XXII.

Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het

„manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt

het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der

vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La

recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het

bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.

Na die bedrijvigheid gingen een paar dagen in ongestoorde rust voorbij.

Vooral de Europeanen luierden letterlijk uit van de vroeger ten toon

gespreide arbeidzaamheid. Maar toen die om waren, werd het tijd aan de

voorbereidingen tot het vertrek te denken.

Die voorbereidingen waren waarachtig niet onbeduidend. Het waren thans

geen vier mannen slechts, die de reis zouden aanvaarden; het was een

geheele kolonie, die de binnenlanden ging intrekken om zich daar

metterwoon te vestigen. Het huisgezin van Amai Kotong was zeer talrijk;

hij zelf had een twaalftal kinderen, waarvan de grootste helft gehuwd

en op haar beurt reeds ruim gezegend was of in staat van zegening

verkeerde, of de hoop op zulk een zegening koesterde. Hij bezat

daarenboven een tachtigtal pandelingen van beiderlei kunne en een

twintigtal kinderen van die pandelingen. Het was bijgevolg een geheele

volksverhuizing, die te regelen viel. Bij die verhuizing zouden zich

aansluiten Hamadoe, de zuster van Harimaoung Boekit, met een paar

vriendinnetjes, onder welke laatsten de lieve Moendoet, de aanstaande

mevrouw La Cueille, gerekend moest worden; verder het Poenanhoofd met

zijn stamgenooten, welke laatsten wel een gewenschte toevoeging aan den

tocht zouden uitmaken. Die fiere zonen der wildernis waren fiksche

pootige kerels, ieder als een Hercules gebouwd, met spieren als van

staal en gewoon om bij hun tochten door de bosschen de grootste

hinderpalen te overwinnen en om ontberingen te lachen. Zij zouden de

eigenlijke kracht van de reizende kolonie uitmaken; ja, zonder hen ware

de verhuizing, althans op die schaal, wellicht onmogelijk geweest; want

het waren bijna honderd vijftig menschelijke wezens, allen bewoners van

kotta Djankang, waaronder vele vrouwen en kinderen, die het

koppensnellersland zouden intrekken.

De afstand, die afgelegd moest worden, was niet zoo bijzonder groot. In

rechte lijn bedraagt die van kotta Djankang tot kotta Rangan Hanoengoh,

verblijfplaats van Harimaoung Boekit aan de soengei Miri, nog niet

volle 140 kilometer. Maar in een terrein als de boven-Dajaklanden is de

rechte lijn niet denkbeeldig als bij ons, doch geheel en al onbekend;

en de kronkelingen van den te volgen weg moesten zoodanig in rekening

gebracht worden, dat die 140 KM. onoverdreven tot het dubbele getal

uitdijden en dat langs gemeenschapswegen, die dien naam ternauwernood

mochten dragen.

Johannes drong tot spoed aan. Hij bracht de wat langzame Dajaks aan het

verstand, dat in de bestaande omstandigheden, tijd veel meer dan goud

waard was, iets wat hun begrip geheel en al te boven ging. Men was in

het land, waar het goud maar voor het rapen was; maar als men het

geraapt had, och! dan had tijd hoegenaamd geen waarde meer.

„Wat de menschen toch dwaze dingen vertellen kunnen,” redeneerden de

kotta Djankangers en de Poenans, „vooral wanneer zij met die inhalige

blanken in aanraking zijn geweest.”

Maar zonder zijn wenkbrauwen te fronsen, maakte Johannes hun duidelijk,

dat, wanneer de leden van het gezantschap niet in hun zending slaagden

en de Hollanders het er op zetten naar de Boven-Kapoeas terug te komen,

men ze spoediger zou zien verschijnen, dan wel gedacht werd. De

beschikkingen, die voor de voorgenomen verhuizing te nemen waren,

konden veelvuldig genoemd worden en de tijd was kort.

Eindelijk behaalde de redeneerkunst van den vermomden blanke de

overwinning op de traagheid der inboorlingen en nu dit eenmaal het

geval was, nu waren de belanghebbenden weldra in volle beslommering om

zich tot het vertrek gereed te maken.

Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de

vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om

de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng

gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier

voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte

geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine

stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval

tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar

bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling

[107]—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote

moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de

reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er

valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen;

maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met

djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de

grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging

van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft

omslaan tot natuurlijk gevolg.

Rangkans en djoekoengs waren in voldoende hoeveelheid te kotta Djankang

voorhanden en bevonden zich goed bewaard onder de op palen gebouwde

woonhuizen en magazijnen binnen de versterking. Men kon, zoo men wilde,

dadelijk beginnen met die te water te brengen en haar op doelmatige

wijze te beladen. Dewijl zij van wege de kihams nog al eens ontscheept

zouden moeten worden, zorgde men, dat zooveel mogelijk alle mede te

voeren voorwerpen tot een- of tweemans vrachten verpakt werden, waarbij

niet uit het oog mocht verloren worden, dat de Dajaks zeer ongeneigd

zijn, lasten op hun schouders te torschen en dat ook niet kunnen in die

mate, als dat door de Javanen verricht wordt. Daarom werden dan ook de

levensmiddelen en alle andere zaken, die zich daartoe eigenden, in

mandjes verpakt, die van de noodige rottanlussen voorzien, als een

ransel op den rug bevestigd en alzoo met gemak en behendigheid gedragen

konden worden. Die mandjes in de Dajaklanden zijn van gevlochten rottan

vervaardigd, hebben den vorm van een afgeknotten kegel van ongeveer 75

cM. hoog, met een bovenwijdte van ± 40 en een benedenwijdte van 25 cM.,

zijn van binnen met waterdichten boombast gevoerd en hebben een flink

en hermetisch sluitend deksel.

De kanonstukjes werden nog in batterij gelaten, om bij een eventueelen

terugkeer des vijands niet ongewapend overvallen te worden; evenwel

werden er stevige rottanstrikken zoodanig omgelegd, dat men slechts de

noodige draagstokken door de gevormde lussen te steken had om de vracht

dadelijk te kunnen optillen en weg te voeren. De deserteurs belastten

zich voornamelijk met het vervoer van de artillerie en munitie,

waarvoor hun stevige schouders ten volle berekend waren. Wel had men er

een oogenblik aan gedacht, een paar dier stukjes ter bewapening van

kotta Djankang achter te laten. Maar de zeer gegronde opmerking, dat de

Hollanders ze toch als hun eigendom zouden terugnemen en het ook beter

was, dat de kotta bij de nieuwe phase, die haar bewoners intraden, een

zeer vreedzaam uitzicht had, deed daarvan afzien. Dezelfde beweegreden

gold ook ten opzichte van de buitgemaakte geweren te Kwala Hiang, die

allen medegenomen werden. Van een andere zijde had ook Harimaoung

Boekit zich zeer begeerig getoond die stukjes te bezitten. Wat zou hij

trotsch zijn, wanneer hij zijn kotta in soengei Miri daarmede bewapend

zoude zien.

Voedingsmiddelen waren in overvloed voorhanden, dat wil zeggen, men had

rijst in voldoende hoeveelheid; ook had men een goede provisie

„koedjang” [108], lombok en andere toespijzen. Alleen in vleeschspijzen

was men niet ruim gesorteerd. Het gezouten vleesch en spek, door de

deserteurs aangevoerd, waren nog slechts voor een klein gedeelte

aanwezig, dewijl de Dajaks zich daaraan als aan een délicatesse hadden

te goed gedaan. Amai Kotong en Harimaoung Boekit verzekerden evenwel,

dat op hun reis geen dierlijk voedsel zou ontbreken; de vrienden zouden

meer dan eens in de gelegenheid komen om met hun juist schot een hert

neer te leggen.

Maar om toch geen teleurstelling deswege te ondervinden, werd besloten

een „manobah”, dat is een vischvangst op groote schaal te doen plaats

vinden, om zulk een ruime proviand op te doen. De gasten te kotta

Djankang werden uitgenoodigd, die vischpartij bij te wonen. Onze

reizigers zouden ervaren, dat zulk een partij een waar nationaal feest

voor de Dajaks is, hetwelk voor hen uiterst belangwekkend zoude zijn.

Tot de voorbereidingen tot die vischvangst behoorde de inzameling van

een aanzienlijke hoeveelheid wortels van den „tobah”-struik [109]. Daar

er nog al moerasachtige plekken tusschen de omringende heuvels van

kotta Djankang aangetroffen worden, baarde die inzameling niet veel

moeite en was zij al zeer spoedig geschied. De ingezamelde wortels

werden toen in verscheidene djoekoengs met overvloedig water geweekt en

daarna met platte stukken hout zoolang geklopt, totdat het water in de

djoekoengs een melkwitte kleur verkregen had. De uitgeweekte

wortelvezels werden toen verwijderd en het vocht behoorlijk

afgeschuimd, waarna wat levende kalk en een vrij sterk aftreksel van

tabak daarin gemengd werd. Men had toen zoo wat een zestal djoekoengs

met tobahwater gevuld.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag voeren een overgroot

aantal zeer lichte vaartuigen, waaronder ook die met het mengsel

gevuld, de soengei Mawat in, waarna dat riviertje met een „salambouw”,

groot vierkant net met middelmatig groote mazen, zoodanig afgesloten

werd, dat de onderrand van het net, op de bedding der soengei met

steenen verankerd en de bovenrand zoo wat een handbreedte boven het

watervlak uitstekende, geen enkele visch het riviertje kon verlaten.

Twee djoekoengs, ieder met drie opvarenden bemand, vatten post bij het

net om te waken dat het niet, hetzij door opkomende prauwen, hetzij

door den zwaren stroom beschadigd of opgetild werd.

Toen men daarmede klaar was, verdeelde het mannelijk gedeelte der

expeditie zich zoodanig over de aanwezige djoekoengs, dat in ieder der

vaartuigen zich drie man bevonden. De dameswereld—want vele der

schoonen van kotta Djankang waren mede uitgetogen om van de pret

getuigen te zijn—had zich bij elkander in twee groote prauwen

geschaard, terwijl een derde prauw een aantal Balians bevatte, die bij

geen feestelijkheid, dus ook bij deze niet, mochten ontbreken.

Nu werd de soengei in alle stilte, maar toch krachtig en vlug,

opgeroeid. Dat oproeien duurde zoo omstreeks vier uur en onderwijl

werden de mondingen van een paar onaanzienlijke spruitjes, die zich in

de Mawat ontlastten, ook met netten afgesloten.

Op de gewenschte plaats aangekomen, werd het tobahwater op

verschillende punten tegelijk met klapperdoppen in de rivier geworpen.

Terwijl de vaartuigen zachtjes en in alle stilte zich voor den stroom

lieten afdrijven, was men gedurende een klein half uur nagenoeg

werkeloos, om het vergiftigde water tijd te geven, zich met het

rivierwater te vermengen. Intusschen maakten de visschers zich gereed

den buit te kunnen bemachtigen. Van de drie opvarenden, die iedere

djoekoeng bemanden, bleef hij, die aan den achtersteven gezeten was, de

pagaai in handen houden om het vaartuig te besturen; de twee anderen

met een harpoen of een schepnet gewapend, de een voor op de spits, de

ander in het midden der djoekoeng post vatten, gereed om toe te tasten.

Men had Schlickeisen en Johannes bij elkander in een en Wienersdorf met

La Cueille in een andere djoekoeng geplaatst. De Waal had bij al die

voorbereidingen al schuchter uitgekeken en aan Johannes in het

voorbijvaren al eens gevraagd, of hij geen verzen uit den Koran te

prevelen had.

„Loop heen,” had deze geantwoord, „je bent immers geen Sjech meer;

handel nu maar, zooals je je vrienden, de Dajaks, ziet doen.”

„Ik wou, dat ik aan den wal was,” prevelde de Belg, wien dat geheele

spel niets beviel.

„Misschien bij moeders pappot thuis, niet waar?” lachte Johannes.

Na ongeveer een half uur begon zich de werking van het bedwelmende

vocht te openbaren. Eerst kwamen de kleinste visschen aan de

oppervlakte, staken de koppen boven water, zwommen in steeds kleiner en

kleiner wordende kringen rond en trachtten in hun doodsbenauwdheid uit

het vergiftigde vocht te springen. Met deze werd niet veel omhaal

gemaakt; zij werden eenvoudig met het schepnet of met mandjes opgehaald

en in de vaartuigen geworpen.

Maar later werden de visschen, die de watervlakte in beweging brachten,

al grooter en grooter en ook talrijker. Nu werd naar den „salahawo”

(harpoen) gegrepen; want het was totaal ondoenlijk, visschen van een à

twee M. lengte met het schepnet op te halen. Nu begon een leven, een

bedrijvigheid, die onze Europeanen verrukten en waaraan zij van nu af

met hart en ziel deel namen. Al de aanwezige vaartuigen—wel een vijftig

in getal—schoten over een oppervlakte van slechts zeer geringe

uitgestrektheid als door elkander. Met de uiterste behendigheid

stuurden de roergangers op de wenken en aanwijzingen der harpoeniers

hun vaartuigjes. In het water beschreven de visschen groot en klein

allerwege kringen, plasten en sprongen, om eindelijk aan den harpoen

geregen te worden. De menigte joelde door elkander; de befaamde

visschers spreidden met een soort van trots hun behendigheid ten toon.

De jongere poogden die kunststukken na te doen en werden daarin

aangemoedigd door de lieve toeschouwsters, die een vreugdekreet niet

konden weerhouden, wanneer het een der jongelingen gelukte, een

aanzienlijke vangst te doen. De Balians gilden haar gezangen, roffelden

op haar trommen en wisselden haar invocatiën met de Sangiangs om den

visschers een overvloedige vangst te verleenen, af met loftuitingen op

hen, die zich door behendigheid en kracht onderscheidden.

Van die loftuitingen kregen onze Europeanen maar een zeer sober deel en

dat deel kon nog slechts meer als een beleefdheidsvorm van de dartele

priesteressen, dan als verdiend beschouwd worden. Wel hadden de

nieuwbakken Dajaks de behendigste prauwvoerders te hunner beschikking,

maar dat hielp hen niet veel; want dat het harpoeneeren niet ieders

werk is en een voorafgaande oefening vereischt, bleek hun al ras.

Ontelbare malen staken zij toe, zooals zij dat de mannen hunner

omgeving zagen doen, wanneer het water in de nabijheid hunner

djoekoengs in een borrelende beweging geraakte en dan te midden der

gevormde kringen een gapende kop aan de oppervlakte verscheen; maar

telkens te vergeefs. Dan eens gleed de harpoen voor of achter het doel,

dan weer eens rechts of links van den visch zonder hem te raken, of

werd hij al eens geraakt, dan nog was de stoot zoo onvast, zoo

onbehendig aangebracht, dat de harpoen op de glibberige huid van den

visch afstuitte en er niet doordrong. En het was of de waterbewoners

begrepen, dat daar dichtbij die twee djoekoengs het gevaar het minst

was. In die nabijheid borrelde het water het allermeest en was het soms

of het kookte; allerwege kwamen gapende koppen te voorschijn.

Bij de eerste stooten zetten de Djankangers en de Poenans verwonderde

gezichten; zij konden niet begrijpen, dat iemand zoo onhandig kon zijn.

Hoofdschuddend schreven zij dat aan den omgang hunner gasten met de

Hollanders toe: „die verwijfde bleekgezichten waren niet eens in staat

een ellendig vischje voor hun maaltijd te bemachtigen.” Geen dier

natuurkinderen miste ooit een stoot en, terwijl zij de kleine zooi

veronachtzaamden, werden niet zelden met veel gejuich of een

„dahoeman”, een paling van soms twee M. lang, of een „kaloi”, of een

„djampol”, witvisschen van geen mindere lengte, boven water gehaald.

Maar toen die misstooten aanhielden en onze vrienden nog geen enkel

vischje, groot of klein, bemachtigd hadden, begon een luid gelach hun

telkens vergeefsche pogingen te begroeten en weldra regende het

kwinkslagen van alle kanten.

„Inedjep halit! inedjep halit!” (doorstoken, maar toch geheeld) [110]

klonk het grinnikend, en het waren voornamelijk de vrouwen, die zich

met die onhandigheid vermaakten. Dat werkte eenigermate op het gevoel

der onbedreven harpoeniers. O! hadden hun stooten aan hun verlangen

beantwoord, dan hadden zij zegevierend den salahawo gedrild en hun

omgeving een lesje gegeven. Maar, helaas! hun pogen beantwoordde niet

aan hun begeerte om uit te blinken. Wel trachtten zij onder de

spottende oogen der schoonen telkenmale bewijzen van vooruitgaande

behendigheid te geven. Zij werden al meer en meer opgewonden en driftig

onder den angel der kwinkslagen en stootten eindelijk toe met een

kracht, alsof zij de visschen aan den bodem der soengei wilden

vaststeken. Voornamelijk staken Wienersdorf en La Cueille grimmig toe;

zij voelden zich als vernederd, zoo onder de oogen hunner aangebedenen

uitgelachen te worden. In het vuur van den strijd bracht de Zwitser op

eens zijn harpoen met zoo’n kracht vooruit, dat de djoekoeng kantelde,

hij het evenwicht verloor en kopje onder in het water verdween. Een

uitbundig gelach en een gillend hoera begroetten dien val. Blazend en

proestend greep de drenkeling, toen hij weer aan de oppervlakte

verscheen, een hem toegestoken pagaai en trachtte zijn plaats in de

djoekoeng te nemen, daarin geholpen door een aantal armen, die zich

hulpvaardig, maar toch spotziek, naar hem uitstrekten en het hunne er

toe bijbrachten, om hem meer water te doen innemen, dan wel bij minder

luchthartige hulp het geval zoude geweest zijn.

De lieve Hamadoe had innig medelijden met het ongeval van haar galant,

maar kon toch niet nalaten hartelijk mede te lachen.

Maar La Cueille, die aan zijn lachlust ook botgevierd had, bracht het

er niet beter af. Bij een zijner veelvuldige pogingen gelukte het hem

eindelijk zijn harpoen in het lichaam van een kolossalen visch vast te

steken. Met inspanning van alle krachten trachtte hij zijn vangst

binnen boord te halen, maar dat was zoo gemakkelijk niet. Wanhopig

spartelde het gewonde dier tegen en ontwikkelde daarbij een

spierkracht, die onzen Waal in zijn schommelend vaartuig veel werk gaf.

Eindelijk na veel getob en na vele inspanningen kwam hij er toe, den

kop van den visch op den rand van de djoekoeng te brengen; maar

toen....

„Sainte Vierge de Jupille, ayez pitié de moi!” schreeuwde hij, terwijl

hij den steel van den harpoen plotseling losliet, waardoor het

evenwicht verloren ging, het vaartuig onder de zwaarte van den visch

overhelde en ook hij over het monster heen in het water terecht kwam.

Was het gelach straks uitbundig geweest, thans barstte een ware storm

los. Het was of het waanzin was, die al de aanwezenden in een

aanstekelijke lachbui had gebracht. Nimmer had het volkje van kotta

Djankang zoo’n pret gehad.

De Waal kroop beschaamd en beteuterd aan boord. De lachlust verminderde

niet, toen hij druipnat en met sluik hangende haren en baard zorglijk

rondkeek waar toch zijn harpoen gebleven was. Een der Dajaks had dien

gegrepen en met weinig moeite den visch bemachtigd. Het was een „intoh”

van ruim zes voet lang, die met zijn krokodilachtigen muil en

ontzagwekkende tanden den Waal zoo’n schrik had aangejaagd en zijn bede

om hulp had afgeperst. Toen het dier bij La Cueille in de djoekoeng

geworpen werd, scheelde het al zeer weinig of deze was andermaal te

water gegaan; hij vermande zich echter, maar zorgde toch op een

eerbiedvollen afstand van de tanden van het zieltogende dier te

blijven.

Langzamerhand verminderde het aantal visschen, dat zich aan de

oppervlakte des waters vertoonde, en weldra kon de vangst als geëindigd

beschouwd worden. Men was ook zoo zachtjes, al harpoeneerende, al

lachende, schreeuwende en gillende de soengei Mawat afgezakt en de

vaartuigen bevonden zich eindelijk in haar monding. Nadat de salambouw

was opgehaald, stevende men de Kapoeas in en werd de visschersvloot

feestelijk en onder het gedonder van het onmisbare kanonvuur te kotta

Djankang ontvangen.

Een tiental djoekoengs waren boordevol met de opbrengst van het manobah

gevuld. Onder de gevangen visschen waren de reeds genoemde soorten:

kaloi, djampol en dahoeman, ruimschoots vertegenwoordigd. Het meest was

echter de „handiroeng” gevangen, een intertropische forelsoort van

ongeveer 12 dM. bij volkomen wasdom, die zeer lekker is en dan ook

volkomen gewaardeerd wordt. Van deze soort bevonden zich een groot

duizendtal in de djoekoengs.

Het grootste gedeelte dezer vangst werd onder de bevolking verdeeld. De

visschen, door het tobahvergif gedood, kunnen genuttigd worden en zijn

volkomen onschadelijk. Zij kunnen evenwel niet gedroogd of gezouten

worden, daar zij te spoedig tot bederf overgaan. Een groot aantal

forellen werden tot „kalampies” toebereid, dat wil zeggen, zij werden

in mooten gesneden en daarna in bladeren gewikkeld, om met wat zout en

fijngewreven lombokh gepoft te worden. Zoo geconserveerd, kon die visch

een onbepaalden tijd bewaard worden en waren die kalampies voor de

reizigers een zeer welkome proviandeering, daar zij hen van iedere

bezorgdheid omtrent dierlijk voedsel op de reis onthief en hen

dienaangaande van alle eventualiteiten onafhankelijk maakte.

Daags na die vischvangst zouden onze deserteurs van een plechtigheid

van anderen aard getuigen zijn. Waarlijk, het scheen alsof het lot het

er op gesteld had, hen het geheele innerlijk leven van de volkstammen,

in wier midden zij zich bevonden, te laten aanschouwen.

In de Dajaklanden wordt overal op een vastgestelden dag van de week

recht gesproken. Het kottahoofd omringt zich dan door drie tot zeven

oudsten, naarmate van de belangrijkheid van de te voeren gedingen, en

beslecht de geschillen, die in de afgeloopen week zijn ontstaan en

omtrent welker beëindiging zijn bemiddeling is ingeroepen. Dat is in

den regel voor de bevolking geen gewone dag. De Dajaks toch zijn het

meest gedingzuchtige volk der geheele aarde. Zij gevoelen zich niet

gelukkig, wanneer zij niet een „basara” (proces) hebben. Blijft hun die

karaktertrek in de toekomst bij, dan zullen zij, wanneer zij eenmaal in

den maalstroom der beschaving medegesleept worden, het land van belofte

voor de advocaten vertegenwoordigen. Zoo’n basara-dag is dan ook een

halve feestelijkheid voor de bewoners eener kotta, daar het bijwonen

van de zitting van den „rantèp” (landraad) [111] voor velen een

onweerstaanbare aantrekkelijkheid heeft. Voor kotta Djankang was de

eerstvolgende „rantèpan” buitendien van buitengewone beteekenis, daar

het nieuw benoemde hoofd Amai Njawong, de vervanger van Amai Kotong,

voor de eerste maal als voorzitter zoude optreden.

Er waren eenige voorafgaande kleine geschillen uit te maken, waarbij de

Europeanen de bedrijvigheid en de behendigheid der „kamanangan’s”

(advocaten) [112] konden gadeslaan. Met uiterst veel belangstelling

zagen zij, dat die pleitbezorgers bij ieder hunner overtuigende

redeneeringen of afdoende tegenwerpingen, en ook bij ieder geleverd

bewijs, een rottanpoppetje, „hampatong oewei” genaamd, waarvan zij

ambtshalve voorzien waren, voor zich in den grond staken of een

dergelijk, door de tegenpartij reeds geplant, wegnamen. Deze poppetjes

verzinnelijkten het aantal geleverde deugdelijke bewijzen. Na afloop

der pleitredenen werden zij aan weerszijden geteld en de basara ten

voordeele van hem uitgewezen, wiens advocaat het grootste aantal

poppetjes had kunnen planten en behouden. Dat daarbij niet weinig

goochelarij aan den dag gelegd werd, ontsnapte onzen avonturiers niet.

Het gebeurde zelfs, dat twist onder de kamanangan’s over het aantal

hampatong oewei ontstond en de eene partij de andere beschuldigde van

met dubbel krijt te hebben geschreven, hetgeen natuurlijk tot een nieuw

proces aanleiding gaf en met de noodige getuigen de volgende week zoude

dienen.

Tot de meer belangrijke gedingen behoorde de beschuldiging, die een

meisje tegen een der meest welgestelde jongelingen der kotta inbracht,

namelijk haar verleid te hebben, van welke daad de gevolgen niet

uitgebleven waren. Toen zij haar beschuldiging met heldere stem, zonder

blikken of blozen, uitgesproken had, moest tot het „manjapa”

(beëediging) overgegaan worden. Een der rechters bracht een zwarte kip

te voorschijn en reikte de schoone een ontblooten mandauw over, terwijl

hij in weinige woorden opmerkte, dat met dat wapen menschenbloed

vergoten was. Zij nam het zwaard met vaste hand aan, zwaaide het,

terwijl een glimlach haar lippen krulde, bevallig boven haar hoofd en

richtte de bede tot Mahatara, te willen toestaan, dat zij onthoofd

zoude worden, zooals dat der kip ging geschieden, bijaldien zij

onwaarheid had gesproken. En den arm bliksemsnel en met kracht omlaag

brengende, hieuw zij de kip den kop af. Het wapen toen overreikende,

ving zij wat bloed van het dier op en besmeerde zich daarmede den

fraaien boezem en de bovenarmen onder het uitspreken van de

schrikverwekkendste verwenschingen.

Op de vraag, of zij getuigen kon bijbrengen, wees zij een harer

vriendinnen aan, die bij afvraging verklaarde, slechts gezien te

hebben, dat de beschuldigde aan de klaagster een zoen had gegeven,

zonder meer.

De rechters glimlachten even in hun deftigheid.

De beschuldigde jongeling werd nu voorgebracht, maar hij ontkende

iedere schuld. Die betuiging bezwoer hij met de duurste eeden en kapte

ook in het volle vertrouwen op zijn onschuld een zwarte kip den kop af

en besmeerde zich insgelijks borst en armen met het bloed van het

vermoorde slachtoffer. Hij antwoordde met een eenvoudig hoofdschudden

op de vraag, of hij eenige getuigenis kon bijbrengen; maar met een

verwonderlijke radheid van tong wees hij er op, dat het geven van een

zoen—daad, die hij volstrekt niet ontkende—onmogelijk het hier

gevorderde bewijs van schuld kon daarstellen; want—voegde hij er

glimlachend bij—ware dat wel het geval, dan zouden, volgens zijn

overtuiging, al zijn rechters meermalen gedwongen in het huwelijk

hebben moeten treden, daar het hem bekend was, zij van een zoen

volstrekt niet afkeerig waren, en zij zelfs zeer zoenlustig konden

genoemd worden. De geheele vergadering barstte op die verklaring in een

onmatig lachen uit en niet het minst de rechters zelve, die alleen bij

de gedachte aan de hun toegeschreven zoenlustigheid, de tong verlangend

over de bovenlip lieten glijden. De Dajak is een ware lachebek; bij

iedere gelegenheid voldoet hij met graagte aan die vroolijke

geneigdheid.

Nadat de lachbui wat over was, werd het meisje gevraagd, of zij geen

andere aanwijzingen bij te brengen had om haar beschuldiging te staven.

Zij antwoordde ontkennend, doch hield haar aanklacht vol, er evenwel

bijvoegende, dat het toch wel zijn kon, dat de beklaagde onschuldig

was, daar zij terzelfder tijd een teedere betrekking met een ander

jongeling uit de kotta, alsook met een pandeling haars vaders

aangeknoopt had. De rechters fronsten de wenkbrauwen, maar konden toch

niet anders doen dan de nieuwe beschuldigden voor zich te roepen. Maar

ook deze betuigden luid hun onschuld. De pandeling zelfs wilde er niets

van weten, dat hij van tijd tot tijd een zoen aan de dochter zijns

meesters zou ontstolen hebben. Beiden aarzelden geen oogenblik, hun

betuigingen met de duurste eeden te bevestigen.

Dat was een moeielijk geval, waarbij de wijsheid van het zoo hoog

geroemde nieuwe Nederlandsche strafwetboek te kort zoude geschoten

hebben, maar waarin de Dajaksche adat toch voorzien heeft. Na eenige

ruggespraak bevalen de rechters, dat drie kommen, met gesmolten njating

(hars) gevuld, voorgebracht zouden worden. Een houtvuur werd toen

ontstoken, waarop de kippen, bij de beëediging onthoofd, met veeren en

al werden verbrand, hetgeen een ondragelijken stank in de gerechtsloods

deed ontstaan en bij ieder der aanwezigen een akelig gekuch uit de

longen perste. Middelerwijl hadden de drie beschuldigden zich rondom de

kommen geschaard tot het volvoeren van het „hasoedi.” Op een teeken van

den voorzitter des rantèp’s moesten zij onder het uitspreken der

woorden: „blako ontong Sangiang Assei” (help mij Sangiang Assei) den

wijsvinger van de rechterhand in de gesmolten hars steken en dien

vinger daarin een paar malen op en neer halen. Op het gegeven teeken

daalden de vingers in de kommen, waarbij de pandeling een smartelijken

gil slaakte, evenwel den moed had de hevige pijn te doorstaan en de

vereischte beweging te maken. De beschuldigster stond er dicht bij; zij

wijdde een blik aan den inhoud der drie kommen en keek toen de rechters

met een gebaar van verachting aan. Overigens verstoorde zij de

eerbiedige stilte niet. De drie vingers werden daarna zorgvuldig ieder

in een lapje gewikkeld, dat eerst den volgenden morgen daaraf genomen

zoude worden. Hij, wiens vinger alsdan ontveld of anderszins beschadigd

zoude blijken, zoude voor schuldig gehouden en dientengevolge

veroordeeld worden de klaagster te huwen.

Met aandacht hadden de Europeanen die rechtspleging gade geslagen en de

wijsheid daarvan bewonderd. Zij zouden in de gelegenheid komen, zich

nog meer te verbazen.

De laatste basara, die uitgemaakt moest worden, betrof een

beschuldiging van poging tot vergiftiging. Dat was een heel oude zaak,

die reeds tot veelvuldig en langdurig onderzoek had aanleiding gegeven.

Een geruimen tijd geleden was een oud man overleden en wel onder

omstandigheden, die een gedachte aan vergiftiging niet geheel

verwerpelijk maakte. De zoon van den overledene had een beschuldiging

tegen een man ingebracht, die zich vóór het overlijden uitgelaten had,

zich te zullen wreken over een vonnis betreffende een diefstal van

visch, waarbij de doode een valsche getuigenis zoude afgelegd hebben.

Bij dat vergiftigingsproces evenwel konden geene afdoende bewijzen

bijgebracht worden; hoe dikwijls ook de zaak voor den rantèp behandeld

was, hoe de kamanangan’s van weerszijden zich ook beijverd en geweerd

hadden, hoe vele getuigen ook gehoord waren, steeds was het aantal

hampatong oewei van de eene aan dat van de andere partij gelijk

geweest, de bewijzen staakten dus, zoodat niet uit te maken was, wie

ongelijk had.

Zoo was de stand van het proces. Heden zou tot het „hagalangang”

overgegaan worden, om tot de ontdekking van de schuld te geraken. De

aanklager en de beschuldigde werden op het binnenplein van de kotta

ieder in een enge kooi, van stevige bamboelatten zoodanig opgesloten,

dat het benedenlijf van de maagstreek af geheel bedekt en beschermd

was, terwijl de borst, de armen en het hoofd geheel ontbloot bleven. De

kooi was daarenboven zoo eng, dat zij den opgeslotene nauwkeurig

omsloot en hij daarin niet wegduiken kon. Op een afstand van ongeveer

dertig pas van en front naar elkander geplaatst, werd aan ieder der

partijen een scherp aangepunte bamboe van ongeveer een meter lang, die

wel een werpspies kon genoemd worden, ter hand gesteld. Op een teeken

moesten zij die spies te gelijker tijd naar elkander toeslingeren; hij

die het eerste gekwetst werd, het zij licht, het zij gevaarlijk, zou

gerekend worden door de Sangiangs veroordeeld te zijn. Viel dit den

beschuldiger ten deel, dan verviel de aanklacht en zou hij aan den

beschuldigde een boete van 1000 rear [113] als „harear kahawen”

(schaamtegeld) betalen en hem daarenboven nog een mandauw ten geschenke

geven moeten, als een teeken, dat hij de uitspraak aannam en hem als

voorheen achtte. Werd echter de beschuldigde gekwetst, dan volgde zijn

schuldig verklaring aan het hem ten laste gelegde. Hij werd dan ter

dood veroordeeld en overgegeven aan de nabestaanden, in dit geval aan

den zoon van den overledene, die het recht daarbij zoude verkrijgen, om

hem onder de meest onmenschelijke martelingen ter dood te folteren.

[114] Het was een waar Godsgericht, waar om heen zich de geheele

bevolking der kotta hoogst belangstellend schaarde.

Toen de rechters plaats genomen hadden en een paar jongelingen benoemd

waren, om de werpspiesen op te rapen en aan de strijders weer aan te

reiken, gaf Amai Njawong het afgesproken teeken. Met kracht werden de

gevaarlijke staken geslingerd, maar de kampvechters, door dien engen

korf omsloten, hadden veel van hun lenigheid verloren. Die eerste worp

werkte niets uit en week zoo ver van het doel af, dat een minachtend

gemompel vernomen werd. Ook de tweede was nog mis, ofschoon de spiesen

de kampvechters rakelings voorbij snorden. Maar de derde worp had

noodlottige gevolgen. In de volle borst door de werpspies, die daarin

trillend steken bleef, getroffen, was de beklaagde terstond een lijk,

terwijl de beschuldiger, die het hem toegeslingerde wapen iets schuins

recht onder de kin in de keel ontving, waarbij de slagader doorsneden

werd, nog ettelijke minuten in doodsbenauwdheid rochelde en eindelijk

aan bloedverlies bezweek.

Bij die noodlottige uitkomst, verklaarde de voorzitter van den rantèp,

dat de Sangiangs klaarblijkelijk de uitspraak wilden beletten en de

zaak in het duister houden. Hij beval dat de lijken aan de familieleden

zouden worden overgegeven, om daarmede volgens de gebruikelijke

plechtigheden na een overlijden te kunnen handelen. Heel kort daarop

liet zich de titih van twee kanten in de kotta hooren.

Diep ontzet hadden de vier Europeanen dat vreeselijk drama bijgewoond.

Na afloop der gerechtszitting hadden zij zich naar hun woonvertrek

begeven; lang zaten zij evenwel bij elkander, voor dat een hunner de

stilte verbrak en den somberen gedachtenstroom, die hen bestormde,

verstoorde. Eindelijk ontrukte zich La Cueille met een beweging, alsof

hij aan de nachtmerrie poogde te ontkomen.

„Nom d’un chien!” riep hij met een diepen zucht, „we zijn toch te

midden van een raar volkje verdwaald.”

Dat alledaagsch gezegde verbrak toch de betoovering, die de anderen

omkluisterd hield. Het was of een dichte nevel plotseling scheurde en

opgerold werd.

„Dat zijn we. We zitten op den eersten rang en kunnen naar hartelust

genieten,” lachte Johannes, „’t zal evenwel zaak zijn te trachten, ons

buiten alle bemoeiing te houden.”

„Donders, ja!” meende Schlickeisen, „verbeeldt je, dat een onzer

uitgenoodigd werd om in zulk een kooi plaats te nemen.”

„Of zijn vinger in gloeiende hars te steken.”

„Ja, laat de verliefden maar oppassen,” voegde Johannes er waarschuwend

bij, „laat ze ’t niet in hun hoofd krijgen hun schoonen af te schepen.

’s Lands wijs ’s lands eer. Noch Moendoet, noch Hamadoe zouden er voor

terugdeinzen, een verleidingsbasara op touw te zetten.”

„En dan vooruit met je vinger,” lachte Schlickeisen.

De Waal bekeek zijn index met een bezorgdheid, alsof hij de brandende

pijn reeds voelde.

„Duivels!” bromde hij, „dat ’s lastig. Een mensch kan toch wel eens van

gedachte veranderen.”

„Jawel, maar pas op je vinger. Zoo’n kommetje hars is net zoo lekker

als de fijt.”

„Panaris, mon ami, te voilà dans de jolis draps!” prevelde de Waal

binnensmonds en meer hardop:

„Dank je voor den raad; ik zal op mijn vinger passen. Maar.... er is

toch iets wat mijn nieuwsgierigheid ten hoogste prikkelt.”

„En wat is dat?” vroeg Johannes.

„Men heeft drie vingers in de hars gedoopt, niet waar?”

„Wel zeker, dat hebben we allen gezien.”

„Maar wat nu, wanneer morgen twee vingers of alle drie blijken gebrand

te zijn?”

„O heilige eenvoud!” gilde Johannes uit. „Nu die is goed! Alle drie!

ha, ha, ha! dat zou de wijsheid van koning Salomo zelven op een harde

proef gesteld zijn. Ha ha ha!” en Johannes lachte, dat hij schudde.

„Nu wat valt er toch te lachen?” vroeg de Waal gebelgd. „Ik begrijp er

niets van. Drie menschen hebben den vinger in gesmolten hars gestoken;

wat is natuurlijker, dan dat ze zich alle drie deerlijk gebrand hebben?

Het tegendeel zou stof tot lachen geven.”

„Nu, dan zul jij morgen lachen kunnen, laat je dat gezegd zijn. Alle

drie! ha ha ha!” ging Johannes in zijn lachbui voort. „Maar och! schei

nu uit, ik krijg pijn in de zij van al dat gelach.”

„Dat je lacht, daar heb ik vrede mede; maar vertel waarover je lacht.

Misschien lachen wij mede.”

„Je bent een uilskuiken.”

„Die prijs is meer voor me geboden; dat begrijp ik. Maar lach je

daarom?”

„Maar er konden geen drie zich den vinger branden.”

„Dat begrijp ik weer niet.”

„Je bent een „bodokh” (domkop). Je hebt nummer drie der aanbidders van

de schoone dien kreet wel hooren slaken?”

„Ja zeker, ik ben Goddank niet doof.”

„Dat ’s een geluk voor je. Nu, die alleen heeft zich den vinger

gebrand.”

„Maar we hebben de twee anderen toch ook den vinger in den njating zien

steken.”

„Luister. De twee eersten waren welgestelde jongelingen, die slechts

een blik met de rechters te wisselen hadden, om voor de

gepersonifieerde onschuld gehouden te worden. Misschien hadden de

rechters hun loon reeds beet, zoo niet, dan zal het hun niet ontgaan.

De derde was een arme drommel, van wien volstrekt niets te halen was.

Die had geen blikken te wisselen.”

„Dat alles zou ik begrijpen, wanneer ik niet met mijn eigene oogen,

„hisce meis propriis oculis,” zou de pastoor van Jupille zeggen, de

drie vingers in het gesmolten hars had zien op en neer gaan. Ik heb

goed gekeken.”

„Zoo, heb jij goed gekeken? Wel vertel dan, wat je meer gezien hebt.”

„Wat zou ik meer moeten gezien hebben?”

„Dat beweert goed gekeken te hebben!” sprak Johannes met ietwat

kleinachting in zijn stem. „Heb je niet gezien, dat de kleur van het

hars in de drie kommen niet gelijk was?”

„Wat zou dat? hars is hars.”

„Neen, domoor! hars is geen hars of liever het eene hars is het andere

niet. Luister nog een oogenblik. De edelste soorten als de „njating

mata koetjing,” de „njating bapoeti” en de „njating linoh”, [115] als

van zeer zuivere compositie smelten op zeer lagen warmtegraad;

daarentegen hebben de njatings: „kroeën, toelang en anlei” [116] als

zeer aardachtig en poreus van samenstel, een veel hoogere temperatuur

noodig om vloeibaar te worden.”

„O!... zoo!”

„Begin je te begrijpen? dat ’s waarachtig gelukkig. Laten je nu de

rechters den vinger in een kommetje met mata koetjing-hars steken, dat

maar eventjes genoegzaam verwarmd is om vloeibaar te worden en

aanmerkelijk kan afkoelen, alvorens weer vast te worden, dan kun je het

daarin zoo lang uithouden als je verkiest, zonder anderen hinder, dan

een eenigszins branderig gevoel. Maar laten ze je, je index in njating

kroeën steken, dan zou je net doen als de pandeling van straks, dan zou

je schreeuwen en dan zou je den volgenden morgen met een ontvelden

vinger voor den dag komen.”

„En dan nog trouwen op den koop toe! verd.... dat ’s gemeen!”

„Ja, dat is gemeen, en te gemeener, wanneer de gedwongen

huwelijkskandidaat zich hoegenaamd geen schuld bewust is.”

„Hoe dat zoo?”

„Denk je, dat dat meisje van straks dien armen pandeling zelfs maar een

oogopslag heeft waardig gekeurd? Bij lange niet. Wie weet of vóór den

dag van heden zij ooit aan hem of hij ooit aan haar heeft gedacht. Maar

de looze feeks begreep al ras bij de wending, die het proces nam, dat

de rechters niet genegen waren haar in haar matrimoniale wenschen

behulpzaam te zijn. Toch wilde zij haar misstap onder een

huwelijksmantel bergen.”

„Dat zal een verbintenis zijn, die in den hemel gesloten is,” grijnsde

Schlickeisen, die als zoon van een theologant wel eens vroom kon zijn.

„Och, zij zal daarom niet minder gelukkig of ongelukkig zijn,”

antwoordde Johannes. „Die pandeling herkrijgt op den trouwdag zijn

vrijheid, dat ’s al een uitkomst voor hem, daarbij bekomt hij een

aardige vrouw, geheel in den smaak der Dajaks [117]; en..... wat zal ik

er meer van zeggen? In Europa worden toch ook wel zulke huwelijken

gesloten, niet waar?”

„Jawel, maar toch zonder gebranden vinger.”

„Daarover wil ik niet twisten,” schaterde Johannes; „want dan krijg ik

van de drie „totoks” [118] tegelijk er van langs.”

Borneo van Zuid naar Noord · 第 60 / 77 题