XIX.

Discussie.—Wienersdorf onbillijk.—Een pleidooi voor een Dajaksch

huwelijk.—Wienersdorf laat zich overreden Hamadoe te trouwen.—Een

afgezant met een brief.—De kunst om officieele stukken voor te

lezen.—Antwoord aan den afgezant.—Onverdiend verwijt.—Het pakje aan

zijn adres.

Toen Johannes zijn makkers weer opgezocht had, kreeg hij het dadelijk

te kwaad met Wienersdorf, die van een Dajaksch huwelijk niets weten

wilde.

„Ik heb je voor een oogenblik voor krankzinnig aangezien;” beet de

Zwitser hem toe, „mij te willen laten trouwen, zou gelijk staan met mij

in dit mooie land te willen houden.”

„Laten we van het land geen kwaad spreken,” hernam de toegesprokene,

die altijd ietwat korzelig werd, wanneer hij een verdachte loftuiting

op Indië of op een der onderdeden daarvan vernam. „Maar wat ben je nog

onnoozel, je spreekt alsof de echtscheiding uiterst moeielijk bij de

Dajaks zou zijn. Het scheiden gaat nog makkelijker dan het trouwen,

althans de formaliteiten zijn oneindig minder. Ieder gaat zijns weegs

en daarmee uit.”

„En daarmee uit! ha, ha!” grinnikte de Zwitser bitter. „En dan zoo’n

ongelukkige verstooten, ’t is zeer gemakkelijk, niet waar? Maar ’t is

fraai, dat moet ik zeggen. Ik heb nimmer gedacht, dat jij zoo’n

gewetenlooze knaap waart.”

„Nu nog mooier!” barstte Johannes hevig verontwaardigd los. „Ik span

alle krachten in, om ons aller gebeente ongeschonden en kompleet ter

gewilder plaatse te brengen; ik beijver mij om alle gepleegde domheden

goed te maken, om alle noodlottige gevolgen weg te nemen van een dwaze

en ziekelijke philanthropie—dwaas en ziekelijk althans in de gegeven

omstandigheden.—Mijnheer wordt als bij tooverslag een engel van een

meisje in de armen geworpen, en..... omdat ik dat lieftallig wezen voor

hem aangenomen heb, niet—hij weet zulks zeer goed—om mijnheers

verliefde grillen te dienen, maar om een bloedbad te voorkomen en de

sporen van vroegere domme streken uit te wisschen, weet zijn

dankbaarheid niets beters te verzinnen dan mij voor een gewetenloozen

knaap uit te schelden. Laat het je van een Sienjo gezegd zijn,” zoo

ging hij met klimmenden hartstocht voort, „jullie Europeanen van het

tegenwoordige geslacht zijt in het algemeen niet alleen de

ondankbaarste honden, maar ook door je zoo hoog opgevijzelde beginselen

de meest onpraktische tweevoeters, die op aarde loopen. Ik ben

overtuigd, dat de Schepper zich soms over het getob, gewriemel, gezanik

en gezeur van dat blanke ras hartelijk schaamt.”

Johannes was verrukkelijk schoon in zijn verontwaardiging. Zijn oogen

schitterden van onbedwongen vuur, zijn neusvleugels trilden, de aderen

lagen strak en gezwollen op zijn voorhoofd.

Schlickeisen trad bemiddelend op.

„Je neemt het woord, straks onzen makker ontvallen, te hoog op. Hij

heeft dat zóó niet gemeend. Is dat niet zoo?”

„Voorzeker is mij dat woord ontvallen,” beaamde Wienersdorf ernstig,

„en gaarne neem ik het terug. Ik heb mij driftig gemaakt, toen ik onzen

vriend zoo kalm over trouwen en scheiden hoorde redeneeren, alsof hij

het over de wufste zaak der wereld had.”

„’k Heb je slechts te woord gestaan, toen je in dat huwelijk alleen een

gedwongen verblijf op dit eiland zaagt. Ik heb dat antwoord niet

gegeven, om met ernstige onderwerpen te gekscheren; maar wel om je aan

te duiden, dat we ons te voegen hebben naar de omstandigheden, die we

onmachtig zijn te beheerschen. Dat niet meegaan met de meening van

anderen, dat verachten van anderer zeden en gebruiken moest jullie

Europeanen wat achterwege laten; ’t zou je wat beminnelijker, althans

minder onbillijk in je oordeelvellingen maken. Bevind ik mij te midden

van blanken, dan zal ik hun denkbeelden, in het onderwerpelijk geval

over huwelijk en echtscheiding stipt eerbiedigen, maar ben ik tusschen

Javanen of andere volkstammen in dezen archipel, dan huldig ik hun

gebruiken en wacht me wel aanstoot te geven, door het air aan te nemen

die gebruiken te minachten.”

„Maar, met je verlof, dat doe ik ook. Ik eerbiedig ten volle den

Dajakschen adat en nimmer zal iemand van deze streken een woord uit

mijn mond vernemen, dat hem den aanstoot kan geven, waarop gij doelt.

De bevolking hier en elders kan trouwen en scheiden onder elkander,

zooveel zij slechts verlangen; ik zal er nimmer iets tegen in te

brengen hebben. Maar men moet mij buiten het spel laten. Men wil mij

uithuwelijken, en hoe schoon ook het meisje is, dat men mij toedenkt,

daartegen moet ik opkomen.”

„Aux innocents les mains pleines,” bromde La Cueille in zijn baard, „’k

Wou dat ik in de plaats van dien Zwitser was.”

„En toch zal je aan de gedachte van dat huwelijk moeten gewend raken,”

antwoordde Johannes, zonder op het gemompel van den Waal te letten.

„Nimmer!” sprak Wienersdorf met beslissende stem.

„Redeneer nu verstandig.”

„Daar komt geen redeneeren bij te pas. ’k Wil geen vrouw trouwen met de

stellige wetenschap haar binnen kort te moeten verstooten.”

„Maar luister dan toch! Zooals de zaken staan, is dat huwelijk niet te

vermijden. Je hebt reeds bij het verzoeningsfeest het Poenanhoofd wreed

gekrenkt; toen reeds waren de mandauw’s half uit de scheeden. Wacht je

nu wel de aangeboden hand zijner zuster te weigeren; want dat zou

bloedig gewroken worden. En.... ik herhaal, wat ik bij een vroegere

gelegenheid in het midden bracht, hecht jij geen waarde aan het leven,

bedenk dan toch, dat ons aller bestaan er mede gemoeid is niet alleen,

maar dat bij den strijd, die ontstaan zal, nog velen zullen vallen.

Moet ik je nogmaals aan het verstand brengen, dat we ons niet als

vreesachtige vrouwen zullen laten afmaken? Is het nu geen ziekelijke

weekhartigheid, om der lieve Hamadoe alleen het wreede eener te

voorziene scheiding te besparen, twintig wellicht dertig menschenlevens

te offeren?”

„Is dat geen overdreven voorstelling? Zal de Poenan die weigering zoo

ernstig opnemen?” sprak Wienersdorf weifelend.

„Kunt ge daaraan nog twijfelen? Heb je dan niet opgemerkt, dat je

houding bij het slachten van die pandelinge hem reeds tot het vermoeden

bracht, dat je geen prijs op zijn vriendschap steldet? Hoe zal hij nu

het versmaden van de hand zijner zuster, die hij u zoo hartelijk

aangeboden heeft, opnemen? Maar kom, ik zal zoo op mijn stuk niet

blijven staan. Veronderstel maar eens, dat ik een overdreven

voorstelling gaf, en dat Harimaoung Boekit die weigering niet zoo hoog

op zal nemen. Dan zal zij toch in ieder geval een verkoeling te weeg

brengen, die van vijandschap niet veel zal verschillen. De Poenan zal

bij de eerste de beste gelegenheid zich met zijn volgelingen

terugtrekken en ons aan ons lot overlaten.”

„En wel, wat zou dat?” vroeg Wienersdorf uittartend.

„Wat dat zou?” was de verbaasde wedervraag.

„Ja zeker, wat zou dat?”

„Wat dat zou? Je bent erg onbevattelijk. Wat dat zou? Eenvoudig dat we

dan ook niet meer op de hulp van de bewoners van kotta Djankang hebben

te rekenen. Je schijnt vergeten te hebben, dat het Harimaoung Boekit

is, die ons dit toevluchtsoord ten geschikten tijd geopend heeft. Gaat

de Poenan heen, dan blijft een verzoening tusschen de bezetting van

kotta Djankang met hare stamgenooten, die ons thans belegeren, niet

uit; en artikel één van de voorwaarde tot die verzoening zal de

luitenant wel stellen en zal luiden: „de deserteurs moeten in mijn

handen overgeleverd worden.” Zie, dat is het lot wat ons bij weigering

van dat huwelijk in het gunstigste geval beschoren zal zijn.”

„’t Is om tot wanhoop te vervallen,” zuchtte de Zwitser.

„O! ik ben er nog niet,” ging Johannes onverbiddelijk voort. „Een ander

geval kan zich voordoen, namelijk, dat men tengevolge van die weigering

ontdekt, dat we blanken zijn. De wetenschap zal dan niet lang

uitblijven, dat we van de Hollanders weggeloopen zijn. Houd dan je kop

maar klaar; die is hier in deze streken den eenen broeder den anderen

4000 gulden waard. Spoedig zullen we dan gesneld zijn en zullen

wellicht onze grijnzende bekkeneelen als hulde van den een of anderen

dapperen aan de voeten dierzelfde lieve Hamadoe rollen, die ons nu

redden kan.”

„Nom d’un chien!” zuchtte de Waal, terwijl hij zijn hoofd met beide

handen vasthield, alsof hij bang was, het reeds te zien rollen.

„Schei uit!” riep Wienersdorf, „je maakt me radeloos, tot wat een

uiterste ben ik gekomen?!”

„Tot het uiterste om een allerliefste mooie meid te moeten trouwen,

gelukkige vent!” grinnikte de Waal.

„Luister verder,” ging Johannes vastberaden als het noodlot voort.

„Luister verder. Overweeg tegenover die drie gevallen, waarvan één

zeker moet geschieden, wanneer je bij je weigering blijft volharden,

wat de gevolgen van een ongestoorde voltrekking van dat huwelijk zullen

zijn. De toegenegenheid, die Harimaoung Boekit jegens zijn redder

koestert, zal nog toenemen. Je zult tot zijn maagschap behooren en we

zullen in hem een vertrouwden bondgenoot hebben. Op een gegeven

oogenblik zal de luitenant het beleg van kotta Djankang opbreken, omdat

hij zal inzien, dat de sterkte met de middelen, die hem ten dienste

staan, niet te bedwingen is. Dan zullen we met het Poenanhoofd naar het

landschap Miri trekken. Daar zullen we veilig zijn, want het

Nederlandsch-Indisch bestuur zal er tegen opzien om ten wille van ons

de stammen in de binnenlanden in beroering te brengen. Een krijgstocht

naar de soengei Miri met het doel zich van den zwager van Harimaoung

Boekit, het gevreesde opperhoofd der Poenans, meester te maken, zou

zeer groote gevolgen na zich sleepen en de Hollanders tot een

langdurigen, moeielijken en kostbaren oorlog noodzaken, die daarenboven

voor het te bereiken doel te vergeefs zoude gevoerd worden, daar we

gelegenheid te over zouden hebben om weg te komen.”

„Alles waar, maar bedenk dan toch, dat ik door dat huwelijk voor mijn

geheele leven een blok aan het been zal hebben.”

„Als je me nu niet andermaal voor gewetenloos uitscheldt, zal ik je nog

eens onder het oog brengen, dat het Dajaksche huwelijk niet

onverbreekbaar, dat de scheiding gemakkelijker dan de samenknooping is.

Wees gerust; na je huwelijk trekken we naar het landschap Miri, je

leeft daar als in Abraham’s schoot, je geniet ten volle je

wittebroodsweken en voor dat die nog ten volle voorbij zijn, hebben we

alle toebereidselen voor de verdere reis gemaakt. Op een gegeven

oogenblik neem je afscheid, je drukt je vrouw nog eens aan je borst en

gijlieden gaat van elkander als een paar goede vrienden, die geen

wolkje hun huwelijkshemel hebben zien verduisteren, die elkander niets

te verwijten hebben, maar die door het noodlot gescheiden worden.”

„Maar.... als die Hamadoe van ziel zoo edel is als zij zich bekoorlijk

van lichaam voordoet, dan zal de liefde in het spel komen en....”

„A ha! wringt dààr de schoen? Wel dan nog beter!” was het luchthartige

antwoord van Johannes, „dan gaat ze met je mee naar Zwitserland.”

„De vrouw zal hare magen verlaten, om haren man te volgen,” prevelde de

pseudo-Sjech zeer vroom.

„Naar Zwitserland!” stoof Wienersdorf op, „daar zou ik niet met haar

durven aankomen.”

„Met dat juweeltje niet? Kom laat naar je kijken. Als dat lieve kind

behoorlijk volgens Europeesche mode gekleed is, dan zijn er in geheel

Zwitserland geen vijftig dames, die met haar in het strijdperk kunnen

treden.”

„Je spreekt of je er geweest waart,” lachte Schlickeisen.

„Ik ben er niet geweest, dat is waar,” gaf Johannes ten antwoord, „maar

zooveel heb ik er toch wel over gelezen en door uwe landslieden hooren

vertellen, dat ik weet, dat het grootste gedeelte van het schoone

geslacht daar zijn naam minder verdient. Logge, dikke kreaturen met

stroogeel haar, met wangen als twee enden gemeniede rolpens,

waartusschen een kort, dik neusje in den vorm van een kaarsendompertje

zich als verloren acht, met een....”

„Hooo!! stop!! niet verder!” gierde het Schlickeisen uit, „Je maakt er

wat moois van. En uit jou mond klinkt die schildering vooral komiek.

Alsof in jou vaderland de meisjes allemaal engelengestalten en

engelenbakkesjes hebben. Het lijkt er niet naar, hoor!”

„Volmaakt toegegeven. ’k Blijf evenwel beweren, dat er, op welke plek

ook ter wereld, niet veel meisjes bij elkander gevonden zullen worden,

die de mededinging naar den palm der schoonheid met Hamadoe kunnen

ondernemen. Mocht dus de verbintenis, die onze Wienersdorf in het

belang van ons allen zal aangaan, vooral door de inborst van de

aanstaande tot een duurzame aangroeien, wat ik hem van harte toewensch,

dan zal hij zich zijn wederhelft niet hebben te schamen.”

„Och, je slaat door,” viel Wienersdorf in. „’k Doelde volstrekt niet op

haar uiterlijk, dat—ik erken het—zeer aangenaam is. ’k Doelde meer op

hare maatschappelijke ontwikkeling. Welke figuur zal Hamadoe, die van

de wereld niets anders gezien heeft dan hare bosschen en hare wilde

stamgenooten te midden der Europeesche maatschappij maken? Zal zij daar

kunnen aarden, zal zij zich daar gelukkig gevoelen?”

„De vrouw gevoelt zich steeds gelukkig in de nabijheid van den man, die

hare liefde heeft weten te verwerven!” deklameerde Schlickeisen.

„En wat het figuur maken betreft te midden der Europeesche

maatschappij,” viel Johannes in, „dat zal je eigen werk wezen. De vrouw

is in den regel wat de man van haar maakt.”

„Jullie zijt vervelend machtspreukig.”

„Daarenboven,” ging de laatste spreker voort, zonder zich aan die

uitspraak te storen, „bereiken we ons doel, dat wil zeggen, zijn we

gelukkig genoeg om dit eiland te kunnen verlaten, dan komen we zeer

waarschijnlijk te Singapore aan. Bij eenig verblijf aldaar, te midden

dier gemengde maatschappij zal een intelligente vrouw gauw op de hoogte

der westersche vormen komen, zoodat Hamadoe bij aankomst in Zwitserland

je geen schande zal aandoen.”

„Een verblijf te Singapore! je spreekt er van of we suikerlords zijn,

die een pleizierreisje maken. Onze middelen zijn helaas! zeer beperkt

en een verblijf in de leeuwenstad [88] vooral met een vrouw, die van

een wilde tot een Europeesche moet gevormd worden, zal uiterst kostbaar

zijn.”

„Kerels als wij zijn, vinden overal hun brood en in een stad als

Singapore ook nog wel een stukje kaas er bij. Laat je dat geen

muizenissen baren. ’k Heb buitendien nog een plan; wanneer dat tot

uitvoering komt, zullen we niet met ledige handen in de Engelsche

bezitting aanlanden.”

„Welk plan?” vroeg La Cueille nieuwsgierig.

„Ja, zoo leert men de boeren de kunst af,” antwoordde Johannes

lachende. „Dat plan is en blijft nog voorloopig mijn geheim.”

„Je zult zien,” verzekerde de Waal, „dat hij van ons allemaal

koppensnellers zal maken om ons later op de kermis te Singapore met de

bloedige koppen in de hand te laten zien.”

„Wel mogelijk. En bij dien troep koppensnellers zou ik een Waalschen

Sjech met een klein bamboemesje in de hand kunnen voegen, wiens aanblik

opgeld zou doen.”

Allen lachten. La Cueille mompelde een Waalschen vloek in zijn baard.

„Maar om op ons onderwerp terug te komen,” ging Johannes voort. „Hebben

nu mijne redeneeringen ingang gevonden en is het u allen nu helder, dat

dit huwelijk onvermijdelijk is? Komaan, heeft iemand nog een

tegenwerping te maken?”

Allen zwegen. Wienersdorf zuchtte diep. Een oogenblik stond hij

besluiteloos met zwoegende borst. Eindelijk stak hij zijn makkers de

hand toe en sprak met tranen in de oogen:

„Vrienden, ik geef toe; ik zal mij dat huwelijk laten welgevallen.”

„Hij geeft toe!” gilde La Cueille vol aandoening. „Mijnheer zal zich

dat huwelijk met een allerliefst meisje laten welgevallen. Allah zij

gezegend!”

Terwijl onze deserteurs zich nog zoo onderhielden, kwamen Amai Kotong

en Harimaoung Boekit hen verwittigen, dat een Dajak van Kwala Kapoeas

zich voor de poort der kotta aangemeld had, die als overbrenger van een

brief van den Toean Kommandant toegang verzocht. De beide hoofden

wenschten dienaangaande den raad der vrienden in te winnen. Zij voor

zich waren van oordeel dien man af te wijzen, omdat toch niemand der

bevolking dien brief zou kunnen lezen en zijn toelating slechts

spionneering ten doel kon hebben. Johannes verzocht Dalim hem te volgen

en beiden begaven zich buiten de poort, om te vernemen, wat die

zendeling mede te deelen kon hebben. Deze was een eenvoudige Dajak, een

volgeling van Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara en had in opdracht, den

brief, waarvan hij de drager was, aan Amai Kotong in persoon te

overhandigen. Hij weigerde dan ook aanvankelijk dat document af te

staan. Toen hem evenwel door Dalim medegedeeld werd, dat hij dan maar

weer daar heen kon terug keeren van waar hij gekomen was, dat hij het

kottahoofd niet te zien zou krijgen, veranderde hij van meening en gaf

het geschrift aan Johannes over. Nadat deze het ingezien had, verzocht

hij den zendeling buiten te blijven wachten, antwoord zou hem worden

ter hand gesteld.

De brief bevatte eenvoudig het verzoek van den luitenant om alleen met

de Tomonggongs Djaja Nagara en Patti Singa Djaja geheel ongewapend

binnen de kotta tot het houden van een mondgesprek met Amai Kotong

toegelaten te worden. Johannes glimlachte toen hij dat verzoek las.

Maar binnen de versterking gekomen, riep hij de mannelijke bezetting op

het binnenplein bij elkander, klom daar op de tadjahan en las met

luide, doordringende stem, terwijl hij ernstig op het papier keek, dat

de Kommandant van Kwala Kapoeas uit naam van den Toean Resident te

Bandjermasin gelastte Harimaoung Boekit met zijne Poenans wegens het

gebeurde te kotta Baroe uit te leveren om als onverbeterlijke

koppensnellers en moordenaars door ophanging aan een galg gestraft te

worden.

Een gehuil van woede ging bij het vernemen van die woorden onder de

verzamelde mannen op. Het Poenanhoofd klom op de tadjahan om over den

schouder van den voorlezer, de vreeselijke woorden, die hem betroffen,

met groote oogen aan te staren. Johannes liet de hartstochten zich een

oogenblik vrijelijk uiten; daarna gaf hij een teeken met de hand, om

stilte te verzoeken, daar hij nog wat mede te deelen had.

„Ik heb alles niet gelezen,” riep hij met luide stem, „hier staat nog

wat. Luistert, broeders! „Wanneer voor het invallen van den nacht, de

Poenans, die afschuwelijke moordenaars, niet overgeleverd zijn, dan

zullen de bewoners van kotta Djankang den bestraffenden arm van het

Nederlandsch-Indisch Gouvernement op zich voelen neerkomen. De kotta

zal genomen en met den grond gelijk gemaakt worden. Die grond zal

omgespit worden en de Balians (priesteressen) zullen zout in de voren

zaaien, om aan te duiden, dat de plek door Mahatara en de Sangiangs

voor altijd door alle tijden heen gevloekt zal zijn.””

Het gehuil der menigte ging in gebrul over.

Toen na veelvuldige uitingen die storm weer wat bedaard was, en

Johannes kans zag zich andermaal te doen hooren, krijschte hij:

„Luistert: „De mannen zullen allen gedood worden, als dieren zullen zij

aan de galg bengelen; de oude vrouwen en de kinderen zullen als slaven

verkocht en de maagden en jonge vrouwen onder de aanvallers verdeeld

worden!””

Nu kende de volkswoede geen grenzen meer. Ware Johannes niet spoedig

van zijn hooge stellage naar beneden gesprongen, om zich met behulp

zijner makkers voor de poort der kotta te plaatsen, dan ware de woeste

hoop naar buiten gesneld, om den afgevaardigde, die dien gruwelijken

brief overbracht, den smadelijksten dood te doen ondergaan. Nu kostte

het veel moeite, den opgewonden hoop aan het verstand te brengen, dat

die man onkundig en derhalve onschuldig was aan hetgeen die heillooze

brief bevatte.

„Neen, mannen!” riep Johannes, „we moeten die bedreiging met geen moord

beantwoorden. Het zal echter goed zijn, wanneer we toonen, dat we niet

bang zijn.”

„Ik zal naar den Toeankommandant gaan!” riep Amai Kotong, „en hem

uitleggen, dat ik onmogelijk een familielid kan uitleveren; dat zoo

iets geheel tegen onze gebruiken strijdt.”

„Jèh mangilak mandajoeng oejak akan poelau Djawa” (hij wil zout naar

het eiland Java roeien) [89], antwoordde Harimaoung Boekit bitter.

„Neen,” sprak Johannes. „Ge zoudt tegen de honigzoete tong van een

blanke niet bestand zijn. En geeft ge niet toe, dan zou men u gevangen

houden.”

„Maar wat dan?”

„Ziet hier!”

En meteen scheurde hij den brief in twee, in vier, in acht, in zestien,

in meer, in ontelbare stukken, frommelde die papiersnippers in een

pisangblad tot een pakje te zamen en bond er een touwtje omheen.

„Ziet, zóó zullen we dien kommandant zijn brief terug zenden!” riep hij

zegevierend uit.

Hij kreeg een gehuil van tevredenheid tot antwoord. Wie er mee weet om

te gaan, kan met de volksmenigte doen wat hij wil.

Weinige oogenblikken later stopte hij den zendeling het pakje

papiersnippers in de hand, met opdracht dat aan den Toean-kommandant te

geven; maar maande hem tevens aan, onder het opzetten van een paar

vervaarlijke oogen, met zulke boodschappen niet meer aan de kotta terug

te komen, daar hij anders tot fijne stukjes gehakt zoude worden. De

zendeling greep verschrikt het pakje en maakte beenen om uit die

gevaarlijke buurt te komen.

Middelerwijl zaten de beide Dajaksche hoofden Tomonggong Nikodemus

Djaja Nagara en Tomonggong Patti Singa Djaja met den luitenant op een

omgevallen boomstam onder een afdak, van wat takken en bladeren

vervaardigd, de terugkomst van hun zendeling af te wachten. De laatste

vooral scheen zeer ongeduldig. Hij trappelde met de voeten, trommelde

met de vingertoppen op zijn sabelscheede en gaf in een woord het

bewijs, dat hij zich de Oostersche terughoudendheid, die zoozeer op

koelbloedigheid gelijkt, en waardoor zijn metgezellen in hunne

deftigheid zich zoozeer onderscheidden, nog niet had eigen gemaakt.

Eindelijk met een vreeselijk lang gerekten geeuw:

„Het duurt lang, vindt ge niet?” sprak hij tot de beide hoofden.

„Het is wel niet ver,” antwoordde Tomonggong Nikodemus na een poos

bedenkens, „maar Heer, ge moet niet vergeten, dat onze zendeling eenige

voorzorgen te nemen heeft. Hij kan maar zoo niet op de kotta toeloopen;

deed hij dat, dan zou hij veel kans hebben een kogel te ontvangen.

Verder, bij aankomst zal hij nog maar zoo dadelijk niet binnen de

versterking toegelaten worden. Bij hunne beraadslagingen zijn de Dajaks

der bovenlanden vooral niet voortvarend, dat weet gij. Alles gaat

daarbij even afgemeten als kalm en bedaard. Wij hebben nog den tijd. De

zendeling kan nog niet terug zijn.”

„Maar is het werkelijk uw meening, dat die brief tot de uitkomst zal

leiden, die gij er van voorspeld hebt?”

„Ja, Heer! In het toestaan van het voorstel, om ons drieën ongewapend

in de versterking toe te laten, zullen de bewoners geen gevaar zien. En

zijn we eenmaal binnen, dan zullen we Amai Kotong wel overreden om ons

de Europeesche deserteurs uit te leveren. Dat hoofd kan onmogelijk zijn

goed en bloed, het leven zijner geheele maagschap op het spel zetten,

om die vier wegloopers te beschermen.”

„Die wegloopers moeten toch een zekeren invloed hebben, dat men ons zoo

met kanon- en geweervuur ontvangen heeft,” was de bitter geuite

bedenking van den officier.

„Veel raadselachtigs is daarin gelegen, dat beken ik. Maar wie weet wat

die sluwe blanken die domme bovenlanders hebben op de mouw gespeld.

Vergeet ook niet, Heer, dat de bevolking in deze buurt nog al

strijdlustig is. Er is weinig noodig om haar aan het vechten te

krijgen. Nogmaals, wanneer we maar met Amai Kotong kunnen praten, dan

zal alles zich wel ophelderen en dan zitten die wegloopers in de fuik

zoo mooi als het maar kan.”

„Maar zal Amai Kotong den brief kunnen lezen?”

„Neen, Heer, hij kan niet lezen; maar er zal wel iemand in de kotta

aangetroffen worden, die dat geschrift ontcijferen kan. Ik heb

daarenboven den overbrenger opgedragen vertrouwelijk met het hoofd te

spreken, hem mede te deelen, dat ik en Tomonggong Patti Singa Djaja in

uw gevolg zijn, en hem in te lichten, dat wij hoegenaamd geen

vijandelijke bedoelingen jegens hem en zijn onderhoorigen hebben en de

Heer kommandant slechts de uitlevering der weggeloopen soldaten

vraagt.”

„Opperbest! God geve dat het lukt.”

„Het zal lukken, Heer!”

„Maar wist gijlieden, dat kotta Djankang zoo zwaar bewapend is?”

„Zoo zwaar bewapend?” vroegen de Tomonggongs verwonderd.

„Ja; straks heb ik de versterking met mijn kijker zorgvuldig opgenomen

en heb toen zes kanonstukjes geteld, die in batterij staan. Verleden

jaar ben ik hier met het stoomschip Boni geweest; ge waart er toen ook

bij, Tomonggong Nikodemus; maar toen was er van kanonstukken geen

spoor, dat weet ge toch wel.”

„Zeker weet ik dat; maar Mijnheer vergeet de stukjes van Kwala Hiang;

het schijnt dat de deserteurs die medegenomen hebben.”

„’t Is zeker dat ze dat gedaan hebben,” bevestigde Tomonggong Patti

Singa Djaja, „in de asch der verbrande benting zijn die stukjes niet

teruggevonden, en gesmolten kunnen ze niet zijn.”

„Ja, maar te Kwala Hiang waren er maar twee en hier heb ik er minstens

zes geteld.”

„Dan weet ik het niet,” antwoordde Nikodemus met een zucht. „Toch

geloof ik niet, dat kotta Djankang met kwade bedoelingen tegen het

Nederlandsche Gouvernement bewapend is; want dan ware er zeker tijding

van ingekomen. Zoo iets kan in de Dajaklanden niet geheim blijven. Is

dat ook niet uw meening, Tomonggong Patti Singa Djaja?”

„Dat ben ik met Tomonggong Djaja Nagara geheel eens. Als daar iets

gebroed had, zou ik er te Kwala Hiang wel van onderricht zijn. Bijna

dagelijks kwamen daar prauwen uit de bovenlanden aan; maar nimmer heb

ik een woord vernomen, dat ook maar een vermoeden daaromtrent zou

kunnen doen rijzen. Als de Heer kommandant goed gezien heeft met zijn

kijker, dan zijn die kanonstukken naar kotta Djankang getooverd.”

„Als ik goed gezien heb? Twijfelt ge daaraan?” hernam de officier

eenigszins driftig, „zeker heb ik goed gezien. Ik heb zelfs nog meer

waargenomen dan die kanonnen. De voornaamste toegangen tot de kotta

zijn met randjoe’s beplant en door wolfskuilen ontoegankelijk gemaakt.

Onder die omstandigheden zal een bestorming hoogst moeielijk zijn. Ik

kan me niet uit het hoofd stellen, dat daar sedert lang gewerkt en nog

langer op verzet gepeinsd is. En, is dat zoo......” vervolgde hij na

eenige aarzeling en met licht trillende stem, terwijl hij de beide

hoofden strak aankeek: „dan heb ik geene redenen om tevreden te zijn

over „andingkoe isoet” (eenige mijner jongere broeders) [90]. Op zijn

zachtst uitgedrukt, zijn zij voor hun ouderen broeder terughoudend

geweest.”

Een oogenblik zaten de beide Tomonggongs sprakeloos, als vernietigd

onder die harde woorden. Beider gemoedsstemming was echter naar hun

geaardheid op hunne trekken te lezen. Het gelaat van den ouden

Nikodemus teekende droefheid en diep gevoelde smart. Bij den anderen

verwrong toorn het anders goedhartige gezicht, zijne oogen rolden woest

in hunne kassen en verrieden den geweldigen hartstocht, die in hem

bruischte en ziedde.

„Tararajap haliai!!” (dat is groote onwaarheid) gilde hij uit, terwijl

hij opsprong, alsof hij door een zweepslag getroffen was.

Maar Nikodemus greep hem bij de hand en dwong hem weer te gaan zitten,

terwijl hij hem door het gezag zijner grijze haren het zwijgen oplegde.

Eenigszins verbaasd had de luitenant dat tooneel, hetwelk slechts

weinige seconden duurde, aangestaard. Hij gevoelde, dat hij in zijn

toespraak te ver was gegaan. Een pijnlijk stilzwijgen, een stilzwegen

dat bij Oostersche volken welsprekender is dan de vurigste

ontboezeming, heerschte gedurende een paar minuten tusschen die drie

mannen. Eindelijk vatte Tomonggong Nikodemus het woord:

„Deze woorden van straks deden pijn,” sprak hij met diep bewogen stem,

„maar zij zijn niet uit het hart voortgekomen; daarvan ben ik

overtuigd. Mijnheer is nog jong en heeft zich nog niet gewend zijn

gedachten te overdenken, alvorens ze van zijn mond te laten ontglippen.

Hij vergeve een oud man, dat hij hem dat zegt. Die woorden waren

ondoordacht, want zelfs die randjoe’s, die wolfskuilen zijn nog geen

bewijzen voor het geuite vermoeden. Ik heb ze ook waargenomen, niet

door een kijker, maar met mijn oude oogen. Door het hooge gras en

achter struiken verborgen, ben ik voortgeslopen en heb bevonden, dat de

bamboe der randjoe’s nog groen, de omgewerkte grond nog vochtig en het

gras, dat de kuilen nog slechts gedeeltelijk overdekt, onverlept is.

Die randjoe’s zijn gisteren of hoogstens voorgisteren geplant en de

wolfskuilen zijn niet vroeger gestoken. Dat alles is het werk van de

laatste vier en twintig uren.”

„Ge verliest geheel de geaardheid uwer landslieden uit het oog,

Tomonggong,” sprak de luitenant eenigszins heftig, hoewel hij de

weerlegging met blijkbaar welgevallen aangehoord had. „Zoudt ge mij

willen doen gelooven, dat de lieden van kotta Djankang zooveel

geestkracht en arbeidzaamheid aan den dag gelegd zouden hebben, om in

betrekkelijk weinige uren hunne versterking zoo in staat van

verdediging te stellen?”

„Ik heb in mijn leven sterker stukken gezien. Als de nood aan den man

is, dan kunnen mijn stamgenooten veel; dat weet Mijnheer.”

„Maar waar is die nood?”

„Weet ik het? Heer.”

„Onmogelijk konden de menschen van kotta Djankang weten, dat wij komen

zouden. Ge weet het, Tomonggong Nikodemus, hoe spoedig die reis is

opgekomen.”

„Neen, daarvan konden ze niets weten. Maar Mijnheer vergeet de

deserteurs. Dat die te kotta Djankang een toevlucht gevonden hebben, is

voor mij boven allen twijfel verheven. Hoe zij zich daar ingenesteld en

de bevolking naar hun hand gezet hebben, is mij een raadsel, dat beken

ik. Maar onder hun invloed is alles tot stand gekomen, wat thans

Mijnheer’s verwondering wekt. Zij hebben dien arbeid geleid.”

De luitenant dacht een oogenblik na:

„Ja, ’t zijn stoutmoedige kerels,” mompelde hij onhoorbaar, „die tot

alles in staat zijn. O, ik heb ze nog niet.”

En zich tot de beide hoofden wendende, sprak hij, terwijl hij hun gul

en vertrouwvol de hand toestak:

„Andingkoe! (mijn jongere broeders) ge kunt gelijk hebben. Vergeeft mij

mijn woorden van straks; maar mijn hart was bitter; ik dacht toen aan

de arme kampongbewoners, die ik tegen die versterking zal moeten

aanvoeren; ik dacht aan het bloed, dat reeds gevloeid heeft, en nog

vloeien zal, tengevolge van die verwikkeling met kotta Djankang.”

Beide Tomonggongs bogen het hoofd en drukten de aangeboden hand met

warmte. De Dajak is niet haatdragend. Hij vergeeft en vergeet zeer

spoedig, wanneer men hem slechts één schrede te gemoet komt.

Het drietal zat daar nog te beraadslagen, te wikken en te wegen, toen

eindelijk, eindelijk de afgezant voor hen trad. Alle drie sprongen op.

Op aller gelaat was de grootste spanning te lezen. De bode reikte

eerbiedig het pakje, in het pisangblad gewikkeld en waarvan hij drager

was, aan den luitenant over, met de woorden:

„Djetoh Toean” (dat is voor Mijnheer).

De officier greep driftig dat pakje, ontknoopte zenuwachtig het

touwtje, ontwikkelde het pisangblad en verbleekte, toen daaruit de

papiersnippers, die hij heel goed herkende, ontsnapten en vroolijk in

den wind dwarrelden.

„En welke boodschap brengt ge mede?” vroeg hij hijgend.

„Geen andere dan deze: wanneer ik weer zoo’n brief durf te brengen, ik

in kleine stukjes gehakt zal worden. Toen ik dat hoorde, ben ik gauw

weggeloopen.”

„Wie sprak zoo tegen u?”

„Een groote lange Dajak, dien ik niet ken.”

„Hebt ge blanken gezien?”

„Neen, Heer.”

„Hebt ge Amai Kotong gesproken?” vroeg Tomonggong Nikodemus.

„Neen, men heeft me niet in de kotta toegelaten.”

„Aan wien hebt ge dan den brief afgegeven?”

„Aan Dalim, die met dien langen Dajak naar buiten kwam, om te vernemen,

wat ik wilde.”

De Tomonggongs en de luitenant wisselden een langen blik.

„Zoo, hebt ge Dalim gezien?” vroeg de officier.

„Ja, heer.”

„Ook gesproken?”

„Ja heer.”

„Waarom hebt ge dien brief aan hem afgegeven,” vroeg Nikodemus, „ik had

u zoo aanbevolen dat geschrift aan niemand anders dan aan Amai Kotong

te overhandigen?”

„Ik wilde ook eerst niet anders, dan de Tomonggong mij bevolen had;

maar toen zei Dalim, dat ik weer kon gaan van waar ik gekomen was, dat

ik niet in de kotta zou toegelaten worden en dat ik Amai Kotong niet te

zien zou krijgen. Toen eerst heb ik den brief overhandigd in de hoop,

dat, wanneer het kottahoofd bekend zou wezen met den inhoud, hij tot

mij zou komen. In plaats van Amai is die leelijke lange slungel gekomen

en heeft mij zeer bang gemaakt.”

„Dus, ge hebt niets gezien?”

„Neen, Heer, niets; maar, nadat ik den brief had afgegeven, heb ik

iemand iets als uit een boek hooren voorlezen, daarop is een vreeselijk

geschreeuw in de kotta losgebarsten. Ook bedreigingen werden uitgegild

tegen Mijnheer, tegen den Heer Resident, tegen het Gouvernement, ook

tegen mij en wel zoo, dat ik bijna van angst ben weggeloopen. Toen dat

geschreeuw wat bedaarde, kwam die lange mij dat pakje overhandigen, om

het aan Mijnheer te geven.”

Blikken van teleurstelling werden tusschen den officier en de

Tomonggongs gewisseld. Op een wenk van zijn hoofd verwijderde zich de

afgezant.

„De zaak is er niet beter op geworden,” sprak de luitenant. „Is dat ook

niet uw gevoelen?”

Beide Tomonggongs knikten zwijgend.

„Kan Dalim lezen?”

„Neen Heer,” antwoordde Nikodemus.

„’t Is duidelijk dat de inhoud van den brief aan Amai Kotong niet is

bekend gemaakt, dat men hem en de overige bezetting der kotta wat

anders heeft voorgelezen. Hoe het nu ook zij, er mag niet langer

gedraald worden. Met ieder oogenblik wordt de toestand neteliger. Zijt

ge dat ook niet van oordeel?”

„Ja, Heer,” bevestigden beide Tomonggongs.

„Dan ben ik van plan, nog heden nacht een poging te wagen om de kotta

te overrompelen. Laat me nu een oogenblik alleen, dat ik over de

uitvoering kan nadenken. Straks zal ik u mededeelen, waartoe ik

besloten heb.”

„Dat Mijnheer me nog een wijl aanhoore!” sprak Tomonggong Nikodemus

zacht. „Na het gevecht van heden namiddag valt er niet aan te denken

onze Dajaks tegen de kotta aan te voeren. Er zullen verscheidene dagen

noodig zijn om den indruk daarvan uit te wisschen. Ik smeek mijnheer

dan ook om van een overrompeling voorloopig af te zien. Bij het heldere

maanlicht zal die daarenboven al heel weinig kans van slagen hebben,

daarentegen noodeloos veel bloed doen vergieten.”

„Maar wat dan, Tomonggong?” vroeg de luitenant niet zonder

opgewondenheid.

De oude Nikodemus antwoordde niet dadelijk. Hij dacht na, zuchtte en

legde eindelijk zijn hand op den schouder van den officier.

„Luister,” sprak hij.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 57 / 77 题