XXIII.

De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijn aanstaande.—Hamadoe

een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij kotta

Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijn cokes.—De steenkolen aan

boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een

misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok-boelau” vertoornd.—Johannes

over de koorts beschikkende.—De goudsoorten in de Dajaklanden.

Het geschiedde zooals Johannes voorspeld had. Den volgenden morgen

werden de drie vingers der beschuldigden ontbloot en twee daarvan

ongeschonden bevonden. Alleen die van den pandeling was deerlijk

toegetakeld; het geheele vel bleef aan het windsel hangen. Er viel niet

aan te twijfelen, de Sangiangs hadden gesproken. Van een hevigen

uitbrander vergezeld, kreeg de schuldige het bevel om binnen den kortst

mogelijken tijd het verleide meisje te huwen. De goe gemeente had

eerbied voor die onbetwistbare goddelijke tusschenkomst en bewonderde

de wijsheid der uitspraak van hun nieuw hoofd. En.... och! de pandeling

glimlachte eens; met een flinke vrouw won hij de zekerheid van niet te

avond of morgen geslacht te worden. Dat was veel waard, dat moest hij

eerlijk bekennen. Dienzelfden dag zag men hem vertrouwvol met zijn

uitverkorene onder de schaduw der bosschen in den omtrek der kotta

wandelen. Zij scheen met verzachtende hand den ontvelden vinger te

verzorgen. Onze Europeanen zagen in, dat er voor iedere wond een

pleister bestaat.

Intusschen werd voortgegaan met alles voor het vertrek naar soengei

Miri in gereedheid te brengen. Evenwel, de levensmiddelen en de munitie

stonden gepakt, de kanonnen en de geweren gereed, om slechts opgenomen

en aan boord gebracht te worden; de bedrijvigheid gold dan ook nog maar

voorzieningen van huishoudelijken aard en de Europeanen hadden in de

laatste dagen vrij af. Ieder hunner nam er het zijne van en besteedde

den tijd, zooals hem het aangenaamst voorkwam.

Wienersdorf had wel willen herboriseeren; maar het kwam hem niet

nutteloos voor, wat tijd te besteden zijn aanstaande vrouw, van wie hij

al meer en meer begon te houden, voor de Europeesche samenleving te

vormen. Wel brachten de Dajaksche gebruiken mede, dat, nu eenmaal de

hand van het meisje plechtig gevraagd was, de beide minnenden elkander

niet meer mochten zien tot op den dag van het huwelijk, maar, zoowel

het gemeenschappelijk leven in die enge kotta, als de beslommeringen

voor de reis, maakten het stipt betrachten van dat gebruik nagenoeg

onmogelijk. Daarenboven, op de reis zelve zou Dohong voor zijn

aanstaande moeten waken; wien zou haar heil meer aan het hart gaan dan

hem? Ook meende Harimaoung Boekit, dat niemand alsdan zijn zuster beter

zoude kunnen beschermen, dan de dappere Dohong met zijn zoo juist

treffend geweer. De scheidsmuur tusschen de geliefden werd dus zoo

stipt niet bewaakt en onze Zwitser verzuimde geen oogenblik, om meer en

meer met de inborst van haar, met wie hij zich verbinden ging, bekend

te raken.

Die kennismaking viel niet tegen. Was Hamadoe, wat het uiterlijke

betrof, een schoon kind, een parel te noemen, bij onderzoek bleek het,

dat haar hart, haar gemoed een diamant van het zuiverste water was,

waarvan de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet

gevonden was. Zij was verstandig, dat zag haar Dohong onmiddellijk,

hoewel haar zekere begrippen, tot de eenvoudigste behoorende, vreemd

waren; zij was lieftallig en die lieftalligheid kwam in een omlijsting

als die harer omgeving nog beter uit. Die ruwheid toch gaf den toets

aan van de edelheid van ’s meisjes karakter, dat in zoo’n omgeving

ongekrenkt was gebleven. Zij was goed en zachtaardig; o! dat had hij

goed opgemerkt. Iedere wreedheid verfoeide zij, ieder noodeloos lijden

ging zij tegen zooveel in haar vermogen was; maar ziekelijke

weekhartigheid was haar ook vreemd. Zij was de fiere dochter des wouds

en als zoodanig was zij bewaard gebleven voor indrukken van de

buitenwereld; zij had tot nu toe geen anderen gezichtseinder dan die

harer bosschen gehad en de geheele menschheid had zich voor haar nog

maar tot den stam bepaald, waartoe zij behoorde. Werden wreedheden,

onmenschelijkheden door de leden van dien stam gepleegd, dan wendde zij

het hoofd af, onmachtig als zij zich tegenover de zeden harer

landgenooten gevoelde, om die gruwelen tegen te gaan. Toch zou zij haar

hand niet gereikt hebben aan een man, die zooals men zegt geen vlieg

kwaad kon doen. In haar oog moest de man krachtig en onbevangen het

zwaard kunnen voeren; zijn vrouw moest in hem een krachtigen steun en

een moedig beschermer vinden. Menschenvleesch had zij nimmer geproefd;

zelfs eens dat haar een schoteltje met „oetak” (hersenen) aangeboden

werd, was zij in onmacht gevallen en deswege hartelijk uitgelachen.

Over die zwakheid had zij zich geschaamd, maar toch met zoo’n ernst er

op aangedrongen, die aardigheid niet te herhalen, dat zelfs de

stompsten het zich voor gezegd hielden.

Zij was zedig en kuisch. Niemand van haar omgeving had ooit, ook bij de

meest ruwe handeling in haar nabijheid, een verdachten glimlach op haar

gelaat, of een blik, die verkeerd kon uitgelegd worden, in haar oogen

waargenomen. Zij bewoog zich te midden van de onreinheid, die haar

omgaf, als het zwanendons te midden der wateren, zonder er door bespat

te worden en zonder dat iets op haar bleef kleven. Hoorde zij in haar

omgeving uitdrukkingen, waaromtrent zij geen onwetendheid kon

voorwenden, dan bracht de ernst van haar lief gelaat de realisten tot

zwijgen; en zoo ver had zij het gebracht, zonder daaromtrent een

verzoek te doen of een woord te uiten, dat in haar tegenwoordigheid een

kieschheid betracht werd, die anders zelden te midden dier

boschmenschen aangetroffen werd. Wanneer zij een der priesteressen

ontmoette, dan gaf haar oog te kennen hoezeer de vrouw haar verachtte,

die zoo de vrouwelijke eerbaarheid met voeten trad. Nimmer had zij een

woord met een dier wezens gewisseld.

Als ieder Dajaksch meisje had zij tot op den jonkvrouwelijken leeftijd

naakt geloopen, slechts met een gouden „sapieng”, een nabootsing van

het vijgenblad, door het eerste menschenpaar gebezigd, gedekt. Later

had zij zich gekleed met den saloi, zooals al de andere jonkvrouwen van

haar stam en had in haar onschuld er nimmer erg in gehad, welken

aanstoot zulk een spaarzame kleeding kon geven. Zij wist niet beter.

Maar bij het blako ontong had zij de oogen van haar aanstaande op haar

ontbloote schouders voelen branden; toen was een schuchter gevoel, haar

tot nog toe onbekend, ontwaakt; zij had zich wel voor de blikken van al

die vergaderde mannen onder den grond willen verbergen. Dat gevoel was

haar ondraaglijk geweest. Van dat oogenblik af was zij niet meer

verschenen dan behoorlijk bedekt door een badjoe, hoewel haar

speelnooten haar schamper toevoegden, dat zij nu al de voorname

getrouwde vrouw uithing, die bezoek verwacht [119].

Bij zoo’n ongekunsteldheid waren de gesprekken met haar voor

Wienersdorf allerbekoorlijkst. Zij was de onwetendheid zelve; maar zij

nam, hetgeen haar verteld werd, tot zich en toonde een zeldzame

gemakkelijkheid zich daarmee te vereenzelvigen. Zij was geheel oor,

wanneer hij haar van de buitenwereld vertelde, van die buitenwereld,

die hij haar zoo schoon afschilderde en waarvan zij niets wist. Wel

waren haar broeders te Bandjermasin geweest en hadden daar zooveel

betooverends gezien, dat zij onuitputtelijk in hun verhalen waren. Maar

wat was Bandjermasin, vergeleken met Soerabaia, met Batavia, met

Singapore? En wat waren die plaatsen op hun beurt vergeleken met de

steden in het land der blanken? Of hij dan daar geweest was? was haar

vraag.

Hij aarzelde een oogenblik. Nog wilde hij het mom van Kwala Kapoeasser

te zijn, volhouden en reeds was hij op het punt, haar diets te maken,

dat hij veelvuldige reizen naar Java gemaakt had, dat hij eens met een

zeer groot schip naar de negeri wolanda geweest was; maar een blik in

haar fraaie oogen, in die oogen, die hem zoo trouwhartig, zoo argeloos

aanstaarden, deed hem het pad der veinzerij verlaten. Hij sloeg zijn

eenen arm om haar leest, trok haar tot zich en ontblootte zich een der

schouders, alwaar de wrijving van het baaitje, dat hij steeds droeg, de

katiting, die zijn huid kleurde, afgesleten had en zich zijn blank vel

vertoonde.

„Olo bapoeti!” (een blank mensch) ontsnapte het meisje met een

gesmoorden gil van schrik. Hij hield haar in zijn armen omsloten; een

oogenblik zwoegde haar borst onstuimig en hijgde zij naar adem; toen

sloeg zij haar schoone armen om zijn hals:

„Naughe!” lispelde zij, „ikau tabaliën, akoe langèh, tapi, koeèh

pangkabas” (laat het zijn, zoo het wil; gij zijt de ijzerhoutboom, ik

het rankgewas; maar beiden te zaam zijn wij zeer sterk).

Onstuimig klemde hij haar aan zijn borst.

Hij verhaalde haar alsnu, dat hij van de Hollanders weggegaan was, om

zijn land weer op te zoeken. Dat begreep zij niet goed. Alle blanke

menschen waren Hollanders, meende zij; en het kostte vrij wat moeite,

om aan het natuurkind uit te leggen, dat de blanken nog meer

verscheidenheden opleverden dan het bruine ras, waarvan zij trouwens

alleen maar haar stamgenooten onder de oogen had gehad. Maar zij had

medelijden met den man, die zulk een reis ondernomen, zich aan zoo veel

ellende blootgesteld had, alleen om zijn geboortegrond terug te zien.

Toch had zij ook daarvan geen recht begrip, want volgens haar kon men

overal gelukkig zijn. Het gevoel, dat haar zoo deed spreken, was nog

zoo onbewust bij haar, dat zij eigenlijk niet begreep, wat zij zeide.

Maar hij, hij zamelde die woorden als kostbare parelen van haar lippen

op, en van het oogenblik gebruik makende, ontrolde hij voor haar oogen

een schildering van de Europeesche samenleving en van de onwaardeerbare

voorrechten van de bescherming eener beschaafde maatschappij, die door

banden van menschenmin te samen wordt gebonden. Hij verklaarde haar,

hoe bloedvergieten daar wordt tegengegaan, waardoor de eene blanke man

naast den anderen kon vertoeven, welke veeten ook de verschillende

stammen mochten verdeelen. Hij legde haar uit, dat de blanken vrij

zijn, dat bij hen geen slaven bestaan, die immer in doodsangst

verkeeren, van op gruwelijke manier omgebracht te worden. Hij

verklaarde haar het bestaan der blanke vrouw, haar aandeel in den

strijd des levens, hoe geheel verschillend haar toestand daar ginds

was, waar zij naast haar echtgenoot troonde, een ware gezellin voor hem

was, met hier, waar de vrouw niets anders dan het lastdier, de slavin

des mans was.

Zij hoorde hem aandachtig aan; er ging een wereld voor haar blikken op.

Hij verhaalde haar van de prachtige woningen der blanken, zoo

verschillend van de krotten, die zij slechts gezien had; hij beschreef

haar de Europeesche steden met haar paleizen, haar pleinen, haar

gemakkelijke straten, haar kerken, haar schouwburgen, haar

wandelplaatsen, haar verlichting, enz. enz.; en deed dat met zulk een

wegsleepende vervoering, dat hij een geheele omkeering in dat

oorspronkelijk gemoed te weegbracht en wel zoodanig, dat het meisje

haar armen aanvallig om zijn hals strengelde, en hem zacht, schier

onhoorbaar in het oor ademde, dat zij heentrekken wilde, waar haar

Dohong haar voeren zou. Een hartelijke kus weerklonk tot bezegeling van

die belofte. Zij smeekte hem evenwel, voorloopig nog geheim te houden,

dat hij geen Dajak was; zij nam op zich Harimaoung Boekit haar broeder,

daarmede ter gelegener tijd in kennis te stellen.

Terwijl de geliefden daar zoo aan het keuvelen waren en

allergelukkigste oogenblikken doorleefden, hadden de drie andere

Europeanen, ieder op zijn wijze den tijd trachten te dooden. La

Cueille, verliefd als hij meende te zijn, had ook wel wat willen

vrijen; maar zijner Moendoet was de zorg voor de keuken opgedragen in

het huisgezin, waartoe zij behoorde. Hij kwam dus bij zijn aangebedene

te pas als het vijfde rad aan een wagen. Daarenboven had zij een

knoflook- en peteh- [120]lucht bij zich, die alles behalve aanlokkelijk

was en haar aanbidder tot den aftocht dwong. Pruttelend trok hij af en

wilde een wandeling in den omtrek maken, toen hij Schlickeisen

ontmoette, die evenzoo verlegen met zijn tijd rondliep, en zich bij hem

aansloot. Beide mannen bestegen een djoekoeng, meer om op de rivier wat

te spelevaren, dan wel met een bepaald doel om ergens heen te roeien.

Zij plasten en ploeterden in het water als twee dartele knapen. Zij

zagen Johannes en Harimaoung Boekit ook in een djoekoeng

stroom-opwaarts stevenen, maar bekommerden zich daarom niet. Eensklaps

kreeg La Cueille een stuk steenkool, dat op den oever lag, in het oog:

„Dat is waar ook,” sprak hij, „Johannes heeft mij in der tijd verteld,

dat even boven kotta Djankang bij middelbaren stand der rivier een

steenkolenader in het oevertalud zichtbaar is. Het is thans laag water;

kom, laten we daar heen roeien.”

„Mij wel,” antwoordde de Zwitser; „maar me dunkt, ’t zal niet overbodig

zijn onze geweren te halen. In dit land is het nooit kwaad, gewapend te

zijn.”

„We hebben onze mandauw’s”, meende de Waal, „maar ik zal van de

gelegenheid gebruik maken, om een pikhouweel en een koevoet mede te

nemen.”

Zoo gezegd, zoo gedaan. Weinige oogenblikken later zaten de twee mannen

met hun geweren en de gemelde gereedschappen in hun vaartuig en

stevenden de rivier op. Zij hadden nog geen half uur langs den

rechteroever geroeid, toen er zich een streep als een zwarte draad op

de fijne grijze schieferklei, waaruit de vrij steile oever bestond,

begon af te teekenen. Die draad nam langzamerhand in dikte toe, deed

zich als een lint voor, dat al breeder en breeder werd, en eindelijk

een band vertoonde, die met zwakke golvingen in nagenoeg horizontale

richting liep en bij zijn grootste uitgebreidheid een breedte van bijna

vier M. had. Over een aanmerkelijken afstand, strekte zich die laag

noordwaarts uit, verminderde dan allengskens, maar voor dat zij zacht

afnemende ten einde liep, zooals zij begonnen was, werd het

ganggesteente plotseling afgebroken door een faille, een uitgebreide

kalksteenformatie van verblindend witte kleur, die loodrecht als uit de

diepte opsteeg.

Daar, waar de zwarte band in den kleioever het machtigste voorkwam,

stevenden de onderzoekers naar den wal, om van meer nabij te kunnen

zien. La Cueille hakte eenige stukken van de zwarte laag af en bevond,

dat hij een gang van zuivere steenkool voor zich had. De kool was

grijsachtig zwart en mat van kleur. Tusschen de krachtige vingers van

den Waal liet zij zich gemakkelijk verbrijzelen en vertoonde een fijn

bladerige structuur op de breuk, waarbij evenwel verreweg de meeste

stukjes den paralellopipedischen vorm aannamen. De meeste dier

verschijnselen waren niet gunstig, maar de gewezen mijnwerker was hier

op zijn terrein; hij liet zich zoo gauw niet ontmoedigen. Met zijn

pikhouweel gewapend, brak hij door de eerste lagen, die eeuwen lang aan

weer, wind en overstrooming waren blootgesteld geweest en, geholpen

door Schlickeisen, had hij dan ook weldra het genoegen, een geheel

andere soort van steenkool te voorschijn te halen.

Maar daarmede nog niet tevreden, klom de Waal tegen den oever op, begaf

zich een paar honderd el landwaarts in en, bijgestaan door den Zwitser,

begon hij daar, als door zijn mijnwerkers instinct geleid, bij een

zichtbare depressie in den bodem, die als een terreinafscheiding

vormde, een gat te maken. Met den koevoet en het houweel werd de aarde

losgemaakt en met de handen naar buiten geworpen. Deze arbeid had niet

veel te beteekenen, daar de grond droog en klonterig was. Binnen een

paar uur, was dan ook een put gemaakt, ongeveer twee M. diep, bij een

doorsnede van twee maal die maat. De gereedschappen stieten op een dek

van zachten bruingrijzen kleisteen, die den Waal aan het juichen

bracht. Hij doorbrak die steenlaag; zij had een dikte van ongeveer twee

d.M. Hij bekeek het puin, dat te voorschijn werd, gebracht, herkende

fijne laagjes klei-ijzersteen en was van nu af zeker van zijn zaak. Het

duurde dan ook niet lang, of de eerste klomp steenkool was onder de

vereenigde pogingen der beide Europeanen door de ijzeren tanden van

pikhouweel en koevoet losgebroken.

„O! dat is een ander product dan ginds! daar was ik zeker van,” juichte

de Waal.

Schlickeisen keek, keek, maar kon geen onderscheid vinden:

„Het ziet er net uit als die kolen daar aan de rivier,” mompelde hij.

„Met dat onderscheid dat deze soort gitzwart is. En kijk eens hoe

glinsterend op de breuk, net een spiegel. Maar wat is dat? die plekken?

die gelijken wel op barnsteen! Mijn God, dat zijn harsachtige vlekken,

de schitterendste bewijzen, dat het vette steenkolen zijn. Wat een

schat! wat een schat!!”

De Zwitser zag de opgewondenheid zijns makkers met een glimlach aan.

Hij had weinig verstand van mijnzaken, maar kon toch de verrukking des

Waals begrijpen en had daar groot genoegen in.

„Kom,” riep deze, „laten we een goeden voorraad uitbreken, dan kan ik

die steenkool straks probeeren.”

En andermaal knarsten de ijzeren tanden der werktuigen onder de

krachtige hand van de twee Europeanen in den schoot der aarde, om haar

een harer nuttigste en kostbaarste voortbrengselen te ontwoekeren.

Wie kan zeggen, wanneer die aangevangen arbeid daar in de verre

binnenlanden van Borneo voortgezet zal worden, om den ontdekten schat

te vermeesteren? Helaas! een duistere vraag; de omringende bevolking

kende de waarde van den schat niet. En zij, die zich heer en meester

van het grootste gedeelte van dat eiland noemen, missen de geestkracht

om de onmetelijke rijkdommen hunner schoone koloniën naar eisch te

exploiteeren.

Maar aan zoo iets dachten onze avonturiers in het geheel niet. Zij

werkten ijverig en onverpoosd voort; en weldra lagen daar een menigte

klompen en verklaarde La Cueille, dat hij voor de proeven, die hij

wenschte te nemen, genoeg voorraad had. De meesten dier klompen waren

van zulk een afmeting, dat de beide mannen gezamenlijk al hun krachten

moesten inspannen om ze in de djoekoeng te brengen.

Zoodra zijn schat in de kotta gebracht was, begon de Waal een paar

vuren te stoken, om zijn waarnemingen te doen, waarbij Schlickeisen hem

stil aan zijn lot overliet en zijns weegs ging. Een drietal uren later,

toen de overige Europeanen den Waal opzochten, was hij nog aan den gang

en vonden zij hem opgetogen en uitbundig in zijn lof over zijn

steenkolen.

„Ziet,” riep hij in opgewondenheid uit, „ik heb een hoeveelheid van

ongeveer 25 K.G. in stukjes van vier kubieke c.M. geslagen; ik heb die

boven eenig fijn gekapt droog hout opgestapeld en dat met wat droge

spaanders in brand gestoken. O! je hadt eens moeten zien; mijn

steenkolen ontvlamden, zoodra het hout vuur had gevat. Ze brandden

levendig en helder voort met een vlam van roodachtig gele kleur, een

geelgrijsachtigen rook uitstootende. Van zwavelijzer heb ik geen spoor

ontdekt en de reuk van den rook was teerachtig en branderig en deed

geen andere bestanddeelen dan die welke een zuivere steenkool

samenstellen, onderscheiden. Noch mijn neus noch mijn ademhaling werden

door dien rook onaangenaam aangedaan. In al de bekkens van Luik en van

Henegouwen zijn waarachtig geen betere steenkolen aanwezig.”

De Waal was verrukkelijk in zijn geestdrift. Zijn makkers staarden hem

met onverholen verbazing aan. In zoo’n nimbus van geestdrift had hij

zich nog niet voor hen voorgedaan. Met den halfgebogen wijsvinger van

de linkerhand streek hij zich langs het voorhoofd, om de zweetdroppels,

die er op parelden, te doen vallen, en hervatte na diep geademd te

hebben:

„’t Was een fraai gezicht, hoe die steenkoolbrokken bij het ontvlammen

op onderscheidene plaatsen openscheurden, zonder tot gruis te

vervallen. Dat gaf aan de brandende stukken een overal bloemkoolachtig

uiterlijk en was oorzaak, dat de geheele massa kort na de ontvlamming

een weinig opwerkte. Onmiddellijk voor de ontvlamming liet zich een

knetterend geluid waarnemen, waarschijnlijk veroorzaakt, door de zich

ontwikkelende waterdampen. Nadat de massa goed ontbrand was, heb ik

kleine stukjes uit den gloed verwijderd en bleven deze nog geruimen

tijd voortbranden, dat een bewijs voor de vetheid dezer steenkolen is.

De geheele hoop heeft ruim twee uur lang met een flinke vlam gebrand,

waarna het gloeien, dat een langzame verbranding genoemd kan worden, is

ingetreden. Dat duurt nu al ruim drie kwartier en zal nog wel een half

uur aanhouden. Ziet, de terugblijvende asch is zeer fijn, meelachtig en

van een witte kleur. Van sintelvorming kan ik tot nu toe niets gewaar

worden. Nogmaals, dat zijn uitmuntende steenkolen en van zoo goede

kwaliteit, als ik er ooit ontmoet heb.”

„Zou het gewicht er van te bepalen zijn?” vroeg Wienersdorf.

„O!” riep de Waal, overgelukkig over die vraag. „Kijk daar achter je

dien kubus. Met behulp van je meetsnoer heb ik dien zoo bekapt. ’t Is

zuiver een kubieke d.M. steenkool, raadt eens, wat die weegt.”

„Hoe zouden we dat raden kunnen? In allen gevalle lichter dan water;

wellicht acht of negen H.G.,” meende Johannes.

„Kom laat op je schieten. Dan waren het slechts bruinkolen. Neen, die

dobbelsteen weegt 1.26 K.G. ruim. Geloof je ’t niet? daar staat de

unster er bij, het nawegen is gemakkelijk. Ik schat, dat de stère

1262,62 K.G. zal halen. Zeg, is dat niet prachtig?”

„Voorzeker”, was het lachende antwoord van Johannes, „ik wist niet dat

steenkolen zoo zwaar zijn. Het is toch maar versteend hout.”

„Vergeet echter niet”, viel Wienersdorf in, „dat die versteening, zoo

als je ’t noemt, plaats heeft gehad onder een buitengewoon sterke

samendrukking.”

„Is het dan geen versteening, dat je er zoo bijvoegt: „zoo als je ’t

noemt?””

„Ja en neen. De vorming der steenkolen is eigenlijk een langdurige

scheikundige bewerking, een soort van distillatieproces. De in de

voortijden vernielde en het onderste boven gekeerde wouden stonden,

onder den invloed van een warmtegraad, waarvan we ons moeielijk een

denkbeeld kunnen maken, hun rijkdom aan koolstof, waarvan de steenkool

gevormd werd, in gasvormigen toestand af. Dit vervluchtigde product

evenwel, door een ontzaglijke drukking bewerkt, ging tot vloeibaren,

vervolgens bij afkoeling tot deegachtigen en vasten toestand over. Als

zoodanig is er aan geen versteening te denken en toch is men geneigd,

het er wel voor aan te nemen, als men er op let, dat onder die

onweerstaanbare bewerking de plantenstof tot een delfstof, de

organische schepping tot een anorganische is overgegaan, waarbij niet

zelden de vorm, of beter uitgedrukt, de afdruk van het oorspronkelijke

lichaam bewaard is gebleven.”

La Cueille trappelde van ongeduld bij die uitlegging, die hem te

geleerd was.

„Ik heb nog meer gedaan,” ging hij opgetogen voort, zijn gedachtenloop

volgende, alsof de anderen niet gesproken hadden. „Ziet, ’k heb cokes

gebrand. Ik heb dien ouden roestigen ketel, die daar ginds in den hoek

stond, genomen; ik heb hem met twintig K.G. steenkolen gevuld,

nauwkeurig gewogen; ik heb er het deksel opgedaan en dat slechts op een

kiertje opengelaten, om de gassen te laten vervliegen. Daarna heb ik er

een vuurtje rondom gestookt en dat onderhouden, totdat de rook, die

zich door de reet een uitweg baande, niet meer te ontvlammen was. Toen

heb ik het vuur uitgedoofd en den ketel goed gesloten. Komt, helpt mij

dien ketel omwerpen en de verkregen cokes wegen; ze zullen nu wel

genoegzaam afgekoeld zijn.”

In een oogwenk lag de inhoud op den grond uitgespreid. Aan de

verrukking van den Waal scheen geen einde te komen. Hij liep rondom den

hoop als een kat om een pot heete brij. Niemand mocht er aan komen.

„Ziet! ziet!” riep hij zegevierende uit, „ziet hoe die rommel flink aan

elkaar gebakken is! En wat hebben die stukken een fraaie kleur, als van

mat zilver, die vooral op de breuk goed uitkomt. Ik ben nieuwsgierig

wat die cokes wegen.”

En met behulp zijner makkers was snel een korf gevonden en werd die,

nauwkeurig met de geheele brandstof gevuld, aan den unster gehangen. De

Waal trok een bedenkelijk gezicht.

„Dat valt tegen,” riep hij, „slechts 10.4 K.G. Maar.... wacht, daar

ligt nog een flink brok, dat moet ook meedoen en dat zal het evenwicht

wel herstellen.... Toch nog weinig, saperlotte! slechts 11.52 K.G.”

Eens rondkijkende, of nog niet een klompje vergeten was, mompelde hij:

„Neen, alles is er. Laat zien, dat is 57.60% cokes van de gebezigde 20

K.G. steenkolen. Het overtreft nog altijd iedere Duitsche, Fransche of

Belgische soort. De Ruhrortkolen geven maar 50.50%; de beste Luiker

slechts 54.72%. Toch had ik gedacht dat deze kolen vetter waren; ze

zagen er zoo prachtig uit en brandden zoo flink.”

„Maar mij dunkt”, sprak Wienersdorf om iets te zeggen, „als die kolen

bijna drie percent meer cokes geven dan de beste Luiker, het al wel is.

Wat kan ’t je schelen?”

De Waal snoof eens en streek zich met de zwarte hand over het gelaat.

„Wat het me schelen kan? Niet veel, dat beken ik. Maar ik ben hier op

mijn terrein en weet je, alles wat het mijnwezen betreft, boezemt mij

belang in. Daarenboven ik ben in mijn eer getast; ik heb mij door het

uiterlijk dier kolen laten misleiden. Slechts 57.60%; terwijl de beste

Newcastle kolen 65.67% opleveren. Van die zouden 13.13 K.G. cokes

overgebleven zijn.”

„Toch heb je redenen van tevredenheid, dunkt me.”

„In aanmerking genomen, dat die kolen dicht aan de oppervlakte der

aarde gelegen hebben en dus nog altijd van de inwerking van weer en

wind zullen geleden hebben, moet ik dat toegeven. En daarom kan men

verzekerd zijn, dat bij het aanbreken van dieper liggende lagen, die

cokes-verhouding zich aanmerkelijk zal wijzigen en meer gunstige

resultaten zal opleveren. Ik wou nu wel eens weten, hoe die kolen zich

in de praktijk houden.”

„In de praktijk? me dunkt, je hebt vuurtjes genoeg gestookt, om

dienaangaande gesticht te zijn.”

„Ik meen bij hoogovens of bij machineovens.”

„Ah zoo! noem je dat in de praktijk? Als we langer hier bleven, dan zou

het niet onmogelijk zijn je een hoogoven te construeeren,” lachte

Johannes en zich naar Wienersdorf keerende, „natuurlijk met behulp van

mijnheer den professor in de natuur- en scheikunde. Wij zouden de

industrie in dit land tot een aardige hoogte kunnen voeren.”

„Hoe zoo?” vroeg deze.

„In de bovenlanden is het ijzererts niet zeldzaam, vooral niet in de

boven Roengan, boven Kahajan en boven Doesson.”

„IJzererts?” vroeg La Cueille driftig, „ook ijzererts? maar dan zijn

alle rijkdommen in dit land vereenigd.”

„Hier in de Kapoeas,” ging Johannes voort, „komt dat erts minder voor,

ofschoon het niet geheel afwezig is.”

„Maar trekt de bevolking daar partij van?” vroeg Wienersdorf.

„De Dajaks weten het aardig uit te smelten. Bij mijn omzwervingen hier

ter kust, heb ik eens zoo’n ijzersmelterij bezocht.”

„Toe, verhaal ons daar wat van,” vleide La Cueille.

„Straks, in de avonduren zal ik dat misschien doen. Laat u thans de

mededeeling genoeg zijn, dat de Dajaks bij die smelting geen steenkolen

maar houtskolen bezigen. ’k Herhaal het, bleven we hier, dan konden we

het droombeeld van La Cueille verwezenlijken en hem laten zien hoe zijn

steenkolen zich zouden houden en de bevolking aantoonen, dat het

gebruik van deze brandstof oneindig voordeeliger is bij het

ijzersmelten dan dat van houtskolen.”

„Maar.... bij een machineoven?....” bracht de Waal er aarzelend uit.

„Als men in de boven Dajaklanden is, kan men zoo maar niet alles tot

zijn beschikking hebben,” lachte Schlickeisen. „Of wou je ook, dat wij

een machine construeerden? Je hebt maar te bevelen.”

„Toch kan ik onze weetgierigen daaromtrent eenigszins inlichten,” viel

Johannes in. „Bij gelegenheid eener inspectie door den kommandant van

Kwala Kapoeas in deze bovenlanden gehouden, is het stoomschip Boni tot

Batoe Sambong, dus nog een eind voorbij kotta Djankang gestoomd. Bij

die gelegenheid werd bij de steenkolenlaag, in het oevertalud

zichtbaar, geankerd en een geheele lading van die brandstof ingenomen.

Men was zeer gebrekkig van gereedschappen voorzien, zoodat de ader niet

volkomen aangebroken kon worden en men zich vergenoegen moest met de

klompen, die van zelf losgeraakt op den oever verspreid lagen, te

laden. Om met die kolen een proef te nemen, had men de vuren sedert

tweemaal vier en twintig uren laten uitgaan en had men den ketel

herhaaldelijk gespuid, om hem behoorlijk af te koelen. Welnu, in

veertig minuten tijds, met het horloge in de hand, was stoom gestookt.”

„Sacrebleu!” riep de Waal, „dat is mooi! met de beste Engelsche kolen,

zal daartoe wel een uur benoodigd zijn.”

„Juist, dat verzekerde de machinist der boot ook,” ging Johannes voort.

„Toen de stoom een spanning van vijf Eng. pond per vierkanten Eng. duim

bereikt had, werden de werktuigen aangezet en deden die twintig

omwentelingen in de minuut; waardoor een snelheid naar gissing van 6¾

mijl werd verkregen. Ik zeg naar gissing, omdat die snelheid bij den

sterken en onregelmatigen stroom, voor welken men afvoer, niet te

bepalen was. Maar reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe

zorgvuldig ook gestookt werd, tot op drie, en nog iets later tot op

anderhalf pond gedaald, waardoor het getal der omwentelingen

aanmerkelijk verminderde en het anker moest uitgeworpen worden, omdat

het schip geen stuur hield.”

„Dat was jammer,” zuchtte La Cueille.

„Ja, zeker was dat jammer. De proef had zich anders goed ingesteld. Er

bleef niets anders over, dan de vuren weder met Newcastle kolen te

voeden; toen ging alles weer goed.”

„Heeft men die proef later niet herhaald, hetzij met zuivere

Kapoeaskolen, hetzij vermengd met Engelsche kolen?”

„Dat weet ik niet.”

„Kun je ook iets mededeelen omtrent den inhoud van den ketel en van het

stoomwerk; als ook omtrent de grootte van den vuurhaard, den afstand

van de roosterstaven onderling en de hoogte en de middellijn van den

schoorsteen?”

„Schei uit!” riep Schlickeisen met wanhopig gebaar. „Wou je ook weten

hoeveel kookgaten de kok in zijn kombuis had en hoeveel spijkers in de

schoenzolen van den koksmaat zaten?”

Allen lachten hartelijk, maar de Zwitser ging voort: „Verduiveld! ik

wist niet, dat je zoo’n man van cijfers waart.”

„Zoo zie je, als de lui maar in de brij, die voor hen bestemd is,

kunnen happen,” lachte Johannes.

„Nu ja! steenkolen zijn mijn brij. Maar kun je me mijn vraag

beantwoorden?”

„Neen mijn waarde Waal, iets zekers kan ik je daaromtrent niet

mededeelen. Ik heb in der tijd die cijfers, die je me vraagt, in mijn

zakboekje opgeschreven. Ik was daartoe in staat, omdat ik op dien tocht

als schrijver van den kommandant moest fungeeren en ik het rapport

betrekkelijk die zaak, voor den resident te Bandjermasin in het net heb

geschreven. Maar dat zakboekje ben ik kwijt; ik geloof ten naastebij,

dat ik het te Kwala Kapoeas in de laatste oogenblikken heb

achtergelaten.”

„Dat is wel jammer; als ik die cijfers had kunnen keuren, ware mij veel

opgehelderd. Maar om het even, ’k houd me overtuigd, dat, wanneer men

steenkolen uit het innerlijke der ader had gebroken, men wel stoom op

had kunnen houden.”

„O! dat was ook de overtuiging van den machinist. Die prees die

steenkolen zeer; vooral omdat ze niets dan fijne asch op en onder de

roosterstaven achterlieten. Dat spaarde veel arbeid van schoonhouden

uit, meende hij.”

„Maakt de Dajak gebruik van de steenkolen?” vroeg Wienersdorf.

„Neen, het gebruik van de „batoe kasientoe,” zooals de steenkool in de

landstaal genoemd is, wordt als onreinmakend beschouwd. In sommige

gevallen is het zelfs verboden een steenkolenvuur te naderen, of

steenkolen aan te raken. Van waar dat bijgeloof komt, is mij niet

duidelijk. Wel verhaalt een legende, dat Mahatara in een oogenblik van

ontzettenden toorn geheele bosschen in den schoot der aarde bedolven en

daar in steen veranderd heeft. Wellicht dat dit tot dien afkeer den

grondslag gelegd heeft.”

„Zijn de steenkolen op Borneo zeer verbreid?”

„Dat is een vraag, die bij de nog heerschende onbekendheid van dat

eiland niet gemakkelijk te beantwoorden is. Intusschen, voor zoover wij

Borneo kennen, moet de vraag met ja beantwoord worden; want in dat

gedeelte, waar de Nederlanders gevestigd zijn, komen vele en machtige

steenkolengangen voor. In het zuid-oostelijk gedeelte van het eiland,

meer bekend onder den naam van Tanah-laoet, maken ze in de geheele

heuvelformatie een belangrijk en bijna nimmer ontbrekend gedeelte der

mineralogische samenstelling uit. Alle kloven en spleten, die

veroorloven een blik te werpen in het eigenaardige dier onderaardsche

natuur en waarin men tot hiertoe is doorgedrongen, hebben tot

kolenlagen geleid. Op Poeloe laoet, een groot eiland, dicht onder de

zuidoostkust gelegen, zetten die kolenlagen zich voort en worden zeer

gemakkelijk in de heuvels teruggevonden. In Koetei op de oostkust,

worden onder anderen te Pelarang machtige steenkolenaderen aangetroffen

en langs de boorden van de boven-Doesson, boven Moeroi en boven Kahajan

zijn lagen te ontwaren, die in uitgebreidheid weinig met die hier in de

Kapoeas aanwezig, verschillen. Op de westkust worden die schatten langs

de boorden der Kapoeas-Bohong, der Blitang, der beneden-Melawi, der

Tabon-Kanoh aangetroffen; of zij daar echter van even goede kwaliteit

zijn als deze hier, waarmede onze makker zijn proeven nam, zou ik niet

durven bevestigen.”

Allen, maar vooral de Waal, hadden die geologische bijzonderheden met

belangstelling aangehoord en wie weet hoe lang die

steenkolen-verhandeling nog zou geduurd hebben, toen Harimaoung Boekit

de vrienden kwam opzoeken. Voorzichtig hield hij een „tarodjok” (kleine

weegschaal) in de hand en wees Johannes lachende daarop. Deze toonde

zich eenigermate ontstemd door die verschijning; maar daar er niets

meer aan te doen was, verbeet hij zijn teleurstelling en stond het

Poenanhoofd te woord.

„Wel, Amai hebt ge het gewogen?”

„Ja,” grinnikte de Poenan, terwijl hij de tong der weegschaal vrij

balanceeren liet, „zie, het weegt juist een boea kajoe.” [121]

„En dat is voor een waarde van hoeveel?”

Ja, die vraag was te sterk voor den Poenan, een te ingewikkeld

rekenkunstig vraagstuk voor dat natuurkind. Hij krabde zich achter de

ooren en keek een voor een de mannen van het gezelschap aan. Eindelijk

zich tot zijn aanstaanden schoonbroeder wendende, vroeg hij dien:

„Als een thaël dertig realen kost, wat is dan de waarde van een boea

kajoe?”

Verbluft keek Wienersdorf hem aan, met een gezicht zoo dwaas, dat zijn

makkers in een luid gelach uitbarstten. Hij begreep zelf niet waarover

het gold. Harimaoung Boekit wees hem op de tarodjok; in de eene schaal

daarvan lag een fijn poeder, metaalachtig grauw-geel, dat veel van vuil

kopervijlsel had; in de andere een klein koperen plaatje, dat een

gewicht moest verbeelden. Nog begreep hij niet, wat van hem gevorderd

werd en trok dientengevolge de schouders op.

„De menschen, die te Bandjermasin geweest zijn, laten er zich altijd

veel op voorstaan, dat zij meer weten dan anderen,” hernam het

Poenanhoofd vrij korzelig, „en nu weet die domkop mij niet eens te

zeggen, wanneer een thaël dertig realen kost, wat dan een boea kajoe

waard is.”

„Maar wat kost dertig realen? wat? wat??” vroeg de Zwitser ietwat

geraakt.

„Wat? hier dit „boelau oerei” (stofgoud).

„Zoo, is dat stofgoud? Moet ik daar de waarde van zeggen? Wel dat weet

ik niet.”

„Weet je dat niet? O! mijn arme zuster! wat een domkop krijgt ze tot

echtgenoot.”

Johannes schaterde het uit van het lachen; dat lachen was aanstekelijk,

zoodat weldra La Cueille en Schlickeisen medededen en Wienersdorf

eindelijk ook instemde.

„Maar Amai,” sprak Johannes, toen hij eindelijk zijn lachbui wat

bedwongen had. „Dohong kent dat gewicht hier niet; te Bandjermasin en

te Kwala Kapoeas wordt een geheel ander gebruikt. Luister,” ging hij

tegen Wienersdorf voort, „een thaël weegt twee ringgit’s; een ringgit

twee sadjampol; een sadjampol twee en een half sakobang; een sakobang

twee boea kajoe; begrijp je nu?”

„O! nu ben ik er. Wel Amai, dan is dit voor drie gulden stofgoud.

Maar,” wendde hij zich tot Johannes, „wat heeft dit alles te beduiden?

’k begrijp er niets van.”

„Och, ’k had ulieden willen verrassen en van u allemaal goudzoekers

willen maken, u tot de fortuin leiden, zonder dat ge het wist. De

aardigheid is er nu af. Ziet hier. De Poenan en ik zijn heden aan het

goudwasschen gegaan; ik heb mijn eerste les in het edele vak willen

nemen. En zietdaar het product van ongeveer twee uur arbeids, dat heb

ik alleen gevonden. Het part van mijn leermeester is veel grooter.”

„In twee uur drie gulden?” vroeg Schlickeisen. „Verduiveld! tegen dien

maatstaf is een prachtige daghuur te maken. Het spijt me, dat wij niet

langer hier blijven kunnen; wij zouden hier een buidel maken kunnen en

die zou bij onze thuiskomst niet onaardig klinken.”

„En nog zijn we niet gelukkig geweest. Niet waar Amai?”

De Poenan lachte en antwoordde:

„Dat is uw schuld geweest; je hebt een menigte verboden zaken verricht,

die den „sarok boelau” [122] hebben doen vluchten. Zoo hebt ge u staan

baden in de rivier en hebt daarbij je gezicht stroomopwaarts gericht;

dat mag niet. Je hebt je op den rand der djoekoeng neergezet en de

beenen laten afhangen, je hadt ze gekruist onder uw zitvlak moeten

opvouwen. Het is een wonder dat je nog iets gevonden hebt. Maar de

sarok boelau zal zich wreken; je kunt er op rekenen, dat je door

heftige koortsen aangetast zult worden.”

„Och! Amai,” lachte Johannes, „de koorts heeft geen vat op mij; als die

komt zal ik haar naar u zenden.”

De Poenan lachte over die aardigheid volstrekt niet; de toezegging kwam

hem wat kras voor. Hij verhaalde evenwel den vrienden, dat bij hem te

lande, in de soengei Miri het goud overvloediger voorkomt. Hij zou hen

daar helpen wasschen, maar dan moesten zij hem beloven, dat zij zich

aan alle formaliteiten van den adat stipt zouden onderwerpen. Hij

vertelde hun ook nog, dat het goud der Kapoeas beter was, dan dat

hetwelk in de haar schatplichtige soengei’s Koewatan, Mawat, Taren en

Sirat gevonden werd, maar dat het Kapoeasgoud bij dat der Kahajan

achterstond. Het goud van de soengei Miri afkomstig, was evenwel het

beste van alle soorten; dat was eigenlijk „boelau batoeèh” (rijp goud),

had ook een fraaie hooggele kleur, terwijl al het andere als „boelau

manggor” (onrijp goud) moest beschouwd worden, dat ook door zijn

bleekere kleur zijn geringer gehalte verraden werd.

De Poenan had zooveel van den rijkdom zijns lands verteld, dat de

deserteurs nog lang na zijn vertrek over goud, goud en nog eens goud

zaten te praten en blijken gaven door de goudkoorts aangetast te zijn.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 61 / 77 题