XX.

Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het

ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met

den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare

hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee

geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een

poging tot overrompeling.—Een duivelendans.

„Morgen met het krieken van den dag ga ik naar de kotta, om den Amai te

spreken.”

„Maar Tomonggong!” stoof de luitenant op, „na ’t geen gebeurd is, is

ieder nader aanzoek van onze zijde onmogelijk geworden. Daarenboven uw

leven zal niet veilig zijn.”

„Mijnheer zal een onwetend volk niet te euvel duiden, dat zij tegen de

gebruiken der blanken gezondigd hebben, daartoe ken ik hem te goed. En

wat mij betreft, mij zal geen haar gedeerd worden. Ik ben een

bloedbroeder van Amai Kotong; we hebben meermalen elkanders bloed

gedronken en elkander alle hulp en bijstand gezworen. Ik ben bekend bij

al de bewoners der kotta, tot bij de kinderen toe. Ik ben aller vriend.

Wie zou mij, oud man, kwaad doen? Ik houd mij verzekerd, dat, wanneer

iemand van de bevolking van kotta Djankang mij morgen ochtend ontwaren

zal, een luide vreugdekreet zal opgaan en de poort terstond geopend zal

worden. En krijg ik Amai Kotong maar te spreken, dan is spoedig alle

misverstand uit den weg geruimd en zal aan het bloedvergieten een einde

zijn.”

Het grijze hoofd sprak zoo overtuigend, dat zijn kalmte en rustig

inzicht in den staat van zaken aanstekelijk werkten. De officier,

ofschoon reeds half gewonnen, meende toch nog iets in het midden te

moeten brengen.

„Dat is allemaal mogelijk, Tomonggong, als alles toegaat, zooals ge het

wenscht, maar wat en hoe, als een der deserteurs op schildwacht staat

en u het eerste ziet? Die zendt u eenvoudig een kogel toe.”

„Die kans is te loopen, ofschoon ik nog niet toegeef, dat die blanken,

die ik evenmin iets misdaan heb, het maar zoo dadelijk op mijn leven

zullen toeleggen. Maar laat het, dan nog tel ik die kans zeer gering,

daar ik met het krieken van den dag naar de kotta zal gaan en de

Europeanen dan nog wel slapen zullen. Uw landslieden, Heer, zijn zoo

vroegtijdig in den regel niet ter been.”

„Dat Hatallah u geleide en bescherme, Tomonggong!” sprak de luitenant

na een poos bedenkens. „Ik geloof dat uw voorstel nog het beste is, wat

in de bestaande omstandigheden te doen is.”

De avond was intusschen gevallen en zoo was de eerste dag van het beleg

ten einde gespoed. Van weerszijden werden schildwachten geplaatst en

maatregelen getroffen om zich zooveel mogelijk tegen een overrompeling

te beveiligen. Uit den aard der zaak was die taak voor de belegerden

gemakkelijker dan voor de belegeraars, daar genen achter hunne hooge

palissaden, die zoo maar niet onbemerkt te beklimmen waren, vrij veilig

zaten en de anderen daarentegen schier zonder beschutting onder den

blooten hemel moesten bivouakeeren, hetgeen hen wel blootstelde aan

onverwachte aanslagen van den kant hunner tegenpartij.

De nacht ging evenwel ongestoord voorbij, althans noch belegeraars noch

belegerden waagden zich aan het plegen van een vijandelijke daad.

In de versterking evenwel had, nadat de schildwachten uitgesteld waren,

een plechtigheid plaats, die bij het kinderlijke en onnadenkende van

het Dajaksche karakter in den bestaanden toestand toch met alle

weidschheid opgevoerd werd en dan ook tot een echt Dajaksch feest

aanleiding gaf. Dat was het „blako ontong”, dat gevierd moest worden om

van den Radja balawang boelau [91] geluk af te smeeken over het

aanstaande huwelijk van de schoone Hamadoe met Dohong, alias

Wienersdorf. Bij zulke gelegenheden vervangt het „blako ontong” het

Europeesche verlovingsfeest en Harimaoung Boekit, die zijn jongste

zuster innig lief had, stelde zich tot taak de herinnering aan die

verloving in het geheugen van de bewoners van kotta Djankang te doen

levendig blijven.

Zoodra de zon onder den horizon verdwenen was en de maan, die bijna vol

was, hare heerschappij aanvaard had en haar liefelijk zacht licht over

het aardrijk goot, werd de bruid van hare woning afgehaald door een

eerewacht van zeven jonge meisjes, die evenals zij slechts met de

„saloi” (korte sarong) gekleed waren en dus het bovenlijf geheel

ontbloot vertoonden. Van den anderen kant waren zeven Poenans, geheel

in oorlogskostuum, met de muts van kattenvel op het hoofd, het baaitje

van boomschors aan, den mandauw om de lendenen gegord, de lans in de

rechter en de „talawang” (schild) in de linkerhand, naar het vertrek

van Wienersdorf gegaan om dien af te halen. De verloofden werden

vervolgens in een groote loods binnengeleid, evenwel zoo, dat beiden

gelijktijdig, maar langs een tegenovergestelden kant binnentraden.

Zoodra zij onder het afdak verschenen, begonnen de aanwezige Balians op

hare katambong’s (trommel) te kloppen en een lofzang op de beide

feestvierenden aan te heffen. Intusschen werden de verloofden

voortgeleid, tot zij in het midden van de loods elkander ontmoetten.

Daar bood Hamadoe met een liefelijk gebaar haren aanstaande een mandauw

aan als zinnebeeld, dat zij alle bescherming van zijne dapperheid

verwachtte. Beiden gingen toen zitten, ieder op een fraai gebloemde

rottanmat; het meisje te midden van de vrouwelijke bewoonsters der

kotta, die allen present waren; de bruidegom te midden der Poenans;

beiden evenwel zoo, dat in het midden der zeer ruime loods een zekere

ruimte vrij bleef, alwaar zeven Balians post vatten en hare

bezweringsgezangen begonnen.

De twee eerste dier gezangen hadden ten doel alle ongeluk uit te

drijven en te verjagen. Toen die geëindigd waren, greep ieder der

aanwezenden, tot de bruid toe, een stok, een stuk hout of eenig ander

voorwerp om daarmede, voorgegaan door de priesteressen, op de stijlen,

de omwanding en het dak van de loods met alle geweld te kloppen. Daarna

toog men naar buiten om op de overige woningen en gebouwen in de kotta,

tot zelfs op de palissaden der borstwering, te kloppen en te slaan, ten

einde ieder ongeluk en alle booze geesten te verdrijven. Het was een

leven als een oordeel.

Komiek was het te zien, hoe onze Waal La Cueille, de pseudo-Arabier

Sjech Mohammed Al Mansoer, zich bij dat spektakel van zijn taak kweet.

Hij had een boomtak gegrepen en sloeg daarmede als een bezetene op

alles wat hem voorkwam. Hij alleen maakte meer leven dan vijf en

twintig anderen te zamen. De Dajaks hadden pret den heiligen man zoo in

de weer te zien; een opmerkzaam toeschouwer zou evenwel spoedig

bespeurd hebben, dat La Cueille zich steeds in de nabijheid van een

jonge flinke deern van de lijfwacht der bruid hield en dat hij, al

kloppende met zijn tak, den galant speelde en de aandacht zocht te

winnen van de uitverkorene zijns harten. Hij was daarmee nog druk bezig

en wie weet of hij de genegenheid der schoone toen niet reeds zoude

verworven hebben, toen plotseling al de kanonnen der kotta als van zelf

losbrandden. Onze Sjech buitelde over zijn hoofd van schrik, vloog weer

overeind, als ware hij door een sterke veer opgewipt en spoedde zich,

onder het onmatig gelach der Dajaks, die zich over zijn val zeer

vroolijk maakten, naar de geschutstellingen, alwaar hij meende als

eerste artillerist der vesting present te moeten zijn. Wat daar gebeurd

was, zag hij spoedig in.

Zoodra de jacht op de booze geesten begonnen was, had zich Dalim met

nog een paar Dajaks onbemerkt naar de bastions begeven. Daar hadden

zij, na de projectielen er uit gehaald te hebben, de stukken omgekeerd

met de monding naar het midden der kotta en, toen het helsche geklop op

de gebouwen en de palissaden begon, losgebrand, om zoo tot de

verdrijving krachtdadig mede te werken. Want volgens het heerschende

bijgeloof kan een geest niet veel spektakel verdragen, en is in ’t

geheel niet tegen buskruitwalm bestand. Zoodra hij dien in den neus

krijgt, zoekt hij een goed heenkomen.

Het gelach duurde nog, ja sommigen der jongsten bootsten de geziene

buiteling na, toen de Sjech terugkwam in de loods, alwaar de verloofden

hun oude plaatsen te midden hunner eerewachten hadden ingenomen. Zijn

heiligheid was op het punt een vromen vloek over de lachers uit te

spreken, toen hij zijn vriendinnetje weer even leuk, maar toch lief,

naast de bruid zag zitten en zij hem ondeugend toelachte. Het speet hem

toen, dat hij door dat onverwachte kanongebulder haar geen handje had

kunnen drukken.

De Balians spreidden nu in het midden der loods op een mat de

offergaven uit, die den Radja balawang boelan zouden aangeboden worden,

namelijk: zeven volwassen witte kippen, een ei, zeven pakjes van

pisangbladeren vervaardigd, met gekookte rijst en zeven

bamboegeledingen met rauwe rijst gevuld, zeven stukken suikerriet van

een vadem lang, wijders gebak, confituren en vruchten. De priesteressen

ontstaken verder twee vuren van groen hout, die veel, zeer veel rook

verspreidden. Toen zij daarmede behoorlijk gereed waren, galmden zij

hunne bezweringsgezangen uit om den „Drahen tato antang” [92] te

noodzaken de „gana” [93] (zielen) van die offeranden bij den Radja

ontong te brengen.

Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld,

zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren) [94] vergiftigde pijltjes in

de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine

en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige

feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten

kring om een paal—in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan

een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de

toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige

passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij

schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een

rauwen gil weer opsprongen.

Toen die nationale dans, „bigal” genaamd, waaraan evenwel de verloofden

en hun eerewachten geen deel genomen hadden, zoo wat een uur geduurd

had, werd de buffel op de meest wreedaardige wijze met lanssteken

doodgemarteld. Daarna werd het nog lillend vleesch door eenige oude

vrouwen afgescheurd, in allerijl gekookt, gebraden en gepoft, waarna

het aan de nedergehurkte feestvierenden werd rondgedeeld, die het zoo

maar uit het vuistje verorberden.

Met het bloed van den buffel werden de verloofden op het voorhoofd, de

borst en de handen bestreken. Vervolgens legden de Balians voor ieder

der beide huwelijkskandidaten een stuk rottan ter lengte van ongeveer

twee dM. neder, dat bedekt was met een laag deeg van rijstenbrij

vervaardigd, met stofgoud vermengd. Daarna brachten de priesteressen

een klapperdop met toeak gevuld aan de lippen, namen ieder een goede

teug en gaven hem aan de verloofden over, waarvan de een den ander liet

drinken en die eindelijk den klapperdop aan de omstanders overreikten.

De Dajaks, zoowel vrouwen als mannen, zijn aartsliefhebbers van sterken

drank. Menige hartige teug werd genomen, gul en onbekrompen werd het

lekkere vocht rondgediend; de feestvreugde klom weldra ten top.

Johannes, Schlickeisen, Amai Kotong en Dalim zorgden evenwel met het

oog op de omstandigheden, dat allen binnen de perken eener gepaste

vroolijkheid bleven. Zij zelven hadden de verloofden van harte

toegedronken, maar onthielden zich wijders het verleidelijke vocht nog

aan te raken.

Sjech Mohammed Al Mansoer alleen zat op een matje met gekruiste beenen

dat vroolijke tooneel met een droefgeestig gelaat aan te staren. De

geur van dien toeak streelde zijn reukorganen ongemeen en deed hem het

water in den mond komen. Met een soort van afgunst beschouwde hij het

gejoel rondom hem. Maar ofschoon zijn Walennatuur in opstand kwam,

hield hij zich goed; hij had de belofte afgelegd, zijn kleed van

nakomeling des Profeets niet te bezoedelen; hij zou die gelofte gestand

doen. Zijn makkers zouden zien, dat ook hij, als het er op aankwam,

zich zou weten op te offeren voor het algemeen belang. Hij zat daar nog

zoo zich moed en standvastigheid in te praten, toen eensklaps een

allerliefst hoofdje over zijn schouder heenboog en hem een klapperdop

met toeak gevuld onder den neus liet passeeren.

Hij vloog op en trachtte de verleidster te grijpen, maar vlug als een

hinde, was zij in een oogwenk op een afstand.

„Olo salam pali mihop toeak!” (Den mohammedaan is het niet geoorloofd

toeak te drinken) riep zij hem uit de verte schalksch toe.

„A bas la sequelle!” riep de Waal, terwijl hij zich den tulband

afsleurde van het hoofd en dezen door de loods wierp.

Daarop sprong hij op het schoone kind toe. Was hij haar nu te vlug af

geweest, of had zijn daad het hart van de heidensche maagd getroffen?

Wie zal dat uitmaken? In het volgende oogenblik hield hij haar in zijn

linkerarm tegen zijn borst geklemd en greep hij, na haar een

hartelijken kus op de lippen gedrukt te hebben, den klapperdop, dien

hij in een teug ledigde.

Een daverend hoera beantwoordde dien dronk, en toen de onttulbande

Arabier verlegen rondkeek, zag hij zich door de feestvierenden omringd,

die hem met vroolijk lachende gezichten als met zijn keus geluk

wenschten.

„Het is wat moois zijn geloof te verzaken,” mompelde Johannes den Waal

in het oor. „Maar het meisje is het waard, dat beken ik. Je zult nu

Wienersdorf niets meer te benijden hebben. We zullen nu twee huwelijken

hebben in plaats van een.”

Onthutst keek de Waal zijn makker aan en liet het meisje los.

„Twee huwelijken?” vroeg hij onnoozel. „Hoe zoo?”

„Denk jij de meisjes zoo maar te kunnen zoenen in de Dajaklanden? Dat

zullen ze je wel anders leeren. Trouwen zul je!”

La Cueille dacht een poosje na. Maar de bekoorlijke Moendoet gekleed of

eigenlijk niet gekleed in den bijna afwezigen tooi van Dajaksch

bruidmeisje stond voor hem.

„Eh bien, vogue la galère!” brulde de Waal in vervoering, terwijl hij

andermaal het lieve kind in de armen sloot en het verbond met een kus

bezegelde.

Onder al die feestelijkheden en bedrijvigheden was het middernacht

geworden. Toen de maan in het zenith stond, grepen de Balians de

stukken rottan, die zij voor Dohong en Hamadoe hadden neergelegd,

ontdeden ze van het omhulsel van deeg, maten ze, waarna de verklaring

werd afgelegd, dat beide stukken iets langer geworden waren. Dat was

een gunstig teeken. Het gebezigde deeg werd nu behandeld. Het stofgoud

moest er uitgewasschen worden. Bij naweging werd ook dat bevonden

vermeerderd te zijn en nu kwam aan de vreugde geen eind; want het

bewijs was geleverd, dat de invocatie der priesteressen krachtdadig was

geweest. De machtige Radja balawang boelau had toch zijn hulp toegezegd

en konden de verloofden in hun toekomstigen huwelijken staat op veel

heil en voorspoed rekenen. Ieder hunner moest dat stukje rottan,

waardoor de bovenaardsche gunst zich geopenbaard had, bij zich steken

en steeds bewaren. Harimaoung Boekit nam op zich, van het gebruikte

stofgoud, waarin zich ook de hemelsche scheppingskracht zoo

wonderbaarlijk getoond had, natuurlijk onder toevoeging van het

ontbrekende metaal, twee ringen te laten vervaardigen, die beide

partijen steeds dragen zouden. Het Poenanhoofd betaalde daarenboven de

Balians vorstelijk voor haar priesterlijke tusschenkomst en daarmede

was de plechtigheid van het blako ontong ten einde.

Maar daarom de feestvreugde niet. Toeak met gebak werd ook na de

godsdienstige plechtigheid in overvloed aangeboden en de gulste

vrijgevigheid heerschte den geheelen nacht. Allen zonder onderscheid

dronken een gezonde teug zonder tot onmatigheid over te slaan. Men was

en bleef slechts vroolijk en men onderhield die vroolijkheid op gepaste

wijze. Zelfs de Waal, die, nadat hij met zijn tulband ook den Profeet

met zijn geheele leer naar den drommel gezonden had, zich van allen

geestelijken dwang ontslagen achtte, hield onder het toezicht van

Schlickeisen de matigheid in het oog en nam niet dan met diens

toestemming een lekkere teug uit de poezele hand zijner uitverkorene

aan.

De dageraad begon in het Oosten te gloren, toen de lofzangen der

Balians nog weerklonken. Eerst hadden zij loftuitingen op bruid en

bruidegom geïmproviseerd, daarna op haar bloedverwanten en zijn

vrienden, waarbij de ex-Sjech en de lieve Moendoet niet vergeten werden

en eindelijk ook op het Poenanhoofd en het kottahoofd. Wie weet met

wiens lof zij geëindigd zouden zijn; zij werden evenwel door een paar

geweerschoten gestoord, die aan het feest een einde maakten en de

mannelijke bevolking naar de borstwering deden spoeden.

Ziehier wat aanleiding tot die schoten gegeven had.

Johannes en Schlickeisen hadden zich gedurende het feest meermalen naar

de geschutstellingen begeven om de waakzaamheid der schildwachten

gaande en zelf het oog te houden op hetgeen buiten voorviel. Het begon

eventjes te dagen, toen zij, andermaal op den uitkijk staande, aan den

rand van het woud eenige beweging ontwaarden, die hun verdacht

voorkwam. Zij zagen namelijk eenige mannen, waaronder zij bij den

schemer aan zijn uniform den luitenant meenden te herkennen, elkander

de hand drukken, waarna een hunner op de kotta afkwam en de anderen

zich in den boschrand terugtrokken. Om geen noodeloos alarm te maken,

sprong Johannes van het banket af en ging Harimaoung Boekit halen, om

met hen uit te kijken. Zij zouden zich dan niet vergissen kunnen of het

vriend of vijand was, die daar naderde. Nauwelijks was dan ook het

Poenanhoofd op het banket der borstwering of hij deed zijnen

medeschildwachten opmerken, dat het de Tomonggong van Kwala Kapoeas

was.

„Ge moet hem geen leed doen,” sprak hij, „hij is een oud vriend van

mij.”

„Neen,” antwoordde Johannes, „hem zal geen leed geschieden; hij is een

te braaf oud man. Maar hij mag niet in de kotta toegelaten worden.

Spreek gij hem toe, Amai; maar denk aan de galg, die de blanken u

toegezegd hebben.”

De Poenan lachte verachtelijk.

De oude Nikodemus naderde intusschen geheel onbezorgd. Hij hield in de

rechterhand een kleine Hollandsche vlag aan een kort stokje, in de

linker een fraaien wandelstok van rottan met zwaren gouden knop, waarop

het Nederlandsche wapen prijkte. Toen hij tot omstreeks honderd pas van

de versterking genaderd was, zag hij plotseling een hoofd boven de

borstwering verschijnen en hoorde hij een stem zich toeroepen:

„Sabèh Amai Tomonggong! Narei gawim ikau kantoh?” (Zijt gegroet, vader

Tomonggong! wat komt gij hier doen?).

Verschrikt van die stem, die hij zich meende te herinneren meer gehoord

te hebben, keek hij scherp toe en ontzetting teekende zich op zijn

wezenstrekken, toen hij het lachende gelaat van Harimaoung Boekit

herkende. Het gevreesde Poenanhoofd te kotta Djankang! Wat kwam die

daar doen? Dat ging het begrip van den ouden man te boven. Zou dan toch

de luitenant gelijk hebben, dat in de bovenlanden de een of andere

aanslag gebroed had? Hij was zoo verbijsterd, dat hij vergat antwoord

te geven op de hem gedane vraag. Hij stond daar aan een standbeeld

gelijk. Plotseling knalden twee geweerschoten, die, met onberispelijke

kunstvaardigheid afgegeven, hem de vlag uit de eene en zijn

waardigheidsstok uit de andere hand sloegen. Zoowel Johannes als

Schlickeisen hadden bewijzen van hun schutterskunst gegeven; zij hadden

den ouden man niet willen deren, maar slechts schrik willen aanjagen.

Dat was hun meesterlijk gelukt. De ontstelde Dajak, meenende dat het op

zijn leven gemunt was, sloeg bijkans achterover van schrik. Een

oogenblik stond hij als wezenloos; hij zocht met de oogen naar de

stukken van zijn verbrijzelden stok, die hem dierbaar was, omdat hij

dien als tevredenheidsbetuiging van het Nederlandsche bestuur erlangd

had, Maar toen hem de stem van Harimaoung Boekit in de ooren krijschte:

„Amai, oendoer goeloengoeloeng!” (vader, maak dat je weg komt), toen

maakte hij beenen. De beide Europeanen gaven hem nog een paar schoten

met los kruit achterna en bespoedigden zoo zijn vlucht.

„Daar heb je ’t gedonder in de glazen!” vloog de luitenant op, toen hij

de eerste schoten vernam, „een paar van die rakkers zullen op post

gestaan hebben en met hun zeker schot hebben ze voorzeker dien armen

Tomonggong geveld. Had ik hem toch maar niet laten gaan!”

De laatste verzuchting was ter nauwernood geslaakt en Tomonggong Patti

Singa Djaja had nog geen tijd gehad ook zijn meening te uiten, toen de

reeds dood gewaande verscheen. Hevig ontsteld en ademloos van het

loopen, liet het oude hoofd zich op een boomstronk neervallen en was in

de eerste oogenblikken in volslagen onmogelijkheid een enkel woord uit

te brengen. Een teug brandewijn met water uit des luitenants veldflesch

bracht het kloppende hart eenigszins tot bedaren. Eindelijk na veel

zuchten en hijgen ontsnapte hem als in wanhoop:

„Jèi! Amai olo Poenan hetèh!” (O wee! het opperhoofd der Poenans is

er.)

Bij het vernemen dier woorden teekenden angst en schrik zich op het

gelaat van den Tomonggong van Kwala Hiang, terwijl de officier van dien

uitroep weinig of niets begreep. Het kostte nog al moeite en geduld om

Nikodemus verder tot bedaren te brengen en tot het verhalen zijner

wederwaardigheden te bewegen. Toen hij eindelijk aan het verlangen

zijner toehoorders voldaan had, sprak hij als zijn oordeel uit:

„Onze toestand, Heer! is nu uiterst zorgelijk geworden.”

„Hoe dat zoo, Tomonggong?”

„De Poenans zijn zeer ondernemende kerels en het verwondert mij

uitermate, dat de nacht ongestoord is voorbijgegaan. Voor het uitvoeren

van nachtelijke overvallen hebben zij huns gelijken niet.”

„Och Tomonggong! dat zal zoo’n vaart niet loopen,” was de meening van

den luitenant, „ik maak mij daaromtrent niet ongerust.”

„Ik wel Heer”, was het ernstige antwoord. „Dat we niet reeds een

grootere ramp te betreuren hebben, wijt ik alleen, eensdeels aan het

heldere maanlicht, waarvan de Poenans bij hun overvallen niet houden,

maar nog meer aan de feestelijkheden, die heden nacht in de kotta

gevierd zijn. We hebben toch tegen negen uur dat gebulder van de

kanonnen en gedurende den geheelen nacht door het gegil der Balians

gehoord.”

„Nu, Tomonggong,” viel de luitenant lachende in, „uw landslieden zijn

feestvierders van professie, daar kunnen alle studenten van welke

universiteit ook een puntje aan zuigen. Ze zijn nu eenmaal bij

elkander, en zullen gedurende den volgenden nacht ook wel aan het

fuiven gaan. En me dunkt, dat dan de gelegenheid schoon zal zijn om een

ernstigen aanslag op de kotta te wagen.”

De oude Nikodemus schudde weemoedig het hoofd.

„Als ze ons maar niet voor zullen zijn!” riep hij uit. „Ik vrees dat ze

zoo ongestoord geen tweeden nacht voorbij zullen laten gaan. Maar....

maar Heer, al zou het zoo zijn als ge denkt, dat ze weer feest zullen

vieren, dan moogt ge toch niet aannemen, dat ze den omtrek onbespied

zullen laten. Mijn landslieden zijn wel onbezonnen en handelen wel eens

ondoordacht, maar zulke groote kinderen zijn het niet. Het zal in den

aanstaanden nacht volle maan en derhalve bijna zoo licht als overdag

zijn. Er zal niet aan gedacht kunnen worden, de kotta ongemerkt binnen

te dringen.”

„We kunnen het in ieder geval beproeven. Wie weet hoe het geluk ons

dient. Heden avond kan een onweersbui opkomen; in dit seizoen zou dat

niet onmogelijk zijn en juist is het gedurende deze laatste dagen

buitengewoon warm geweest. ’t Zou me niet verwonderen, als we heden

avond betrokken lucht hadden. En... zeg eens Andingkoe! zou dan de kans

niet schoon zijn om het Nederlandsche Gouvernement nieuwe redenen tot

dankbaarheid te geven?”

Voor een oogenblik vloog een glimlach met veel bitterheid doortrokken,

over het gelaat van den braven Nikodemus; maar ook slechts voor een

oogenblik, want terstond daarna vertoonde hij zich weer hoogst ernstig

en verviel hij in nog grootere droefgeestige stemming.

Wat ging er om in dat oogenblik in de ziel van dien grijsaard? O! het

was onhandig van den officier, dien man aan de dankbaarheid van het

Nederlandsche Gouvernement te herinneren. Zou dien eenvoudigen Dajak

zijn afgelegde levensloopbaan, geheel aan den dienst van dat

Gouvernement gewijd, voor den geest gezweefd hebben? Zou hij zich

herinnerd hebben, dat hij altijd, maar vooral gedurende de laatste

jaren, die jaren van den meest hardnekkigen oorlog, die Borneo ooit

beroerde, de stiptste trouw aan dat Gouvernement had betracht? Klonken

hem de verleidelijke aanbiedingen nog niet in de ooren, door Pangerang

Antassari in persoon, door de Pembekels Djalil en Soelil namens den

Rijksbestierder Pangerang Hidajat Oellah gedaan, indien hij tot de

partij des opstands zou willen toetreden? Stelde hij tegenover die

vorstelijke aanbiedingen de povere dertig gulden, die hem zonder meer

door dat Gouvernement maandelijks werden toegeteld om in de behoeften

van zijn talrijk huisgezin uitsluitend te voorzien, daar hem het

uitoefenen van handel of nijverheid door zijn benoeming tot

districtshoofd verboden was? Of dacht de onnoozele Dajak dat alles zoo

niet in bijzonderheden na en zweefde het hem maar onbestemd bij het

hooren van dat woord dankbaarheid voor den geest?

Met een blik op het hoogst ernstige gelaat zag de luitenant in, welke

teedere snaar hij aangeroerd had. Hij, meer dan iemand anders, kon

beseffen hoe verregaand ondankbaar dat trouwe hoofd behandeld was. Hij

wist, en wel degelijk, omdat alles van hem uitgegaan was, hoeveel

schrijvens, welke beroepen op mildheid het gekost had, hoe vaak hij had

moeten herinneren, dat vele levens van Europeanen verloren zouden zijn

gegaan, wanneer Nikodemus tot de zaak der onafhankelijkheid zijns volks

ware toegetreden, om den trouwen dienaar die luttele twaalf

rijksdaalders te bezorgen, die zijn ganschen rijkdom uitmaakten. Hij

herinnerde zich de vele beslommeringen, die hij zich had moeten

getroosten om den braven Tomonggong een ander blijk van de Hooge

Regeering te bezorgen, toen het gouden uurwerk, dat hij zich voor zijne

trouwe diensten en zijn onbezweken geestkracht bij de wetenschappelijke

reis van Dr. Schwaner, dien hij dwars door geheel Borneo vergezelde,

verworven had, bij het zinken van het stoomschip Tjipannas, bij Poeloe

Naning [95] verloren was gegaan. De officier herinnerde zich nog den

bitteren glimlach, die zijn eigene lippen verachtelijk deed krullen,

toen hem eindelijk dat blijk in handen kwam en dit niets anders was dan

een sabel, wel is waar met zwaar verguld gevest en scheede, maar in het

oog van den inlander, vooral voor den bewoner van het goudland, juist

door zijn verguldsel, dat als armzalige nabootsing van het edele metaal

veracht wordt, geheel zonder waarde was. Eenmaal op dien weg der

herinneringen kon de officier niet uit het hoofd bannen, dat hij zich,

op verzoek van den ouden man, alle moeite gegeven had diens zoon,

Radhen Karsa Nagara, naar Java gezonden te krijgen, ten einde daar bij

een der hoofden in het binnenland het landelijk stelsel en de werking

van het inlandsch bestuur van nabij te beschouwen; dat die jongeling

eindelijk na veel geschrijf, bij den Regent van Samarang, een der

rijkste Javaansche hoofden, geplaatst werd, maar dat hem een zoo

schamel traktement toegelegd werd, dat hij na weinige maanden

genoodzaakt was, door gebrek en armoede vernederd en verbitterd naar

Borneo terug te keeren.

Nogmaals, het was onhandig geweest aan die dankbaarheid te herinneren.

Lang liet de oude Tomonggong op zijn antwoord wachten en de luitenant

miste den moed het stilzwijgen te verbreken. Eindelijk hernam het hoofd

met een zucht:

„Het zal niet gaan, Heer! Onze wil moge goed zijn, het zou niets dan

noodeloos bloedvergieten veroorzaken.”

„Laten we geen overhaast besluit nemen, Tomonggong; wie weet wat het

toeval ons nog aan de hand doet. We moeten onze menschen steeds bij de

hand hebben om terstond de omstandigheden, die zich voor mochten doen,

te kunnen benutten.”

„Als onze menschen vernemen, dat Harimaoung Boekit met zijn Poenans in

de kotta is, dan zullen ze niet te bewegen zijn haar aan te vallen. Ik

vrees zelfs dat zij dan wegloopen zullen.”

„Ik ook,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja.

„Maar wat doet dat Poenanhoofd te kotta Djankang?” vroeg de luitenant.

„Ik weet het niet, Heer; mijn verstand staat er stil voor. Kon ik Amai

Kotong maar te spreken krijgen.”

„Maar bij uw tocht naar de kotta, hebt ge toen geen Europeanen gezien?”

„Neen Heer, ik heb alleen het lachende gezicht van Harimaoung Boekit

ontwaard.”

„Wie heeft er op u geschoten?”

„Dat weet ik niet; zij die schoten stonden achter de palissaden, hunne

geweren staken door schietgaten. Er is slecht geschoten, want anders

had men mij op dien korten afstand wel getroffen.”

De luitenant glimlachte.

„Er is prachtig geschoten, Tomonggong, geloof me,” verzekerde hij. „’t

Zijn voorzeker de twee Zwitsers geweest, die vuur gaven. Ze hebben u

niet willen dooden.”

„Dat Hatallah hen dan zegene!”

„Amen,” lachte de officier.

Er werd verder besloten de aanwezigheid van den geduchten koppensneller

in de kotta stipt geheim te houden en de versterking zoo dicht in te

sluiten als maar mogelijk was. Wellicht was de proviand daar binnen

niet ruim; gebrek zoude de bezetting tot onderhandelen kunnen nopen en

zoo tot het doel voeren, waar open strijd ongeraden scheen.

Na die poging van Tomonggong Nikodemus gingen een tweetal dagen en

nachten in ongestoorde rust voorbij. Des luitenants verwachtingen, dat

de lucht betrekken zoude en zoo uitzicht geven op de mogelijkheid eener

overrompeling, werden niet verwezenlijkt. De maan steeg iederen avond

helder boven den boschrand op en overgoot alles met haar zacht maar

helder wit licht. Niets kon binnen een kring van tweehonderd meter

straal rondom de versterking gebeuren, zonder dat zulks door de

belegerden ontwaard werd. Het ware volslagen zinneloosheid geweest

onder zulke omstandigheden een aanval te beproeven. Maar van den

anderen kant beveiligde datzelfde maanlicht ook de belegeraars voor de

aanslagen der Poenans en niet onduidelijk gaf Harimaoung Boekit te

kennen, dat hij naar een nachtelijke onweersbui haakte, om eens

afrekening te houden met hen, die hij nog steeds vermeende er op uit te

zijn hem te vangen.

Kort na het intreden van den derden nacht—het was toen vrij donker,

daar de maan eerst tegen half acht uur boven den gezichteinder zoude

verschijnen—kwam een der schildwachten Johannes waarschuwen, die met

Amai Kotong, Dalim en Harimaoung Boekit zat te kouten, dat bovenstrooms

op de rivier een groot vormloos ding zichtbaar werd, dat langzaam voor

den stroom afzakte. Allen sprongen in allerijl op, grepen hun wapenen

en spoedden zich naar den rivierkant om te zien wat er gaande was. En

werkelijk, op ongeveer een driehonderd meter afstands, kon men een

voorwerp ontwaren, dat langzaam naderde. Het was veel te groot voor een

prauw; het was geen vlot, daartoe was het te onregelmatig van vorm. Het

geleek meer een drijvend eiland en, ware men in de benedenstreken, waar

die eilanden, uit lange grassoorten, rietgewassen en schilf bestaande,

in den vollen regentijd niet zeldzaam heeten, dan zou er de aandacht

nauwelijks op gevestigd zijn. Hier evenwel baarde het argwaan. Allen

werden zachtkens onder de wapens geroepen, het was raadzaam op alles

voorbereid te zijn. In de Dajaklanden is de oorlog in den regel niets

anders dan een afwisseling van hinderlagen, die de partijen elkander

leggen.

Terwijl men nog tuurde en beraadslaagde, weerklonk op eens aan de

achterzijde der Kotta een akelig alarmgeschreeuw, al zeer spoedig

gevolgd door een aantal geweerschoten. Van de duisternis gebruik

makende, had de luitenant zijn Dajaks tot bij de palissadeering weten

te voeren. Daar de geheele aandacht der bezetting op de rivier

gevestigd was, zou werkelijk een beklimming gelukt zijn; maar een der

vrouwen zag onverwachts een gedaante van boven de borstwering naar

beneden springen. Zij had een hakmes in de hand, waarmede zij bezig was

hout te kloven. Nog vóór dat de indringer van zijn verdooving, door den

hoogen sprong veroorzaakt, bekomen was en zich verweren kon, had zij

hem eenige hakken over hoofd en armen toegediend, zoodanig dat hij

weldra weerloos in zijn bloed lag te wentelen. Op het geschreeuw der

vrouw schoten eenigen der bezetting toe. Een tweede, een derde, een

vierde aanvaller, die boven de palissadeering verschenen, maakten

kennis met de mandauws der Poenans en tuimelden zwaar gekwetst naar

beneden in de scherpe randjoe’s, die aan den voet der borstwering

geplant waren. De twee Zwitsers en La Cueille, met hun geweren in de

hand, waren nagenoeg gelijktijdig met de Poenans op het banket

verschenen en openden dadelijk een hevig vuur, hoewel zij in het donker

weinig bespeurden.

Na dat vuur een poos onderhouden te hebben, begrepen zij uit het gegil

en geschreeuw, hetwelk heel in de verte vernomen werd, dat het

onmiddellijk gevaar geweken was, en staakten zij het schieten. Bij

onderzoek vond men een lijk binnen de versterking en vier zwaar

gekwetsten daar buiten. Het was onmogelijk de Poenans in hun eerste

opwelling van toorn te weerhouden die ongelukkigen te snellen. Trouwens

in het donker en bij de niet geringe verwarring en ontsteltenis, die

vooral bij de vrouwen nog steeds heerschten, dacht daar ook niemand

aan. Het duurde dan ook niet lang, of de drie Europeanen zagen de

Poenans een houtvuur op het binnenplein der kotta ontsteken en toen de

vlammen hoog opflikkerden, dansten die wilden er om heen met de

gesnelde koppen in de hand en zwaaiden daarmede, dat het nog gutsende

bloed allerwege rondspatte. Vooral was Harimaoung Boekit uitgelaten;

hij was de eerste naar buiten gestormd om de kermende gekwetsten af te

maken. Nu sprong hij als een bezetene, gilde tusschenbeide zijn: lēēēēh

lèlèlèlè ouiit! wierp van tijd tot tijd zijn hoofd in den nek en liet

het nog warme bloed van den kop, dien hij in de hand hield, in den mond

loopen.

„Zij hebben den koppensneller nog niet!” krijschte hij met juichende

stem.

Weldra was bijna de geheele bezetting van kotta Djankang in den echten

duivelendans opgenomen en gingen de koppen van hand tot hand, opdat

ieder een teugje van het lekkere roode vocht zoude kunnen opslurpen.

Toen het bloed ophield te stroomen, zogen de onverlaten aan de

halstronken, zoo lekker was het.

Ontzet wendden de drie Europeanen zich van dat walglijke tooneel af en

zochten Johannes op. Waar zat die inmiddels? vroegen zij zich af.

Zoodra deze dat gillen vernomen en de daarop gevolgde schoten had

hooren knallen, was hij naar dien kant heen gevlogen; maar toen hij

zag, dat ieder op zijn post was, de geheele mannelijke bevolking zich

gewapend had, ja, de vrouwen den mandauw gegrepen en zijn makkers de

leiding der verdediging op zich genomen hadden, spoedde hij zich met

Dalim weer naar den rivierkant. Want hij wantrouwde in hooge mate dat

drijvende eiland, vooral omdat het verschijnen daarvan zoo zonderling

samenviel met den aanval op de achterzijde der kotta. Hij verzamelde

fluks eenige strijders om zich en begaf zich daarmede buiten de

versterking om op het riviertalud post te vatten. Het vormlooze

geraamte kwam al nader en nader, wel niet zoo snel als bij den sterken

stroom verwacht kon worden, want nu eens dreef het tegen den kant en

haakte aan takken van boomen en struiken vast, dan weer geraakte het

bij de eene of andere bocht in een tegenstroom of in een draaikolk,

waardoor het of op zijn schreden scheen terug te keeren of als een

monstertol ronddraaide.

Het geduld van Johannes werd wel op de proef gesteld. De maan begon

boven den boschrand tegenover de versterking te verschijnen, en alles

in haar zacht licht te hullen. Eindelijk kwam het eiland weer in het

bed der rivier terecht en dreef nu recht voor den stroom af.

Hoe dichter het kwam, hoe duidelijker het werd, dat de massa uit versch

gekapte takken, met lang gras in een gestrengeld, gevormd was. Hoewel

de stroom naar de overzijde zette, wendde het eiland blijkbaar naar den

kant der kotta toe, alsof het door een menschenhand bestuurd werd. Nog

was de drijvende massa den kring, door de versterking beheerscht, niet

binnengetreden en dus nog altijd onder het lommer des wouds, toen van

uit de struiken ettelijke schoten er op gelost werden. Het waren de

luitenant en de beide Tomonggong’s, die op hun beurt het drijvende

gevaarte met wantrouwen gadesloegen en bij het voorbij varen er eenige

kogels doorjoegen. Doch niets verroerde zich, het eiland bleef stil

voor den stroom afdrijven.

Toen het den kring binnen trad, door het schoonkappen van het woud

rondom de versterking gevormd, kwam het in het volle maanlicht.

Johannes meende toen eenige beweging te zien achter die vlottende

massa; hij bracht reeds zijn geweer aan den schouder, toen een stem

over de watervlakte weerklonk.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 58 / 77 题