Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het
beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het
bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een
mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en
een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.
„Ohoi! Amai Kotong!”
„Wie roept daar?” schreeuwde Dalim met luider stem.
„Olo soengei Mawat” (iemand van soengei Mawat). „Ik breng tijding van
de bevolking van daar.”
Inmiddels was het eiland tot voor de kotta gedreven. Een smalle strook
water scheidde het nog van den vasten wal. Johannes en de zijnen lagen
op het talud uitgestrekt met de wapenen in de vuist, op iedere
mogelijkheid voorbereid. Een gedaante verhief zich op het eiland en
begaf zich te water, om naar den wal te zwemmen. Maar daar knalde een
schot; de zwemmer gaf een gil en ware Dalim niet in de rivier
gesprongen om den boodschapper te hulp te snellen, dan ware deze
voorzeker verdronken. De luitenant had het drijvende eiland blijven
gadeslaan, hij had die gedaante zien te water gaan en had daarop zijn
kogel afgezonden. Voordat hij zijn vuurwapen herladen had, was Dalim
met den gekwetste aan wal en binnen de versterking in veiligheid.
Helaas! de arme bode was doodelijk in de borst getroffen. Hij kon nog
slechts stamelen, dat de strijders van soengei Mawat, ten getale van
ongeveer vijftig man, waren aangekomen. Zij hadden zich noordwaarts van
de kotta in het bosch opgesteld en waren voornemens den volgenden
avond, wanneer het donker zoude zijn, de belegeraars aan te tasten.
Nauwelijks had de stervende zich van zijn last gekweten of hij blies
den laatsten adem uit.
Als echte natuurkinderen wijdden de Dajaks van kotta Djankang hun
eerste zorgen aan den overledene. Zoodra de overtuiging bestond, dat de
ziel aan haar omhulsel ontvloden was, werd het lijk een
spiksplinternieuw stel kleederen aangetrokken en daarna op den vloer
van een der woningen in de kotta op een fraai gebloemd matje
uitgestrekt. Toen werd aan het hoofdeneinde van den verslagene een
lampje ontstoken, dat met de fijnste harssoorten gevoed werd, en werden
de lijken van de vier gevallen vijanden, met de afgehouwen hoofden op
de maagstreek geplaatst, rondom hem geschaard. Allen hadden den
„talawang” (schild) in de eene en den mandauw in de andere hand. De
Dajaks waren overtuigd, dat door een zoodanig vertoon de zielen der
onthoofde vijanden genoodzaakt zouden worden den ongeschonden Mawatter
in de Dajaksche velden als hun heer te erkennen en zijn slaven te
worden. Toen begon de titih te weerklinken en duurde dat weemoedig
geluid den geheelen nacht door.
Daar het te voorzien was, dat het lijk den volgenden dag door de lieden
van soengei Mawat zoude worden afgehaald en de adat vergde, dat het
volkomen toebereid afgeleverd zoude worden, ging men bij het aanbreken
van den dag tot het „toending” over, hetwelk daarin bestond, dat de
nagels van den overledene aan handen en voeten verguld en op zijn
voorhoofd zeven stippen met roode verf geschilderd werden. Daarna werd
het lijk in de raoeng (voorloopige doodkist) gelegd en, daar de doode
als strijder gevallen was en ook als een man van beproefde dapperheid
bekend stond, werden hem zijn wapens in de kist medegegeven.
Gedurende den nacht hadden de belegerden verscheiden geruchten bij de
belegeraars waargenomen, waaronder uitroepen die, hoewel maar half
verstaan, op een naderend vertrek duidden. Ook hadden zij roeislagen
gehoord en waren zij wel nieuwsgierig te vernemen wat er gaande was.
Toen de dag aangebroken was, keken de schildwachten uit, maar
ontwaarden van de tegenpartij niets. Zelfs geen rookwolkje krulde
omhoog om aan te duiden, dat menschen bezig waren hun ontbijt te
bereiden. Een paar mannen der bezetting slopen naar buiten,
doorkruisten den omtrek, maar brachten eindelijk het bericht, dat de
vijand afgetrokken was. Een luid hoera beantwoordde die goede tijding
en vooral de Europeanen drukten elkander met warmte de hand en riepen
elkander de hartelijkste gelukwenschen toe. Onmiddellijk werd een bode
uitgezonden om de strijders van soengei Mawat op te zoeken en hun het
heuglijke nieuws mede te deelen. Daar dat aftrekken der belegeraars wel
een list kon zijn, werd bij al de vreugde de voorzichtigheid niet uit
het oog verloren en weer een uitkijk op den hoek beneden de kotta
geplaatst.
Hoe was men bij de belegeraars er toe gekomen het strijdperk te
verlaten?
Na het gevecht was men in dat kamp wel ietwat verslagen. Bij de
beklimming der palissadeering had de luitenant zich mee aan het
klouteren gewaagd. Gelukkig evenwel dat hij het in die kunst der apen
nog niet ver gebracht had en dat hij door eenigen van zijn volk
voorbijgestreefd werd. Nu viel een der zwaar gekwetsten op hem en deed
hem ook tuimelen. Zijn kleeding, maar vooral zijn schoeisel beveiligde
hem tegen de punten der randjoe’s, zoodat hij slechts een betrekkelijk
geringe verwonding aan den arm bekwam. Maar gelukkiger nog dat na zijn
val de beide Tomonggongs hem onmiddellijk overeind trokken en met zich
voortsleepten; weinige seconden later toch zoude de mandauw van
Harimaoung Boekit zijn kop niet gespaard hebben.
Onmiddellijk na die teleurstelling zagen de aanvoerders zich door dat
drijvende eiland verontrust. Nu zaten zij bij elkander op een boomstam
en was bedruktheid op het gelaat van alle drie te lezen. Het onderwerp,
waarover zij het hadden, was niet van den vroolijksten aard. De beide
Tomonggongs wilden weg; want zij verheelden het niet, zij zagen den
toestand zeer donker in. Wat hun niet weinig angst aanjoeg, was, dat
blijkbaar een boodschapper met dat drijvende eiland in de kotta
aangeland was. Wie die was en van waar hij kwam, konden zij
ternauwernood gissen, maar iets goeds beloofde dat zeker niet.
De akelige tonen der titih bovendien, die zich in de versterking lieten
hooren, stemden hen ook niet tot opgeruimdheid.
De luitenant gaf als zijn meening te kennen, dat de versterking nog
nauwer moest ingesloten worden. Hij zou dan met allen spoed naar Kwala
Kapoeas terugkeeren, de reis naar Bandjermasin vervolgen, daar aan den
Toean Besar van het gebeurde verslag doen en met soldaten, aan boord
van een of meer stoombooten, met flink geschut bewapend, terugkomen om
die weerspannige kotta voorbeeldeloos te tuchtigen.
Met sprakelooze ontsteltenis hadden de beide Dajaksche hoofden hem
aangehoord. Dat de officier zou kunnen aftrekken en hen daar
achterlaten, ging hun begrip te boven, zoodat zij vooreerst geen woord
konden uiten. Na een lange poos bedenkens vatte ten laatste Tomonggong
Nikodemus het woord:
„Hoe lang rekent mijnheer weg te blijven?” vroeg hij met haperende
stem.
„Voor den stroom af reken ik in 2½ dag te Kwala Kapoeas te zijn. Daar
heb ik een paar uur noodig om mijn rapport op te maken. Bandjermasin
kan ik 24 uren later bereikt hebben. Rekent er op, dat ik een halven
dag later onder stoom zal zijn en dat de reis naar kotta Djankang met
het noodzakelijke ankeren des nachts in de bovenrivier ongeveer 4½ dag
zal duren, dan kunt ge mij over negen, hoogstens tien dagen terug
verwachten.”
„Daar valt niet aan te denken, Heer!” was het stemmige antwoord van
Nikodemus, „wanneer u terug komt, zoudt u ons allen vermoord vinden.”
„Maar, Tomonggong?”
„Het is zoo, Heer! Zoodra de lange donkere nachten daar zullen zijn,
zal de dans ongetwijfeld beginnen. Geen nacht zal er voorbijgaan, dat
we niet verontrust zullen worden, dat we geen verliezen te tellen
zullen hebben. En eindelijk, als we uitgeput van het dagelijksch
schermutselen en het nachtelijk waken zullen zijn, dan zal de groote
slag geslagen worden, die het grootste gedeelte onzer zal dooden en de
overblijvenden zal verstrooien.”
„Ge zijt ruim drie tegen één, Tomonggong!” beet de officier hem grimmig
toe.
„Dat beteekent niet veel tegen een goed verschansten vijand. Maar die
meerderheid zal niet lang duren, Heer! Ik vrees een opkomst van de
stammen der bovenlanden.”
„Maar over tien dagen ben ik weer hier met een voldoende macht om al de
stammen van Borneo het hoofd te kunnen bieden.”
„Dat zal te laat zijn, Heer!”
„Maar wat dan, Tomonggong!” riep de officier ongeduldig.
„Er valt niets anders te doen dan met u heen te gaan, om, als het moet,
weer met u terug te komen.”
„In dien tusschentijd ontsnappen de deserteurs,” was het bittere
antwoord.
„Zeer waarschijnlijk, Heer! maar wees verzekerd, dat zij ook ontsnappen
zullen, wanneer u heengaat en wij blijven.”
„Maar ze zitten als in een muizenval.”
„Ja Heer! wanneer we wacht genoeg hadden of behoorlijk bewapend waren.
Maar nu zijn we onmachtig de muis uit de val te halen, en de muis heeft
het in haar macht de val te verlaten, wanneer zij wil.”
De luitenant knarsetandde. Wat de Tomonggong zeide, was maar al te
waar. Toch kon hij niet toegeven. Een oogenblik dacht hij er aan zelf
te blijven en een der hoofden naar Bandjermasin te zenden. Hij begreep
echter, dat bij het besluitelooze en het bedachtzame van het inlandsche
karakter dan veel meer tijd zoude gevorderd worden; ook dat hij ter
hoofdplaats onmisbare inlichtingen te geven zoude hebben; zoodat hij
van dat denkbeeld afstapte. Andermaal wilde hij beproeven de
Tomonggongs over te halen met hun volk te blijven, toen een der
volgelingen van het hoofd van Kwala Kapoeas met onverholen spoed
naderde en den ouden man iets in het oor fluisterde.
„Daar hebben we ’t al!” riep deze uit. „De Kwala Kapoeassers hebben bij
het gevecht van straks Harimaoung Boekit en zijn Poenans herkend. Ze
zijn in grooten angst en willen weg. De meesten hunner zijn reeds bezig
de prauwen gereed te maken. Ik ga zien wat dat te beduiden heeft.”
„We gaan met u mede!” riepen de luitenant en Tomonggong Patti Singa
Djaja.
Toen de drie mannen in het kamp kwamen, vonden zij de meesten hunner
lieden in de grootste opgewondenheid. Verschrikkelijke verhalen omtrent
de woestheid en wreedheid der Poenans waren in omloop. De angst was in
aller harten. De officier vernam, dat de menschen van kotta Baroe reeds
voor het meerendeel vertrokken waren en zag, dat de overigen bezig
waren hun prauwen te bestijgen. Hij poogde zich tegen dien aftocht te
verzetten. Hij praatte, overreedde en eindigde met te bevelen. Alles te
vergeefs; het troepje was niet te houden, het was een ware paniek. In
de volgende oogenblikken zag hij zich met de beide Tomonggongs alleen
staan en de eene prauw voor en de andere na achter den eersten
„tandjoeng” (hoek) verdwijnen. De beide Dajaksche hoofden wisselden een
blik, prevelden eenige woorden, waarna zij den luitenant ieder bij een
arm namen en niettegenstaande zijn tegenstribbeling in hun prauw
brachten, die ook tot vertrek gereed lag en waarvan de roeiers niet
weinig ongeduld lieten blijken. Zoodra de luitenant er in was, schoot
de prauw met kracht vooruit. Het was een ware vlucht; maar er viel
niets anders te doen. De omstandigheden noodzaakten er toe.
Toen de prauw den hoek omvoer, die de kotta aan het gezicht zoude
onttrekken, wierp de officier nog een blik op die versterking, die zich
daar in het maanlicht somber en zwijgend aan den oever der rivier
verhief; hij balde de vuist en prevelde binnensmonds:
„O! ik zal terug komen en mij wreken, daar kunt ge staat op maken.”
Of hij het tegen de deserteurs of wel tegen de bevolking van kotta
Djankang had, bleef in het onzekere.
Het beleg had slechts vier etmalen geduurd.
De bewoners van de kotta waren als kleine kinderen, die een tijd
opgesloten zijn geweest, zoo uitgelaten. Allen stortten zich naar
buiten om van het ontbeerde vrije te genieten en het kostte wel moeite
om, bedacht als men er op wezen moest, dat die aftocht een list des
vijands kon zijn, de noodige veiligheidsmaatregelen te doen betrachten.
Maar van de zijde van den vooruitgeschoven post aan den zuidkant bleef
alles rustig; de vijanden waren dus voor goed afgetrokken, want van dat
punt was de rivier over een zeer groote uitgestrektheid stroomafwaarts
te overzien.
De eerste behoefte waaraan ieder der bewoners van kotta Djankang meende
te moeten voldoen, was het nemen van een bad. Het was wezenlijk of op
eens al de menschelijke wezens van de kotta in amphibiën
gemetamorphoseerd waren. Onder bescherming van een saloi of een tapih
plaste en dartelde de geheele bevolking, mannen, vrouwen en kinderen,
in het heldere water der rivier, die daar ter plaatse reeds den naam
van bergstroom begint te verdienen en werd daar menig kunststuk in het
zwemmen vertoond. Wie weet hoe lang dat genot zou gerekt zijn, maar
plotseling deed zich het angstgeroep hooren:
„Badjai! badjai hai!” (een krokodil, een groote krokodil).
En werkelijk bovenstrooms zag men iets komen aandrijven, hetgeen voor
den onervarene veel op een boomstam geleek, maar wat de inboorlingen
niet kon misleiden. Alle badenden vlogen naar den wal; maar welke spoed
ook gemaakt werd, het monster had een wisse prooi bemerkt en schoot,
terwijl het onderdook, pijlsnel vooruit, en niet alle vluchtenden
hadden den tijd om den oever te bereiken. Dicht bij den wal dook het
ondier op, greep een vrouw bij een been en trachtte haar onder water te
sleepen. Het ongelukkige slachtoffer schreeuwde hartverscheurend, greep
in haar doodsangst een tak van een struik en klemde zich daaraan
wanhopig vast. Nu begon voor de toegeijlde toeschouwers een
ijzingwekkende en ontzettende worsteling. De kaaiman had de vrouw bij
het dikke van het bovenbeen gegrepen en daar zijn lange en scherpe
tanden te midden der spierbundels diep ingeslagen. Hij trok, schudde,
scheurde, terwijl hij een geluid liet hooren alsof een varken snorkte,
en spande alle krachten in om zijn slachtoffer te noodzaken los te
laten. De arme vrouw gilde en steunde erbarmelijk en wrong zich akelig
onder dat schudden, hetwelk haar de lappen vleesch aan flarden van het
been scheurde. Zij hield zich evenwel krampachtig aan den reddenden tak
vast, die, hoewel hij kraakte en krampachtig bewogen werd, toch sterk
bleek te zijn en niet toegaf.
Dat alles was in een ommezien gebeurd; toch duurde die worsteling voor
de arme lijderes een halve eeuwigheid. Gefolterd door de hevigste
pijnen, verzwakt door bloedverlies uit de belangrijke verwondingen, die
zij ontvangen had, zou zij hebben moeten loslaten, toen eensklaps hulp
opdaagde.
Dalim, die reeds de rivier verlaten en zich gekleed had, toen het
eerste geroep van badjai! weerklonk, spoedde zich langs het riviertalud
naar boven en zocht aan den voet der borstwering een ijzerhouten
randjoe onder de daar geplante, dat aan beide einden goed aangepunt,
toch stevig van schacht en ongeveer anderhalve voet lang was. Hij vond
wat hij zocht, trok het uit den grond, omvatte het stevig met de
linkerhand en omwikkelde die hand en den geheelen arm tot boven den
elleboog met zijn natten saloi, zoodanig dat arm en hand behoorlijk
beschermd waren, de beide punten evenwel van het randjoe vrij bleven.
De rechterhand hield hij vrij, maar in zijn gordel stak hij een „badeh”
of dolk.
Zoo toegerust stortte hij zich in het water, op het oogenblik, dat de
arme vrouw op het punt was te bezwijmen. Als voortreffelijk zwemmer
schoot Dalim den kaaiman op zijde, trok zijn dolk en poogde hem onder
den linkervoorpoot, waar de schubbenhuid van het monster minder dik is,
te treffen. Door de bewegingen echter bij de worsteling, trof het wapen
minder juist, gleed af en bracht slechts een onbeduidende verwonding te
weeg; evenwel pijnlijk genoeg om de aandacht van het ondier op Dalim
over te brengen. Oogenblikkelijk liet dit dan ook de arme vrouw los, om
zich op zijn aanvaller te werpen. Zorgvuldig trachtte Dalim buiten het
bereik van den staart te blijven, waarmede de krokodil de oppervlakte
van het water woedend tot schuim geeselde. Behendig duikende, bleef de
Dajak den kaaiman op zijde, en toen deze zijn vervaarlijke groote kaken
opensperde, om zijn stoutmoedigen bespringer met zijn tanden kennis te
laten maken, stak deze bliksemsnel den beschermden arm daarin, draaide
de vuist om, zoodanig dat, toen het beest den muil met kracht wilde
sluiten, om dien arm tusschen zijn machtige tanden te verbrijzelen, het
zich de zachte deelen van het verhemelte en van de onderkaak in de
punten van het randjoe sloeg en onmachtig was de kaken bij elkander te
brengen.
Nu begon een voorbeeldelooze strijd.
De kaaiman zich zoo pijnlijk getroffen voelende, schoot vooruit om het
ruime sop te bereiken, maar Dalim, na zijn tegenstander nog een wond
met zijn badeh toegebracht te hebben, had dat wapen losgelaten en met
de rechterhand denzelfden tak gegrepen, waaraan de vrouw zich straks
geklemd had. Met de linkerhand het randjoe met kracht omvat houdende,
strekte hij den arm als een onwrikbare ijzeren staaf uit om zich het
dier van het lijf te houden, dat hem anders met zijn scherpe nagels
vreeselijk toegetakeld zoude hebben. Wanhopig waren de pogingen van den
krokodil om zich los te rukken. Met zijn staart zweepte hij het water
dat het wijd en zijd opspatte; nu schoot hij eens onder alsof hij heil
in den afgrond ging zoeken, dan weer sprong hij ten halven lijve boven
de oppervlakte uit, even of hij den hemel genade wilde vragen. Soms
wentelde hij zich rond, als wilde hij den arm, die hem vasthield, bij
den schouder afdraaien; en ware de tak, waaraan Dalim zich vastgeklemd
hield, niet uiterst buigzaam en veerkrachtig als een rottan geweest,
dan had de Dajak onmogelijk die beweging hebben kunnen volhouden. Nu
draaide hij slechts mede als een tol, maar hield zich uitmuntend. Wel
proestte hij, wel riep hij om hulp, wanneer hij in den hevigen
worstelstrijd eens boven water geslingerd werd, maar los liet hij niet.
Lang kon het evenwel niet meer duren; zijn krachten zouden hem begeven
hebben. Maar daar naderde La Cueille, die in den looppas zijn geweer
was gaan halen, en zich tusschen den kring toeschouwers door wrong, die
ontzet en radeloos dat gevecht stonden aan te kijken. Hij legde aan, de
tromp zijns geweers raakte bijna de strijdenden, maar dadelijk schieten
kon hij niet, daar door de ordelooze en wanhopige bewegingen de Dajak
even goed kon getroffen worden als het ondier. Beklemmend was het
wachten en iedere seconde scheen ieder der aanwezenden wel een uur toe.
Eindelijk, van een ondeelbaar oogenblik gebruik makende, dat de
strijders stil en hijgende aan de oppervlakte des waters lagen, drukte
hij los, en.... de kaaiman, midden op de hersenpan getroffen, deed een
wanhopigen sprong, waarbij zijn geheele lichaam zich wel vijf of zes
voet boven water verhief. Tegen dien schok waren de krachten van Dalim
niet bestand, zijn armen werden als uit het lid gerukt en was hij
verplicht los te laten. Maar was het overmoed of wel verbouwereerdheid?
In stede van het randjoe los te laten, liet hij den tak varen en werd
hij door het ondier naar de diepte der rivier gesleept.
Gelukkig was het einde nabij!
In zijn doodstrijd sprong en wentelde zich het ondier dan eens in de
lucht, met zijn vijand steeds aan zijn kaken hangende, dan weer in de
diepte bedolven, terwijl het water hoog en wild opklotste en met wit
schuim bedekt den oever kwam lekken. Eindelijk waren de krachten van
het stervende ondier uitgeput; langzamerhand bedaarden zijn ontembare
bewegingen en weldra lag het bewegingloos en drijvende aan de
oppervlakte der rivier.
Maar ook Dalim was uitgeput en dreef bewusteloos naast het lijk zijns
vijands, hoewel hij zich nog steeds aan het randjoe in den
vervaarlijken muil vastklemde. In een oogwenk was een djoekoeng ter
redding toegeschoten, was de onmachtige weldra daarin getild en het
kreng van den krokodil achter het vaartuig vastgehecht.
Aan den wal werd Dalim door Wienersdorf met wat jenever ingewreven,
waardoor hij spoedig bijkwam. Zijn bewusteloosheid was slechts
veroorzaakt door de geweldige inspanning en de hevige
gemoedsaandoeningen, want behalve eenige kleine en onbeduidende
krabben, was hij geheel ongedeerd gebleven.
Toen La Cueille de lucht van den jenever in den neus kreeg, beweerde
hij door het aanschouwen van dat ontzettende gevecht ook een onmacht
nabij te zijn. Wienersdorf, in de vreugde zijns harten over de redding
van hun lotgenoot, reikte den Waal lachende een goede teug toe, hem
toewenschende, dat het hem wel mocht bekomen.
Bij nader onderzoek bleek het, dat La Cueille’s kogel de hersenpan van
den kaaiman verbrijzeld had, dat daarin een gat, waarin een mansvuist
kon gestoken worden, geslagen was, hetgeen niet anders kon verklaard
worden dan dat het projectiel het doel onder een zeer stompen hoek
getroffen en het verbrijzeld had zonder er in door te dringen. En
werkelijk werd de kogel niet teruggevonden.
De twee Zwitsers verwonderden zich over den spitsen kop van het ondier,
die zoozeer verschilde met dien der krokodillen in de benedenlanden.
Van de Dajaks vernamen zij, dat in die streken drie soorten van
krokodillen voorkomen: de „badjai bawoi”, „badjai sapit” en „badjai
badjanka” [96] of de stompkoppige, de spitskoppige en de
leguaanachtige. De eerste soort wordt alleen langs die zeeoevers en in
die rivieren en meren aangetroffen, welker beddingen uit zacht slib
bestaan; de tweede soort op zandige oevers of in die gedeelten der
rivieren, waar zand en rolsteenen gevonden worden; en eindelijk de
derde soort nimmer in zee, maar slechts in de bergstroomen, waar die
watervallen vormen en over zware steenen heenbruisen. Deze laatste
soort, veel kleiner dan de twee andere soorten, is toch zeer
vraatzuchtig en ondernemend en dus niet minder gevaarlijk voor den
mensch.
Alhoewel de Dajaks de krokodillen als gezanten van Djata [97] en dus
als wezens van goddelijken oorsprong vereeren, en zij zich verbeelden,
dat die dieren in de bovenwereld een geheel andere gedaante hebben en
slechts als badjai op de aarde verschijnen om de bevelen van hun Heer
ten uitvoer te brengen, zoo wordt hun wrevel toch gaande gemaakt,
wanneer een kaaiman een mensch aanvalt. In dat geval is weerwraak niet
alleen ten volle geoorloofd, maar zelfs een niet te ontduiken plicht.
Allen wierpen zich dan ook op het kreng en kapten en kerfden om hun
gemoed te koelen. Toen het ondier geopend was, vond men in zijn maag
verscheiden afgeronde keien, ja zelfs een paar stukken steenkool ter
dikte van een vuist; ook werd daarin een fraaie witte koraaltak ter
lengte van een vinger aangetroffen. Dit laatste deed Schlickeisen de
veronderstelling uitspreken, dat het dier uit de Javazee naar de
bovenlanden gezwommen was en dat het die reis in zeer korten tijd moest
afgelegd hebben, daar die koraaltak nog niet door het maagzuur
aangetast was. Johannes weersprak dat gevoelen en bracht in
herinnering, dat in de binnenlanden van Borneo op vele plaatsen
koraalbrecciën langs de rivieren en ook elders aangetroffen worden, als
om het onomstootelijk bewijs te leveren, dat de Oceaan daar eenmaal
zijn blauwe baren gerold heeft. De Dajaks bevestigden die meening, en
verhaalden, dat bij hen een volksgeloof bestaat, volgens hetwelk deze
soort van krokodil, bij het ondernemen van verre tochten, overal bij
iedere negorij, waar hij voorbijzwemt, een steen, een koraaltak enz.
tot herinnering aan die plaats inzwelgt. Vandaar dat zijn maag soms een
waar magazijn van mineralen te noemen is.
De kop van het ondier werd behoorlijk van de vleeschdeelen ontdaan en
zou, wanneer de arme vrouw, die door die vreeselijke tanden zoo
toegetakeld was, kwam te sterven, op haar graf prijken. Helaas,
dienzelfden dag nog overleed zij aan bloedverlies. Wel had men gepoogd,
het bloed met Pengawar Djambie [98] te stelpen; maar vele aderen waren
verscheurd, waaronder slagaderen; en hoe uitstekend die stof bij
eenvoudige verwondingen als bloedstelpend middel ook werkt, bij zulke
verbloedingen was zij volkomen machteloos. De titih was nog niet
verstomd voor den gesneuvelden Mawatter, toen zij voor dit andere
slachtoffer andermaal moest weerklinken.
Toen dat rivierdrama afgespeeld was, verzamelden de voornaamste
ingezetenen der kotta zich, om te beraadslagen wat hun nu verder te
doen stond. Het was waarachtig een uiterst kritiek geval. Het was
onmogelijk te ontkennen, men had de bevelen van de Nederlanders
getrotseerd; men had zich tegen hen gewapenderhand verdedigd en bij den
strijd waren ettelijke van de Hollandsche onderhoorigen omgekomen. Hoe
zou dat alles opgenomen worden? Niet malsch, daarvan kon men zich
verzekerd houden. Dat er représailles genomen zouden worden, dat was
voor het inlandsche karakter zonder twijfel. Maar.... zouden die niet
te ontgaan zijn? Wel zeker. De geheele bevolking van kotta Djankang zou
opbreken en zich naar de binnenlanden begeven, ver boven de „kihams”
(watervallen), waar de blanken niet of slechts hoogst moeielijk zouden
kunnen komen. Dit voorstel vond, ofschoon het door de meerderheid
toegejuicht werd, geen onverdeelden bijval. Het is waar, zij waren
afstammelingen van de „Badjankang’s” [99], een zeer uitgebreiden
Dajakschen stam, die in de nabijheid van Kaap Datoe het Kemai-, het
Semadjoe- en het Kariembanggebergte bewoont. Hunne voorouders waren
herwaarts verhuisd, omdat zij geen vrede konden hebben met de Serawak-
en Batang Loepar-Dajaks en het koppensnellen aan de orde van den dag
was. Maar zij hadden zich hier door huwelijken vermaagschapt met de
naburige stammen en waren daarin als het ware opgegaan. Zij waren geene
Badjankang’s meer, zij waren Ot Danom’s. Hier stonden de graven hunner
ouders; hier hadden zij het eerste levenslicht aanschouwd en waren hun
kinderen geboren. Hier lagen hun velden en stonden hun huizen. Hun
„hampatong’s” [100] verhieven zich allerwege. Voorzeker, een
volksverhuizing zou velen smartelijk vallen; ja, er waren er, die in
wanhoop uitriepen, dat het lafhartig was uit vrees voor de Hollanders
de plaats te ruimen, want dat men zich zeer goed verdedigen kon.
Toen de discussie dien toon bereikt had en zij dreigde tot tweedracht
te voeren, stond Johannes op en beklom, na eenige ruggespraak met Amai
Kotong, het kottahoofd, en met Harimaoung Boekit, het Poenanhoofd, de
tadjahan en voerde den verzamelden toe:
„Amaingkoe! Kakangkoe! Andingkoe!” (mijn vaders, mijn oudere en jongere
broeders).
„Het is onnoodig te twisten over iets, waarvan de oplossing zoo
eenvoudig mogelijk is. Een partij wil heentrekken en de andere wil
blijven, vandaar het verschil van gevoelen. Gelooft mij, zij die
wenschen te blijven hebben gelijk. Wat is toch de zaak met de
Hollanders? Uw hoofd Amai Kotong heeft Harimaoung Boekit, zijn gast en
den zoon zijns ouderen broeders niet willen uitleveren. Op zijn bevel
hebt gij uw kotta verdedigd en de wetten der gastvrijheid ongeschonden
bewaard. Hij, hij alleen is dus de schuldige; hij is de eenige, wien
iets ten laste kan gelegd worden. De Hollanders, die er zoo’n hoogen
prijs op stellen, dat de bevolkingen hun overheden gehoorzamen, zullen
niemand anders lastig vallen dan hem, die de bevelen tot verzet gaf.
Zij zullen, wanneer zij terugkomen, alleen de uitlevering vorderen, in
de eerste plaats van Harimaoung Boekit, de hoofdoorzaak van de
oneenigheid, en dan die van uw hoofd, die hun bevelen durfde te
weerstreven.”
Een gehuil beantwoordde die woorden. Het was als een storm van
verontwaardiging, die losbarstte.
„Houdt gij ons voor den gek? dat nooit!! dat nooit!!!”
„Neen, dat nooit! dat weet ik wel,” voer Johannes voort.
„Maar als je dat weet, wat wil je dan?” vroeg een stem uit den hoop
barsch. „Je schijnt wel een verrader.”
„Als je die woorden nog eens spreekt, dan smijt ik je met mijn mandauw
naar het hoofd!” was het driftige antwoord van den speacher.
„Je kunt toch niet veronderstellen, dat we ons hoofd en onzen gast in
handen van de blanken zullen stellen?”
„Stil, je laat me niet uitspreken. Ik herhaal, de Hollanders zullen
alleen de uitlevering van Harimaoung Boekit en Amai Kotong eischen
en....”
„Maar dat willen we juist niet!” brulde de troep.
„Ik herhaal het, dat weet ik wel, ik weet dat een Dajak niet in staat
is de wetten der gastvrijheid te schenden of zijn hoofd uit te leveren.
Niettegenstaande de groote geldsommen, die voor zulk een schanddaad
uitgeloofd werden door de Hollanders, heeft nog geen Dajak dat
bloedgeld trachten te verdienen. Geen uwer zal ook zijn leven daarmee
willen koopen.”
„Neen! neen!!” was het geestdriftvol geschreeuw.
„Goed zoo! zoo hoor ik het gaarne. Die uitlevering zal ook niet noodig
zijn. Harimaoung Boekit zal wel maken, dat hij met zijn Poenans weg zal
zijn, voor dat de Hollanders terug komen en Amai Kotong zal met hem
mede gaan; want hij heeft mij verzekerd dat, om alle oorzaak van onheil
weg te nemen, hij voornemens is naar het landschap Miri, van waar hij
geboortig is, terug te keeren.”
Sprakeloos hoorde de menigte die verklaring aan. Aller oogen wendden
zich naar het kottahoofd als om de bevestiging van het gehoorde te
erlangen. Deze knikte met het hoofd:
„Ik trek met mijn gansche familie af!” riep hij uit.
„Bij die beslissing wordt de oplossing van de gerezen moeielijkheid
gemakkelijk,” voer Johannes voort. „Gij kiest een nieuw hoofd en de
nieuw gekozene zendt een deputatie naar Bandjermasin om aan den Grooten
Heer der Hollanders zijn leedwezen over het gebeurde te kennen te geven
en zijn onderwerping en die van de bewoners van kotta Djankang aan te
bieden. De afgezanten vertellen dan met veel omhaal, dat, na het
vertrek der Kwala Kapoeassers, de bevolking van kotta Djankang met
behulp van de mannen van soengei Mawat, haar hoofd Amai Kotong
vervallen verklaard heeft en dat deze zich met Harimaoung Boekit uit
vrees voor erger, door de vlucht gered heeft.”
„Maar dat zal toch een onwaarheid zijn!” riep de stem van straks.
„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen,
dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt,
het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte
Johannes sarrend; „maar....” liet hij er meer ernstig op volgen:
„bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over
een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met
vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan
boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen
geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede
raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet
vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld
hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen,
dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon [101] ze door de „kiham
apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren,
zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje
geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te
spreken.”
Spottend en snijdend sprak Johannes. Maar hij had nog zeer lang kunnen
praten, zonder dat iemand hem in de rede gevallen zoude zijn. De
vergaderden verdrongen zich om Amai Kotong en toen deze de verklaring
had afgelegd, dat het reeds lang zijn wensch was geweest om het laatste
gedeelte zijns levens te gaan doorbrengen in het land zijner vaderen,
in het land waar hij geboren was; en dat hij nu de gelegenheid
aangreep, om zijn heengaan tot heil van de bewoners van kotta Djankang
te doen strekken.
Allen drukten hem met innigheid de hand en betuigden hun instemming met
een beslissing, die de moeielijkheid volkomen oploste.
Een paar uur later, toen de Mawatters binnen de versterking waren
aangekomen, werd, nadat die op de hoogte der omstandigheden gebracht
waren, onmiddellijk tot de verkiezing van een nieuw hoofd overgegaan.
De volkskeus vestigde zich op een jeugdig man met name Njawong, die
zich, hoewel tegenspartelende, den titel en de betrekking van Amai liet
welgevallen. Onder den aandrang van Johannes benoemde het nieuwe hoofd
een gezantschap, bestaande uit twee voorname Djankangers en twee
voorname Mawatters, om de onderwerping van kotta Djankang aan den Toean
Besar te gaan aanbieden. Johannes met Amai Kotong en Amai Njawong
drongen er op aan, dat de gezanten onmiddellijk zouden vertrekken, om
door hun verschijning en onderwerping het nemen van maatregelen en het
volvoeren van krijgstoerustingen overbodig te maken. Zij mochten
evenwel de afgetrokken aanvallers van kotta Djankang niet inhalen, maar
moesten hen op een eerbiedigen afstand volgen om geen oorzaak te zijn,
dat de kommandant van Kwala Kapoeas door die preliminairen verlokt, het
voornemen zoude kunnen opvatten, ontijdig naar kotta Djankang terug te
keeren. Ook moesten zij trachten goed op de hoogte te blijven en
dadelijk bericht zenden, wanneer zij hetzij ter hoofdplaats, hetzij te
Kwala Kapoeas, iets van krijgstoerustingen tegen kotta Djankang zouden
vernemen.
Johannes als degelijk aanvoerder dacht aan alles.
De zon was de westerkim nog niet genaderd, toen de afgezanten de reis
reeds aanvaardden.
Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun
haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk
uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge
klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en
rangschikken. Daarin was de raoeng van den gesneuvelde, nadat het
deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met
„katipei” [102], op de „menggatil raoeng”, een stellage van zwaar en
kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala” [103] vervaardigd en
behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in
breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de
aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en
veertig [104] roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee andere
vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en
vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s”
overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten;
en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren
bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden.
Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich
onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit
verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers
aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier
zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde
een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.
In de derde versierde prauw zaten een aantal van een en twintig
Balians, die de lucht van hare gezangen deden weergalmen en die
formulieren op de maat met hare katambong’s begeleidden. Achter de
prauw der priesteressen kwamen de overige vaartuigen der Mawatters, die
zich volgens de voornaamheid harer eigenaars in een lange rij achter
elkander schaarden.
Toen de stoet van wal stak, brandden al de kanonnen der kotta los en
verhief zich een oorverdoovend en langgerekt: lēēēēēēh lèlèlèlèlèlelele
ooouiiiit! als om den gevallene voor het laatst te groeten en eer te
bewijzen.
„Nihau jèh,” klonk daartusschen het weemoedige gezang der
priesteressen: „Nihau jèh lonok batipas, ohate baringen, jèh belongkan
boekit.
„Tingang jèh teseke lajang harimaoung marantong batoe, benang jèh
tariop bitie ingampoh tandjoeng ambon.
„Boelau mantap tasalèh indoe tangalong enon.”
„Verloren is hij als de Lonokboom [105], wiens wortels geknakt zijn,
als een Wariengien, die omgevallen is op den berg.
„Als een Tingang [106] is hij bij den terugkeer verdwaald, als een
tijger afgestort van de rots, als een stuk linnen weggewaaid op den
voortijlenden alles bedekkenden nevel.
„Als een stuk goud is hij weggesprongen onder de hand des goudsmids,
weggesprongen om den dauw te vergulden.”
De prauwen schoten den hoek om, de soengei Mawat in en waren nu voor
het oog verdwenen. De nastarenden konden het getrommel der Balians nog
hooren en den gecadenceerden rythmus van het eentonige gezang nog
eenigen tijd waarnemen, maar verstaan wat er gezongen werd, dat was
niemand meer mogelijk.
De bewoners van kotta Djankang, zoo eensklaps uit hun gewone doen en
laten gerukt, keerden na vrij rustelooze dagen doorgebracht te hebben,
tot hun normalen toestand terug. Na het verdwijnen van die prauwen
bleef ter herinnering aan het doorgestane beleg niets anders over dan
het lijk van de arme vrouw, die het slachtoffer van den kaaiman was.
Alles was nu stil en als verlaten; kalmte en ingetogenheid heerschten,
waar in de vorige dagen slechts gejoel en gegil werden vernomen en
alleen het weemoedige gelui der titih liet zich, zoolang het lijk in de
kotta was, van tijd tot tijd hooren.