XVIII.

Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche

keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee

kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal

gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche

schoone.—Huwelijksaanvraag.

Zoodra de dag aangebroken was, toog een ieder in de versterking weer

aan het werk om de maatregelen tot verdediging te voltooien. Johannes

en Wienersdorf trokken uit, ieder van een troepje Dajaks vergezeld, met

allerlei gereedschappen gewapend. Allereerst werden de prauw onzer

avonturiers en de andere vaartuigen van de kottabewoners met vereende

krachten tegen den heuvel opgehaald en onder een der gebouwen binnen de

versterking opgeborgen. Vervolgens werden de oevertaluds der rivier in

de onmiddellijke nabijheid der kotta afgegraven, ten einde een

beklimming van die zijde zoo moeielijk mogelijk te maken. Toen dat

klaar was, begon men het geheele werk met een viervoudigen kring van

wolfskuilen te omgeven. Die kuilen, waarin een aan beide einden scherp

aangepunte ijzerhouten paal geslagen was, werden met een laag lang gras

bedekt, om ze zoodoende voor het oog te verbergen en een bestorming zoo

niet onmogelijk te maken, dan toch de aanvallers tot voorzichtigheid te

nopen en hen onder het werkzame vuur der verdedigers slechts langzaam

vooruit te laten schrijden. Ter bereiking van datzelfde doel werden ook

op de voornaamste toegangen randjoe’s geplant en werden vooral de

saillanten met een breeden kring van die asperges omgeven. Randjoe’s

zijn voetangels, eenvoudige pennen van zeer hard hout vervaardigd, die

onder allerlei hellingen zoodanig in den grond geslagen worden, dat de

punten in het gras verscholen, bijna onzichtbaar zijn. Voor den

ongeschoeiden voet van den inlander zijn de randjoe’s een geducht

chicanemiddel. Op Borneo worden zij in de benedenlanden veel van

niboeng, een palmsoort, of van bamboe, in de bovenlanden uitsluitend

van ijzerhout vervaardigd. Oud ijzerhout is buitengemeen hard en laat

zich tot een naaldenspits aanpunten.

Schlickeisen en La Cueille gingen de bewapening nog eens na,

verzekerden zich van de goede werking van ieder onderdeel en stelden

zich, toen dat alles naar wensch ging, ter beschikking van hunne

makkers, die hunne Europeesche knuisten volstrekt niet versmaadden,

maar hen de schop en het pikhouweel ijverig lieten hanteeren.

Gedurende die bedrijvigheid hielden de Poenans van Harimaoung Boekit

zich onledig een paal met den „blajoeng” (een soort van dissel) glad en

keurig te bewerken, waaraan het slachtoffer zou gebonden worden. Zoo’n

paal met dat doeleinde heet „sapoendoe”. Overeind geplant, steekt hij

iets meer boven den grond uit dan een mensch lang is en is aan zijn

boveneind met een menschenhoofd versierd, dat met lang uithangende tong

gebeeldhouwd wordt. Toen die paal klaar was, werd hij midden op het

binnenplein der versterking geplant. Dat plein werd verder rein

aangeveegd en met helder wit zand bestrooid, zooals dat voor zulk een

buitengewone plechtigheid betaamde.

De vrouwen hielden zich intusschen bezig met de kokerij en hadden

daarmede de handen vol; want de plechtigheid van den verzoeningseed zou

met een groot feestmaal besloten worden. En aan dat feestmaal mocht

niets ontbreken. Volgens ’s lands gebruik waren twee buffels en vier

groote varkens geslacht en moest het vleesch en spek daarvan, met dat

van twee herten tot allerhande lekkere beten vervormd worden, zoowel

gekookt en gebraden, als gesausd en gepoft. Paalwormen waren in die

streken niet te verkrijgen, anders had die schotel niet ontbroken op

zoo’n feest; maar de slangenmootjes waren present en de zorgzame

huisvrouw zou het ontbrekende gerecht vervangen door een „bangamat”

(vliegende hond) die geheel gebraden als bij ons een speenvarken, ter

tafel zou verschijnen. Als versnapering tusschen de hoofdgerechten

zouden schoteltjes met schijfjes van „baloedoek” en balletjes van

„hambatar” en „kalisi” [75] opgebracht worden. Ook zou er veel gebak

van „kasei behas” (rijstemeel), van „hambieh” (sago) en „rahias”

(pisang) aanwezig moeten zijn; terwijl ten slotte als confituren zouden

aangeboden worden schelpen met „tangoeli” gevuld, zijnde dit jonge

bijenlarven in honig gebraden, die als een delikate lekkernij beschouwd

worden. In een woord, iedereen had het druk en onder die drukte vloden

de morgenuren heen.

Toen de zon zoo omstreeks de helft harer baan nabij was, kwam Indoe

Kotong, de vrouw van het kottahoofd, berichten, dat zij met het

feestmaal gereed was en dat de plechtigheid dus een aanvang kon nemen.

Amai Kotong verzamelde hierop de mannelijke bewoners van kotta

Djankang, zijne echtgenoot schaarde de vrouwen en meisjes om zich heen

en Harimaoung Boekit begaf zich tot onze vier deserteurs, die een

oogenblik bij elkander gezeten waren om van den verrichten arbeid uit

te rusten, en terwijl hij Wienersdorf onder den arm greep, noodigde hij

de anderen uit om de plechtigheid van den verzoeningseed bij te wonen.

De Europeanen hadden evenwel met elkander afgesproken, dat een hunner

gedurende de feestelijkheden waakzaam zoude blijven, en daartoe was La

Cueille aangewezen, die dan ook dadelijk opstond en zich naar het

geblindeerde schildwachthuisje begaf om het omliggende terrein in het

oog te houden. Wienersdorf en Harimaoung Boekit traden te midden van

een zestal jongelingen, die met sawangtakken [76] in de hand een soort

van eerewacht voor de twee helden van het feest vormden. Johannes en

Schlickeisen volgden onmiddellijk.

Op het plein der versterking aangekomen, vonden zij de mannen allen in

oorlogstooi gedoscht; maar bij deze gelegenheid het gezicht met een

„taboekah”, houten mombakkes met de gedrochtelijkste gelaatstrekken,

bedekt. Allen hadden den mandauw om het middel gegespt en de lans in de

hand en vormden rondom den offerpaal een halven kring, welks andere

helft door de vrouwen, met de Balians in de voorste rij, werd

ingenomen. Zoodra allen gerangschikt waren, begonnen de priesteressen

hare bezweringsgezangen, die zij met het geluid hunner katambong’s

begeleidden.

Dat zingen duurde totdat de zon de kortste schaduw had geworpen en die

weer begon te verlengen, dus totdat het middaguur voorbij was, waarna

bevel gegeven werd het slachtoffer voor te brengen. Het gedeelte van

den dag, tusschen twaalf en drie uur, wordt door de Dajaks „badjagi

hai” geheeten als het gelukkigste tijdperk. Alle voorname handelingen

en ondernemingen moeten in dat tijdvak begonnen of volvoerd worden.

Terwijl de arme ongelukkige uit hare kooi gehaald werd, klom een der

Balians op een daartoe expresselijk vervaardigde trap, „tadjahan”

genaamd, en zong een invocatie, ten doel hebbende om den Antang te

verzoeken een gunstig voorteeken te geven, zoowel ten opzichte der

verzoening, die plaats zou grijpen, als der gebeurtenissen, die

aanstaande waren. De Antang [77] is een valk, wiens vlucht door de

Dajaks geraadpleegd wordt en waaruit goede of kwade voorteekens

afgeleid worden.

Het was alsof de valk de aanroeping gehoord had, want de priesteres

stond nog op haar verheven stelling toen zulk een roofvogel boven den

boschrand verscheen. Het dier beschreef zijn kringen in de lucht aan de

linkerzijde der versterking. Aller oogen volgden die vlucht in

gespannen verwachting. Al draaiende klom de valk langzamerhand tot

ongeveer in het zenith, toefde daar een oogenblik, terwijl hij al

nauwer en nauwer kringen boven de versterking beschreef. Een poos

scheen hij bewegingloos vlak boven het middenpunt der kotta te staan,

toen liet hij plotseling een doordringenden schreeuw hooren en viel

meer dan hij wegvloog in de richting vanwaar hij gekomen was. Alle

aanwezige Dajaks waren diep ter neer geslagen. Aan de linkerzij

verschenen en naar die zij teruggevlogen! Een kreet als een

waarschuwing boven hunne hoofden! O! dat waren wel de ongunstigste

voorteekens, die gegeven konden worden.

Nog was die algemeene bekommering niet bedaard, toen La Cueille den

kring doorbrak, Wienersdorf en Johannes iets toefluisterde en zich

ijlings voortspoedde. Die verschijning en verdwijning van den Waal

waren zoo spoedig geschied, dat zij bij de algemeene verslagenheid niet

opgemerkt werden. Johannes gaf den Zwitsers een wenk om oplettend te

zijn.

Middelerwijl was de arme vrouw reeds den kring binnengeleid en waren

twee mannen bezig haar aan den sapoendoe te binden, en wel zoo, dat de

uithangende tong van het beeldwerk haar aangeraakt zoude hebben, indien

zij overeind gestaan had. Zij hing evenwel in hare banden meer dan zij

stond en hield het hoofd licht ter zijde gebogen. Zij was overigens

kalm en gelaten en keek den kring harer beulen vrijmoedig rond.

Toen zij vastgebonden was, trad Harimaoung Boekit op Wienersdorf toe,

bracht hem op de bloote borst een lichte snede met zijn „poeai” toe en

ving het bloed, dat uit de wonde vloot, in een glas op. Hij bracht zich

daarna ook een lichte verwonding toe, liet zijn bloed bij dat van den

Zwitser droppelen en vulde het glas verder met toeak. Vervolgens hief

hij het bloedige mengsel in de hoogte en sprak een vreeselijke

vervloeking over zichzelven uit, indien hij den broederband, dien hij

op het punt stond te bevestigen, zoude verbreken. Hij riep Mahatara, al

de Sangiangs, al de Karriouws, Pampahileps, Antoeëns enz. [78] tot

getuigen aan van zijn broederlijke genegenheid jegens den redder zijns

levens. Hij smeekte hen, hem de afgrijselijkste straffen en martelingen

te doen ondergaan, zoo hij die toegenegenheid mocht ontrouw worden, en

eindigde zijn toespraak met het glas, dat hij steeds in de hand

gehouden had, in een teug tot op de helft te ledigen, waarna hij het

Wienersdorf aanbood, die onder het prevelen van eenige onverstaanbare

woorden en van walging kokhalzende, het restantje inzwolg.

Na die plechtigheid, welke „hatoendi daha” genoemd wordt, nam het

Poenanhoofd andermaal het woord:

„Wij zijn nu broeders,” sprak hij tot den Zwitser, terwijl hij diens

hand greep en die met innige hartelijkheid schudde, „als broeder zal ik

u steeds behandelen. Maar er bestaat nog een bloedschuld tusschen ons.

Ik heb u aangevallen; ik trachtte uw aller schedels te bemachtigen; gij

weet het, schedels zijn onze rijkdom. Maar bij dien strijd is een uwer

makkers gedood, verscheidenen der mijnen zijn omgekomen en.... bloed

eischt bloed! Zie! om aan dien eisch te voldoen, om dat bloed uit te

wisschen, zullen wij een pandeling slachten, wij zullen ons met haar

bloed insmeren, dan is die schuld uitgedelgd en zal er niets meer

tusschen ons staan.”

Johannes greep daarop de hand van Wienersdorf, trok hem met zich de

tadjahan op, die de Balian zoo even verlaten had:

„Paharingkoe!” (mijne broeders) riep hij tot de verzamelden, „mijn

vriend Dohong, [79] die van zijn jongste jaren te Bandjermasin, daar

waar de groote heer der Hollanders zetelt, gewoond heeft, kan zich niet

meer genoegzaam in het Dajaksch uitdrukken, daarom heeft hij mijn hulp

verzocht om tot u te spreken. Hij neemt het verbond van Harimaoung

Boekit dankbaar aan en zal steeds een goede broeder voor hem zijn, wat

er ook moge gebeuren. Even als het water door een mandauwslag

gespleten, zich weer vereenigt zonder een spoor van scheiding achter te

laten, zoo zal hunne vriendschap ongestoord blijven en in leven en in

dood kunnen zij op elkander rekenen. Maar onze Dohong is te midden der

blanken opgegroeid; zij hebben hem ingeprent, dat zonder hun verlof,

niemand een mensch mag dooden. Ook te Kwala Kapoeas is dat verboden. Ik

weet nu wel dat dat kinderachtig is, dat die bleekgezichten zich met

zaken bemoeien, die hun niet aangaan; maar wat er aan te doen? Die wet

heeft Dohong aangenomen, ja ingezogen; hij heeft daardoor een afschuw

van het ter dood brengen van menschen, wanneer dat niet in den strijd

geschiedt. Hij stelt daarom zijn broeder voor, die vrouw het leven te

schenken, zooals hij dat aan het Poenanhoofd geschonken heeft. En om de

bloedschuld af te wasschen, verzoekt hij dat een buffel aan de

Sangiangs geofferd worde. Die beschermers van ons Dajaks nemen in de

benedenlanden genoegen met zoo’n offer; zij zullen dat hier ook doen.

Gij hebt gezien welk slecht voorteeken de Antang ons gaf. Dat

geschiedde alleen, omdat wij Kwala Kapoeassers, tegen de gebruiken, die

wij plechtig bezworen hebben, om geen menschen te dooden, zouden

zondigen. Laten wij een buffel slachten, in stede van die vrouw, dan

zult gij zien, dat de voorteekenen veranderen zullen en de strijd, die

ons wacht, een goede uitkomst zal hebben.”

Een doodelijke stilte heerschte er op dat binnenplein van Kotta

Djankang. Bij het einde van die toespraak waren de gezichten betrokken

en kon men daarop de grootste ontevredenheid lezen. Vooral de Poenans

verborgen hunne gevoelens niet en sloegen de handen aan de mandauws. In

die woorden zagen zij een beleediging voor hun hoofd. Harimaoung

besteeg de trap en begon met de vrij sluwe verklaring, dat hij van de

geheele zaak niets begreep.

„Hier in de bovenlanden,” ging hij verder, „hebben de blanken niets te

zeggen en, voegde hij er met een uitdagenden blik bij, „wanneer zij

hier wenschen te bevelen, moeten zij maar opkomen!”

Met innige verachting vervolgde hij:

„Net of zij zoo angstvallig met het leven van een mensch omspringen!

Hoevele duizenden menschen zijn niet omgekomen in den oorlog, die ons

schoon eiland beroerd heeft? En wie heeft dien oorlog veroorzaakt? Was

het hunne schraperigheid niet, die den Amai van Martapoera [80] de

wapens in de hand wrong? Wie zal tellen hoeveel Javanen er omgekomen

zijn van honger, omdat zij koffie moesten planten, of kotta’s moesten

bouwen voor de bleekgezichten, en hunne velden niet konden bebouwen,

omdat zij geen tijd hadden? Of zouden zij meenen, dat wij dat alles

niet weten? Zij verbieden ons een onzer pandelingen te slachten en

geven voor dat uit liefde voor dien slaaf te doen. Hèla harap olo

bapoeti, aloe menjak totoke, haliau jèh!” [81] ging hij met klimmende

drift voort. „Wanneer men hun geld te na komt, dan vermoorden zij

koelbloedig honderden slaven en vrijen. Om geld te maken, doen zij meer

dan menschen dooden!”

Hier hield de Poenan een oogenblik op, als of hij behoefte had diep

adem te scheppen, en vervolgde toen met gedempte stem:

„Maar wat kan ons schelen, wat de blanken bevelen? Ieder is gehouden

zich te voegen naar den adat van het land, waar hij zich bevindt.

Wanneer ik te Bandjermasin zal komen, zal ik de gebruiken, die daar in

zwang zijn, eerbiedigen. Is de Groote Heer een eerlijk man, dan—er valt

niet aan te twijfelen—zal hij onze gebruiken niet schenden, wanneer hij

ons bezoeken zal. Kort en goed, wij laten ons door de blanken geen

wetten voorschrijven. De feestelijkheid zal haren voortgang hebben;

tenzij..... mijn broeder Dohong mijne vriendschap niet wil aannemen.”

Die laatste woorden werden niet alleen met aarzeling, maar ook met een

zacht ruischende stem, van een snik vergezeld, uitgesproken. De

gedachte, dat zijn redder zijn vriendschap zou kunnen versmaden, deed

het natuurkind smartelijk aan. Overigens stond de Poenan daar trotsch

en fier, met trillende neusvleugels, de oogen woest rollend en het

hoofd in den nek. Zijn mandauw had hij half uit de scheede getrokken.

Wienersdorf liet bliksemsnel den blik langs de hem omringende mannen

gaan. La Cueille was afwezig; Johannes stond met gebogen hoofd; de

Dajaks van kotta Djankang lieten een afkeurend gemompel hooren en

schaarden zich aan de zijde hunner stamverwanten de Poenans; zij, die

van kotta Baroe medegekomen waren, volgden die beweging; zelfs Dalim en

zijn makker stonden besluiteloos. Er was op niemands hulp te rekenen.

Alleen Schlickeisen stond daar met opgeheven hoofd en hield zijn geweer

krampachtig omklemd. Neen, uitkomst was er niet. Een seconde aarzelens

nog, kon aanleiding tot een bloedbad geven, dat niet zou eindigen dan

met de vernietiging van het viertal Europeanen, dat evenwel als

zoodanig niet herkend was. Dat overzag Wienersdorf in dien blik.

Plotseling greep hij de hand van Harimaoung Boekit, bracht die aan de

lippen en boog het hoofd.

Johannes, die tot nu zwijgend naast zijn makker gestaan had, trad nu

vooruit naar den vlaggestok, bracht een pakje te voorschijn, bond dat

aan de lijn en heesch dat vormlooze ding in top. De jongelingen

schaarden zich nu op een gelid. De oudste daarvan trad vooruit en

bracht terwijl hij een grijnzend gelach liet hooren, het slachtoffer

een steek onder de linkerborst toe. Voorzeker had hij haar dadelijk

kunnen dooden, maar dan zou het bloeddorstig vermaak te spoedig

geeindigd zijn. Minstens moesten alle ongehuwde mannen eenmaal

voortreden en zich aan een steek vergasten, daarom had hij slechts zijn

lanspunt een halve duim in het vleesch gedrongen. [82]

Maar op dien steek gebeurden drie zaken te gelijkertijd.

Vooreerst liet het slachtoffer een doordringenden gil hooren. Tot nog

toe was zij kalm gebleven, zij had vast vertrouwd, dat het mangang

kaoeit haar gevoelloos gemaakt had. Zij ondervond nu het tegendeel.

Schrikkelijk wrong zij zich nu in hare banden en vreeselijk was het

haar geschreeuw om erbarming aan te hooren.

Te gelijker tijd had Johannes de vlaggelijn geschud, zoodat het pakje,

hetwelk hij een oogenblik te voren geheschen had, zich ontrolde en de

Nederlandsche driekleur zich boven het hoofd van de arme vrouw

ontplooide.

En alsof die driekleur haar redding aanbracht, knalden plotseling een,

twee kanonschoten, die de geheele bezetting als door elkander en naar

de borstwering deden stuiven. Johannes maakte van de algemeene

verwarring gebruik, hij sprong naar den sapoendoe toe, sneed de banden

van de rampzalige vrouw los, stelde haar in handen van de andere

vrouwen met opdracht haar goed te verzorgen en, voegde hij er ernstig

bij, haar niet te laten ontvluchten. Toen spoedde ook hij zich naar den

wal.

Wat was er gebeurd?

La Cueille, op zijn verheven standpunt gezeten, had al lang de signalen

opgemerkt, die door den vooruitgeschoven post gegeven werden. Hij

bekommerde er zich echter weinig om. Hij verliet het geblindeerde

schilderhuisje, drong door den kring om den sapoendoe, vertelde aan

Johannes en Wienersdorf snel, wat hij gezien had, en bracht hun aan het

verstand, dat het nu alleen maar kwestie was om tijd te winnen, dat dan

die arme vrouw nog wel gered kon worden. Daarna had hij zich naar den

saillant begeven, van waar hij een ruim gezicht over de rivier had,

bracht de twee geladen kanonstukjes in de richting, nam een brandende

lont ter hand en wachtte zijn tijd af. Hij hield een oog zoowel op wat

er gebeurde in de versterking als op wat op de rivier voorviel. Hij zag

de beweging daar binnen, ja hoorde de toespraak van Johannes en

bewonderde zijn makker in zijne middelen om de plechtigheid te rekken.

Eindelijk, na nog een poos wachtens, zag hij een geheele prauwenvloot

van achter den hoek te voorschijn schieten. Nog hield hij zich stil en

liet haar naderen, terwijl hij opmerkzaam bleef op hetgeen rondom hem

voorviel. Het drama binnen vorderde met de prauwen daar buiten....

Eindelijk viel niet meer te aarzelen. Nogmaals verbeterde hij de

richting zijner stukjes, bracht toen de lont bij het zundgat en boem!!!

de kogel vloog tusschen de vloot door en boorde een der achterste

vaartuigen in den grond. De opvarenden, overigens ongedeerd, moesten

zich met zwemmen redden, terwijl dat schot al niet weinig verwarring

bij de flotille veroorzaakte.

Boem!!! klonk het nogmaals en een vlucht kartetskogels floot tusschen

en over de prauwen, kwetste eenige roeiers en bracht de ontsteltenis

ten top. De luitenant gelastte te landen om zich met zijne dapperen

voorloopig buiten schot op te stellen. De prauwen stevenden naar den

wal en weldra was de geheele aanvallende macht, onzichtbaar voor het

oog der kottaverdedigers, achter struik en boom verborgen.

De officier begreep, dat hij zijn troep niet onder den indruk van dat

eerste insucces mocht laten. Wel was het hem zonderling te moede, van

die sterkte, waaruit hij vuur gekregen had, de Nederlandsche vlag te

zien waaien; maar hij mocht niet aarzelen, en daarom verzamelde hij

zijn macht en stormde op de versterking aan, indachtig aan de

ondervinding van eeuwen, dat bij indische oorlogen stoutmoedigheid drie

vierde gedeelten van de overwinning verzekert.

En, waren er geene Europeanen in de versterking geweest, die der

bezetting moed inspraken, dan was de beweging voorzeker geslaagd. Maar

nu, op geweerschots-afstands gekomen, dreunden drie kanonschoten, die

het aanvallend troepje met kartetskogels overstelpten en aan het

wankelen brachten. Dadelijk barstte daarop een levendig geweervuur los,

gevolgd al weer door een paar kartetsschoten, die een einde aan de

weifeling der helden maakten en hen op de vlucht dreven, alvorens zij

nog in de gelegenheid geweest waren een schot te lossen. Toen

Harimaoung Boekit die achterwaartsche beweging ontwaarde, kon hij de

verzoeking geen weerstand bieden. Met slechts een paar zijner

volgelingen stoof hij de versterking uit om koppen te snellen. Maar,

terwijl hij op een paar achterblijvers der vluchtelingen inhakte en

zich beijverde de hoofden der gevallenen te verzamelen, trad eensklaps

een troepje gewapenden van achter eenige struiken te voorschijn,

omsingelde hem en wierp hem, vóór hij zich goed te weer kon stellen een

strik over het hoofd en sleepte hem half verwurgd voort. Wienersdorf en

Schlickeisen zagen duidelijk wat er gebeurde. Beiden ijlden naar

buiten, verzamelden nog eenige strijders en spoedden zich voort. Bij de

terreinsdepressie gekomen, die de hoogte, waarop kotta Djankang gelegen

is, van het ander heuvelland afscheidt, zagen zij het lichaam van den

Poenan, dat door eenige menschen voortgesleurd werd. Zij waren toen

slechts een vijftig passen er van verwijderd. Als twee steenzuilen zoo

onbeweeglijk bleven de twee Zwitsers stilstaan, brachten hunne

repeteergeweren aan den schouder en... pang! pang! lagen twee der

sleepers op den grond uitgestrekt; pang! pang! nogmaals twee. De

overblijvenden aarzelden, de buit, dien zij bemachtigd en als een hoofd

herkend hadden, was te kostbaar om achter te laten. Pang! pang!

andermaal twee lijken. Toch konden zij nog niet besluiten om te

vluchten. Maar daar stoven plotseling eenige gedaanten op hen in,

losten nogmaals ieder een schot en tastten hen toen met het blanke

wapen aan. Nog een kleine schermutseling en Wienersdorf kon het

genoegen smaken, den strik door te snijden, die het Poenanhoofd den

adem benam. Hij reikte hem vervolgens de hand, hielp hem overeind en

fluisterde hem een „salamat” (gelukwensch) in het oor.

Toen de Poenan op de been was, greep hij naar zijn hals, alsof die

noodlottige rottanstrik daar nog zat, proestte als een kater, die pas

uit het water gehaald was, bewoog een voor een al zijn ledematen, als

om te beproeven, of die nog aanwezig waren en, nadat hij zich daarvan

overtuigd had, vatte hij de handen der beide Zwitsers, legde die op

zijn hoofdkruin onder het prevelen van de woorden: „Paharingkoe

Dohong!” (mijne dappere broeders).

Nog een oogenblik knalden schoten van weerszijden, toen werd alles

stil.

De aanvallers trokken zich terug en telden hunne verliezen. Zij

begroeven in der haast vijf gesneuvelden, terwijl meer dan het dubbelde

aantal gekwetsten achter de struiken lag te kermen. Van de bezetting

der kotta was slechts een man, een pandeling, door een geweerschot

gedood en hadden een paar anderen lichte schrammen bekomen.

Aan feestvieren werd nu verder niet gedacht. Bij gedeelten gebruikten

de belegerden hun maal, terwijl de overigen achter de borstwering op de

banketten gereed stonden, om iederen aanval, wanneer die hernieuwd

mocht worden, af te weren. De vroolijkheid was daarom niet uitgesloten,

en bij het lekkere maal, dat verorberd werd, ging, zonder tot overdaad

aanleiding te geven, de klapperdop, met toeak gevuld, rond en werd de

eerste behaalde zege met een duchtigen dronk gevierd.

Aan zijn priesterlijk karakter getrouw, onthield zich onze Waalsche

Sjech van alle spijs en drank, door den Profeet verboden. Met een soort

van heilige onverschilligheid, zag hij de varkenskluifjes voor en na in

onpeilbare keelgaten verdwijnen. Het liet hem vrij koel, toen Johannes,

spotachtig van aard, hem een heerlijke karbonade onder den neus hield.

Hij deed zich daarentegen te goed aan het herten- en buffelvleesch,

maar paste zorgvuldig voor de entremêts, omtrent welker oorsprong hij

zich behoorlijk op de hoogte had gesteld. Evenwel kon hij niet nalaten

een zucht te slaken, toen de lekkere geur van den toeak zijn reukorgaan

streelde, en hij werd ernstig boos, toen Johannes, zijne plagerij

voortzettende, hem een goed gevulden klapperdop onder den neus hield.

Om het weer goed te maken, beloofde hem zijn makker, dat hij straks,

wanneer zij buiten den kring der profanen waren, zou zorgen dat de

heilige man zijn portie kreeg.

Terwijl onze Europeanen op Dajaksche wijze met gekruiste beenen zaten

rondom het matje, dat de tafel uitmaakte en zich te midden hunner

nieuwe vrienden Gods gaven goed lieten smaken, kwam een Poenan binnen

en smeet een paar bloedige menschenhoofden in den gevormden kring, te

midden der opgebrachte gerechten. Er ging, vooral onder de Poenans van

het gezelschap een oorverdoovend gejuich op. Twee hunner grepen die

hoofden, sneden de laatste halswervels, die er nog aanzaten, af en

begonnen nu door de vrij geworden opening van den schedel de

hersenzelfstandigheid met een bamboelemmer op een aarden schotel te

ledigen. Gedurende die bezigheid, sneed een ander een flinke vlok haar

van die hoofden, kapte die in stukken ter grootte van een halven vinger

en roerde dat haar onder bijvoeging van wat fijngewreven „sahang”

(lombokh, spaansche peper) door die bloedige hersenmassa. Met

ontzetting hadden onze deserteurs dat tooneel aangezien. Toen al de

hersenen uit de twee schedels gehaald en geschud waren en de schotel

behoorlijk toebereid was, nam hem een der Poenans, plaatste een aarden

lepeltje rechtop in de brij en bood hem Johannes aan. Deze bedankte met

een gebaar. Bij Wienersdorf gekomen, liet deze een blik op dat

walgelijk mengsel vallen, maar werd tegelijkertijd door zulk een

misselijk gevoel overweldigd, dat hij bewusteloos neerstortte.

In hunne ontsteltenis letten de drie overige Europeanen daar niet op,

en de Dajaks wel een weinig verwonderd, maar overgelukkig dat de

vreemdelingen geweigerd hadden van dien lekkeren schotel te proeven,

hieven een gejuich aan. Hij die den schotel droeg, greep den lepel,

laadde hem, wierp toen het hoofd achterover en liet, terwijl hij de

oogen zacht sloot en zijn gelaat van genot straalde, een goede portie

in den wijd geopenden mond glijden. Hij gaf toen den schotel aan een

makker over, die dezelfde manoeuvre volbracht, en het lekkers verder

gaf. Het was toen een smakken met tong en met lippen, dat de

toeschouwers wel moesten begrijpen dat de smullenden in den hoogsten

graad van genieting verkeerden. Langzaam en met verrukten blik zogen

zij de haren uit, die trouwens alleen door het mengsel geroerd waren,

om de lekkerbekken tot bedaard genieten te noodzaken [83]. Eindelijk

werd het den Europeanen te benauwd om het hart; alles draaide hun voor

de oogen. Zij sprongen op, om zich te verwijderen van het ontzettend

tooneel, maar ontwaarden eerst toen, dat Wienersdorf bewusteloos ter

neer lag. Zij tilden hem op en ijlden met hem naar buiten in de

frissche lucht. Daar kwam de bewustelooze ras bij en herstelden zich de

anderen. Een dronk zuiver water hielp ook om hunne ontstelde zenuwen

tot bedaren te brengen.

Harimaoung Boekit had dus ten tweeden male het leven aan Wienersdorf te

danken. Van zijne volgelingen had hij vernomen met welken moed, met

welke doodsverachting deze hem te hulp was gesneld en zich daarbij aan

de grootste gevaren had blootgesteld. Hij trad zijn redder nabij, legde

de hand op zijn schouder en vroeg hem met bewogen stem, of hij iets

voor hem doen kon of hem iets kon geven. Alles wat hij bezat, was het

eigendom zijns redders. Als deze verkoos dat hij, het trotsche

Poenanhoofd, zijn „djipen” (pandeling) zoude worden, zou hij voor

altijd afstand doen van de vrijheid en zijn broeder overal volgen.

Wienersdorf, steeds nog onder den invloed van het afschuwelijk tooneel

van straks, dat hij evenwel, ten gevolge zijner bewusteloosheid slechts

gedeeltelijk had kunnen waarnemen, bedacht zich op die vraag niet lang,

maar greep de hand van den Poenan, drukte die met levendige innigheid

en smeekte hem om het leven van die arme vrouw, die door de aankomst

van de aanvalsflotille zoo op het juiste oogenblik van een vreeselijk

uiteinde gered werd. Door dat de Zwitser de landstaal niet bijzonder

machtig was, begreep de Poenan aanvankelijk weinig of niets van de

bede. Toen het hem eindelijk met behulp van Johannes helder werd, wat

zijn redder vroeg, ontsierde nog eenmaal een uiterst onaangename trek

het overigens voorname gelaat, maar ook slechts voor een oogenblik,

want in het daarop volgende had het natuurkind zijn geheele

zelfbeheersching hernomen en den handdruk des Zwitsers met warmte

beantwoord. Hij voldeed aan het gedane verzoek en schonk het leven aan

die vrouw, terwijl hij zich verbond dat menschelijk offer later ter

geschikter tijd door een buffel te vervangen. Intusschen kon hij de

eigenlijke beweegredenen, waarom zijn redder zoo op het leven van die

vrouw gesteld was, maar niet vatten. Zijn oorspronkelijk

begripsvermogen deed hem vermoeden, dat hier een hartstochtelijke

genegenheid in het spel was en hoewel die pandelinge, moeder van twee

kinderen, niet jeugdig meer en nimmer voor een schoonheid gehouden was,

vermocht hij aan het aandringen des Zwitsers geen anderen uitleg te

geven, ofschoon hij zich over diens smaak ten zeerste verbaasde. Onder

den indruk van die opvatting en wezenlijk alles er voor over hebbende,

om zijn redder gelukkig te zien, bood hij hem zijn volle zuster, een

jonge lieftallige maagd, het pronkjuweel van zijn stand tot vrouw aan,

en trachtte zoo door een huwelijk niet alleen den gesloten broederband

te versterken, maar ook aan de hartstochten van dien broeder in zijn

oog een meer edele richting te geven.

Hamadoe—zoo was de naam van die zuster—was een heerlijk wezen. Zij kon

bogen op een fijn besneden gelaat, waaraan de zachte bronskleur een

groote bekoorlijkheid verleende, met een fraai gevormden neus, dien

menige Europeesche schoone haar benijd zoude hebben; met een mondje,

welks zwellende en half geopende lippen aan een pas opengespleten

pala-vrucht [84] deden denken; met een paar groote donkere oogen, die

een zacht kwijnende uitdrukking konden aannemen, maar waarin ook een

vuur kon schitteren, alsof die dochter des wouds in lichtelaaie vlam

stond, hetgeen niet onmogelijk was. Daarbij had zij fijn zacht haar,

zwartblauw van kleur en zoo overvloedig en lang dat, wanneer zij heur

„kondèh” (haarwrong) loswierp, de sierlijke lokken haar als in een

mantel wikkelden, het reeds zoo innemend gelaat allerliefst omlijstten

en haar dartelend en golvend tot op de kuiten vielen. Zij had een

boezem, maagdelijk bescheiden in ontwikkeling en toch weelderig in zijn

vormen, die den meesteischenden beeldhouwer tot model had kunnen

strekken; en daarbij een middel, ongekunsteld en natuurlijk, dat zonder

behulp van balein en staal, met twee handen te omspannen was en zich

zoo lenig en buigzaam bij de minste bewegingen van het meisje

vertoonde, alsof geen ruggegraat aanwezig was. Daaronder rondden een

paar heupen bekoorlijk en dichterlijk af, om uit den mond van den meest

koelbloedigen een lofzang op zooveel natuurschoon te ontlokken.

Het valt niet te ontkennen, onze Europeanen hadden al menigmaal de

lieve Hamadoe, die haren naam van „honigzoet” zoo wel verdiende, met

een bewonderenden blik nageoogd, wanneer zij vrij en ongedwongen op

Dajaksche wijze gekleed, dat wil zeggen met het fraaie bovenlijf geheel

bloot en het overige slechts gedekt met een „saloi”—een kort kleedje,

dat slechts van het middel tot de knieën reikt—zich binnen de

versterking bewoog. En toch, nu hem dat juweeltje van vrouwelijk schoon

aangeboden werd, aarzelde Wienersdorf en was op het punt een

verontschuldiging te stamelen; toen Johannes hem voorkwam en den Poenan

antwoordde, dat zijn vriend zijn aanbod dankbaar aannam en zich

gelukkig zou achten, de echtgenoot van de schoone Hamadoe te zijn; maar

dat hij al de Sangiangs zou danken wanneer hij door dat huwelijk de

vleeschelijke broeder van Harimaoung Boekit, zijn bloedbroeder reeds,

zou geworden zijn.

Wel eenigszins onthutst door die onverwachte tusschenkomst, sloeg de

Zwitser de oogen op en wilde spreken; maar beleefd werd hem verzocht

zich te verwijderen, daar Johannes nu als zijn zaakgelastigde de

verdere huwelijksformaliteiten met de aanstaande en hare

familiebetrekkingen te behandelen had. Wienersdorf trok mompelend af

met het stellige voornemen, zich tot geen dwaasheden te laten

overhalen, hoe verleidelijk en bekoorlijk de schoone Hamadoe ook was.

Helaas! wanneer de mensch wikt, is hij het niet altijd, die beschikt.

Toen Harimaoung Boekit en Johannes in huis getreden waren, werd de

maagd geroepen en deed Johannes, nadat zij verschenen was, de aanvraag

om hare hand geheel volgens de Dajaksche gebruiken. Wel had de schoone

een gunstige meening ten opzichte van haren aanstaande, maar zij keek

nieuwsgierig rond, keek nog eens; dat die zaakgelastigde haar geen

koppen ten huwelijksgeschenk kon aanbieden, deed haar aarzelen. Zij

stond daar besluiteloos. Eindelijk greep zij een vrouwenkleedje, dat

over een touw te drogen hing, en bood dat den afgezant aan met de

boodschap:

„Uw vriend is geen man, hij is slechts een bedeesde vrouw en verdient

geen mannenkleederen aan te hebben; daar, dat hij dezen „tapih”

(vrouwenonderrok) aantrekke.”

Johannes glimlachte even, maar nam dat kleedje niet aan. Harimaoung

Boekit verhaalde haar nu zijn dubbele redding door dien vreemdeling,

legde haar uit, dat de Hollanders in de benedenlanden het koppensnellen

verboden hadden, dat zijn redder niet anders kon doen dan dat verbod na

te komen, maar dat hij overigens de dapperste der dapperen, een ware

Dohong was.

Na deze verklaring nam de lieve maagd geen enkel oogenblik van beraad,

maar verklaarde vrijmoedig dat zij met den tapih ook hare straks

gesproken woorden terugnam en dat, nu haar broeder, de eenige verwant,

dien zij te kotta Djankang had, geen beletselen opwierp, zij gereed was

Dohong’s levensgezellin te worden en lief en leed met hem te deelen.

Zij verzocht haren broeder alles in gereedheid te brengen om zoo

spoedig mogelijk het „blako ontong” te vieren, waarbij den Radja

balawang boelau [85] alle heil en voorspoed op haar huwelijksbed zoude

afgesmeekt worden.

Dat alles werd gezegd met een bekoorlijke zedigheid, maar toch met een

zeker vertoon van vreugde, die Johannes verrukte en hem het geluk zijns

makkers bijna deed benijden.

Nadat Hamadoe zich verwijderd had, vingen de eigenlijke

huwelijksonderhandelingen aan. Johannes begon op den voorgrond te

stellen, dat Dohong een vrijgestelde pandeling was, die met weinig of

geen aardsche goederen gezegend was, en bijgevolg noch een hoog

„palakko”, noch de andere bij het sluiten van een huwelijk te betalen

sommen, althans tot een aanzienlijk bedrag, zoude kunnen voldoen. Het

„palakko” is een schatting, die de bruidegom aan de ouders of bij

gebreke daarvan aan andere familieleden van de bruid betaalt of

eigenlijk renteloos leent. Die schatting bedraagt, naarmate van de

welgesteldheid des huwelijkscandidaats, van 50 tot 800 gulden, en heeft

ten doel dezen in het rechte spoor te houden; want pleegt hij ook maar

de geringste ontrouw, dan vervalt die som in eigendom aan zijn vrouw.

Harimaoung Boekit glimlachte bij die mededeeling, greep eenige

bamboekokertjes, die met lussen aan den wand hingen, en stelde die

zijnen toespreker ter hand, onder mededeeling dat daarin ruim twintig

thaëls stofgoud vervat waren en dus meer dan genoeg om aan alle

uitgaven het hoofd te bieden.

„Zou ik aarzelen dit goud af te staan om mijn broeder Dohong gelukkig

te maken?” sprak het edelmoedige Poenanhoofd. „Ik heb hem mijn lichaam

aangeboden; alles wat het mijne is, kan hij het zijne noemen.”

Toen dat geregeld was, werd de dag der plechtigheid bepaald en

vastgesteld, dat het huwelijk in verband met de omstandigheden, twee

maanden later, in het gebied van Harimaoung Boekit, aan de soengei Miri

[86] gelegen, zoude voltrokken worden. Ter eere van Kadjanka [87], den

beheerscher van de maan en den beschermer der jonggehuwde vrouwtjes,

zou het huwelijk op den dag van volle maan plaats hebben.

„Het is te hopen,” voegde Harimaoung Boekit er bij, „dat de belegeraars

lang voor dien tijd zullen afgetrokken zijn.”

Borneo van Zuid naar Noord · 第 56 / 77 题