XXI.

Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het

beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het

bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een

mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en

een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.

„Ohoi! Amai Kotong!”

„Wie roept daar?” schreeuwde Dalim met luider stem.

„Olo soengei Mawat” (iemand van soengei Mawat). „Ik breng tijding van

de bevolking van daar.”

Inmiddels was het eiland tot voor de kotta gedreven. Een smalle strook

water scheidde het nog van den vasten wal. Johannes en de zijnen lagen

op het talud uitgestrekt met de wapenen in de vuist, op iedere

mogelijkheid voorbereid. Een gedaante verhief zich op het eiland en

begaf zich te water, om naar den wal te zwemmen. Maar daar knalde een

schot; de zwemmer gaf een gil en ware Dalim niet in de rivier

gesprongen om den boodschapper te hulp te snellen, dan ware deze

voorzeker verdronken. De luitenant had het drijvende eiland blijven

gadeslaan, hij had die gedaante zien te water gaan en had daarop zijn

kogel afgezonden. Voordat hij zijn vuurwapen herladen had, was Dalim

met den gekwetste aan wal en binnen de versterking in veiligheid.

Helaas! de arme bode was doodelijk in de borst getroffen. Hij kon nog

slechts stamelen, dat de strijders van soengei Mawat, ten getale van

ongeveer vijftig man, waren aangekomen. Zij hadden zich noordwaarts van

de kotta in het bosch opgesteld en waren voornemens den volgenden

avond, wanneer het donker zoude zijn, de belegeraars aan te tasten.

Nauwelijks had de stervende zich van zijn last gekweten of hij blies

den laatsten adem uit.

Als echte natuurkinderen wijdden de Dajaks van kotta Djankang hun

eerste zorgen aan den overledene. Zoodra de overtuiging bestond, dat de

ziel aan haar omhulsel ontvloden was, werd het lijk een

spiksplinternieuw stel kleederen aangetrokken en daarna op den vloer

van een der woningen in de kotta op een fraai gebloemd matje

uitgestrekt. Toen werd aan het hoofdeneinde van den verslagene een

lampje ontstoken, dat met de fijnste harssoorten gevoed werd, en werden

de lijken van de vier gevallen vijanden, met de afgehouwen hoofden op

de maagstreek geplaatst, rondom hem geschaard. Allen hadden den

„talawang” (schild) in de eene en den mandauw in de andere hand. De

Dajaks waren overtuigd, dat door een zoodanig vertoon de zielen der

onthoofde vijanden genoodzaakt zouden worden den ongeschonden Mawatter

in de Dajaksche velden als hun heer te erkennen en zijn slaven te

worden. Toen begon de titih te weerklinken en duurde dat weemoedig

geluid den geheelen nacht door.

Daar het te voorzien was, dat het lijk den volgenden dag door de lieden

van soengei Mawat zoude worden afgehaald en de adat vergde, dat het

volkomen toebereid afgeleverd zoude worden, ging men bij het aanbreken

van den dag tot het „toending” over, hetwelk daarin bestond, dat de

nagels van den overledene aan handen en voeten verguld en op zijn

voorhoofd zeven stippen met roode verf geschilderd werden. Daarna werd

het lijk in de raoeng (voorloopige doodkist) gelegd en, daar de doode

als strijder gevallen was en ook als een man van beproefde dapperheid

bekend stond, werden hem zijn wapens in de kist medegegeven.

Gedurende den nacht hadden de belegerden verscheiden geruchten bij de

belegeraars waargenomen, waaronder uitroepen die, hoewel maar half

verstaan, op een naderend vertrek duidden. Ook hadden zij roeislagen

gehoord en waren zij wel nieuwsgierig te vernemen wat er gaande was.

Toen de dag aangebroken was, keken de schildwachten uit, maar

ontwaarden van de tegenpartij niets. Zelfs geen rookwolkje krulde

omhoog om aan te duiden, dat menschen bezig waren hun ontbijt te

bereiden. Een paar mannen der bezetting slopen naar buiten,

doorkruisten den omtrek, maar brachten eindelijk het bericht, dat de

vijand afgetrokken was. Een luid hoera beantwoordde die goede tijding

en vooral de Europeanen drukten elkander met warmte de hand en riepen

elkander de hartelijkste gelukwenschen toe. Onmiddellijk werd een bode

uitgezonden om de strijders van soengei Mawat op te zoeken en hun het

heuglijke nieuws mede te deelen. Daar dat aftrekken der belegeraars wel

een list kon zijn, werd bij al de vreugde de voorzichtigheid niet uit

het oog verloren en weer een uitkijk op den hoek beneden de kotta

geplaatst.

Hoe was men bij de belegeraars er toe gekomen het strijdperk te

verlaten?

Na het gevecht was men in dat kamp wel ietwat verslagen. Bij de

beklimming der palissadeering had de luitenant zich mee aan het

klouteren gewaagd. Gelukkig evenwel dat hij het in die kunst der apen

nog niet ver gebracht had en dat hij door eenigen van zijn volk

voorbijgestreefd werd. Nu viel een der zwaar gekwetsten op hem en deed

hem ook tuimelen. Zijn kleeding, maar vooral zijn schoeisel beveiligde

hem tegen de punten der randjoe’s, zoodat hij slechts een betrekkelijk

geringe verwonding aan den arm bekwam. Maar gelukkiger nog dat na zijn

val de beide Tomonggongs hem onmiddellijk overeind trokken en met zich

voortsleepten; weinige seconden later toch zoude de mandauw van

Harimaoung Boekit zijn kop niet gespaard hebben.

Onmiddellijk na die teleurstelling zagen de aanvoerders zich door dat

drijvende eiland verontrust. Nu zaten zij bij elkander op een boomstam

en was bedruktheid op het gelaat van alle drie te lezen. Het onderwerp,

waarover zij het hadden, was niet van den vroolijksten aard. De beide

Tomonggongs wilden weg; want zij verheelden het niet, zij zagen den

toestand zeer donker in. Wat hun niet weinig angst aanjoeg, was, dat

blijkbaar een boodschapper met dat drijvende eiland in de kotta

aangeland was. Wie die was en van waar hij kwam, konden zij

ternauwernood gissen, maar iets goeds beloofde dat zeker niet.

De akelige tonen der titih bovendien, die zich in de versterking lieten

hooren, stemden hen ook niet tot opgeruimdheid.

De luitenant gaf als zijn meening te kennen, dat de versterking nog

nauwer moest ingesloten worden. Hij zou dan met allen spoed naar Kwala

Kapoeas terugkeeren, de reis naar Bandjermasin vervolgen, daar aan den

Toean Besar van het gebeurde verslag doen en met soldaten, aan boord

van een of meer stoombooten, met flink geschut bewapend, terugkomen om

die weerspannige kotta voorbeeldeloos te tuchtigen.

Met sprakelooze ontsteltenis hadden de beide Dajaksche hoofden hem

aangehoord. Dat de officier zou kunnen aftrekken en hen daar

achterlaten, ging hun begrip te boven, zoodat zij vooreerst geen woord

konden uiten. Na een lange poos bedenkens vatte ten laatste Tomonggong

Nikodemus het woord:

„Hoe lang rekent mijnheer weg te blijven?” vroeg hij met haperende

stem.

„Voor den stroom af reken ik in 2½ dag te Kwala Kapoeas te zijn. Daar

heb ik een paar uur noodig om mijn rapport op te maken. Bandjermasin

kan ik 24 uren later bereikt hebben. Rekent er op, dat ik een halven

dag later onder stoom zal zijn en dat de reis naar kotta Djankang met

het noodzakelijke ankeren des nachts in de bovenrivier ongeveer 4½ dag

zal duren, dan kunt ge mij over negen, hoogstens tien dagen terug

verwachten.”

„Daar valt niet aan te denken, Heer!” was het stemmige antwoord van

Nikodemus, „wanneer u terug komt, zoudt u ons allen vermoord vinden.”

„Maar, Tomonggong?”

„Het is zoo, Heer! Zoodra de lange donkere nachten daar zullen zijn,

zal de dans ongetwijfeld beginnen. Geen nacht zal er voorbijgaan, dat

we niet verontrust zullen worden, dat we geen verliezen te tellen

zullen hebben. En eindelijk, als we uitgeput van het dagelijksch

schermutselen en het nachtelijk waken zullen zijn, dan zal de groote

slag geslagen worden, die het grootste gedeelte onzer zal dooden en de

overblijvenden zal verstrooien.”

„Ge zijt ruim drie tegen één, Tomonggong!” beet de officier hem grimmig

toe.

„Dat beteekent niet veel tegen een goed verschansten vijand. Maar die

meerderheid zal niet lang duren, Heer! Ik vrees een opkomst van de

stammen der bovenlanden.”

„Maar over tien dagen ben ik weer hier met een voldoende macht om al de

stammen van Borneo het hoofd te kunnen bieden.”

„Dat zal te laat zijn, Heer!”

„Maar wat dan, Tomonggong!” riep de officier ongeduldig.

„Er valt niets anders te doen dan met u heen te gaan, om, als het moet,

weer met u terug te komen.”

„In dien tusschentijd ontsnappen de deserteurs,” was het bittere

antwoord.

„Zeer waarschijnlijk, Heer! maar wees verzekerd, dat zij ook ontsnappen

zullen, wanneer u heengaat en wij blijven.”

„Maar ze zitten als in een muizenval.”

„Ja Heer! wanneer we wacht genoeg hadden of behoorlijk bewapend waren.

Maar nu zijn we onmachtig de muis uit de val te halen, en de muis heeft

het in haar macht de val te verlaten, wanneer zij wil.”

De luitenant knarsetandde. Wat de Tomonggong zeide, was maar al te

waar. Toch kon hij niet toegeven. Een oogenblik dacht hij er aan zelf

te blijven en een der hoofden naar Bandjermasin te zenden. Hij begreep

echter, dat bij het besluitelooze en het bedachtzame van het inlandsche

karakter dan veel meer tijd zoude gevorderd worden; ook dat hij ter

hoofdplaats onmisbare inlichtingen te geven zoude hebben; zoodat hij

van dat denkbeeld afstapte. Andermaal wilde hij beproeven de

Tomonggongs over te halen met hun volk te blijven, toen een der

volgelingen van het hoofd van Kwala Kapoeas met onverholen spoed

naderde en den ouden man iets in het oor fluisterde.

„Daar hebben we ’t al!” riep deze uit. „De Kwala Kapoeassers hebben bij

het gevecht van straks Harimaoung Boekit en zijn Poenans herkend. Ze

zijn in grooten angst en willen weg. De meesten hunner zijn reeds bezig

de prauwen gereed te maken. Ik ga zien wat dat te beduiden heeft.”

„We gaan met u mede!” riepen de luitenant en Tomonggong Patti Singa

Djaja.

Toen de drie mannen in het kamp kwamen, vonden zij de meesten hunner

lieden in de grootste opgewondenheid. Verschrikkelijke verhalen omtrent

de woestheid en wreedheid der Poenans waren in omloop. De angst was in

aller harten. De officier vernam, dat de menschen van kotta Baroe reeds

voor het meerendeel vertrokken waren en zag, dat de overigen bezig

waren hun prauwen te bestijgen. Hij poogde zich tegen dien aftocht te

verzetten. Hij praatte, overreedde en eindigde met te bevelen. Alles te

vergeefs; het troepje was niet te houden, het was een ware paniek. In

de volgende oogenblikken zag hij zich met de beide Tomonggongs alleen

staan en de eene prauw voor en de andere na achter den eersten

„tandjoeng” (hoek) verdwijnen. De beide Dajaksche hoofden wisselden een

blik, prevelden eenige woorden, waarna zij den luitenant ieder bij een

arm namen en niettegenstaande zijn tegenstribbeling in hun prauw

brachten, die ook tot vertrek gereed lag en waarvan de roeiers niet

weinig ongeduld lieten blijken. Zoodra de luitenant er in was, schoot

de prauw met kracht vooruit. Het was een ware vlucht; maar er viel

niets anders te doen. De omstandigheden noodzaakten er toe.

Toen de prauw den hoek omvoer, die de kotta aan het gezicht zoude

onttrekken, wierp de officier nog een blik op die versterking, die zich

daar in het maanlicht somber en zwijgend aan den oever der rivier

verhief; hij balde de vuist en prevelde binnensmonds:

„O! ik zal terug komen en mij wreken, daar kunt ge staat op maken.”

Of hij het tegen de deserteurs of wel tegen de bevolking van kotta

Djankang had, bleef in het onzekere.

Het beleg had slechts vier etmalen geduurd.

De bewoners van de kotta waren als kleine kinderen, die een tijd

opgesloten zijn geweest, zoo uitgelaten. Allen stortten zich naar

buiten om van het ontbeerde vrije te genieten en het kostte wel moeite

om, bedacht als men er op wezen moest, dat die aftocht een list des

vijands kon zijn, de noodige veiligheidsmaatregelen te doen betrachten.

Maar van de zijde van den vooruitgeschoven post aan den zuidkant bleef

alles rustig; de vijanden waren dus voor goed afgetrokken, want van dat

punt was de rivier over een zeer groote uitgestrektheid stroomafwaarts

te overzien.

De eerste behoefte waaraan ieder der bewoners van kotta Djankang meende

te moeten voldoen, was het nemen van een bad. Het was wezenlijk of op

eens al de menschelijke wezens van de kotta in amphibiën

gemetamorphoseerd waren. Onder bescherming van een saloi of een tapih

plaste en dartelde de geheele bevolking, mannen, vrouwen en kinderen,

in het heldere water der rivier, die daar ter plaatse reeds den naam

van bergstroom begint te verdienen en werd daar menig kunststuk in het

zwemmen vertoond. Wie weet hoe lang dat genot zou gerekt zijn, maar

plotseling deed zich het angstgeroep hooren:

„Badjai! badjai hai!” (een krokodil, een groote krokodil).

En werkelijk bovenstrooms zag men iets komen aandrijven, hetgeen voor

den onervarene veel op een boomstam geleek, maar wat de inboorlingen

niet kon misleiden. Alle badenden vlogen naar den wal; maar welke spoed

ook gemaakt werd, het monster had een wisse prooi bemerkt en schoot,

terwijl het onderdook, pijlsnel vooruit, en niet alle vluchtenden

hadden den tijd om den oever te bereiken. Dicht bij den wal dook het

ondier op, greep een vrouw bij een been en trachtte haar onder water te

sleepen. Het ongelukkige slachtoffer schreeuwde hartverscheurend, greep

in haar doodsangst een tak van een struik en klemde zich daaraan

wanhopig vast. Nu begon voor de toegeijlde toeschouwers een

ijzingwekkende en ontzettende worsteling. De kaaiman had de vrouw bij

het dikke van het bovenbeen gegrepen en daar zijn lange en scherpe

tanden te midden der spierbundels diep ingeslagen. Hij trok, schudde,

scheurde, terwijl hij een geluid liet hooren alsof een varken snorkte,

en spande alle krachten in om zijn slachtoffer te noodzaken los te

laten. De arme vrouw gilde en steunde erbarmelijk en wrong zich akelig

onder dat schudden, hetwelk haar de lappen vleesch aan flarden van het

been scheurde. Zij hield zich evenwel krampachtig aan den reddenden tak

vast, die, hoewel hij kraakte en krampachtig bewogen werd, toch sterk

bleek te zijn en niet toegaf.

Dat alles was in een ommezien gebeurd; toch duurde die worsteling voor

de arme lijderes een halve eeuwigheid. Gefolterd door de hevigste

pijnen, verzwakt door bloedverlies uit de belangrijke verwondingen, die

zij ontvangen had, zou zij hebben moeten loslaten, toen eensklaps hulp

opdaagde.

Dalim, die reeds de rivier verlaten en zich gekleed had, toen het

eerste geroep van badjai! weerklonk, spoedde zich langs het riviertalud

naar boven en zocht aan den voet der borstwering een ijzerhouten

randjoe onder de daar geplante, dat aan beide einden goed aangepunt,

toch stevig van schacht en ongeveer anderhalve voet lang was. Hij vond

wat hij zocht, trok het uit den grond, omvatte het stevig met de

linkerhand en omwikkelde die hand en den geheelen arm tot boven den

elleboog met zijn natten saloi, zoodanig dat arm en hand behoorlijk

beschermd waren, de beide punten evenwel van het randjoe vrij bleven.

De rechterhand hield hij vrij, maar in zijn gordel stak hij een „badeh”

of dolk.

Zoo toegerust stortte hij zich in het water, op het oogenblik, dat de

arme vrouw op het punt was te bezwijmen. Als voortreffelijk zwemmer

schoot Dalim den kaaiman op zijde, trok zijn dolk en poogde hem onder

den linkervoorpoot, waar de schubbenhuid van het monster minder dik is,

te treffen. Door de bewegingen echter bij de worsteling, trof het wapen

minder juist, gleed af en bracht slechts een onbeduidende verwonding te

weeg; evenwel pijnlijk genoeg om de aandacht van het ondier op Dalim

over te brengen. Oogenblikkelijk liet dit dan ook de arme vrouw los, om

zich op zijn aanvaller te werpen. Zorgvuldig trachtte Dalim buiten het

bereik van den staart te blijven, waarmede de krokodil de oppervlakte

van het water woedend tot schuim geeselde. Behendig duikende, bleef de

Dajak den kaaiman op zijde, en toen deze zijn vervaarlijke groote kaken

opensperde, om zijn stoutmoedigen bespringer met zijn tanden kennis te

laten maken, stak deze bliksemsnel den beschermden arm daarin, draaide

de vuist om, zoodanig dat, toen het beest den muil met kracht wilde

sluiten, om dien arm tusschen zijn machtige tanden te verbrijzelen, het

zich de zachte deelen van het verhemelte en van de onderkaak in de

punten van het randjoe sloeg en onmachtig was de kaken bij elkander te

brengen.

Nu begon een voorbeeldelooze strijd.

De kaaiman zich zoo pijnlijk getroffen voelende, schoot vooruit om het

ruime sop te bereiken, maar Dalim, na zijn tegenstander nog een wond

met zijn badeh toegebracht te hebben, had dat wapen losgelaten en met

de rechterhand denzelfden tak gegrepen, waaraan de vrouw zich straks

geklemd had. Met de linkerhand het randjoe met kracht omvat houdende,

strekte hij den arm als een onwrikbare ijzeren staaf uit om zich het

dier van het lijf te houden, dat hem anders met zijn scherpe nagels

vreeselijk toegetakeld zoude hebben. Wanhopig waren de pogingen van den

krokodil om zich los te rukken. Met zijn staart zweepte hij het water

dat het wijd en zijd opspatte; nu schoot hij eens onder alsof hij heil

in den afgrond ging zoeken, dan weer sprong hij ten halven lijve boven

de oppervlakte uit, even of hij den hemel genade wilde vragen. Soms

wentelde hij zich rond, als wilde hij den arm, die hem vasthield, bij

den schouder afdraaien; en ware de tak, waaraan Dalim zich vastgeklemd

hield, niet uiterst buigzaam en veerkrachtig als een rottan geweest,

dan had de Dajak onmogelijk die beweging hebben kunnen volhouden. Nu

draaide hij slechts mede als een tol, maar hield zich uitmuntend. Wel

proestte hij, wel riep hij om hulp, wanneer hij in den hevigen

worstelstrijd eens boven water geslingerd werd, maar los liet hij niet.

Lang kon het evenwel niet meer duren; zijn krachten zouden hem begeven

hebben. Maar daar naderde La Cueille, die in den looppas zijn geweer

was gaan halen, en zich tusschen den kring toeschouwers door wrong, die

ontzet en radeloos dat gevecht stonden aan te kijken. Hij legde aan, de

tromp zijns geweers raakte bijna de strijdenden, maar dadelijk schieten

kon hij niet, daar door de ordelooze en wanhopige bewegingen de Dajak

even goed kon getroffen worden als het ondier. Beklemmend was het

wachten en iedere seconde scheen ieder der aanwezenden wel een uur toe.

Eindelijk, van een ondeelbaar oogenblik gebruik makende, dat de

strijders stil en hijgende aan de oppervlakte des waters lagen, drukte

hij los, en.... de kaaiman, midden op de hersenpan getroffen, deed een

wanhopigen sprong, waarbij zijn geheele lichaam zich wel vijf of zes

voet boven water verhief. Tegen dien schok waren de krachten van Dalim

niet bestand, zijn armen werden als uit het lid gerukt en was hij

verplicht los te laten. Maar was het overmoed of wel verbouwereerdheid?

In stede van het randjoe los te laten, liet hij den tak varen en werd

hij door het ondier naar de diepte der rivier gesleept.

Gelukkig was het einde nabij!

In zijn doodstrijd sprong en wentelde zich het ondier dan eens in de

lucht, met zijn vijand steeds aan zijn kaken hangende, dan weer in de

diepte bedolven, terwijl het water hoog en wild opklotste en met wit

schuim bedekt den oever kwam lekken. Eindelijk waren de krachten van

het stervende ondier uitgeput; langzamerhand bedaarden zijn ontembare

bewegingen en weldra lag het bewegingloos en drijvende aan de

oppervlakte der rivier.

Maar ook Dalim was uitgeput en dreef bewusteloos naast het lijk zijns

vijands, hoewel hij zich nog steeds aan het randjoe in den

vervaarlijken muil vastklemde. In een oogwenk was een djoekoeng ter

redding toegeschoten, was de onmachtige weldra daarin getild en het

kreng van den krokodil achter het vaartuig vastgehecht.

Aan den wal werd Dalim door Wienersdorf met wat jenever ingewreven,

waardoor hij spoedig bijkwam. Zijn bewusteloosheid was slechts

veroorzaakt door de geweldige inspanning en de hevige

gemoedsaandoeningen, want behalve eenige kleine en onbeduidende

krabben, was hij geheel ongedeerd gebleven.

Toen La Cueille de lucht van den jenever in den neus kreeg, beweerde

hij door het aanschouwen van dat ontzettende gevecht ook een onmacht

nabij te zijn. Wienersdorf, in de vreugde zijns harten over de redding

van hun lotgenoot, reikte den Waal lachende een goede teug toe, hem

toewenschende, dat het hem wel mocht bekomen.

Bij nader onderzoek bleek het, dat La Cueille’s kogel de hersenpan van

den kaaiman verbrijzeld had, dat daarin een gat, waarin een mansvuist

kon gestoken worden, geslagen was, hetgeen niet anders kon verklaard

worden dan dat het projectiel het doel onder een zeer stompen hoek

getroffen en het verbrijzeld had zonder er in door te dringen. En

werkelijk werd de kogel niet teruggevonden.

De twee Zwitsers verwonderden zich over den spitsen kop van het ondier,

die zoozeer verschilde met dien der krokodillen in de benedenlanden.

Van de Dajaks vernamen zij, dat in die streken drie soorten van

krokodillen voorkomen: de „badjai bawoi”, „badjai sapit” en „badjai

badjanka” [96] of de stompkoppige, de spitskoppige en de

leguaanachtige. De eerste soort wordt alleen langs die zeeoevers en in

die rivieren en meren aangetroffen, welker beddingen uit zacht slib

bestaan; de tweede soort op zandige oevers of in die gedeelten der

rivieren, waar zand en rolsteenen gevonden worden; en eindelijk de

derde soort nimmer in zee, maar slechts in de bergstroomen, waar die

watervallen vormen en over zware steenen heenbruisen. Deze laatste

soort, veel kleiner dan de twee andere soorten, is toch zeer

vraatzuchtig en ondernemend en dus niet minder gevaarlijk voor den

mensch.

Alhoewel de Dajaks de krokodillen als gezanten van Djata [97] en dus

als wezens van goddelijken oorsprong vereeren, en zij zich verbeelden,

dat die dieren in de bovenwereld een geheel andere gedaante hebben en

slechts als badjai op de aarde verschijnen om de bevelen van hun Heer

ten uitvoer te brengen, zoo wordt hun wrevel toch gaande gemaakt,

wanneer een kaaiman een mensch aanvalt. In dat geval is weerwraak niet

alleen ten volle geoorloofd, maar zelfs een niet te ontduiken plicht.

Allen wierpen zich dan ook op het kreng en kapten en kerfden om hun

gemoed te koelen. Toen het ondier geopend was, vond men in zijn maag

verscheiden afgeronde keien, ja zelfs een paar stukken steenkool ter

dikte van een vuist; ook werd daarin een fraaie witte koraaltak ter

lengte van een vinger aangetroffen. Dit laatste deed Schlickeisen de

veronderstelling uitspreken, dat het dier uit de Javazee naar de

bovenlanden gezwommen was en dat het die reis in zeer korten tijd moest

afgelegd hebben, daar die koraaltak nog niet door het maagzuur

aangetast was. Johannes weersprak dat gevoelen en bracht in

herinnering, dat in de binnenlanden van Borneo op vele plaatsen

koraalbrecciën langs de rivieren en ook elders aangetroffen worden, als

om het onomstootelijk bewijs te leveren, dat de Oceaan daar eenmaal

zijn blauwe baren gerold heeft. De Dajaks bevestigden die meening, en

verhaalden, dat bij hen een volksgeloof bestaat, volgens hetwelk deze

soort van krokodil, bij het ondernemen van verre tochten, overal bij

iedere negorij, waar hij voorbijzwemt, een steen, een koraaltak enz.

tot herinnering aan die plaats inzwelgt. Vandaar dat zijn maag soms een

waar magazijn van mineralen te noemen is.

De kop van het ondier werd behoorlijk van de vleeschdeelen ontdaan en

zou, wanneer de arme vrouw, die door die vreeselijke tanden zoo

toegetakeld was, kwam te sterven, op haar graf prijken. Helaas,

dienzelfden dag nog overleed zij aan bloedverlies. Wel had men gepoogd,

het bloed met Pengawar Djambie [98] te stelpen; maar vele aderen waren

verscheurd, waaronder slagaderen; en hoe uitstekend die stof bij

eenvoudige verwondingen als bloedstelpend middel ook werkt, bij zulke

verbloedingen was zij volkomen machteloos. De titih was nog niet

verstomd voor den gesneuvelden Mawatter, toen zij voor dit andere

slachtoffer andermaal moest weerklinken.

Toen dat rivierdrama afgespeeld was, verzamelden de voornaamste

ingezetenen der kotta zich, om te beraadslagen wat hun nu verder te

doen stond. Het was waarachtig een uiterst kritiek geval. Het was

onmogelijk te ontkennen, men had de bevelen van de Nederlanders

getrotseerd; men had zich tegen hen gewapenderhand verdedigd en bij den

strijd waren ettelijke van de Hollandsche onderhoorigen omgekomen. Hoe

zou dat alles opgenomen worden? Niet malsch, daarvan kon men zich

verzekerd houden. Dat er représailles genomen zouden worden, dat was

voor het inlandsche karakter zonder twijfel. Maar.... zouden die niet

te ontgaan zijn? Wel zeker. De geheele bevolking van kotta Djankang zou

opbreken en zich naar de binnenlanden begeven, ver boven de „kihams”

(watervallen), waar de blanken niet of slechts hoogst moeielijk zouden

kunnen komen. Dit voorstel vond, ofschoon het door de meerderheid

toegejuicht werd, geen onverdeelden bijval. Het is waar, zij waren

afstammelingen van de „Badjankang’s” [99], een zeer uitgebreiden

Dajakschen stam, die in de nabijheid van Kaap Datoe het Kemai-, het

Semadjoe- en het Kariembanggebergte bewoont. Hunne voorouders waren

herwaarts verhuisd, omdat zij geen vrede konden hebben met de Serawak-

en Batang Loepar-Dajaks en het koppensnellen aan de orde van den dag

was. Maar zij hadden zich hier door huwelijken vermaagschapt met de

naburige stammen en waren daarin als het ware opgegaan. Zij waren geene

Badjankang’s meer, zij waren Ot Danom’s. Hier stonden de graven hunner

ouders; hier hadden zij het eerste levenslicht aanschouwd en waren hun

kinderen geboren. Hier lagen hun velden en stonden hun huizen. Hun

„hampatong’s” [100] verhieven zich allerwege. Voorzeker, een

volksverhuizing zou velen smartelijk vallen; ja, er waren er, die in

wanhoop uitriepen, dat het lafhartig was uit vrees voor de Hollanders

de plaats te ruimen, want dat men zich zeer goed verdedigen kon.

Toen de discussie dien toon bereikt had en zij dreigde tot tweedracht

te voeren, stond Johannes op en beklom, na eenige ruggespraak met Amai

Kotong, het kottahoofd, en met Harimaoung Boekit, het Poenanhoofd, de

tadjahan en voerde den verzamelden toe:

„Amaingkoe! Kakangkoe! Andingkoe!” (mijn vaders, mijn oudere en jongere

broeders).

„Het is onnoodig te twisten over iets, waarvan de oplossing zoo

eenvoudig mogelijk is. Een partij wil heentrekken en de andere wil

blijven, vandaar het verschil van gevoelen. Gelooft mij, zij die

wenschen te blijven hebben gelijk. Wat is toch de zaak met de

Hollanders? Uw hoofd Amai Kotong heeft Harimaoung Boekit, zijn gast en

den zoon zijns ouderen broeders niet willen uitleveren. Op zijn bevel

hebt gij uw kotta verdedigd en de wetten der gastvrijheid ongeschonden

bewaard. Hij, hij alleen is dus de schuldige; hij is de eenige, wien

iets ten laste kan gelegd worden. De Hollanders, die er zoo’n hoogen

prijs op stellen, dat de bevolkingen hun overheden gehoorzamen, zullen

niemand anders lastig vallen dan hem, die de bevelen tot verzet gaf.

Zij zullen, wanneer zij terugkomen, alleen de uitlevering vorderen, in

de eerste plaats van Harimaoung Boekit, de hoofdoorzaak van de

oneenigheid, en dan die van uw hoofd, die hun bevelen durfde te

weerstreven.”

Een gehuil beantwoordde die woorden. Het was als een storm van

verontwaardiging, die losbarstte.

„Houdt gij ons voor den gek? dat nooit!! dat nooit!!!”

„Neen, dat nooit! dat weet ik wel,” voer Johannes voort.

„Maar als je dat weet, wat wil je dan?” vroeg een stem uit den hoop

barsch. „Je schijnt wel een verrader.”

„Als je die woorden nog eens spreekt, dan smijt ik je met mijn mandauw

naar het hoofd!” was het driftige antwoord van den speacher.

„Je kunt toch niet veronderstellen, dat we ons hoofd en onzen gast in

handen van de blanken zullen stellen?”

„Stil, je laat me niet uitspreken. Ik herhaal, de Hollanders zullen

alleen de uitlevering van Harimaoung Boekit en Amai Kotong eischen

en....”

„Maar dat willen we juist niet!” brulde de troep.

„Ik herhaal het, dat weet ik wel, ik weet dat een Dajak niet in staat

is de wetten der gastvrijheid te schenden of zijn hoofd uit te leveren.

Niettegenstaande de groote geldsommen, die voor zulk een schanddaad

uitgeloofd werden door de Hollanders, heeft nog geen Dajak dat

bloedgeld trachten te verdienen. Geen uwer zal ook zijn leven daarmee

willen koopen.”

„Neen! neen!!” was het geestdriftvol geschreeuw.

„Goed zoo! zoo hoor ik het gaarne. Die uitlevering zal ook niet noodig

zijn. Harimaoung Boekit zal wel maken, dat hij met zijn Poenans weg zal

zijn, voor dat de Hollanders terug komen en Amai Kotong zal met hem

mede gaan; want hij heeft mij verzekerd dat, om alle oorzaak van onheil

weg te nemen, hij voornemens is naar het landschap Miri, van waar hij

geboortig is, terug te keeren.”

Sprakeloos hoorde de menigte die verklaring aan. Aller oogen wendden

zich naar het kottahoofd als om de bevestiging van het gehoorde te

erlangen. Deze knikte met het hoofd:

„Ik trek met mijn gansche familie af!” riep hij uit.

„Bij die beslissing wordt de oplossing van de gerezen moeielijkheid

gemakkelijk,” voer Johannes voort. „Gij kiest een nieuw hoofd en de

nieuw gekozene zendt een deputatie naar Bandjermasin om aan den Grooten

Heer der Hollanders zijn leedwezen over het gebeurde te kennen te geven

en zijn onderwerping en die van de bewoners van kotta Djankang aan te

bieden. De afgezanten vertellen dan met veel omhaal, dat, na het

vertrek der Kwala Kapoeassers, de bevolking van kotta Djankang met

behulp van de mannen van soengei Mawat, haar hoofd Amai Kotong

vervallen verklaard heeft en dat deze zich met Harimaoung Boekit uit

vrees voor erger, door de vlucht gered heeft.”

„Maar dat zal toch een onwaarheid zijn!” riep de stem van straks.

„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen,

dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt,

het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte

Johannes sarrend; „maar....” liet hij er meer ernstig op volgen:

„bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over

een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met

vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan

boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen

geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede

raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet

vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld

hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen,

dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon [101] ze door de „kiham

apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren,

zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje

geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te

spreken.”

Spottend en snijdend sprak Johannes. Maar hij had nog zeer lang kunnen

praten, zonder dat iemand hem in de rede gevallen zoude zijn. De

vergaderden verdrongen zich om Amai Kotong en toen deze de verklaring

had afgelegd, dat het reeds lang zijn wensch was geweest om het laatste

gedeelte zijns levens te gaan doorbrengen in het land zijner vaderen,

in het land waar hij geboren was; en dat hij nu de gelegenheid

aangreep, om zijn heengaan tot heil van de bewoners van kotta Djankang

te doen strekken.

Allen drukten hem met innigheid de hand en betuigden hun instemming met

een beslissing, die de moeielijkheid volkomen oploste.

Een paar uur later, toen de Mawatters binnen de versterking waren

aangekomen, werd, nadat die op de hoogte der omstandigheden gebracht

waren, onmiddellijk tot de verkiezing van een nieuw hoofd overgegaan.

De volkskeus vestigde zich op een jeugdig man met name Njawong, die

zich, hoewel tegenspartelende, den titel en de betrekking van Amai liet

welgevallen. Onder den aandrang van Johannes benoemde het nieuwe hoofd

een gezantschap, bestaande uit twee voorname Djankangers en twee

voorname Mawatters, om de onderwerping van kotta Djankang aan den Toean

Besar te gaan aanbieden. Johannes met Amai Kotong en Amai Njawong

drongen er op aan, dat de gezanten onmiddellijk zouden vertrekken, om

door hun verschijning en onderwerping het nemen van maatregelen en het

volvoeren van krijgstoerustingen overbodig te maken. Zij mochten

evenwel de afgetrokken aanvallers van kotta Djankang niet inhalen, maar

moesten hen op een eerbiedigen afstand volgen om geen oorzaak te zijn,

dat de kommandant van Kwala Kapoeas door die preliminairen verlokt, het

voornemen zoude kunnen opvatten, ontijdig naar kotta Djankang terug te

keeren. Ook moesten zij trachten goed op de hoogte te blijven en

dadelijk bericht zenden, wanneer zij hetzij ter hoofdplaats, hetzij te

Kwala Kapoeas, iets van krijgstoerustingen tegen kotta Djankang zouden

vernemen.

Johannes als degelijk aanvoerder dacht aan alles.

De zon was de westerkim nog niet genaderd, toen de afgezanten de reis

reeds aanvaardden.

Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun

haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk

uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge

klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en

rangschikken. Daarin was de raoeng van den gesneuvelde, nadat het

deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met

„katipei” [102], op de „menggatil raoeng”, een stellage van zwaar en

kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala” [103] vervaardigd en

behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in

breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de

aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en

veertig [104] roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee andere

vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en

vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s”

overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten;

en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren

bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden.

Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich

onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit

verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers

aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier

zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde

een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.

In de derde versierde prauw zaten een aantal van een en twintig

Balians, die de lucht van hare gezangen deden weergalmen en die

formulieren op de maat met hare katambong’s begeleidden. Achter de

prauw der priesteressen kwamen de overige vaartuigen der Mawatters, die

zich volgens de voornaamheid harer eigenaars in een lange rij achter

elkander schaarden.

Toen de stoet van wal stak, brandden al de kanonnen der kotta los en

verhief zich een oorverdoovend en langgerekt: lēēēēēēh lèlèlèlèlèlelele

ooouiiiit! als om den gevallene voor het laatst te groeten en eer te

bewijzen.

„Nihau jèh,” klonk daartusschen het weemoedige gezang der

priesteressen: „Nihau jèh lonok batipas, ohate baringen, jèh belongkan

boekit.

„Tingang jèh teseke lajang harimaoung marantong batoe, benang jèh

tariop bitie ingampoh tandjoeng ambon.

„Boelau mantap tasalèh indoe tangalong enon.”

„Verloren is hij als de Lonokboom [105], wiens wortels geknakt zijn,

als een Wariengien, die omgevallen is op den berg.

„Als een Tingang [106] is hij bij den terugkeer verdwaald, als een

tijger afgestort van de rots, als een stuk linnen weggewaaid op den

voortijlenden alles bedekkenden nevel.

„Als een stuk goud is hij weggesprongen onder de hand des goudsmids,

weggesprongen om den dauw te vergulden.”

De prauwen schoten den hoek om, de soengei Mawat in en waren nu voor

het oog verdwenen. De nastarenden konden het getrommel der Balians nog

hooren en den gecadenceerden rythmus van het eentonige gezang nog

eenigen tijd waarnemen, maar verstaan wat er gezongen werd, dat was

niemand meer mogelijk.

De bewoners van kotta Djankang, zoo eensklaps uit hun gewone doen en

laten gerukt, keerden na vrij rustelooze dagen doorgebracht te hebben,

tot hun normalen toestand terug. Na het verdwijnen van die prauwen

bleef ter herinnering aan het doorgestane beleg niets anders over dan

het lijk van de arme vrouw, die het slachtoffer van den kaaiman was.

Alles was nu stil en als verlaten; kalmte en ingetogenheid heerschten,

waar in de vorige dagen slechts gejoel en gegil werden vernomen en

alleen het weemoedige gelui der titih liet zich, zoolang het lijk in de

kotta was, van tijd tot tijd hooren.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 59 / 77 题