Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het
ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met
den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare
hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee
geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een
poging tot overrompeling.—Een duivelendans.
„Morgen met het krieken van den dag ga ik naar de kotta, om den Amai te
spreken.”
„Maar Tomonggong!” stoof de luitenant op, „na ’t geen gebeurd is, is
ieder nader aanzoek van onze zijde onmogelijk geworden. Daarenboven uw
leven zal niet veilig zijn.”
„Mijnheer zal een onwetend volk niet te euvel duiden, dat zij tegen de
gebruiken der blanken gezondigd hebben, daartoe ken ik hem te goed. En
wat mij betreft, mij zal geen haar gedeerd worden. Ik ben een
bloedbroeder van Amai Kotong; we hebben meermalen elkanders bloed
gedronken en elkander alle hulp en bijstand gezworen. Ik ben bekend bij
al de bewoners der kotta, tot bij de kinderen toe. Ik ben aller vriend.
Wie zou mij, oud man, kwaad doen? Ik houd mij verzekerd, dat, wanneer
iemand van de bevolking van kotta Djankang mij morgen ochtend ontwaren
zal, een luide vreugdekreet zal opgaan en de poort terstond geopend zal
worden. En krijg ik Amai Kotong maar te spreken, dan is spoedig alle
misverstand uit den weg geruimd en zal aan het bloedvergieten een einde
zijn.”
Het grijze hoofd sprak zoo overtuigend, dat zijn kalmte en rustig
inzicht in den staat van zaken aanstekelijk werkten. De officier,
ofschoon reeds half gewonnen, meende toch nog iets in het midden te
moeten brengen.
„Dat is allemaal mogelijk, Tomonggong, als alles toegaat, zooals ge het
wenscht, maar wat en hoe, als een der deserteurs op schildwacht staat
en u het eerste ziet? Die zendt u eenvoudig een kogel toe.”
„Die kans is te loopen, ofschoon ik nog niet toegeef, dat die blanken,
die ik evenmin iets misdaan heb, het maar zoo dadelijk op mijn leven
zullen toeleggen. Maar laat het, dan nog tel ik die kans zeer gering,
daar ik met het krieken van den dag naar de kotta zal gaan en de
Europeanen dan nog wel slapen zullen. Uw landslieden, Heer, zijn zoo
vroegtijdig in den regel niet ter been.”
„Dat Hatallah u geleide en bescherme, Tomonggong!” sprak de luitenant
na een poos bedenkens. „Ik geloof dat uw voorstel nog het beste is, wat
in de bestaande omstandigheden te doen is.”
De avond was intusschen gevallen en zoo was de eerste dag van het beleg
ten einde gespoed. Van weerszijden werden schildwachten geplaatst en
maatregelen getroffen om zich zooveel mogelijk tegen een overrompeling
te beveiligen. Uit den aard der zaak was die taak voor de belegerden
gemakkelijker dan voor de belegeraars, daar genen achter hunne hooge
palissaden, die zoo maar niet onbemerkt te beklimmen waren, vrij veilig
zaten en de anderen daarentegen schier zonder beschutting onder den
blooten hemel moesten bivouakeeren, hetgeen hen wel blootstelde aan
onverwachte aanslagen van den kant hunner tegenpartij.
De nacht ging evenwel ongestoord voorbij, althans noch belegeraars noch
belegerden waagden zich aan het plegen van een vijandelijke daad.
In de versterking evenwel had, nadat de schildwachten uitgesteld waren,
een plechtigheid plaats, die bij het kinderlijke en onnadenkende van
het Dajaksche karakter in den bestaanden toestand toch met alle
weidschheid opgevoerd werd en dan ook tot een echt Dajaksch feest
aanleiding gaf. Dat was het „blako ontong”, dat gevierd moest worden om
van den Radja balawang boelau [91] geluk af te smeeken over het
aanstaande huwelijk van de schoone Hamadoe met Dohong, alias
Wienersdorf. Bij zulke gelegenheden vervangt het „blako ontong” het
Europeesche verlovingsfeest en Harimaoung Boekit, die zijn jongste
zuster innig lief had, stelde zich tot taak de herinnering aan die
verloving in het geheugen van de bewoners van kotta Djankang te doen
levendig blijven.
Zoodra de zon onder den horizon verdwenen was en de maan, die bijna vol
was, hare heerschappij aanvaard had en haar liefelijk zacht licht over
het aardrijk goot, werd de bruid van hare woning afgehaald door een
eerewacht van zeven jonge meisjes, die evenals zij slechts met de
„saloi” (korte sarong) gekleed waren en dus het bovenlijf geheel
ontbloot vertoonden. Van den anderen kant waren zeven Poenans, geheel
in oorlogskostuum, met de muts van kattenvel op het hoofd, het baaitje
van boomschors aan, den mandauw om de lendenen gegord, de lans in de
rechter en de „talawang” (schild) in de linkerhand, naar het vertrek
van Wienersdorf gegaan om dien af te halen. De verloofden werden
vervolgens in een groote loods binnengeleid, evenwel zoo, dat beiden
gelijktijdig, maar langs een tegenovergestelden kant binnentraden.
Zoodra zij onder het afdak verschenen, begonnen de aanwezige Balians op
hare katambong’s (trommel) te kloppen en een lofzang op de beide
feestvierenden aan te heffen. Intusschen werden de verloofden
voortgeleid, tot zij in het midden van de loods elkander ontmoetten.
Daar bood Hamadoe met een liefelijk gebaar haren aanstaande een mandauw
aan als zinnebeeld, dat zij alle bescherming van zijne dapperheid
verwachtte. Beiden gingen toen zitten, ieder op een fraai gebloemde
rottanmat; het meisje te midden van de vrouwelijke bewoonsters der
kotta, die allen present waren; de bruidegom te midden der Poenans;
beiden evenwel zoo, dat in het midden der zeer ruime loods een zekere
ruimte vrij bleef, alwaar zeven Balians post vatten en hare
bezweringsgezangen begonnen.
De twee eerste dier gezangen hadden ten doel alle ongeluk uit te
drijven en te verjagen. Toen die geëindigd waren, greep ieder der
aanwezenden, tot de bruid toe, een stok, een stuk hout of eenig ander
voorwerp om daarmede, voorgegaan door de priesteressen, op de stijlen,
de omwanding en het dak van de loods met alle geweld te kloppen. Daarna
toog men naar buiten om op de overige woningen en gebouwen in de kotta,
tot zelfs op de palissaden der borstwering, te kloppen en te slaan, ten
einde ieder ongeluk en alle booze geesten te verdrijven. Het was een
leven als een oordeel.
Komiek was het te zien, hoe onze Waal La Cueille, de pseudo-Arabier
Sjech Mohammed Al Mansoer, zich bij dat spektakel van zijn taak kweet.
Hij had een boomtak gegrepen en sloeg daarmede als een bezetene op
alles wat hem voorkwam. Hij alleen maakte meer leven dan vijf en
twintig anderen te zamen. De Dajaks hadden pret den heiligen man zoo in
de weer te zien; een opmerkzaam toeschouwer zou evenwel spoedig
bespeurd hebben, dat La Cueille zich steeds in de nabijheid van een
jonge flinke deern van de lijfwacht der bruid hield en dat hij, al
kloppende met zijn tak, den galant speelde en de aandacht zocht te
winnen van de uitverkorene zijns harten. Hij was daarmee nog druk bezig
en wie weet of hij de genegenheid der schoone toen niet reeds zoude
verworven hebben, toen plotseling al de kanonnen der kotta als van zelf
losbrandden. Onze Sjech buitelde over zijn hoofd van schrik, vloog weer
overeind, als ware hij door een sterke veer opgewipt en spoedde zich,
onder het onmatig gelach der Dajaks, die zich over zijn val zeer
vroolijk maakten, naar de geschutstellingen, alwaar hij meende als
eerste artillerist der vesting present te moeten zijn. Wat daar gebeurd
was, zag hij spoedig in.
Zoodra de jacht op de booze geesten begonnen was, had zich Dalim met
nog een paar Dajaks onbemerkt naar de bastions begeven. Daar hadden
zij, na de projectielen er uit gehaald te hebben, de stukken omgekeerd
met de monding naar het midden der kotta en, toen het helsche geklop op
de gebouwen en de palissaden begon, losgebrand, om zoo tot de
verdrijving krachtdadig mede te werken. Want volgens het heerschende
bijgeloof kan een geest niet veel spektakel verdragen, en is in ’t
geheel niet tegen buskruitwalm bestand. Zoodra hij dien in den neus
krijgt, zoekt hij een goed heenkomen.
Het gelach duurde nog, ja sommigen der jongsten bootsten de geziene
buiteling na, toen de Sjech terugkwam in de loods, alwaar de verloofden
hun oude plaatsen te midden hunner eerewachten hadden ingenomen. Zijn
heiligheid was op het punt een vromen vloek over de lachers uit te
spreken, toen hij zijn vriendinnetje weer even leuk, maar toch lief,
naast de bruid zag zitten en zij hem ondeugend toelachte. Het speet hem
toen, dat hij door dat onverwachte kanongebulder haar geen handje had
kunnen drukken.
De Balians spreidden nu in het midden der loods op een mat de
offergaven uit, die den Radja balawang boelan zouden aangeboden worden,
namelijk: zeven volwassen witte kippen, een ei, zeven pakjes van
pisangbladeren vervaardigd, met gekookte rijst en zeven
bamboegeledingen met rauwe rijst gevuld, zeven stukken suikerriet van
een vadem lang, wijders gebak, confituren en vruchten. De priesteressen
ontstaken verder twee vuren van groen hout, die veel, zeer veel rook
verspreidden. Toen zij daarmede behoorlijk gereed waren, galmden zij
hunne bezweringsgezangen uit om den „Drahen tato antang” [92] te
noodzaken de „gana” [93] (zielen) van die offeranden bij den Radja
ontong te brengen.
Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld,
zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren) [94] vergiftigde pijltjes in
de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine
en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige
feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten
kring om een paal—in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan
een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de
toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige
passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij
schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een
rauwen gil weer opsprongen.
Toen die nationale dans, „bigal” genaamd, waaraan evenwel de verloofden
en hun eerewachten geen deel genomen hadden, zoo wat een uur geduurd
had, werd de buffel op de meest wreedaardige wijze met lanssteken
doodgemarteld. Daarna werd het nog lillend vleesch door eenige oude
vrouwen afgescheurd, in allerijl gekookt, gebraden en gepoft, waarna
het aan de nedergehurkte feestvierenden werd rondgedeeld, die het zoo
maar uit het vuistje verorberden.
Met het bloed van den buffel werden de verloofden op het voorhoofd, de
borst en de handen bestreken. Vervolgens legden de Balians voor ieder
der beide huwelijkskandidaten een stuk rottan ter lengte van ongeveer
twee dM. neder, dat bedekt was met een laag deeg van rijstenbrij
vervaardigd, met stofgoud vermengd. Daarna brachten de priesteressen
een klapperdop met toeak gevuld aan de lippen, namen ieder een goede
teug en gaven hem aan de verloofden over, waarvan de een den ander liet
drinken en die eindelijk den klapperdop aan de omstanders overreikten.
De Dajaks, zoowel vrouwen als mannen, zijn aartsliefhebbers van sterken
drank. Menige hartige teug werd genomen, gul en onbekrompen werd het
lekkere vocht rondgediend; de feestvreugde klom weldra ten top.
Johannes, Schlickeisen, Amai Kotong en Dalim zorgden evenwel met het
oog op de omstandigheden, dat allen binnen de perken eener gepaste
vroolijkheid bleven. Zij zelven hadden de verloofden van harte
toegedronken, maar onthielden zich wijders het verleidelijke vocht nog
aan te raken.
Sjech Mohammed Al Mansoer alleen zat op een matje met gekruiste beenen
dat vroolijke tooneel met een droefgeestig gelaat aan te staren. De
geur van dien toeak streelde zijn reukorganen ongemeen en deed hem het
water in den mond komen. Met een soort van afgunst beschouwde hij het
gejoel rondom hem. Maar ofschoon zijn Walennatuur in opstand kwam,
hield hij zich goed; hij had de belofte afgelegd, zijn kleed van
nakomeling des Profeets niet te bezoedelen; hij zou die gelofte gestand
doen. Zijn makkers zouden zien, dat ook hij, als het er op aankwam,
zich zou weten op te offeren voor het algemeen belang. Hij zat daar nog
zoo zich moed en standvastigheid in te praten, toen eensklaps een
allerliefst hoofdje over zijn schouder heenboog en hem een klapperdop
met toeak gevuld onder den neus liet passeeren.
Hij vloog op en trachtte de verleidster te grijpen, maar vlug als een
hinde, was zij in een oogwenk op een afstand.
„Olo salam pali mihop toeak!” (Den mohammedaan is het niet geoorloofd
toeak te drinken) riep zij hem uit de verte schalksch toe.
„A bas la sequelle!” riep de Waal, terwijl hij zich den tulband
afsleurde van het hoofd en dezen door de loods wierp.
Daarop sprong hij op het schoone kind toe. Was hij haar nu te vlug af
geweest, of had zijn daad het hart van de heidensche maagd getroffen?
Wie zal dat uitmaken? In het volgende oogenblik hield hij haar in zijn
linkerarm tegen zijn borst geklemd en greep hij, na haar een
hartelijken kus op de lippen gedrukt te hebben, den klapperdop, dien
hij in een teug ledigde.
Een daverend hoera beantwoordde dien dronk, en toen de onttulbande
Arabier verlegen rondkeek, zag hij zich door de feestvierenden omringd,
die hem met vroolijk lachende gezichten als met zijn keus geluk
wenschten.
„Het is wat moois zijn geloof te verzaken,” mompelde Johannes den Waal
in het oor. „Maar het meisje is het waard, dat beken ik. Je zult nu
Wienersdorf niets meer te benijden hebben. We zullen nu twee huwelijken
hebben in plaats van een.”
Onthutst keek de Waal zijn makker aan en liet het meisje los.
„Twee huwelijken?” vroeg hij onnoozel. „Hoe zoo?”
„Denk jij de meisjes zoo maar te kunnen zoenen in de Dajaklanden? Dat
zullen ze je wel anders leeren. Trouwen zul je!”
La Cueille dacht een poosje na. Maar de bekoorlijke Moendoet gekleed of
eigenlijk niet gekleed in den bijna afwezigen tooi van Dajaksch
bruidmeisje stond voor hem.
„Eh bien, vogue la galère!” brulde de Waal in vervoering, terwijl hij
andermaal het lieve kind in de armen sloot en het verbond met een kus
bezegelde.
Onder al die feestelijkheden en bedrijvigheden was het middernacht
geworden. Toen de maan in het zenith stond, grepen de Balians de
stukken rottan, die zij voor Dohong en Hamadoe hadden neergelegd,
ontdeden ze van het omhulsel van deeg, maten ze, waarna de verklaring
werd afgelegd, dat beide stukken iets langer geworden waren. Dat was
een gunstig teeken. Het gebezigde deeg werd nu behandeld. Het stofgoud
moest er uitgewasschen worden. Bij naweging werd ook dat bevonden
vermeerderd te zijn en nu kwam aan de vreugde geen eind; want het
bewijs was geleverd, dat de invocatie der priesteressen krachtdadig was
geweest. De machtige Radja balawang boelau had toch zijn hulp toegezegd
en konden de verloofden in hun toekomstigen huwelijken staat op veel
heil en voorspoed rekenen. Ieder hunner moest dat stukje rottan,
waardoor de bovenaardsche gunst zich geopenbaard had, bij zich steken
en steeds bewaren. Harimaoung Boekit nam op zich, van het gebruikte
stofgoud, waarin zich ook de hemelsche scheppingskracht zoo
wonderbaarlijk getoond had, natuurlijk onder toevoeging van het
ontbrekende metaal, twee ringen te laten vervaardigen, die beide
partijen steeds dragen zouden. Het Poenanhoofd betaalde daarenboven de
Balians vorstelijk voor haar priesterlijke tusschenkomst en daarmede
was de plechtigheid van het blako ontong ten einde.
Maar daarom de feestvreugde niet. Toeak met gebak werd ook na de
godsdienstige plechtigheid in overvloed aangeboden en de gulste
vrijgevigheid heerschte den geheelen nacht. Allen zonder onderscheid
dronken een gezonde teug zonder tot onmatigheid over te slaan. Men was
en bleef slechts vroolijk en men onderhield die vroolijkheid op gepaste
wijze. Zelfs de Waal, die, nadat hij met zijn tulband ook den Profeet
met zijn geheele leer naar den drommel gezonden had, zich van allen
geestelijken dwang ontslagen achtte, hield onder het toezicht van
Schlickeisen de matigheid in het oog en nam niet dan met diens
toestemming een lekkere teug uit de poezele hand zijner uitverkorene
aan.
De dageraad begon in het Oosten te gloren, toen de lofzangen der
Balians nog weerklonken. Eerst hadden zij loftuitingen op bruid en
bruidegom geïmproviseerd, daarna op haar bloedverwanten en zijn
vrienden, waarbij de ex-Sjech en de lieve Moendoet niet vergeten werden
en eindelijk ook op het Poenanhoofd en het kottahoofd. Wie weet met
wiens lof zij geëindigd zouden zijn; zij werden evenwel door een paar
geweerschoten gestoord, die aan het feest een einde maakten en de
mannelijke bevolking naar de borstwering deden spoeden.
Ziehier wat aanleiding tot die schoten gegeven had.
Johannes en Schlickeisen hadden zich gedurende het feest meermalen naar
de geschutstellingen begeven om de waakzaamheid der schildwachten
gaande en zelf het oog te houden op hetgeen buiten voorviel. Het begon
eventjes te dagen, toen zij, andermaal op den uitkijk staande, aan den
rand van het woud eenige beweging ontwaarden, die hun verdacht
voorkwam. Zij zagen namelijk eenige mannen, waaronder zij bij den
schemer aan zijn uniform den luitenant meenden te herkennen, elkander
de hand drukken, waarna een hunner op de kotta afkwam en de anderen
zich in den boschrand terugtrokken. Om geen noodeloos alarm te maken,
sprong Johannes van het banket af en ging Harimaoung Boekit halen, om
met hen uit te kijken. Zij zouden zich dan niet vergissen kunnen of het
vriend of vijand was, die daar naderde. Nauwelijks was dan ook het
Poenanhoofd op het banket der borstwering of hij deed zijnen
medeschildwachten opmerken, dat het de Tomonggong van Kwala Kapoeas
was.
„Ge moet hem geen leed doen,” sprak hij, „hij is een oud vriend van
mij.”
„Neen,” antwoordde Johannes, „hem zal geen leed geschieden; hij is een
te braaf oud man. Maar hij mag niet in de kotta toegelaten worden.
Spreek gij hem toe, Amai; maar denk aan de galg, die de blanken u
toegezegd hebben.”
De Poenan lachte verachtelijk.
De oude Nikodemus naderde intusschen geheel onbezorgd. Hij hield in de
rechterhand een kleine Hollandsche vlag aan een kort stokje, in de
linker een fraaien wandelstok van rottan met zwaren gouden knop, waarop
het Nederlandsche wapen prijkte. Toen hij tot omstreeks honderd pas van
de versterking genaderd was, zag hij plotseling een hoofd boven de
borstwering verschijnen en hoorde hij een stem zich toeroepen:
„Sabèh Amai Tomonggong! Narei gawim ikau kantoh?” (Zijt gegroet, vader
Tomonggong! wat komt gij hier doen?).
Verschrikt van die stem, die hij zich meende te herinneren meer gehoord
te hebben, keek hij scherp toe en ontzetting teekende zich op zijn
wezenstrekken, toen hij het lachende gelaat van Harimaoung Boekit
herkende. Het gevreesde Poenanhoofd te kotta Djankang! Wat kwam die
daar doen? Dat ging het begrip van den ouden man te boven. Zou dan toch
de luitenant gelijk hebben, dat in de bovenlanden de een of andere
aanslag gebroed had? Hij was zoo verbijsterd, dat hij vergat antwoord
te geven op de hem gedane vraag. Hij stond daar aan een standbeeld
gelijk. Plotseling knalden twee geweerschoten, die, met onberispelijke
kunstvaardigheid afgegeven, hem de vlag uit de eene en zijn
waardigheidsstok uit de andere hand sloegen. Zoowel Johannes als
Schlickeisen hadden bewijzen van hun schutterskunst gegeven; zij hadden
den ouden man niet willen deren, maar slechts schrik willen aanjagen.
Dat was hun meesterlijk gelukt. De ontstelde Dajak, meenende dat het op
zijn leven gemunt was, sloeg bijkans achterover van schrik. Een
oogenblik stond hij als wezenloos; hij zocht met de oogen naar de
stukken van zijn verbrijzelden stok, die hem dierbaar was, omdat hij
dien als tevredenheidsbetuiging van het Nederlandsche bestuur erlangd
had, Maar toen hem de stem van Harimaoung Boekit in de ooren krijschte:
„Amai, oendoer goeloengoeloeng!” (vader, maak dat je weg komt), toen
maakte hij beenen. De beide Europeanen gaven hem nog een paar schoten
met los kruit achterna en bespoedigden zoo zijn vlucht.
„Daar heb je ’t gedonder in de glazen!” vloog de luitenant op, toen hij
de eerste schoten vernam, „een paar van die rakkers zullen op post
gestaan hebben en met hun zeker schot hebben ze voorzeker dien armen
Tomonggong geveld. Had ik hem toch maar niet laten gaan!”
De laatste verzuchting was ter nauwernood geslaakt en Tomonggong Patti
Singa Djaja had nog geen tijd gehad ook zijn meening te uiten, toen de
reeds dood gewaande verscheen. Hevig ontsteld en ademloos van het
loopen, liet het oude hoofd zich op een boomstronk neervallen en was in
de eerste oogenblikken in volslagen onmogelijkheid een enkel woord uit
te brengen. Een teug brandewijn met water uit des luitenants veldflesch
bracht het kloppende hart eenigszins tot bedaren. Eindelijk na veel
zuchten en hijgen ontsnapte hem als in wanhoop:
„Jèi! Amai olo Poenan hetèh!” (O wee! het opperhoofd der Poenans is
er.)
Bij het vernemen dier woorden teekenden angst en schrik zich op het
gelaat van den Tomonggong van Kwala Hiang, terwijl de officier van dien
uitroep weinig of niets begreep. Het kostte nog al moeite en geduld om
Nikodemus verder tot bedaren te brengen en tot het verhalen zijner
wederwaardigheden te bewegen. Toen hij eindelijk aan het verlangen
zijner toehoorders voldaan had, sprak hij als zijn oordeel uit:
„Onze toestand, Heer! is nu uiterst zorgelijk geworden.”
„Hoe dat zoo, Tomonggong?”
„De Poenans zijn zeer ondernemende kerels en het verwondert mij
uitermate, dat de nacht ongestoord is voorbijgegaan. Voor het uitvoeren
van nachtelijke overvallen hebben zij huns gelijken niet.”
„Och Tomonggong! dat zal zoo’n vaart niet loopen,” was de meening van
den luitenant, „ik maak mij daaromtrent niet ongerust.”
„Ik wel Heer”, was het ernstige antwoord. „Dat we niet reeds een
grootere ramp te betreuren hebben, wijt ik alleen, eensdeels aan het
heldere maanlicht, waarvan de Poenans bij hun overvallen niet houden,
maar nog meer aan de feestelijkheden, die heden nacht in de kotta
gevierd zijn. We hebben toch tegen negen uur dat gebulder van de
kanonnen en gedurende den geheelen nacht door het gegil der Balians
gehoord.”
„Nu, Tomonggong,” viel de luitenant lachende in, „uw landslieden zijn
feestvierders van professie, daar kunnen alle studenten van welke
universiteit ook een puntje aan zuigen. Ze zijn nu eenmaal bij
elkander, en zullen gedurende den volgenden nacht ook wel aan het
fuiven gaan. En me dunkt, dat dan de gelegenheid schoon zal zijn om een
ernstigen aanslag op de kotta te wagen.”
De oude Nikodemus schudde weemoedig het hoofd.
„Als ze ons maar niet voor zullen zijn!” riep hij uit. „Ik vrees dat ze
zoo ongestoord geen tweeden nacht voorbij zullen laten gaan. Maar....
maar Heer, al zou het zoo zijn als ge denkt, dat ze weer feest zullen
vieren, dan moogt ge toch niet aannemen, dat ze den omtrek onbespied
zullen laten. Mijn landslieden zijn wel onbezonnen en handelen wel eens
ondoordacht, maar zulke groote kinderen zijn het niet. Het zal in den
aanstaanden nacht volle maan en derhalve bijna zoo licht als overdag
zijn. Er zal niet aan gedacht kunnen worden, de kotta ongemerkt binnen
te dringen.”
„We kunnen het in ieder geval beproeven. Wie weet hoe het geluk ons
dient. Heden avond kan een onweersbui opkomen; in dit seizoen zou dat
niet onmogelijk zijn en juist is het gedurende deze laatste dagen
buitengewoon warm geweest. ’t Zou me niet verwonderen, als we heden
avond betrokken lucht hadden. En... zeg eens Andingkoe! zou dan de kans
niet schoon zijn om het Nederlandsche Gouvernement nieuwe redenen tot
dankbaarheid te geven?”
Voor een oogenblik vloog een glimlach met veel bitterheid doortrokken,
over het gelaat van den braven Nikodemus; maar ook slechts voor een
oogenblik, want terstond daarna vertoonde hij zich weer hoogst ernstig
en verviel hij in nog grootere droefgeestige stemming.
Wat ging er om in dat oogenblik in de ziel van dien grijsaard? O! het
was onhandig van den officier, dien man aan de dankbaarheid van het
Nederlandsche Gouvernement te herinneren. Zou dien eenvoudigen Dajak
zijn afgelegde levensloopbaan, geheel aan den dienst van dat
Gouvernement gewijd, voor den geest gezweefd hebben? Zou hij zich
herinnerd hebben, dat hij altijd, maar vooral gedurende de laatste
jaren, die jaren van den meest hardnekkigen oorlog, die Borneo ooit
beroerde, de stiptste trouw aan dat Gouvernement had betracht? Klonken
hem de verleidelijke aanbiedingen nog niet in de ooren, door Pangerang
Antassari in persoon, door de Pembekels Djalil en Soelil namens den
Rijksbestierder Pangerang Hidajat Oellah gedaan, indien hij tot de
partij des opstands zou willen toetreden? Stelde hij tegenover die
vorstelijke aanbiedingen de povere dertig gulden, die hem zonder meer
door dat Gouvernement maandelijks werden toegeteld om in de behoeften
van zijn talrijk huisgezin uitsluitend te voorzien, daar hem het
uitoefenen van handel of nijverheid door zijn benoeming tot
districtshoofd verboden was? Of dacht de onnoozele Dajak dat alles zoo
niet in bijzonderheden na en zweefde het hem maar onbestemd bij het
hooren van dat woord dankbaarheid voor den geest?
Met een blik op het hoogst ernstige gelaat zag de luitenant in, welke
teedere snaar hij aangeroerd had. Hij, meer dan iemand anders, kon
beseffen hoe verregaand ondankbaar dat trouwe hoofd behandeld was. Hij
wist, en wel degelijk, omdat alles van hem uitgegaan was, hoeveel
schrijvens, welke beroepen op mildheid het gekost had, hoe vaak hij had
moeten herinneren, dat vele levens van Europeanen verloren zouden zijn
gegaan, wanneer Nikodemus tot de zaak der onafhankelijkheid zijns volks
ware toegetreden, om den trouwen dienaar die luttele twaalf
rijksdaalders te bezorgen, die zijn ganschen rijkdom uitmaakten. Hij
herinnerde zich de vele beslommeringen, die hij zich had moeten
getroosten om den braven Tomonggong een ander blijk van de Hooge
Regeering te bezorgen, toen het gouden uurwerk, dat hij zich voor zijne
trouwe diensten en zijn onbezweken geestkracht bij de wetenschappelijke
reis van Dr. Schwaner, dien hij dwars door geheel Borneo vergezelde,
verworven had, bij het zinken van het stoomschip Tjipannas, bij Poeloe
Naning [95] verloren was gegaan. De officier herinnerde zich nog den
bitteren glimlach, die zijn eigene lippen verachtelijk deed krullen,
toen hem eindelijk dat blijk in handen kwam en dit niets anders was dan
een sabel, wel is waar met zwaar verguld gevest en scheede, maar in het
oog van den inlander, vooral voor den bewoner van het goudland, juist
door zijn verguldsel, dat als armzalige nabootsing van het edele metaal
veracht wordt, geheel zonder waarde was. Eenmaal op dien weg der
herinneringen kon de officier niet uit het hoofd bannen, dat hij zich,
op verzoek van den ouden man, alle moeite gegeven had diens zoon,
Radhen Karsa Nagara, naar Java gezonden te krijgen, ten einde daar bij
een der hoofden in het binnenland het landelijk stelsel en de werking
van het inlandsch bestuur van nabij te beschouwen; dat die jongeling
eindelijk na veel geschrijf, bij den Regent van Samarang, een der
rijkste Javaansche hoofden, geplaatst werd, maar dat hem een zoo
schamel traktement toegelegd werd, dat hij na weinige maanden
genoodzaakt was, door gebrek en armoede vernederd en verbitterd naar
Borneo terug te keeren.
Nogmaals, het was onhandig geweest aan die dankbaarheid te herinneren.
Lang liet de oude Tomonggong op zijn antwoord wachten en de luitenant
miste den moed het stilzwijgen te verbreken. Eindelijk hernam het hoofd
met een zucht:
„Het zal niet gaan, Heer! Onze wil moge goed zijn, het zou niets dan
noodeloos bloedvergieten veroorzaken.”
„Laten we geen overhaast besluit nemen, Tomonggong; wie weet wat het
toeval ons nog aan de hand doet. We moeten onze menschen steeds bij de
hand hebben om terstond de omstandigheden, die zich voor mochten doen,
te kunnen benutten.”
„Als onze menschen vernemen, dat Harimaoung Boekit met zijn Poenans in
de kotta is, dan zullen ze niet te bewegen zijn haar aan te vallen. Ik
vrees zelfs dat zij dan wegloopen zullen.”
„Ik ook,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja.
„Maar wat doet dat Poenanhoofd te kotta Djankang?” vroeg de luitenant.
„Ik weet het niet, Heer; mijn verstand staat er stil voor. Kon ik Amai
Kotong maar te spreken krijgen.”
„Maar bij uw tocht naar de kotta, hebt ge toen geen Europeanen gezien?”
„Neen Heer, ik heb alleen het lachende gezicht van Harimaoung Boekit
ontwaard.”
„Wie heeft er op u geschoten?”
„Dat weet ik niet; zij die schoten stonden achter de palissaden, hunne
geweren staken door schietgaten. Er is slecht geschoten, want anders
had men mij op dien korten afstand wel getroffen.”
De luitenant glimlachte.
„Er is prachtig geschoten, Tomonggong, geloof me,” verzekerde hij. „’t
Zijn voorzeker de twee Zwitsers geweest, die vuur gaven. Ze hebben u
niet willen dooden.”
„Dat Hatallah hen dan zegene!”
„Amen,” lachte de officier.
Er werd verder besloten de aanwezigheid van den geduchten koppensneller
in de kotta stipt geheim te houden en de versterking zoo dicht in te
sluiten als maar mogelijk was. Wellicht was de proviand daar binnen
niet ruim; gebrek zoude de bezetting tot onderhandelen kunnen nopen en
zoo tot het doel voeren, waar open strijd ongeraden scheen.
Na die poging van Tomonggong Nikodemus gingen een tweetal dagen en
nachten in ongestoorde rust voorbij. Des luitenants verwachtingen, dat
de lucht betrekken zoude en zoo uitzicht geven op de mogelijkheid eener
overrompeling, werden niet verwezenlijkt. De maan steeg iederen avond
helder boven den boschrand op en overgoot alles met haar zacht maar
helder wit licht. Niets kon binnen een kring van tweehonderd meter
straal rondom de versterking gebeuren, zonder dat zulks door de
belegerden ontwaard werd. Het ware volslagen zinneloosheid geweest
onder zulke omstandigheden een aanval te beproeven. Maar van den
anderen kant beveiligde datzelfde maanlicht ook de belegeraars voor de
aanslagen der Poenans en niet onduidelijk gaf Harimaoung Boekit te
kennen, dat hij naar een nachtelijke onweersbui haakte, om eens
afrekening te houden met hen, die hij nog steeds vermeende er op uit te
zijn hem te vangen.
Kort na het intreden van den derden nacht—het was toen vrij donker,
daar de maan eerst tegen half acht uur boven den gezichteinder zoude
verschijnen—kwam een der schildwachten Johannes waarschuwen, die met
Amai Kotong, Dalim en Harimaoung Boekit zat te kouten, dat bovenstrooms
op de rivier een groot vormloos ding zichtbaar werd, dat langzaam voor
den stroom afzakte. Allen sprongen in allerijl op, grepen hun wapenen
en spoedden zich naar den rivierkant om te zien wat er gaande was. En
werkelijk, op ongeveer een driehonderd meter afstands, kon men een
voorwerp ontwaren, dat langzaam naderde. Het was veel te groot voor een
prauw; het was geen vlot, daartoe was het te onregelmatig van vorm. Het
geleek meer een drijvend eiland en, ware men in de benedenstreken, waar
die eilanden, uit lange grassoorten, rietgewassen en schilf bestaande,
in den vollen regentijd niet zeldzaam heeten, dan zou er de aandacht
nauwelijks op gevestigd zijn. Hier evenwel baarde het argwaan. Allen
werden zachtkens onder de wapens geroepen, het was raadzaam op alles
voorbereid te zijn. In de Dajaklanden is de oorlog in den regel niets
anders dan een afwisseling van hinderlagen, die de partijen elkander
leggen.
Terwijl men nog tuurde en beraadslaagde, weerklonk op eens aan de
achterzijde der Kotta een akelig alarmgeschreeuw, al zeer spoedig
gevolgd door een aantal geweerschoten. Van de duisternis gebruik
makende, had de luitenant zijn Dajaks tot bij de palissadeering weten
te voeren. Daar de geheele aandacht der bezetting op de rivier
gevestigd was, zou werkelijk een beklimming gelukt zijn; maar een der
vrouwen zag onverwachts een gedaante van boven de borstwering naar
beneden springen. Zij had een hakmes in de hand, waarmede zij bezig was
hout te kloven. Nog vóór dat de indringer van zijn verdooving, door den
hoogen sprong veroorzaakt, bekomen was en zich verweren kon, had zij
hem eenige hakken over hoofd en armen toegediend, zoodanig dat hij
weldra weerloos in zijn bloed lag te wentelen. Op het geschreeuw der
vrouw schoten eenigen der bezetting toe. Een tweede, een derde, een
vierde aanvaller, die boven de palissadeering verschenen, maakten
kennis met de mandauws der Poenans en tuimelden zwaar gekwetst naar
beneden in de scherpe randjoe’s, die aan den voet der borstwering
geplant waren. De twee Zwitsers en La Cueille, met hun geweren in de
hand, waren nagenoeg gelijktijdig met de Poenans op het banket
verschenen en openden dadelijk een hevig vuur, hoewel zij in het donker
weinig bespeurden.
Na dat vuur een poos onderhouden te hebben, begrepen zij uit het gegil
en geschreeuw, hetwelk heel in de verte vernomen werd, dat het
onmiddellijk gevaar geweken was, en staakten zij het schieten. Bij
onderzoek vond men een lijk binnen de versterking en vier zwaar
gekwetsten daar buiten. Het was onmogelijk de Poenans in hun eerste
opwelling van toorn te weerhouden die ongelukkigen te snellen. Trouwens
in het donker en bij de niet geringe verwarring en ontsteltenis, die
vooral bij de vrouwen nog steeds heerschten, dacht daar ook niemand
aan. Het duurde dan ook niet lang, of de drie Europeanen zagen de
Poenans een houtvuur op het binnenplein der kotta ontsteken en toen de
vlammen hoog opflikkerden, dansten die wilden er om heen met de
gesnelde koppen in de hand en zwaaiden daarmede, dat het nog gutsende
bloed allerwege rondspatte. Vooral was Harimaoung Boekit uitgelaten;
hij was de eerste naar buiten gestormd om de kermende gekwetsten af te
maken. Nu sprong hij als een bezetene, gilde tusschenbeide zijn: lēēēēh
lèlèlèlè ouiit! wierp van tijd tot tijd zijn hoofd in den nek en liet
het nog warme bloed van den kop, dien hij in de hand hield, in den mond
loopen.
„Zij hebben den koppensneller nog niet!” krijschte hij met juichende
stem.
Weldra was bijna de geheele bezetting van kotta Djankang in den echten
duivelendans opgenomen en gingen de koppen van hand tot hand, opdat
ieder een teugje van het lekkere roode vocht zoude kunnen opslurpen.
Toen het bloed ophield te stroomen, zogen de onverlaten aan de
halstronken, zoo lekker was het.
Ontzet wendden de drie Europeanen zich van dat walglijke tooneel af en
zochten Johannes op. Waar zat die inmiddels? vroegen zij zich af.
Zoodra deze dat gillen vernomen en de daarop gevolgde schoten had
hooren knallen, was hij naar dien kant heen gevlogen; maar toen hij
zag, dat ieder op zijn post was, de geheele mannelijke bevolking zich
gewapend had, ja, de vrouwen den mandauw gegrepen en zijn makkers de
leiding der verdediging op zich genomen hadden, spoedde hij zich met
Dalim weer naar den rivierkant. Want hij wantrouwde in hooge mate dat
drijvende eiland, vooral omdat het verschijnen daarvan zoo zonderling
samenviel met den aanval op de achterzijde der kotta. Hij verzamelde
fluks eenige strijders om zich en begaf zich daarmede buiten de
versterking om op het riviertalud post te vatten. Het vormlooze
geraamte kwam al nader en nader, wel niet zoo snel als bij den sterken
stroom verwacht kon worden, want nu eens dreef het tegen den kant en
haakte aan takken van boomen en struiken vast, dan weer geraakte het
bij de eene of andere bocht in een tegenstroom of in een draaikolk,
waardoor het of op zijn schreden scheen terug te keeren of als een
monstertol ronddraaide.
Het geduld van Johannes werd wel op de proef gesteld. De maan begon
boven den boschrand tegenover de versterking te verschijnen, en alles
in haar zacht licht te hullen. Eindelijk kwam het eiland weer in het
bed der rivier terecht en dreef nu recht voor den stroom af.
Hoe dichter het kwam, hoe duidelijker het werd, dat de massa uit versch
gekapte takken, met lang gras in een gestrengeld, gevormd was. Hoewel
de stroom naar de overzijde zette, wendde het eiland blijkbaar naar den
kant der kotta toe, alsof het door een menschenhand bestuurd werd. Nog
was de drijvende massa den kring, door de versterking beheerscht, niet
binnengetreden en dus nog altijd onder het lommer des wouds, toen van
uit de struiken ettelijke schoten er op gelost werden. Het waren de
luitenant en de beide Tomonggong’s, die op hun beurt het drijvende
gevaarte met wantrouwen gadesloegen en bij het voorbij varen er eenige
kogels doorjoegen. Doch niets verroerde zich, het eiland bleef stil
voor den stroom afdrijven.
Toen het den kring binnen trad, door het schoonkappen van het woud
rondom de versterking gevormd, kwam het in het volle maanlicht.
Johannes meende toen eenige beweging te zien achter die vlottende
massa; hij bracht reeds zijn geweer aan den schouder, toen een stem
over de watervlakte weerklonk.