Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het
„manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt
het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der
vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La
recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het
bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.
Na die bedrijvigheid gingen een paar dagen in ongestoorde rust voorbij.
Vooral de Europeanen luierden letterlijk uit van de vroeger ten toon
gespreide arbeidzaamheid. Maar toen die om waren, werd het tijd aan de
voorbereidingen tot het vertrek te denken.
Die voorbereidingen waren waarachtig niet onbeduidend. Het waren thans
geen vier mannen slechts, die de reis zouden aanvaarden; het was een
geheele kolonie, die de binnenlanden ging intrekken om zich daar
metterwoon te vestigen. Het huisgezin van Amai Kotong was zeer talrijk;
hij zelf had een twaalftal kinderen, waarvan de grootste helft gehuwd
en op haar beurt reeds ruim gezegend was of in staat van zegening
verkeerde, of de hoop op zulk een zegening koesterde. Hij bezat
daarenboven een tachtigtal pandelingen van beiderlei kunne en een
twintigtal kinderen van die pandelingen. Het was bijgevolg een geheele
volksverhuizing, die te regelen viel. Bij die verhuizing zouden zich
aansluiten Hamadoe, de zuster van Harimaoung Boekit, met een paar
vriendinnetjes, onder welke laatsten de lieve Moendoet, de aanstaande
mevrouw La Cueille, gerekend moest worden; verder het Poenanhoofd met
zijn stamgenooten, welke laatsten wel een gewenschte toevoeging aan den
tocht zouden uitmaken. Die fiere zonen der wildernis waren fiksche
pootige kerels, ieder als een Hercules gebouwd, met spieren als van
staal en gewoon om bij hun tochten door de bosschen de grootste
hinderpalen te overwinnen en om ontberingen te lachen. Zij zouden de
eigenlijke kracht van de reizende kolonie uitmaken; ja, zonder hen ware
de verhuizing, althans op die schaal, wellicht onmogelijk geweest; want
het waren bijna honderd vijftig menschelijke wezens, allen bewoners van
kotta Djankang, waaronder vele vrouwen en kinderen, die het
koppensnellersland zouden intrekken.
De afstand, die afgelegd moest worden, was niet zoo bijzonder groot. In
rechte lijn bedraagt die van kotta Djankang tot kotta Rangan Hanoengoh,
verblijfplaats van Harimaoung Boekit aan de soengei Miri, nog niet
volle 140 kilometer. Maar in een terrein als de boven-Dajaklanden is de
rechte lijn niet denkbeeldig als bij ons, doch geheel en al onbekend;
en de kronkelingen van den te volgen weg moesten zoodanig in rekening
gebracht worden, dat die 140 KM. onoverdreven tot het dubbele getal
uitdijden en dat langs gemeenschapswegen, die dien naam ternauwernood
mochten dragen.
Johannes drong tot spoed aan. Hij bracht de wat langzame Dajaks aan het
verstand, dat in de bestaande omstandigheden, tijd veel meer dan goud
waard was, iets wat hun begrip geheel en al te boven ging. Men was in
het land, waar het goud maar voor het rapen was; maar als men het
geraapt had, och! dan had tijd hoegenaamd geen waarde meer.
„Wat de menschen toch dwaze dingen vertellen kunnen,” redeneerden de
kotta Djankangers en de Poenans, „vooral wanneer zij met die inhalige
blanken in aanraking zijn geweest.”
Maar zonder zijn wenkbrauwen te fronsen, maakte Johannes hun duidelijk,
dat, wanneer de leden van het gezantschap niet in hun zending slaagden
en de Hollanders het er op zetten naar de Boven-Kapoeas terug te komen,
men ze spoediger zou zien verschijnen, dan wel gedacht werd. De
beschikkingen, die voor de voorgenomen verhuizing te nemen waren,
konden veelvuldig genoemd worden en de tijd was kort.
Eindelijk behaalde de redeneerkunst van den vermomden blanke de
overwinning op de traagheid der inboorlingen en nu dit eenmaal het
geval was, nu waren de belanghebbenden weldra in volle beslommering om
zich tot het vertrek gereed te maken.
Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de
vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om
de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng
gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier
voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte
geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine
stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval
tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar
bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling
[107]—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote
moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de
reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er
valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen;
maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met
djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de
grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging
van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft
omslaan tot natuurlijk gevolg.
Rangkans en djoekoengs waren in voldoende hoeveelheid te kotta Djankang
voorhanden en bevonden zich goed bewaard onder de op palen gebouwde
woonhuizen en magazijnen binnen de versterking. Men kon, zoo men wilde,
dadelijk beginnen met die te water te brengen en haar op doelmatige
wijze te beladen. Dewijl zij van wege de kihams nog al eens ontscheept
zouden moeten worden, zorgde men, dat zooveel mogelijk alle mede te
voeren voorwerpen tot een- of tweemans vrachten verpakt werden, waarbij
niet uit het oog mocht verloren worden, dat de Dajaks zeer ongeneigd
zijn, lasten op hun schouders te torschen en dat ook niet kunnen in die
mate, als dat door de Javanen verricht wordt. Daarom werden dan ook de
levensmiddelen en alle andere zaken, die zich daartoe eigenden, in
mandjes verpakt, die van de noodige rottanlussen voorzien, als een
ransel op den rug bevestigd en alzoo met gemak en behendigheid gedragen
konden worden. Die mandjes in de Dajaklanden zijn van gevlochten rottan
vervaardigd, hebben den vorm van een afgeknotten kegel van ongeveer 75
cM. hoog, met een bovenwijdte van ± 40 en een benedenwijdte van 25 cM.,
zijn van binnen met waterdichten boombast gevoerd en hebben een flink
en hermetisch sluitend deksel.
De kanonstukjes werden nog in batterij gelaten, om bij een eventueelen
terugkeer des vijands niet ongewapend overvallen te worden; evenwel
werden er stevige rottanstrikken zoodanig omgelegd, dat men slechts de
noodige draagstokken door de gevormde lussen te steken had om de vracht
dadelijk te kunnen optillen en weg te voeren. De deserteurs belastten
zich voornamelijk met het vervoer van de artillerie en munitie,
waarvoor hun stevige schouders ten volle berekend waren. Wel had men er
een oogenblik aan gedacht, een paar dier stukjes ter bewapening van
kotta Djankang achter te laten. Maar de zeer gegronde opmerking, dat de
Hollanders ze toch als hun eigendom zouden terugnemen en het ook beter
was, dat de kotta bij de nieuwe phase, die haar bewoners intraden, een
zeer vreedzaam uitzicht had, deed daarvan afzien. Dezelfde beweegreden
gold ook ten opzichte van de buitgemaakte geweren te Kwala Hiang, die
allen medegenomen werden. Van een andere zijde had ook Harimaoung
Boekit zich zeer begeerig getoond die stukjes te bezitten. Wat zou hij
trotsch zijn, wanneer hij zijn kotta in soengei Miri daarmede bewapend
zoude zien.
Voedingsmiddelen waren in overvloed voorhanden, dat wil zeggen, men had
rijst in voldoende hoeveelheid; ook had men een goede provisie
„koedjang” [108], lombok en andere toespijzen. Alleen in vleeschspijzen
was men niet ruim gesorteerd. Het gezouten vleesch en spek, door de
deserteurs aangevoerd, waren nog slechts voor een klein gedeelte
aanwezig, dewijl de Dajaks zich daaraan als aan een délicatesse hadden
te goed gedaan. Amai Kotong en Harimaoung Boekit verzekerden evenwel,
dat op hun reis geen dierlijk voedsel zou ontbreken; de vrienden zouden
meer dan eens in de gelegenheid komen om met hun juist schot een hert
neer te leggen.
Maar om toch geen teleurstelling deswege te ondervinden, werd besloten
een „manobah”, dat is een vischvangst op groote schaal te doen plaats
vinden, om zulk een ruime proviand op te doen. De gasten te kotta
Djankang werden uitgenoodigd, die vischpartij bij te wonen. Onze
reizigers zouden ervaren, dat zulk een partij een waar nationaal feest
voor de Dajaks is, hetwelk voor hen uiterst belangwekkend zoude zijn.
Tot de voorbereidingen tot die vischvangst behoorde de inzameling van
een aanzienlijke hoeveelheid wortels van den „tobah”-struik [109]. Daar
er nog al moerasachtige plekken tusschen de omringende heuvels van
kotta Djankang aangetroffen worden, baarde die inzameling niet veel
moeite en was zij al zeer spoedig geschied. De ingezamelde wortels
werden toen in verscheidene djoekoengs met overvloedig water geweekt en
daarna met platte stukken hout zoolang geklopt, totdat het water in de
djoekoengs een melkwitte kleur verkregen had. De uitgeweekte
wortelvezels werden toen verwijderd en het vocht behoorlijk
afgeschuimd, waarna wat levende kalk en een vrij sterk aftreksel van
tabak daarin gemengd werd. Men had toen zoo wat een zestal djoekoengs
met tobahwater gevuld.
Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag voeren een overgroot
aantal zeer lichte vaartuigen, waaronder ook die met het mengsel
gevuld, de soengei Mawat in, waarna dat riviertje met een „salambouw”,
groot vierkant net met middelmatig groote mazen, zoodanig afgesloten
werd, dat de onderrand van het net, op de bedding der soengei met
steenen verankerd en de bovenrand zoo wat een handbreedte boven het
watervlak uitstekende, geen enkele visch het riviertje kon verlaten.
Twee djoekoengs, ieder met drie opvarenden bemand, vatten post bij het
net om te waken dat het niet, hetzij door opkomende prauwen, hetzij
door den zwaren stroom beschadigd of opgetild werd.
Toen men daarmede klaar was, verdeelde het mannelijk gedeelte der
expeditie zich zoodanig over de aanwezige djoekoengs, dat in ieder der
vaartuigen zich drie man bevonden. De dameswereld—want vele der
schoonen van kotta Djankang waren mede uitgetogen om van de pret
getuigen te zijn—had zich bij elkander in twee groote prauwen
geschaard, terwijl een derde prauw een aantal Balians bevatte, die bij
geen feestelijkheid, dus ook bij deze niet, mochten ontbreken.
Nu werd de soengei in alle stilte, maar toch krachtig en vlug,
opgeroeid. Dat oproeien duurde zoo omstreeks vier uur en onderwijl
werden de mondingen van een paar onaanzienlijke spruitjes, die zich in
de Mawat ontlastten, ook met netten afgesloten.
Op de gewenschte plaats aangekomen, werd het tobahwater op
verschillende punten tegelijk met klapperdoppen in de rivier geworpen.
Terwijl de vaartuigen zachtjes en in alle stilte zich voor den stroom
lieten afdrijven, was men gedurende een klein half uur nagenoeg
werkeloos, om het vergiftigde water tijd te geven, zich met het
rivierwater te vermengen. Intusschen maakten de visschers zich gereed
den buit te kunnen bemachtigen. Van de drie opvarenden, die iedere
djoekoeng bemanden, bleef hij, die aan den achtersteven gezeten was, de
pagaai in handen houden om het vaartuig te besturen; de twee anderen
met een harpoen of een schepnet gewapend, de een voor op de spits, de
ander in het midden der djoekoeng post vatten, gereed om toe te tasten.
Men had Schlickeisen en Johannes bij elkander in een en Wienersdorf met
La Cueille in een andere djoekoeng geplaatst. De Waal had bij al die
voorbereidingen al schuchter uitgekeken en aan Johannes in het
voorbijvaren al eens gevraagd, of hij geen verzen uit den Koran te
prevelen had.
„Loop heen,” had deze geantwoord, „je bent immers geen Sjech meer;
handel nu maar, zooals je je vrienden, de Dajaks, ziet doen.”
„Ik wou, dat ik aan den wal was,” prevelde de Belg, wien dat geheele
spel niets beviel.
„Misschien bij moeders pappot thuis, niet waar?” lachte Johannes.
Na ongeveer een half uur begon zich de werking van het bedwelmende
vocht te openbaren. Eerst kwamen de kleinste visschen aan de
oppervlakte, staken de koppen boven water, zwommen in steeds kleiner en
kleiner wordende kringen rond en trachtten in hun doodsbenauwdheid uit
het vergiftigde vocht te springen. Met deze werd niet veel omhaal
gemaakt; zij werden eenvoudig met het schepnet of met mandjes opgehaald
en in de vaartuigen geworpen.
Maar later werden de visschen, die de watervlakte in beweging brachten,
al grooter en grooter en ook talrijker. Nu werd naar den „salahawo”
(harpoen) gegrepen; want het was totaal ondoenlijk, visschen van een à
twee M. lengte met het schepnet op te halen. Nu begon een leven, een
bedrijvigheid, die onze Europeanen verrukten en waaraan zij van nu af
met hart en ziel deel namen. Al de aanwezige vaartuigen—wel een vijftig
in getal—schoten over een oppervlakte van slechts zeer geringe
uitgestrektheid als door elkander. Met de uiterste behendigheid
stuurden de roergangers op de wenken en aanwijzingen der harpoeniers
hun vaartuigjes. In het water beschreven de visschen groot en klein
allerwege kringen, plasten en sprongen, om eindelijk aan den harpoen
geregen te worden. De menigte joelde door elkander; de befaamde
visschers spreidden met een soort van trots hun behendigheid ten toon.
De jongere poogden die kunststukken na te doen en werden daarin
aangemoedigd door de lieve toeschouwsters, die een vreugdekreet niet
konden weerhouden, wanneer het een der jongelingen gelukte, een
aanzienlijke vangst te doen. De Balians gilden haar gezangen, roffelden
op haar trommen en wisselden haar invocatiën met de Sangiangs om den
visschers een overvloedige vangst te verleenen, af met loftuitingen op
hen, die zich door behendigheid en kracht onderscheidden.
Van die loftuitingen kregen onze Europeanen maar een zeer sober deel en
dat deel kon nog slechts meer als een beleefdheidsvorm van de dartele
priesteressen, dan als verdiend beschouwd worden. Wel hadden de
nieuwbakken Dajaks de behendigste prauwvoerders te hunner beschikking,
maar dat hielp hen niet veel; want dat het harpoeneeren niet ieders
werk is en een voorafgaande oefening vereischt, bleek hun al ras.
Ontelbare malen staken zij toe, zooals zij dat de mannen hunner
omgeving zagen doen, wanneer het water in de nabijheid hunner
djoekoengs in een borrelende beweging geraakte en dan te midden der
gevormde kringen een gapende kop aan de oppervlakte verscheen; maar
telkens te vergeefs. Dan eens gleed de harpoen voor of achter het doel,
dan weer eens rechts of links van den visch zonder hem te raken, of
werd hij al eens geraakt, dan nog was de stoot zoo onvast, zoo
onbehendig aangebracht, dat de harpoen op de glibberige huid van den
visch afstuitte en er niet doordrong. En het was of de waterbewoners
begrepen, dat daar dichtbij die twee djoekoengs het gevaar het minst
was. In die nabijheid borrelde het water het allermeest en was het soms
of het kookte; allerwege kwamen gapende koppen te voorschijn.
Bij de eerste stooten zetten de Djankangers en de Poenans verwonderde
gezichten; zij konden niet begrijpen, dat iemand zoo onhandig kon zijn.
Hoofdschuddend schreven zij dat aan den omgang hunner gasten met de
Hollanders toe: „die verwijfde bleekgezichten waren niet eens in staat
een ellendig vischje voor hun maaltijd te bemachtigen.” Geen dier
natuurkinderen miste ooit een stoot en, terwijl zij de kleine zooi
veronachtzaamden, werden niet zelden met veel gejuich of een
„dahoeman”, een paling van soms twee M. lang, of een „kaloi”, of een
„djampol”, witvisschen van geen mindere lengte, boven water gehaald.
Maar toen die misstooten aanhielden en onze vrienden nog geen enkel
vischje, groot of klein, bemachtigd hadden, begon een luid gelach hun
telkens vergeefsche pogingen te begroeten en weldra regende het
kwinkslagen van alle kanten.
„Inedjep halit! inedjep halit!” (doorstoken, maar toch geheeld) [110]
klonk het grinnikend, en het waren voornamelijk de vrouwen, die zich
met die onhandigheid vermaakten. Dat werkte eenigermate op het gevoel
der onbedreven harpoeniers. O! hadden hun stooten aan hun verlangen
beantwoord, dan hadden zij zegevierend den salahawo gedrild en hun
omgeving een lesje gegeven. Maar, helaas! hun pogen beantwoordde niet
aan hun begeerte om uit te blinken. Wel trachtten zij onder de
spottende oogen der schoonen telkenmale bewijzen van vooruitgaande
behendigheid te geven. Zij werden al meer en meer opgewonden en driftig
onder den angel der kwinkslagen en stootten eindelijk toe met een
kracht, alsof zij de visschen aan den bodem der soengei wilden
vaststeken. Voornamelijk staken Wienersdorf en La Cueille grimmig toe;
zij voelden zich als vernederd, zoo onder de oogen hunner aangebedenen
uitgelachen te worden. In het vuur van den strijd bracht de Zwitser op
eens zijn harpoen met zoo’n kracht vooruit, dat de djoekoeng kantelde,
hij het evenwicht verloor en kopje onder in het water verdween. Een
uitbundig gelach en een gillend hoera begroetten dien val. Blazend en
proestend greep de drenkeling, toen hij weer aan de oppervlakte
verscheen, een hem toegestoken pagaai en trachtte zijn plaats in de
djoekoeng te nemen, daarin geholpen door een aantal armen, die zich
hulpvaardig, maar toch spotziek, naar hem uitstrekten en het hunne er
toe bijbrachten, om hem meer water te doen innemen, dan wel bij minder
luchthartige hulp het geval zoude geweest zijn.
De lieve Hamadoe had innig medelijden met het ongeval van haar galant,
maar kon toch niet nalaten hartelijk mede te lachen.
Maar La Cueille, die aan zijn lachlust ook botgevierd had, bracht het
er niet beter af. Bij een zijner veelvuldige pogingen gelukte het hem
eindelijk zijn harpoen in het lichaam van een kolossalen visch vast te
steken. Met inspanning van alle krachten trachtte hij zijn vangst
binnen boord te halen, maar dat was zoo gemakkelijk niet. Wanhopig
spartelde het gewonde dier tegen en ontwikkelde daarbij een
spierkracht, die onzen Waal in zijn schommelend vaartuig veel werk gaf.
Eindelijk na veel getob en na vele inspanningen kwam hij er toe, den
kop van den visch op den rand van de djoekoeng te brengen; maar
toen....
„Sainte Vierge de Jupille, ayez pitié de moi!” schreeuwde hij, terwijl
hij den steel van den harpoen plotseling losliet, waardoor het
evenwicht verloren ging, het vaartuig onder de zwaarte van den visch
overhelde en ook hij over het monster heen in het water terecht kwam.
Was het gelach straks uitbundig geweest, thans barstte een ware storm
los. Het was of het waanzin was, die al de aanwezenden in een
aanstekelijke lachbui had gebracht. Nimmer had het volkje van kotta
Djankang zoo’n pret gehad.
De Waal kroop beschaamd en beteuterd aan boord. De lachlust verminderde
niet, toen hij druipnat en met sluik hangende haren en baard zorglijk
rondkeek waar toch zijn harpoen gebleven was. Een der Dajaks had dien
gegrepen en met weinig moeite den visch bemachtigd. Het was een „intoh”
van ruim zes voet lang, die met zijn krokodilachtigen muil en
ontzagwekkende tanden den Waal zoo’n schrik had aangejaagd en zijn bede
om hulp had afgeperst. Toen het dier bij La Cueille in de djoekoeng
geworpen werd, scheelde het al zeer weinig of deze was andermaal te
water gegaan; hij vermande zich echter, maar zorgde toch op een
eerbiedvollen afstand van de tanden van het zieltogende dier te
blijven.
Langzamerhand verminderde het aantal visschen, dat zich aan de
oppervlakte des waters vertoonde, en weldra kon de vangst als geëindigd
beschouwd worden. Men was ook zoo zachtjes, al harpoeneerende, al
lachende, schreeuwende en gillende de soengei Mawat afgezakt en de
vaartuigen bevonden zich eindelijk in haar monding. Nadat de salambouw
was opgehaald, stevende men de Kapoeas in en werd de visschersvloot
feestelijk en onder het gedonder van het onmisbare kanonvuur te kotta
Djankang ontvangen.
Een tiental djoekoengs waren boordevol met de opbrengst van het manobah
gevuld. Onder de gevangen visschen waren de reeds genoemde soorten:
kaloi, djampol en dahoeman, ruimschoots vertegenwoordigd. Het meest was
echter de „handiroeng” gevangen, een intertropische forelsoort van
ongeveer 12 dM. bij volkomen wasdom, die zeer lekker is en dan ook
volkomen gewaardeerd wordt. Van deze soort bevonden zich een groot
duizendtal in de djoekoengs.
Het grootste gedeelte dezer vangst werd onder de bevolking verdeeld. De
visschen, door het tobahvergif gedood, kunnen genuttigd worden en zijn
volkomen onschadelijk. Zij kunnen evenwel niet gedroogd of gezouten
worden, daar zij te spoedig tot bederf overgaan. Een groot aantal
forellen werden tot „kalampies” toebereid, dat wil zeggen, zij werden
in mooten gesneden en daarna in bladeren gewikkeld, om met wat zout en
fijngewreven lombokh gepoft te worden. Zoo geconserveerd, kon die visch
een onbepaalden tijd bewaard worden en waren die kalampies voor de
reizigers een zeer welkome proviandeering, daar zij hen van iedere
bezorgdheid omtrent dierlijk voedsel op de reis onthief en hen
dienaangaande van alle eventualiteiten onafhankelijk maakte.
Daags na die vischvangst zouden onze deserteurs van een plechtigheid
van anderen aard getuigen zijn. Waarlijk, het scheen alsof het lot het
er op gesteld had, hen het geheele innerlijk leven van de volkstammen,
in wier midden zij zich bevonden, te laten aanschouwen.
In de Dajaklanden wordt overal op een vastgestelden dag van de week
recht gesproken. Het kottahoofd omringt zich dan door drie tot zeven
oudsten, naarmate van de belangrijkheid van de te voeren gedingen, en
beslecht de geschillen, die in de afgeloopen week zijn ontstaan en
omtrent welker beëindiging zijn bemiddeling is ingeroepen. Dat is in
den regel voor de bevolking geen gewone dag. De Dajaks toch zijn het
meest gedingzuchtige volk der geheele aarde. Zij gevoelen zich niet
gelukkig, wanneer zij niet een „basara” (proces) hebben. Blijft hun die
karaktertrek in de toekomst bij, dan zullen zij, wanneer zij eenmaal in
den maalstroom der beschaving medegesleept worden, het land van belofte
voor de advocaten vertegenwoordigen. Zoo’n basara-dag is dan ook een
halve feestelijkheid voor de bewoners eener kotta, daar het bijwonen
van de zitting van den „rantèp” (landraad) [111] voor velen een
onweerstaanbare aantrekkelijkheid heeft. Voor kotta Djankang was de
eerstvolgende „rantèpan” buitendien van buitengewone beteekenis, daar
het nieuw benoemde hoofd Amai Njawong, de vervanger van Amai Kotong,
voor de eerste maal als voorzitter zoude optreden.
Er waren eenige voorafgaande kleine geschillen uit te maken, waarbij de
Europeanen de bedrijvigheid en de behendigheid der „kamanangan’s”
(advocaten) [112] konden gadeslaan. Met uiterst veel belangstelling
zagen zij, dat die pleitbezorgers bij ieder hunner overtuigende
redeneeringen of afdoende tegenwerpingen, en ook bij ieder geleverd
bewijs, een rottanpoppetje, „hampatong oewei” genaamd, waarvan zij
ambtshalve voorzien waren, voor zich in den grond staken of een
dergelijk, door de tegenpartij reeds geplant, wegnamen. Deze poppetjes
verzinnelijkten het aantal geleverde deugdelijke bewijzen. Na afloop
der pleitredenen werden zij aan weerszijden geteld en de basara ten
voordeele van hem uitgewezen, wiens advocaat het grootste aantal
poppetjes had kunnen planten en behouden. Dat daarbij niet weinig
goochelarij aan den dag gelegd werd, ontsnapte onzen avonturiers niet.
Het gebeurde zelfs, dat twist onder de kamanangan’s over het aantal
hampatong oewei ontstond en de eene partij de andere beschuldigde van
met dubbel krijt te hebben geschreven, hetgeen natuurlijk tot een nieuw
proces aanleiding gaf en met de noodige getuigen de volgende week zoude
dienen.
Tot de meer belangrijke gedingen behoorde de beschuldiging, die een
meisje tegen een der meest welgestelde jongelingen der kotta inbracht,
namelijk haar verleid te hebben, van welke daad de gevolgen niet
uitgebleven waren. Toen zij haar beschuldiging met heldere stem, zonder
blikken of blozen, uitgesproken had, moest tot het „manjapa”
(beëediging) overgegaan worden. Een der rechters bracht een zwarte kip
te voorschijn en reikte de schoone een ontblooten mandauw over, terwijl
hij in weinige woorden opmerkte, dat met dat wapen menschenbloed
vergoten was. Zij nam het zwaard met vaste hand aan, zwaaide het,
terwijl een glimlach haar lippen krulde, bevallig boven haar hoofd en
richtte de bede tot Mahatara, te willen toestaan, dat zij onthoofd
zoude worden, zooals dat der kip ging geschieden, bijaldien zij
onwaarheid had gesproken. En den arm bliksemsnel en met kracht omlaag
brengende, hieuw zij de kip den kop af. Het wapen toen overreikende,
ving zij wat bloed van het dier op en besmeerde zich daarmede den
fraaien boezem en de bovenarmen onder het uitspreken van de
schrikverwekkendste verwenschingen.
Op de vraag, of zij getuigen kon bijbrengen, wees zij een harer
vriendinnen aan, die bij afvraging verklaarde, slechts gezien te
hebben, dat de beschuldigde aan de klaagster een zoen had gegeven,
zonder meer.
De rechters glimlachten even in hun deftigheid.
De beschuldigde jongeling werd nu voorgebracht, maar hij ontkende
iedere schuld. Die betuiging bezwoer hij met de duurste eeden en kapte
ook in het volle vertrouwen op zijn onschuld een zwarte kip den kop af
en besmeerde zich insgelijks borst en armen met het bloed van het
vermoorde slachtoffer. Hij antwoordde met een eenvoudig hoofdschudden
op de vraag, of hij eenige getuigenis kon bijbrengen; maar met een
verwonderlijke radheid van tong wees hij er op, dat het geven van een
zoen—daad, die hij volstrekt niet ontkende—onmogelijk het hier
gevorderde bewijs van schuld kon daarstellen; want—voegde hij er
glimlachend bij—ware dat wel het geval, dan zouden, volgens zijn
overtuiging, al zijn rechters meermalen gedwongen in het huwelijk
hebben moeten treden, daar het hem bekend was, zij van een zoen
volstrekt niet afkeerig waren, en zij zelfs zeer zoenlustig konden
genoemd worden. De geheele vergadering barstte op die verklaring in een
onmatig lachen uit en niet het minst de rechters zelve, die alleen bij
de gedachte aan de hun toegeschreven zoenlustigheid, de tong verlangend
over de bovenlip lieten glijden. De Dajak is een ware lachebek; bij
iedere gelegenheid voldoet hij met graagte aan die vroolijke
geneigdheid.
Nadat de lachbui wat over was, werd het meisje gevraagd, of zij geen
andere aanwijzingen bij te brengen had om haar beschuldiging te staven.
Zij antwoordde ontkennend, doch hield haar aanklacht vol, er evenwel
bijvoegende, dat het toch wel zijn kon, dat de beklaagde onschuldig
was, daar zij terzelfder tijd een teedere betrekking met een ander
jongeling uit de kotta, alsook met een pandeling haars vaders
aangeknoopt had. De rechters fronsten de wenkbrauwen, maar konden toch
niet anders doen dan de nieuwe beschuldigden voor zich te roepen. Maar
ook deze betuigden luid hun onschuld. De pandeling zelfs wilde er niets
van weten, dat hij van tijd tot tijd een zoen aan de dochter zijns
meesters zou ontstolen hebben. Beiden aarzelden geen oogenblik, hun
betuigingen met de duurste eeden te bevestigen.
Dat was een moeielijk geval, waarbij de wijsheid van het zoo hoog
geroemde nieuwe Nederlandsche strafwetboek te kort zoude geschoten
hebben, maar waarin de Dajaksche adat toch voorzien heeft. Na eenige
ruggespraak bevalen de rechters, dat drie kommen, met gesmolten njating
(hars) gevuld, voorgebracht zouden worden. Een houtvuur werd toen
ontstoken, waarop de kippen, bij de beëediging onthoofd, met veeren en
al werden verbrand, hetgeen een ondragelijken stank in de gerechtsloods
deed ontstaan en bij ieder der aanwezigen een akelig gekuch uit de
longen perste. Middelerwijl hadden de drie beschuldigden zich rondom de
kommen geschaard tot het volvoeren van het „hasoedi.” Op een teeken van
den voorzitter des rantèp’s moesten zij onder het uitspreken der
woorden: „blako ontong Sangiang Assei” (help mij Sangiang Assei) den
wijsvinger van de rechterhand in de gesmolten hars steken en dien
vinger daarin een paar malen op en neer halen. Op het gegeven teeken
daalden de vingers in de kommen, waarbij de pandeling een smartelijken
gil slaakte, evenwel den moed had de hevige pijn te doorstaan en de
vereischte beweging te maken. De beschuldigster stond er dicht bij; zij
wijdde een blik aan den inhoud der drie kommen en keek toen de rechters
met een gebaar van verachting aan. Overigens verstoorde zij de
eerbiedige stilte niet. De drie vingers werden daarna zorgvuldig ieder
in een lapje gewikkeld, dat eerst den volgenden morgen daaraf genomen
zoude worden. Hij, wiens vinger alsdan ontveld of anderszins beschadigd
zoude blijken, zoude voor schuldig gehouden en dientengevolge
veroordeeld worden de klaagster te huwen.
Met aandacht hadden de Europeanen die rechtspleging gade geslagen en de
wijsheid daarvan bewonderd. Zij zouden in de gelegenheid komen, zich
nog meer te verbazen.
De laatste basara, die uitgemaakt moest worden, betrof een
beschuldiging van poging tot vergiftiging. Dat was een heel oude zaak,
die reeds tot veelvuldig en langdurig onderzoek had aanleiding gegeven.
Een geruimen tijd geleden was een oud man overleden en wel onder
omstandigheden, die een gedachte aan vergiftiging niet geheel
verwerpelijk maakte. De zoon van den overledene had een beschuldiging
tegen een man ingebracht, die zich vóór het overlijden uitgelaten had,
zich te zullen wreken over een vonnis betreffende een diefstal van
visch, waarbij de doode een valsche getuigenis zoude afgelegd hebben.
Bij dat vergiftigingsproces evenwel konden geene afdoende bewijzen
bijgebracht worden; hoe dikwijls ook de zaak voor den rantèp behandeld
was, hoe de kamanangan’s van weerszijden zich ook beijverd en geweerd
hadden, hoe vele getuigen ook gehoord waren, steeds was het aantal
hampatong oewei van de eene aan dat van de andere partij gelijk
geweest, de bewijzen staakten dus, zoodat niet uit te maken was, wie
ongelijk had.
Zoo was de stand van het proces. Heden zou tot het „hagalangang”
overgegaan worden, om tot de ontdekking van de schuld te geraken. De
aanklager en de beschuldigde werden op het binnenplein van de kotta
ieder in een enge kooi, van stevige bamboelatten zoodanig opgesloten,
dat het benedenlijf van de maagstreek af geheel bedekt en beschermd
was, terwijl de borst, de armen en het hoofd geheel ontbloot bleven. De
kooi was daarenboven zoo eng, dat zij den opgeslotene nauwkeurig
omsloot en hij daarin niet wegduiken kon. Op een afstand van ongeveer
dertig pas van en front naar elkander geplaatst, werd aan ieder der
partijen een scherp aangepunte bamboe van ongeveer een meter lang, die
wel een werpspies kon genoemd worden, ter hand gesteld. Op een teeken
moesten zij die spies te gelijker tijd naar elkander toeslingeren; hij
die het eerste gekwetst werd, het zij licht, het zij gevaarlijk, zou
gerekend worden door de Sangiangs veroordeeld te zijn. Viel dit den
beschuldiger ten deel, dan verviel de aanklacht en zou hij aan den
beschuldigde een boete van 1000 rear [113] als „harear kahawen”
(schaamtegeld) betalen en hem daarenboven nog een mandauw ten geschenke
geven moeten, als een teeken, dat hij de uitspraak aannam en hem als
voorheen achtte. Werd echter de beschuldigde gekwetst, dan volgde zijn
schuldig verklaring aan het hem ten laste gelegde. Hij werd dan ter
dood veroordeeld en overgegeven aan de nabestaanden, in dit geval aan
den zoon van den overledene, die het recht daarbij zoude verkrijgen, om
hem onder de meest onmenschelijke martelingen ter dood te folteren.
[114] Het was een waar Godsgericht, waar om heen zich de geheele
bevolking der kotta hoogst belangstellend schaarde.
Toen de rechters plaats genomen hadden en een paar jongelingen benoemd
waren, om de werpspiesen op te rapen en aan de strijders weer aan te
reiken, gaf Amai Njawong het afgesproken teeken. Met kracht werden de
gevaarlijke staken geslingerd, maar de kampvechters, door dien engen
korf omsloten, hadden veel van hun lenigheid verloren. Die eerste worp
werkte niets uit en week zoo ver van het doel af, dat een minachtend
gemompel vernomen werd. Ook de tweede was nog mis, ofschoon de spiesen
de kampvechters rakelings voorbij snorden. Maar de derde worp had
noodlottige gevolgen. In de volle borst door de werpspies, die daarin
trillend steken bleef, getroffen, was de beklaagde terstond een lijk,
terwijl de beschuldiger, die het hem toegeslingerde wapen iets schuins
recht onder de kin in de keel ontving, waarbij de slagader doorsneden
werd, nog ettelijke minuten in doodsbenauwdheid rochelde en eindelijk
aan bloedverlies bezweek.
Bij die noodlottige uitkomst, verklaarde de voorzitter van den rantèp,
dat de Sangiangs klaarblijkelijk de uitspraak wilden beletten en de
zaak in het duister houden. Hij beval dat de lijken aan de familieleden
zouden worden overgegeven, om daarmede volgens de gebruikelijke
plechtigheden na een overlijden te kunnen handelen. Heel kort daarop
liet zich de titih van twee kanten in de kotta hooren.
Diep ontzet hadden de vier Europeanen dat vreeselijk drama bijgewoond.
Na afloop der gerechtszitting hadden zij zich naar hun woonvertrek
begeven; lang zaten zij evenwel bij elkander, voor dat een hunner de
stilte verbrak en den somberen gedachtenstroom, die hen bestormde,
verstoorde. Eindelijk ontrukte zich La Cueille met een beweging, alsof
hij aan de nachtmerrie poogde te ontkomen.
„Nom d’un chien!” riep hij met een diepen zucht, „we zijn toch te
midden van een raar volkje verdwaald.”
Dat alledaagsch gezegde verbrak toch de betoovering, die de anderen
omkluisterd hield. Het was of een dichte nevel plotseling scheurde en
opgerold werd.
„Dat zijn we. We zitten op den eersten rang en kunnen naar hartelust
genieten,” lachte Johannes, „’t zal evenwel zaak zijn te trachten, ons
buiten alle bemoeiing te houden.”
„Donders, ja!” meende Schlickeisen, „verbeeldt je, dat een onzer
uitgenoodigd werd om in zulk een kooi plaats te nemen.”
„Of zijn vinger in gloeiende hars te steken.”
„Ja, laat de verliefden maar oppassen,” voegde Johannes er waarschuwend
bij, „laat ze ’t niet in hun hoofd krijgen hun schoonen af te schepen.
’s Lands wijs ’s lands eer. Noch Moendoet, noch Hamadoe zouden er voor
terugdeinzen, een verleidingsbasara op touw te zetten.”
„En dan vooruit met je vinger,” lachte Schlickeisen.
De Waal bekeek zijn index met een bezorgdheid, alsof hij de brandende
pijn reeds voelde.
„Duivels!” bromde hij, „dat ’s lastig. Een mensch kan toch wel eens van
gedachte veranderen.”
„Jawel, maar pas op je vinger. Zoo’n kommetje hars is net zoo lekker
als de fijt.”
„Panaris, mon ami, te voilà dans de jolis draps!” prevelde de Waal
binnensmonds en meer hardop:
„Dank je voor den raad; ik zal op mijn vinger passen. Maar.... er is
toch iets wat mijn nieuwsgierigheid ten hoogste prikkelt.”
„En wat is dat?” vroeg Johannes.
„Men heeft drie vingers in de hars gedoopt, niet waar?”
„Wel zeker, dat hebben we allen gezien.”
„Maar wat nu, wanneer morgen twee vingers of alle drie blijken gebrand
te zijn?”
„O heilige eenvoud!” gilde Johannes uit. „Nu die is goed! Alle drie!
ha, ha, ha! dat zou de wijsheid van koning Salomo zelven op een harde
proef gesteld zijn. Ha ha ha!” en Johannes lachte, dat hij schudde.
„Nu wat valt er toch te lachen?” vroeg de Waal gebelgd. „Ik begrijp er
niets van. Drie menschen hebben den vinger in gesmolten hars gestoken;
wat is natuurlijker, dan dat ze zich alle drie deerlijk gebrand hebben?
Het tegendeel zou stof tot lachen geven.”
„Nu, dan zul jij morgen lachen kunnen, laat je dat gezegd zijn. Alle
drie! ha ha ha!” ging Johannes in zijn lachbui voort. „Maar och! schei
nu uit, ik krijg pijn in de zij van al dat gelach.”
„Dat je lacht, daar heb ik vrede mede; maar vertel waarover je lacht.
Misschien lachen wij mede.”
„Je bent een uilskuiken.”
„Die prijs is meer voor me geboden; dat begrijp ik. Maar lach je
daarom?”
„Maar er konden geen drie zich den vinger branden.”
„Dat begrijp ik weer niet.”
„Je bent een „bodokh” (domkop). Je hebt nummer drie der aanbidders van
de schoone dien kreet wel hooren slaken?”
„Ja zeker, ik ben Goddank niet doof.”
„Dat ’s een geluk voor je. Nu, die alleen heeft zich den vinger
gebrand.”
„Maar we hebben de twee anderen toch ook den vinger in den njating zien
steken.”
„Luister. De twee eersten waren welgestelde jongelingen, die slechts
een blik met de rechters te wisselen hadden, om voor de
gepersonifieerde onschuld gehouden te worden. Misschien hadden de
rechters hun loon reeds beet, zoo niet, dan zal het hun niet ontgaan.
De derde was een arme drommel, van wien volstrekt niets te halen was.
Die had geen blikken te wisselen.”
„Dat alles zou ik begrijpen, wanneer ik niet met mijn eigene oogen,
„hisce meis propriis oculis,” zou de pastoor van Jupille zeggen, de
drie vingers in het gesmolten hars had zien op en neer gaan. Ik heb
goed gekeken.”
„Zoo, heb jij goed gekeken? Wel vertel dan, wat je meer gezien hebt.”
„Wat zou ik meer moeten gezien hebben?”
„Dat beweert goed gekeken te hebben!” sprak Johannes met ietwat
kleinachting in zijn stem. „Heb je niet gezien, dat de kleur van het
hars in de drie kommen niet gelijk was?”
„Wat zou dat? hars is hars.”
„Neen, domoor! hars is geen hars of liever het eene hars is het andere
niet. Luister nog een oogenblik. De edelste soorten als de „njating
mata koetjing,” de „njating bapoeti” en de „njating linoh”, [115] als
van zeer zuivere compositie smelten op zeer lagen warmtegraad;
daarentegen hebben de njatings: „kroeën, toelang en anlei” [116] als
zeer aardachtig en poreus van samenstel, een veel hoogere temperatuur
noodig om vloeibaar te worden.”
„O!... zoo!”
„Begin je te begrijpen? dat ’s waarachtig gelukkig. Laten je nu de
rechters den vinger in een kommetje met mata koetjing-hars steken, dat
maar eventjes genoegzaam verwarmd is om vloeibaar te worden en
aanmerkelijk kan afkoelen, alvorens weer vast te worden, dan kun je het
daarin zoo lang uithouden als je verkiest, zonder anderen hinder, dan
een eenigszins branderig gevoel. Maar laten ze je, je index in njating
kroeën steken, dan zou je net doen als de pandeling van straks, dan zou
je schreeuwen en dan zou je den volgenden morgen met een ontvelden
vinger voor den dag komen.”
„En dan nog trouwen op den koop toe! verd.... dat ’s gemeen!”
„Ja, dat is gemeen, en te gemeener, wanneer de gedwongen
huwelijkskandidaat zich hoegenaamd geen schuld bewust is.”
„Hoe dat zoo?”
„Denk je, dat dat meisje van straks dien armen pandeling zelfs maar een
oogopslag heeft waardig gekeurd? Bij lange niet. Wie weet of vóór den
dag van heden zij ooit aan hem of hij ooit aan haar heeft gedacht. Maar
de looze feeks begreep al ras bij de wending, die het proces nam, dat
de rechters niet genegen waren haar in haar matrimoniale wenschen
behulpzaam te zijn. Toch wilde zij haar misstap onder een
huwelijksmantel bergen.”
„Dat zal een verbintenis zijn, die in den hemel gesloten is,” grijnsde
Schlickeisen, die als zoon van een theologant wel eens vroom kon zijn.
„Och, zij zal daarom niet minder gelukkig of ongelukkig zijn,”
antwoordde Johannes. „Die pandeling herkrijgt op den trouwdag zijn
vrijheid, dat ’s al een uitkomst voor hem, daarbij bekomt hij een
aardige vrouw, geheel in den smaak der Dajaks [117]; en..... wat zal ik
er meer van zeggen? In Europa worden toch ook wel zulke huwelijken
gesloten, niet waar?”
„Jawel, maar toch zonder gebranden vinger.”
„Daarover wil ik niet twisten,” schaterde Johannes; „want dan krijg ik
van de drie „totoks” [118] tegelijk er van langs.”