had de kommandant zich daarmee te
bemoeien. Een antoeën dooden is een verdienstelijk werk; tegen dat tuig
kan hij ons met al zijn macht niet beschermen.”
„Ja, maar de kommandant geloofde zoo grif aan die antoeën-geschiedenis
niet. Dat stapeltje gevonden rijksdaalders deed hem andere gedachten
koesteren.”
„Toch ten onrechte, niet waar? mijn vader en zijn twee helpers zijn
toch eindelijk op vrije voeten gesteld; dus de kommandant erkende hun
onschuld.”
„Voor den duivelkater niet! De kommandant wilde geen verwikkelingen in
het leven roepen met een bevolking, die hij pas met vele moeite tot
onderwerping gebracht had. Maar ik heb hem wel eens hooren mompelen,
dat die moordenaars hangen moesten.”
„Hij heeft ze niet gehangen,” lachte Dalim, „en wat wel het voornaamste
was, toen mijn vader zijn vrijheid herkreeg, gaf hem het kampongvolk
een fraaien mandauw ten geschenke als waardeering, dat hij hen van een
gevaarlijken antoeën verlost had en bij de eerste de beste gelegenheid
werd hij tot kamponghoofd van soengei Basiri verkozen.”
„Jawel, maar bij het vellen van een boom, kreeg hij een tak van den
vallenden reus op het lijf, die hem de ruggegraat verbrijzelde.”
„Dat was de wraak van den boosaardigen antoeën.”
„Goed; maar waarmee de kommandant nog al in zijn schik was, omdat hij
van de verplichting ontslagen werd, òf de benoeming tot hoofd van
iemand, dien hij van moord verdacht hield, te bekrachtigen, òf die
bekrachtiging te weigeren en weer nieuwe tweespalt met de bevolking te
beginnen.”
„Naughe!” (het zij, hoe het zij) lachte Dalim als om het gesprek over
dit onderwerp af te breken. „Maar,” vervolgde hij, „ik heb u nu twee
geschiedenissen in plaats van eene gegeven. Zijt ge nu tevreden? Ja?
Laat ik er dan nog bijvoegen, dat, indien iemand in de Dajaklanden ook
maar verdacht wordt antoeën te zijn, hij geen oogenblik zijn leven
zeker is. Niet alleen wordt het in het belang der openbare veiligheid
geacht, hem van kant te maken; maar, zooals ge gezien hebt, hij, die
hem doodt, wordt als een befaamd held beschouwd, wien iedereen
verplichting heeft en dankbaarheid verschuldigd is; terwijl hij
bovendien zich van de gunst van Radja ontong [128] verzekerd kan
houden. Hier in de bovenlanden daarenboven is het dooden van een
antoeën een uiterst langdurig lijden en gaat met de grootste
folteringen gepaard. ’t Is dus een goede raad, dien ik u gegeven heb, u
niet meer uit te geven voor iemand, die de macht bezit, ziekte te
kunnen berokkenen.”
„Neen, voor den drommel niet! dat zal ik niet meer doen,” zeide
Johannes ernstig gestemd. „Maar kan dat nog kwade gevolgen hebben?”
„Neen, wanneer de Poenan vrij van koorts blijft. Dan is alle gevaar
over. Want een bijzonderheid der antoeëns is, dat zij zelven nimmer het
kwaad, dat zij berokkend hebben, kunnen herstellen.”
„Mijn waarde Helvetiër,” wendde zich Johannes tot Wienersdorf, terwijl
hij hem een papiertje in den vorm van een poeder in de hand stopte,
„hier heb je nog een twintig grein chinine, laat die je schoonbroeder
nog slikken; want, verduiveld! nu heb ik een voornaam belang te meer
bij zijn genezing.”
Maar die tweede dosis was niet meer noodig. Na flink en rustig een gat
in den dag geslapen te hebben, was de Poenan ontwaakt en, zich uiterst
wel gevoelende, had hij zijn matje opgerold en dat buiten ’s huis in de
schaduw van een zwaar gekroonden wariengienboom uitgespreid. Hij lag
daar nu onder het genot van een sirihpruimpje de buitenlucht met
forsche teugen in te ademen. Toen hij Wienersdorf en Johannes zag
naderen schudde hij laatstgenoemden hartelijk de hand. Toch was een
soort van eerbiedige vrees voor hem, die zoo maar ziekten kon te
voorschijn roepen en doen verdwijnen, bij dat oorspronkelijke gemoed
onmiskenbaar.