XVII.

Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd

was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta

Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djangkan.—Armeering en

proviandeering.—Een vrouw in een kooi.—Wienersdorf

wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te

openen.—De zielsontvoering.

Toen de rangkan de prauw op zijde geschoten was, verhaalde het

Poenanhoofd, dat zij des nachts te kotta Baroe aangekomen waren en daar

de geheele negorij in rep en roer gevonden hadden. Zij hadden er een

staatsieprauw aan den oever zien liggen en een gewemel van menschen

waargenomen, alsof een belangrijke onderneming op til was. De

nieuwsgierigheid had hen toen bekropen. Harimaoung Boekit aan wal

gestapt, was als een slang naderbij geslopen en had vernomen, dat door

een blanke van Kwala Kapoeas, dien hij gezien had en beschreef als met

een langen mandauw (sabel) gewapend te zijn, de bevolking te wapen werd

geroepen, om een prauw met vluchtelingen te achtervolgen. De blanke

eischte twee honderd en vijftig weerbare mannen met de noodige prauwen,

hetgeen tot niet weinig gepruttel aanleiding gaf. Toen de Poenan dat

alles afgeluisterd had, begreep hij met zijn oorspronkelijk verstand,

dat het om hen te doen was, die hem het leven geschonken hadden; en al

dadelijk was het plan gerijpt, om die vrienden te waarschuwen, des

noods krachtig bij te staan. Stil als hij gekomen was, sloop hij naar

den rangkan terug, wenkte een paar zijner makkers, die, aan wal

stappende met hem voortslopen en eindelijk bij een tomoi een menigte

menschen vonden slapen. Een tomoi is een koepelvormig gebouwtje, dat in

de bovenlanden in de nabijheid der versterkte huizen opgericht wordt,

tot ontvangst van reizenden. Nimmer wordt een vreemdeling in de

versterking toegelaten. In hoofdzaak is wantrouwen de grondslag van die

handeling; men hoedt zich zoo voor verspieders, die onder

vriendschapsschijn, wel eens het terrein komen opnemen. Maar het dient

ook om twisten te voorkomen, die uit het schenden van de zeden en

gebruiken der bewoners, den vreemdelingen meestal niet bekend, zouden

kunnen geboren worden.

De gelegenheid was te schoon voor onze drie koppensnellers. De

slapenden hadden zich ter ruste gelegd zonder voorzorgsmaatregelen te

nemen. Met bliksemsnelheid trokken de Poenans hunne mandauws en in het

volgende oogenblik hield ieder hunner een bloedig hoofd bij de haren in

de hand. Nu stieten zij hun, „lahap” (krijgsgeschreeuw) uit, deelden

den ontwakenden in het duister eenige houwen toe en maakten zich uit de

voeten, toen de angst en de verwarring onder de aldus gewekten ten top

gestegen was en zij elkander aanvielen en bevochten.

Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de Poenans met hun

lichten rangkan al lang in de dichte duisternis verdwenen waren, voor

dat de kommandant van Kwala Kapoeas—de lezers zullen wel geraden

hebben, dat die de blanke was, die te kotta Baroe bevelen

uitdeelde—zijn troepje Dajaks tot bedaren had gebracht. Niemand had de

aanvallers zelfs gezien. De hoofdelooze lijken, die op den grond in een

grooten plas bloed lagen, konden niet spreken; de gekwetsten waren in

hun slaap toegetakeld en konden alleen een verward verhaal leveren van

hetgeen zij bij hun pijnlijk en angstig ontwaken meenden gezien te

hebben. Zij spraken van gedaanten van half mensch, half spook, die zij

in het nachtelijke duister hadden zien verdwijnen.

Indien het de vluchtelingen waren, die dezen overval uitgevoerd hadden,

en velen waren dat denkbeeld wel toegedaan, dan moest erkend worden,

dat men met stoutmoedige kerels te doen had, die men niet zoo gauw in

handen zoude hebben. De Tomonggong Nikodemus schudde evenwel het hoofd.

Hij had de lijken onderzocht. De sneden, die de koppen van de rompen

gescheiden hadden, waren zuiver en glad. Bij die houwen was geen

aarzeling, geen herhaling, geen slachterswerk waar te nemen. Fiks, met

een enkelen slag was de dood toegebracht, en die slag kon slechts door

geoefende handen geslagen zijn, slechts door bovenlanders; maar niet

door Dajaks der benedenstreken en nog minder door Europeanen.

Toen Harimaoung Boekit zijn verhaal geëindigd had, keken de

vluchtelingen elkaar met angstige verbazing aan. Zij hadden niet kunnen

denken, dat de Hollanders hen zoo spoedig op de hielen zouden zitten.

Zij hadden gedacht nog altijd een voorsprong van acht of tien dagen te

hebben. En nu waren de jagers in de nabijheid en het wild reeds op het

spoor! Wat nu te doen?

„Vooruit! vooruit!!” riep Wienersdorf, „het heil kan slechts liggen in

de vlucht!”

„Neen,” sprak Johannes mismoedig, „nu de kommandant ons zoo nabij is,

kan de vlucht alleen niet meer baten. Op dit oogenblik is hij zeker

reeds van kotta Baroe vertrokken en hij zal wel menschen genoeg geprest

hebben, zoodat hij over veel meer roeiers zal kunnen beschikken dan

wij. Op de vlucht zouden we spoedig zijn ingehaald. Je kunt het niet

eens meer uitstel van executie noemen.”

„Maar wat dan?”

Johannes gaf daarop geen antwoord, maar zich tot het Poenanhoofd

wendende:

„Waren er blanke menschen in het gezelschap van den kommandant?” vroeg

hij.

„Ik heb lang en goed bespied; maar geen enkel bleekgezicht gezien,

behalve hem, dien ge kommandant noemt.”

„Dus geen Europeesche militairen bij den troep, dat is al veel waard.

Maar wellicht heeft de kommandant een escorte van Javaansche soldaten,

daarmee valt ook niet te spotten,” mompelde Johannes binnensmonds.

„Hebt ge geen menschen gewapend gezien?” vroeg hij verder aan

Harimaoung.

„De blanke had, terwijl hij bedrijvig was, een klein geweer (pistool)

in de hand, achter hem liep steeds een boedak (slaaf) die een snaphaan

droeg. De anderen zijn gewapend met hun mandauws en de meesten hebben

een „sipet” of „loendjoh.” [66] Alleen de Amai [67] van Kwala Kapoeas,

dien ik goed ken, heeft een geweer. Maar....”

En hierbij boog zich de Poenan tot Johannes en fluisterde dien

gedurende eenigen tijd iets in het oor.

„Dat moet beproefd worden!” zeide deze met opgeruimd gelaat en

vastbesloten, en zich tot zijn makkers wendende:

„Zoo we kotta Djankang bereiken, dan zijn onze kansen veel verbeterd,

dan bestaat er hoop op redding. Dus vooruit!”

Met gejuich werd die kreet van „vooruit” beantwoord. De rangkan werd op

sleeptouw genomen, de prauw van haar tentdak ontdaan. De gezellen van

Harimaoung Boekit namen plaats in het groote vaartuig en werden

verdeeld tusschen de roeiers en nu ging het vooruit als de wind, onder

den drang van die vier en veertig pagaaien, die met kracht gehanteerd

werden. De prauw kraakte in hare binten, maar hield zich uitmuntend.

Een witte schuimgolf krulde voor haar boeg, brak ter weerszijden af en

vormde achter den steven een onafzienbare aaneenschakeling van wilde

draaikolken, die zich eerst achter den jongst voorbijgeschoten hoek

voor het oog verloren. Het vaartuig schoot met groote snelheid vooruit

en, zoo voortgestuwd, kon het met de snelstvarende stoomboot

wedijveren. Bij dien wedstrijd beijverden de Poenans zich niet het

minst. Volgens hunne gewoonte stonden zij in de prauw, waardoor zij met

hunne beseai’s, van lange stelen voorzien, tusschen de anderen, die

gezeten waren, konden roeien zonder iemand te hinderen en toch de

noodige kracht aanwenden. Het waren prachtige kerels, die

koppensnellers, met flinke breede borstkassen en stevig gespierde

armen. Zij waren in vollen oorlogstooi gedost, hadden de muts van

apenvel, met twee lange tingang-vederen [68] versierd, op het hoofd en

den maliënkolder aan, die over een dik buisje van geklopte boomschors

geslagen was. Beide kleedingstukken waren van voren open en lieten het

fraai getatouëerde bovenlijf zien, dat zulke fijne figuren op de huid

vertoonde, alsof zij met het penseel er op gebracht waren. Hunne

schilden, met de meest grillige arabesken beschilderd, waren overeind

tegen hunne lichamen geplaatst, zoodat zij hunne beenen en buik dekten,

terwijl de geduchte mandauw, van een menigte haarlokken voorzien, fier

aan hunne zijde prijkte.

Toen de prauw in volle vaart gebracht was, riep Johannes de beide

Zwitsers, den Waal en Harimaoung Boekit te zaam op de achterplecht der

prauw, waar Dalim zat met den stuurpagaai in handen. Zij zouden

beraadslagen, wat hun te kotta Djankang te doen zou staan.

Deze versterking lag op den rechteroever der Kapoeasrivier, iets boven

de monding der soengei Mawat en verhief zich op een heuvel, die zich

ongeveer 60 M. boven den waterspiegel verheft. Als een kaap steekt die

heuvel in de rivier uit en wordt langs drie kanten door haar omspoeld.

Aan die zijden heeft de heuvel glooiingen nagenoeg onder natuurlijke

helling; aan de landzijde sluit hij, een kleine ondiepe depressie van

het vlak niet medegerekend, aan een heuvelenrij aan, die zich ongeveer

van oost naar west uitstrekt en waarvan hij, zoover het oog reiken kan,

het hoogste punt schijnt uit te maken. De versterking vormde een

langwerpig vierkant van ongeveer 80 op 120 M, en was zoodanig op den

heuvel opgericht, dat hare twee achtersaillanten de rivier op- en

neerwaarts bestrijken en hare beide voorsaillanten daartoe krachtig

meewerken konden. De ompaling was van stevig ijzerhout vervaardigd,

terwijl de boomen, daartoe gebezigd, een doorsnede van 30 of 32 cM. bij

een hoogte van tien M. boven den grond hadden. Om de tien palen was een

palissade geplant, die van aaneengelaschte boomen vervaardigd, ongeveer

drie maal zoo hoog was als de anderen en op zijn spits toeloopend

uiteinde een gebleekten menschelijken schedel droeg. Binnen de

versterking waren verscheidene Dajaksche woningen hoog boven den grond

gebouwd, die evenwel door de palissadeering beschermd, daarenboven met

zware ijzerhouten planken betimmerd en met sierappen [69] gedekt waren.

In de kotta woonden ongeveer 500 zielen, waaronder ruim 80 weerbare

mannen aangetroffen werden. Het was dus in den eigenlijken zin des

woords een versterkte kampong en al de Kotta’s in de binnenlanden van

Borneo moeten ook in dien zin opgenomen worden. Aan het hoofd van die

gemeente stond een oud man, met name Amai Kotong. Tot diens

onderhoorigheden sorteerden ook nog de kotta’s Mawat en Brobok die, aan

de soengei Mawat gelegen, te zamen 300 zielen met ruim 50 weerbare

mannen telden. Bij de groote uitbreiding van de bevolking te kotta

Djankang, hadden zich huisgezinnen afgescheiden en zich daar gevestigd,

zoodat het eigenlijk spruiten waren van een stam.

Amai Kotong was een Poenan van geboorte. Als zoon van een groot

opperhoofd, die aan de soengei Miri, een der voornaamste zijrivieren

van de Kahajan, gezeteld was, had hij een Ot Danomsche jonge vrouw

gehuwd en zich toen aan de boorden van de Kapoeas gevestigd. Door snel-

en strooptochten had hij zijne bezittingen aanzienlijk zien toenemen;

maar voornamelijk had hij met goudzoeken groote winsten gemaakt. Hij

was de oom van Harimaoung Boekit en had steeds voor den zoon zijns

ouderen broeders zeer veel toegenegenheid gevoeld. Het Poenanhoofd

mocht op een goede ontvangst en op krachtdadige hulp te kotta Djankang

rekenen.

Dat waren de inlichtingen, die Johannes in beknopte woorden zijnen

toehoorders mededeelde. Een oogenblik zaten zijne metgezellen het

gehoorde te overdenken. Eindelijk vroeg Wienersdorf:

„En wat is de conclusie van dat alles?”

„De conclusie? wel dat is duidelijk, dat we onzen intrek in kotta

Djangkang moeten nemen,” was het nog al driftige antwoord, „en daar de

kat uit den boom kijken. Valt men ons aan, welnu, we zijn wakkere

knapen, dan zullen we het antwoord niet schuldig blijven.”

„Alweer bloedvergieten!” zuchtte Wienersdorf. „Is er dan geen kans om

te ontkomen? We zetten zoo’n vaart; me dunkt dat we met den besten wil

ter wereld niet in te halen zijn.”

„Kans om te ontkomen? Ja, die zou er zijn, maar die kans mogen we niet

wagen. Want keert die kans zich tegen ons, dat wil zeggen, wanneer we

ingehaald worden, dan staan we in het open veld tegenover een

verpletterende overmacht en dan is het pleit spoedig beslecht. Dan valt

er niets te doen, dan ons over te geven of ons leven zoo duur mogelijk

te verkoopen. In beide gevallen is wat we reeds geleden en ondergaan

hebben, volkomen nutteloos geweest en heeft het reeds gestorte bloed te

vergeefs gevloeid.”

„Maar in die kotta zullen we opgesloten worden, de verdediging zal ook

al weer bloed kosten, niet waar?”

„Ja, en ’t is te hopen, dat het niet nutteloos zal wezen. Ingesloten

zullen we worden, maar ’t is te voorzien, dat de bovenlanden in

beweging gebracht zullen worden en dan zal de insluiting zoo lang niet

duren. Geloof me, als we slechts den eersten aanloop doorstaan, dan is

al zeer veel gewonnen; dan zal de weg zich wel weer voor ons openen.”

„En toch ben ik van meening, dat we de vlucht voortzetten. Nogmaals, me

dunkt, dat met de vaart, die de prauw thans heeft, geen vaartuig ter

wereld ons kan inhalen.”

„Maar die vaart kan niet behouden worden,” viel Johannes driftig in.

„’t Zal al wel zijn, als we die vaart tot den avond volhouden. En dan

moeten we kotta Djankang bereikt hebben. Ja..... als we onze roeiers

van tijd tot tijd tegen versche konden verwisselen, dan was ’t wat

anders, maar daaraan valt niet te denken. ’k Wed, dat onze vervolgers

te Tapen en te Toembang [70] Koeatan versche krachten zullen verkregen

hebben. Kom, wees niet weekhartig; laat ons den toestand als mannen

onder de oogen zien; we zullen niets doen dan ons verdedigen en je zult

zien, dat een goede uitslag onze pogingen zal bekronen.”

„God geve het!” was de zucht van Wienersdorf.

„Amen!” riep La Cueille, „et que Notre Dame de Lourdes nous protège!

Maar komaan, laten we nu weer een handje helpen met roeien. Als zoo

vier paar Europeesche armen meedoen, dan kan men dat aan het trillen

der prauw voelen. Kom vooruit, hoe meer distantie we zetten tusschen

die kaaskoppen en ons, des te beter.”

De vluchtelingen grepen weer de pagaaien, maar plaatsten zich met

Harimaoung Boekit op de achterplecht der prauw dicht bij Dalim bij

elkander, om gedurende het roeien met elkander te kunnen beraadslagen,

de inlichtingen te voltooien en ieders taak bij de verdediging te

bepalen.

Ook Dalim keurde een verblijf te kotta Djankang goed; hij gaf zelfs te

kennen dat, zooals de zaken stonden, het noodzakelijk was. Hij kende

het hoofd Amai Kotong, zoowel als de meeste bewoners, zoodat hij daar

geen vreemdeling zou zijn. Hij onderhield zich geruimen tijd met het

Poenanhoofd en deelde vervolgens zijn reisgezellen de bijzonderheden

van het gesprek mede, zoo als, dat de rijstoogst in de bovenstreken pas

afgeloopen was, zoodat het te voorzien was dat de schuren te kotta

Djankang behoorlijk gevuld en uithongering bij gevolg niet te vreezen

zoude zijn.

Met ingespannen ijver werd de reis voortgezet. Onder het roeien merkten

de Europeanen hier en daar op het witte zand der uitspringende hoeken,

zwarte brokstukken van grooteren of kleineren omvang, maar gewoonlijk

zoo wat ter dikte van een dubbele vuist. La Cueille had er al met

zekere aandoening naar zitten turen; maar bij de vaart van de prauw,

was het hem onmogelijk er iets van te maken. Bij een der hoeken

evenwel, toen de prauw dicht langs den kant gierde, sprong hij te

water, dat daar niet diep was, stapte naar den wal, greep een paar van

die zwarte brokstukken, die zijn nieuwsgierigheid opwekten en was weer

in het vaartuig terug, voor dat de hoek behoorlijk gerond was.

„Nom d’un chien!” riep hij in vervoering, terwijl hij zijn schat liet

zien, „c’est de la houille! Waarachtige steenkool en van de goede soort

ook, dat kan ik verzekeren. En die vindt men hier zoo maar langs den

waterkant!”

„Houd je maar bedaard,” lachte Johannes. „Je zult er nog wel meer te

zien krijgen en ook kunnen oprapen, ’k Ben toch verheugd die te zien,

ze zijn een onfeilbaar teeken dat we kotta Djankang naderen.”

„Hoe kan dat een teeken zijn dat we die versterking naderen?”

„Wel, de heuvel, waarop de kotta ligt, bevat boven het hoogwaterpeil

drie à vier machtige steenkolenaderen, waarvan de onderste volgens

deskundigen uitmuntende brandstof moet bevatten.”

De Waal snoof eens als een jachthond, die het spoor in den neus krijgt.

De mijnwerker kwam voor een poos boven. Zijn kinderjaren doemden hem

voor de oogen op.

„Boven kotta Djankang,” ging Johannes voort, „vervolgen die

steenkolenaderen zich langs den oever der rivier. Bij middelbaren

waterstand is in het rechter talud een gang zichtbaar van ruim 1200 M.

lang, die nagenoeg horizontaal loopt en een dikte vertoont, afwisselend

van 0,5 tot 4 M.”

„Maar dat is een rijkdom!” schreeuwde La Cueille opgewonden.

„Ja, dat zou het kunnen zijn, wanneer er gebruik van gemaakt werd. De

rijkdom is te aanzienlijker, daar diezelfde ader zichtbaar is langs de

oevers van de Doesson aan de eene zijde en de soengei Moeroi, de

Kahajan en de soengei’s Roengan en Manohin aan de andere zijde, allen

bevaarbare rivieren, en wel in minstens even machtige gangen als hier.

Maar... de Dajak bekommert er zich niet om. Die heeft geen steenkolen

noodig; zijn bosschen leveren hem brandhout genoeg op. In vele gevallen

zelfs is hem het gebruik van „batoe kasintoe” ongeoorloofd en maakt hem

„pali” (onrein). En de Hollanders...”

Johannes werd in de rede gevallen door een der roeiers, die voor aan

den boeg der prauw zat en toeriep dat kotta Djankang vooruit in het

gezicht was. En jawel, daar lag de versterking, fier en indrukwekkend

op haren heuveltop. Wat haar voor onze Europeanen een

onbeschrijfelijken indruk gaf, waren de vele hooge masten, die boven de

palissadeering uitstaken en waarop uitgebleekte bekkeneelen prijkten.

Aan den waterkant stond de „tomoi” van waar een trap tot op den

waterspiegel afdaalde. De prauw legde daar aan en het Poenanhoofd steeg

aan wal.

In gespannen verwachting zaten de reizigers elkander aan te staren. Wat

zou hun verder lot zijn? Maar zij hadden niet lang tijd, zich daar

verder in te verdiepen. Harimaoung trad met zijn oom Amai Kotong, een

bejaarden evenwel nog flinken Dajak, naar buiten en gaf onzen vrienden

te kennen, dat de kotta, zoo als zij daar stond, met alles wat er in

was, te hunner beschikking was. Dat woord was er nauwelijks uit, of de

roeiers sprongen aan wal en begonnen onder leiding van Dalim den inhoud

der prauw te lossen.

Na een eerste kennismaking met hun gastheer, gingen de Europeanen ook

aan den slag. Alle krachten moesten worden ingespannen. De dag was

reeds ver gevorderd en het was niet onmogelijk dat de vervolgers al

heel gauw zouden verschijnen. La Cueille en Schlickeisen zouden zich

beijveren de zes stukjes geschut, die in de prauw aanwezig waren, in

positie te brengen, de munitie op te bergen en de wapening der

bezetting na te zien. Wienersdorf zou zich met de verdediging belasten;

hij moest de inrichting der versterking en hare omgeving nagaan.

Johannes zou de approviandeering voor zijn rekening nemen en daarover

zijn aandacht laten gaan, terwijl bovendien het opperbevel in zijne

handen zoude berusten.

Allen waren dadelijk in de weer en het behoeft niet gezegd te worden,

dat La Cueille het hoogste woord voerde en de meeste drukte vertoonde.

Bij de bezichtiging der sterkte vonden de nieuwbakken artilleristen

onder de gebouwen eenige ijzeren „garaboes” (dajaksche benaming voor

kleine kanonstukjes) opgeborgen, die evenwel onbruikbaar bevonden

werden. Dat wil zeggen, men zou ze ergens een plaats verschaffen, om

vertooning te maken, maar het werd ongeraden geoordeeld, er met scherp

uit te vuren. Een tamelijke voorraad buskruit was aanwezig en die,

gevoegd bij het medegebrachte, verbande iedere zorg, dat daaraan

vooreerst gebrek zoude kunnen komen. Eenige oude vuursteengeweren

werden nog gevonden, maar ook die werden alleen bruikbaar geheeten, om

met los kruit te schieten. Toen de munitie behoorlijk opgeborgen was,

plaatsten de Europeanen, door eenige Dajaks geholpen, op elk der

saillanten aan de landzijde twee stukjes geschut in batterij, waartoe

zij een paar palissaden ter halvermans hoogte uitzaagden om een

ruimeren bestrijkingskring te verkrijgen. Op ieder der andere

saillanten werd een stukje geplant.

Gedurende die bedrijvigheid had Wienersdorf de binnenruimte der

versterking in oogenschouw genomen. De banketten, die langs de

palissadeering zoowat een manslengte onder de kruin aangelegd waren,

liet hij hier en daar verbeteren en versterken door er eenige planken

over heen te laten leggen. In het midden der vier facen, maar vooral in

de nabijheid der saillanten liet hij schietgaten breken om een vrij

gebruik der handvuurwapenen te kunnen maken; en eindelijk, toen hij

daarmee klaar was, zocht hij uit een grooten houtstapel, die in de

versterking aangetroffen werd, eenige balkjes en beijverde hij zich

daarvan op een der hoogste gebouwen een soort van geblindeerd

schilderhuis samen te doen stellen, van waaruit zonder gevaar de

geheele omtrek te overzien was.

In dien tusschentijd had ook Johannes zijn taak volbracht. Hij had de

proviand onder dak gebracht en daarbij eens in oogenschouw genomen,

welke hulpmiddelen kotta Djankang zoo al opleverde. Die inspectie had

zeer bevredigende uitkomsten opgeleverd. Niet alleen was er rijkelijk

rijst van den jongsten oogst voorhanden, maar ook een groote voorraad

poendang [71], terwijl verder nog twee verbazend groote herten, welker

lichamen nog warm en dus geheel versch bevonden werden en die dan ook

eerst in den namiddag van dien zelfden dag gestrikt waren, werden

aangetroffen. Bovendien waren nog een twintigtal varkens en een groote

menigte kippen, eenden en ganzen aanwezig, die knorrende, kakelende en

kwakende, maar overigens in de grootste eendracht onder de gebouwen

leefden. Over dat bevind van zaken innig tevreden, spoedde de

opperbevelhebber zich naar buiten aan het hoofd van een sterken troep

Dajaks met den mandauw in de vuist, om het omliggend terrein van

allang-allang [72] en struikgewas, waarachter een vijand de versterking

onzichtbaar zoude kunnen bekruipen, te zuiveren en de trap, die langs

de steile oeverhelling toegang tot de rivier verleende, in te halen.

Toen hij met dat alles gereed was, ontmoette hij bij het binnentreden

der versterking Amai Kotong, die met eenigen der zijnen van uit de

tuinen en de daaraan grenzende wildernis terugkeerde, alwaar zij een

aardigen voorraad „sahang roebit” (wilde spaansche peper, bij de

Maleiers lombokh rawit geheeten), knolvruchten, klappers, bamboe-toppen

enz. enz. verzameld hadden; allen zaken, die, bij een mogelijke

insluiting, als toespijs zeer goed te stade zouden komen. Ook had de

Amai een zijner zonen de soengei Mawat opgezonden, om zijne

onderhoorigen daar ten strijde op te roepen.

De metgezellen van Harimaoung Boekit hadden zich onledig gehouden met

de spitsen van hunne pijltjes en die der bezetting van kotta Djankang

af te schrapen en op nieuw in krachtvol vergift te doopen. Hun hoofd

was evenwel met zijn oom naar buiten getreden en had, terwijl diens

volgelingen volijverig fourageerden, een ernstig en langdurig gesprek

met hem gehad.

Toen de zon ondergegaan was, waren alle voorloopige maatregelen

getroffen, die de kotta met hoop op goeden uitslag zouden gedoogen

krachtigen tegenstand te bieden. Op ieder der saillanten, ook in het

geblindeerd schilderhuisje werden twee schildwachten geplaatst en

zouden de Europeanen om beurten twee aan twee te zamen de wachtdienst

verrichten, om zoodoende overtuigd te zijn, dat behoorlijke

waakzaamheid zoude uitgeoefend worden ten einde tegen een overval

beveiligd te zijn.

Na al die beschikkingen getroffen te hebben, zaten onze deserteurs,

die—wij mogen zulks niet vergeten,—nog altijd voor hunne omgeving hunne

vermomming volhielden, bij elkander het heerlijke avonduur te genieten.

Het was een paar dagen voor volle maan. De lucht was helder en bewolkt;

de warmte had, na het verdwijnen der zon, plaats gemaakt voor een

verfrisschende en aangename koelte, die, gepaard aan het zachte licht,

door de nachtvorstin verspreid, die uren onder de tropen tot de

genotvolste der wereld maken. Natuurlijk waren de gebeurtenissen van

den laatsten tijd en hetgeen de toekomst kon opleveren, schering en

inslag van het gesprek en werd velerlei meening geopperd over den

uitslag der vermoedelijk aanstaande gevechten.

„Och! dat ze toch te vermijden waren, die gevechten!” zuchtte

Wienersdorf. „Bloed, altijd bloed! ’t Is een schrikkelijke tocht.”

„Zeur toch niet. Daar moet je nu maar over heen,” antwoordde Johannes

knorrig, „als je daar zoo tegen op ziet, dan hadt je maar thuis moeten

blijven.”

„Thuis!” was de heimwee-zucht des Zwitsers.

„Daarenboven,” vervolgde Johannes, „we doen niets dan ons verdedigen.

We hebben nog geen slag toegebracht of geen schot gelost, tenzij men er

ons toe dwong. Zooveel mogelijk zullen we zoo blijven doen.”

Terwijl zij nog zoo zaten te praten, vernamen de deserteurs eensklaps

een zacht gesnik, dat van een vrouw scheen te komen. Zij keken elkander

aan en wisten niet wat dat beduidde. De vrouwen, die in de versterking

aanwezig waren, hadden zij allen gemonsterd. Die hadden zich, zonder

door de jaloerschheid hunner heeren en meesters gehinderd te worden,

vrij en ongedwongen te midden der vreemdelingen bewogen en menige gulle

lach was haar ontlokt door de kleine onhandigheden der nieuwbakken

Dajaks. Alleen de Sjech met zijn tulband, had haar eerbied ingeboezemd.

Er waren ouden en jongen, mooie gezichten en afzichtelijke besten

onder; maar bij allen was een zekere luchthartigheid en vroolijkheid,

ja zelfs iets dartels op te merken; zoodat dat snikken thans daar wel

bij afstak. Ons viertal keek uit in de richting van waar dat weemoedig

geluid kwam, maar hoewel de maan onbewolkt aan den hemel stond en alles

met haar zilverlicht overgoot, wierpen toch de gebouwen in de

versterking aanwezig, zulke zwarte schaduwen over de binnenruimte, dat

niets te ontwaren was. La Cueille, de meest galante van het viertal,

stond op om te gaan kijken, wat dat gesnik beduidde. Binnen weinige

oogenblikken was hij terug en verhaalde met eenige ontroering, dat daar

ginds bij dat hooge gebouw, waarin Amai Kotong woonde, een groote kooi

stond, die veel op een tijgerval geleek, evenwel veel hooger was,

waarin een vrouw opgesloten zat. Zij was het, die zoo snikte. Hij had

haar aangesproken en ook antwoord bekomen, maar wat zij gebrabbeld had,

was voor hem onverstaanbaar gebleven.

Johannes barstte in lachen uit:

„Och wat, de een of andere nurksche echtgenoot zal zijn zachtzinnige

wederhelft opgesloten hebben, om haar mores te leeren. ’s Lands wijs,

’s lands eer.”

„’t Is toch te erg, iemand van het teedere geslacht als een wild dier

in een kooi op te sluiten,” meende Schlickeisen.

„Die luidjes van het teedere geslacht zijn soms katjes, die niet beter

verdienen,” lachte de andere. „Kom, ik ga eens kijken; ik zal met dat

exemplaartje wel kunnen praten.”

Maar nog voor hij opgesprongen was, om zijn voornemen te volvoeren,

verscheen Dalim, die hem die moeite bespaarde. Wat die te vertellen

had, om dat gesnik te verklaren, ontzette onze reizigers zeer. Voor een

oogenblik bracht hij aller herinnering naar het meer Ampang terug, toen

Harimaoung Boekit zijn overwinnaar Wienersdorf met zijn bloed en

omgekeerd zich zelven met dat des Zwitsers besmeerd had.

„Dat was slechts een voorloopige plechtigheid,” ging de Dajak voort,

„die zeer bekort was door de omstandigheden. Gij beiden zijt toen van

twee vijanden, die naar elkanders leven stonden, broeders geworden.

Maar de Dajaksche gebruiken vorderen een geheel andere plechtigheid om

dien band van bloedverwantschap van kracht te maken. De plechtigheid,

die morgen zal plaats hebben heet: „indoe sapan pahamban” of

verzoeningseed, en zal gepaard gaan met het „hatoendi daha” of verbond

met bloed bezegeld. Toen we gisteren aankwamen heeft Harimaoung Boekit

dadelijk den toestand aan zijn oom bekend gesteld en te zamen hebben ze

een pandeling uitgezocht, die morgen geslacht zal worden.”

„Geslacht,” riepen de Europeanen met ontzetting uit.

„Ja, geslacht,” was het kalme antwoord. „Harimaoung Boekit heeft ons

aangevallen; ten gevolge van dien aanval zijn menschen gedood, anderen

zijn gewond; zoodat er volgens den Dajakschen adat ten volle

bloedschuld bestaat. Die kan niet uitgedelgd worden dan door den

marteldood van een pandeling, die in de Kawawohan boelau [73] later

Wienersdorf als slaaf zal bedienen.”

„De marteldood! maar dat zal niet geschieden!” riep de Zwitser vol

vertwijfeling, „dat zal ik nimmer toelaten!”

„Daar kunt ge niets aan doen,” viel Dalim in, „en alles wat ge zoudt

willen doen, kan onze zaak slechts bederven. ’t Zal beschouwd worden,

alsof de verzoening door u niet gewenscht wordt, alsof ge berouw hebt,

het Poenanhoofd het leven geschonken te hebben. Het slachtoffer is

reeds gekozen, heeft zijn naam als mensch reeds verloren en heet thans

„kabalik” van „kabal” ongevoelig, levenloos. Het is die vrouw, die ge

hebt hooren snikken. Wel mag ze snikken, het arme schepsel, ze is

moeder van twee kinderen, die nog hulpbehoevend zijn.”

„Afschuwelijk!” voer Wienersdorf in de uiterste wanhoop uit. „God! is

daar dan niets aan te doen? Is die gruweldaad niet te verhinderen? Maar

komaan,” ging hij met woestheid voort, „de Poenan kan denken wat hij

wil. Nu spijt het me, dat ik hem gespaard heb. O! had ik dat monster

maar vertrapt. Ik ga hem spreken, ik zal hem het leven van die vrouw

vragen en weigert hij mijn bede, dan moge God mij genadig zijn, maar

dan daag ik den aterling uit en dan zal slechts mijn dood zijn leven

kunnen redden.”

„Bedaar en bedenk, dat ons aller leven hierbij gemoeid is,” stuitte

Johannes dien woordenstroom, „en ge hebt geen recht daarmede, ter wille

eener kinderachtige teergevoeligheid te spelen.”

„Ik wil....”

„Je wilt het leven van die vrouw redden,” ging de spreker ernstig

voort, „dat is mooi, dat is edel...”

„Welnu dan...”

„Laat me uitspreken,” gebood Johannes met nadruk, „dat is mooi, dat is

edel, ik herhaal het; maar, om dat leven te redden, stel je niet alleen

het uwe in gevaar, maar ook het onze. Over het uwe ben je heer en

meester; maar zou je denken, dat wij het onze voor die ziekelijke gril

maar zoo opofferen zullen? Neen, voor den duivel, neen!” en met

opgewondenheid op zijn geweer slaande: „we zullen ons als mannen

verdedigen en ik verzeker je, dat, alvorens we bezweken zullen zijn, de

lijken, die rondom ons opgehoopt zullen liggen, geen kinderachtig getal

zullen uitmaken. Is nu die vrouw zoo’n hecatombe waard? Vraag dat je

geweten af; die vrouw, die geen zelfstandig leven bezit, die slechts

als „anak olo” (menschenkind), „batang olo” (vermolmd stuk van een

mensch) of wel „pai lengèh” (armen en voeten) genoemd wordt, om aan te

duiden, dat zij als pandelinge geen aanspraak op den naam van mensch

heeft, en dat zij slechts „armen en voeten” is om voor anderen te

arbeiden. Bevrijdt ge haar nu ten koste van de vele offers, die ik

opsomde, dan over een week, wellicht morgen reeds, wordt ze andermaal

uitgezocht om als kabalik te fungeeren en zal je opoffering en de

menschenslachting, waarvan gij de oorzaak zult geweest zijn, volkomen

nutteloos zijn.”

„Schrikkelijk! schrikkelijk!!” riep de Zwitser, terwijl hij wanhopig de

handen wrong en als vernietigd daar neer zat.

„Luister!” ging Johannes met den hoogst mogelijken ernst voort.

„Gijlieden hebt mij uit vrijen wil tot leider van onzen

ontvluchtingstocht gekozen. Gij allen hebt beloofd mij gehoorzaamheid

te bewijzen, wanneer we ons te midden der inlandsche bevolking zouden

bevinden. Welnu, ik eisch thans gehoorzaamheid, stipte gehoorzaamheid,

niet uit een gril, maar tot ons aller welzijn. En die gehoorzaamheid

zal voorshands bestaan, in het laten gebeuren, wat we niet verhinderen

kunnen. ’t Is geen wreedheid, noch gevoelloosheid, die me zoo doet

spreken, maar uitsluitend zelfbehoud. Maar.... kunnen we ons niet tegen

afgrijselijkheden verzetten, die onder onze oogen gepleegd worden,

laten we dan ten minste ons hart lucht geven door een vloek uit te

spreken over de beschaafde natie, die het grootste gedeelte van dit

groote eiland onder haren schepter houdt en de macht niet bezit,

gruwelen, zooals we morgen aanschouwen zullen, afdoende te bestrijden;

over de natie, die uit schraapzucht niet eens beproeft die gruwelen

tegen te gaan en uit kruidenierswangunst ieder ander Europeesch volk

tracht buiten dat eiland te houden, dat de taak der menschheid van haar

zou kunnen overnemen. God helpe! Voor de vrijmaking van de slaven in

West-Indië, besteedde Nederland schatten en toch wat was het lot der

negers zacht in vergelijking van dat der „djipens” hier. Maar in

West-Indië deed men mede in het algemeen concert van huichelende

menschenmin; zichtbaar wilde men zich toch ook eens menschlievend

toonen, dat poseerde; maar om aan de menschonteerende wandaden, die in

dezen achterhoek, Borneo genaamd, geschieden en waarmee Europa niet

bekend raakt, een einde te maken heeft men geen dubbeltje over.”

De Sienjo was prachtig in zijn verontwaardiging. Hij had het hoofd in

den nek geworpen, zijn borstkas zwoegde stormachtig op en neer. Zijn

fraai gelaat drukte onverholen de verachting uit, die zijn ziel

vervulde.

„Morgen,” ging hij ontembaar en met sissende stem voort, „morgen

wanneer de euveldaad zal voltrokken worden, zal ik Neerland’s driekleur

aan den vlaggestok in top halen. Onder de plooien van die vlag moet de

schanddaad, die we niet verhoeden kunnen, voltrokken worden. ’k Wil dat

het bloed van de arme vrouw, wanneer deze zich onder de martelingen zal

krommen, spatten zal op die heldere banen, waarop iedere bevlekking

zichtbaar is.”

Hij zweeg een poos en vervolgde toen meer bedaard:

„Kom! laat ons onze wachtposten betrekken. Wienersdorf en ik zullen

thans rusten, de beide anderen waakzaam zijn.”

En zich tot Schlickeisen en La Cueille wendende:

„Roept ons tegen middernacht,” zeide hij, „dan zullen we u aflossen. En

nu goeden nacht!”

„Goeden nacht! O God! wat een nacht!” mompelde Wienersdorf bij zich

zelven, terwijl hij gedwee medeging.

Die nacht zou ongestoord voorbijgaan.

Toen de maan zoo omstreeks te half vijf uur onderging en het alom

donker was, sloop Wienersdorf, de gelegenheid waarnemende, dat Johannes

zich met een der schildwachten onderhield, over hetgeen deze meende

gezien te hebben, naar de karandah (kooi), waarin de arme vrouw, die

geslacht zou worden, opgesloten zat, en vond haar in een diepen slaap

gedompeld. Hij maakte haar zachtkens wakker, verbrak met veel

inspanning eenige traliën van haar gevangenhok en noodigde haar uit dat

te verlaten. Hij zou de kooi openen, dan kon zij in het woud

ontvluchten. Helaas! de arme vrouw, verschrikt een geheel onbekend

persoon in het duister voor zich te zien, weigerde die akelige kooi te

verlaten. In den voornacht was een Balian [74] bij het arme slachtoffer

verschenen, had haar het hoofd met blauw zand bestrooid en daarbij met

zachte stem een bezweringsformulier gezongen. Door de kracht van die

bezwering was Sangiang Tempon Telon[74] genoodzaakt geweest uit zijn

verheven verblijf neder te dalen, om de ziel aan het lichaam van de ter

dood veroordeelde te ontvoeren. Zij had de aanwezigheid van den

Sangiang gevoeld; tastbaar was hare ziel ontweken, zij was nu niets

meer dan een gevoelloos wezen, dat zonder ziel toch, voor dat de nacht

andermaal inviel, geheel overleden zoude zijn. De beulen konden haar nu

martelen zooveel hun lustte; na die mangang koeït (zielsontvoering) zou

zij er niets van voelen. Daarenboven, wat zou zij arme vrouw in het

woud moeten aanvangen? Hier waren hare kinderen, hare ziel zou die

omzweven en, zooveel in haar vermogen was, voor onheilen behoeden.

Ginds in de wildernis zou zij geheel hulpeloos zijn. Waar zou zij

voedsel vinden? Wie zou haar tegen de kajau’s verdedigen? Neen, neen,

zij wilde niet weg.

De Zwitser bad en smeekte haar om toch te vertrekken. Hij wrong de

handen; hij klemde zich aan de traliën van de noodlottige kooi vast.

Alles, alles te vergeefs! Johannes vond hem daar in volle

vertwijfeling. Hij nam hem onder den arm en voerde hem weg. Vol

medelijden trachtte hij den wanhopige het onverstandige van zulk een

weekhartigheid onder het oog te brengen en hem het onverantwoordelijke

aan te toonen van zijn pogingen om die vrouw te doen ontvluchten. Het

verzoeningsfeest zou door die vlucht niet eens uitgesteld zijn

geworden, want een ander slachtoffer zou spoedig aangewezen zijn;

terwijl een verbitterde jacht zoude gemaakt worden op de arme

vluchtelinge, die niet dan met hare gevangenneming zoude gestaakt

worden; een gevangenneming die spoedig door een vreeselijken marteldood

zoude gevolgd worden.

Wienersdorf zuchtte diep, maar antwoordde niet. Och! hij was niet

overtuigd en het mocht gelukkig genoemd worden, dat de dag aanbrak,

waardoor iedere poging, om het slachtoffer aan haar lot te onttrekken,

moest opgegeven worden.

De nacht was rustig voorbij gesneld. Geen vijand was bespeurd. Zoodra

het eenigszins schemerde, werden door Amai Kotong een paar zijner

Dajaks, in een djoekoeng gezeten, stroomafwaarts gezonden, om bij den

eersten hoek, dien de rivier daar vormde, post te vatten. Zij zouden

dienen als vooruitgeschoven schildwachten. Van dien hoek hadden zij een

vergezicht over den stroom, en konden de nadering van prauwen door

signalen aan de kotta mededeelen.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 55 / 77 题