XVI.

Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De

echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta

Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen

groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De

olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de

hoogere streken.—Harimaoung Boekit.

Het was ongeveer zonsondergang toen onze reizigers kotta Baroe

bereikten.

Kotta Baroe speelde eens een niet onbelangrijke rol in de geschiedenis

der boven-Kapoeasstreken. Hare ligging aan de grenzen, waar het

alluviaal zich aan het diluviaal terrein aansluit, zal ten allen tijde

hare waarde behouden. Nog slechts korten tijd vóór dat onze deserteurs

daar aankwamen, verhief er zich een Dajaksche sterkte, die de geheele

rivier beheerschte. Een booswicht van de ergste soort had zich daar

gevestigd. Zijn naam was Djoeragan Kaout. Hij gaf voor een Javaan te

zijn. Inboorlingen evenwel beweerden, dat hij te Pangko, een kampong

van de beneden Kahajan, uit volbloed Dajaksche ouders geboren was. In

zijn jongelingsjaren oefende hij het beroep van zeeroover uit. Hij

woonde toen in een der talrijke soengei’s, die zich in gemelden stroom

uitstorten, en trok van daar uit om de omliggende vaarwaters af te

schuimen.

Wee het vaartuig, dat in zijn macht viel!

Legio waren de verhalen der heldenfeiten, die hij met een soort van

genoegen kon opdisschen; en onder die verhalen namen die niet de minste

plaats in, welke de parten moesten verkondigen, die hij den

Nederlanders gespeeld had. Was hij goed gehumeurd, dan noemde hij die

steeds „bawoi boelan” (wit wild varken) en zijn meest saillant verhaal

was, dat hij eens onder de Javakust door een Hollandsch oorlogsschip op

het strand was gejaagd. Wat viel er te doen, vroeg hij, tegen de zware

kanonnen van die witte zwijnen? Hij had toen op den hoek van Indramajoe

een versterking opgeworpen en die drie weken lang tegen de bemanning

van dat schip verdedigd. Hij lachte steeds, dat hem de tranen over de

wangen rolden, wanneer hij vertelde, dat hij in een stikdonkeren nacht

met een deel zijner manschappen de hem belegerende matrozen had

overvallen en, na er een aantal van neergehouwen te hebben, de

overblijvenden in hun onderbroek, sommigen zelfs zonder dat

kleedingstuk, naar hunne sloepen gedreven had. Hij was onmatig in zijn

lachlust bij het verhaal, dat een der officieren met zijn bloote kuiten

in een nest van roode mieren te recht was gekomen. Den volgenden dag

kwamen wel is waar die Hollanders terug, maar toen had hij zich uit de

voeten gemaakt. Dat van het geheele verhaal niet veel waar was, behoeft

wel niet verzekerd te worden, maar zoo iets poseerde en de mogelijkheid

van blanken met of zonder hemd en onderbroek te hebben doen vluchten,

werd door niemand betwijfeld. Het was te koddig om niet waar te zijn.

Gewoonlijk lachte het geheele auditorium hartelijk mede, wanneer die

episode opgedreund werd.

Op lateren leeftijd, toen hij zich rijk genoeg meende geroofd te

hebben, verliet Djoeragan Kaout het zeerooversleven en vestigde zich te

kotta Baroe, alwaar hij een geduchte versterking bouwde en er zich

voornamelijk op toelegde de bevolking dier streken uit te zuigen. Voor

een inlander had hij een vrij groote handelskennis en beijverde hij

zich dan ook de producten van het land in te ruilen voor lijnwaden,

tabak, messen, zout, enz. enz. Had hij zich nu daartoe slechts bepaald,

dan, hoe groot de woekerwinsten ook waren, die hij nam, zoude zijn

verblijf in die streken ten zegen hebben gestrekt aan die

oorspronkelijke bevolking. Maar zijn hoofdbemoeiingen waren niet de

handel, maar veeleer zich in geschillen zijner buren te mengen; die

geschillen te verergeren, door de gemoederen te verbitteren, door haat

en nijd aan te blazen en zich zijn tusschenkomst grof te laten betalen.

De Dajaks zijn een zeer proceszuchtig volk, die steeds quaestieuse

zaken onder elkander hebben en als het ware zonder deze niet leven

kunnen. Veelal hebben zij het hoogste goed, dat de mensch bezit, de

vrijheid, veil, om aan dien hartstocht te kunnen voldoen. Bij

onvoldoende middelen toch, om de boeten en de proceskosten te betalen,

wordt menig proceslustige pandeling, wat zeggen wil slaaf. Slaaf in de

afzichtelijkste beteekenis van het woord. Want pandeling is slechts een

huichelachtige benaming, onze XIXe eeuw volkomen waardig.

Op die wijze en ook door geregelden aankoop was Djoeragan Kaout in het

bezit gekomen van ruim tweehonderd pandelingen van beiderlei kunne,

waarvan zoowel de vrouwen als de mannen zwaren arbeid voor hem moesten

verrichten, en de eerstgenoemde ook nog tot onzedelijke doeleinden

werden uitverhuurd. Werden zijne pandelingen oud, zoodat door gebrek

aan arbeidskracht voor waardevermindering te vreezen was, dan verruilde

hij ze tegen jongere of verkocht ze om als offers bij

begrafenisplechtigheden, verzoeningsfeesten of anderszins geslacht te

worden.

Nimmer had hij zich goedschiks aan het Nederlandsche bestuur

onderworpen. Had hij ook al een enkelen keer een tevreden gezicht

gezet, wanneer hij met een Hollandsch beambte in aanraking gekomen was,

het was met een nevengedachte dat hij huichelde en niet altijd had hij

zulk een beambte eerbiedig ontvangen. De vrees voor geduchte kastijding

alleen had hem langen tijd van openlijk verzet weerhouden. Toch

handelde hij meestal zoo als hij verkoos en lachte om de gegeven

bevelen. Zoodra de opstand in 1859 in het Bandjermasinsche rijk

uitbrak, schaarde hij zich openlijk aan de zijde des verzets en het was

voornamelijk aan hem te wijten, dat de Dajaks van Poeloe Petak en van

de beneden Kapoeas zich onder de vanen des opstands schaarden en de

zendelingen te Tangohan en in de Kahajan vermoordden. Hij was het, die

in Augustus 1859 de overrompeling van het fortje Poeloe Petak

aanvoerde. Een paar maanden later poogde hij op listige wijze andermaal

dat fortje binnen te dringen, maar die toeleg werd bijtijds ontdekt en

verijdeld. Gedurende dien opstand waren de bovenlanden geheel aan zich

zelven overgelaten en was de kans schoon voor Djoeragan Kaout om zich

aan alle mogelijke euveldaden schuldig te maken. Nimmer was de

verwarring daar zoo groot geweest. Maar de dag der vergelding kwam

nabij.

In het begin van Januari 1861 werd de kommandant van Kwala Kapoeas door

het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara gewaarschuwd, dat

Djoeragan Kaout, onder den schijn zich te komen onderwerpen, met een

groot gevolg zou komen, om het fort te overrompelen. Hij was zoo zeker

van zijn zaak, dat hij reeds een ruilhandel had aangegaan met

betrekking tot het hoofd van den kommandant en wel tegen zulk een

aanzienlijken prijs, dat die officier er trotsch op kon zijn zijn bol

zoo hoog geschat te zien. Maar deze, met het volkje bekend, waarmee hij

omging, huldigde de leus: „pas op je kop”. Hij gaf geen gehoor aan den

Tomonggong, die hem den raad gaf, den muiter niet te ontvangen.

Integendeel hij liet dezen met zijn geheele macht voor het fort

verschijnen; maar toen Djoeragan Kaout op den steiger aan wal gestapt

was, schoof een peloton soldaten tusschen de prauwen, waarin zijn

talrijk gevolg gezeten was. Wel riep de hoofdopstandeling: „amokh!

amokh!!” en wilde hij zijn mandauw trekken, maar de kommandant greep

hem bij den rechter pols, terwijl een korporaal hem bij den anderen arm

vatte. Het peloton soldaten hield met aangelegde geweren de volgelingen

in bedwang, terwijl Tomonggong Nikodemus hun toeriep, zich stil te

houden en hen op de kanonnen wees, die, op de aanlegplaats gericht,

gereed stonden om vuur te geven. In een oogwenk was de booswicht onder

het oog van zijn gevolg gekneveld en binnen het fort gebracht. Zijn

aanhang kreeg nu bevel om de nabijheid van het fort te verlaten en naar

de Kapoeas terug te keeren. Weinige weken later sprak de krijgsraad te

velde de doodstraf door middel van den strop over Djoeragan Kaout uit,

en werd die te Bandjermasin voltrokken.

Niet langen tijd daarna deed de echtgenoote van den gevonnisde, een

zeer schoone Dajaksche vrouw, den kommandant van Kwala Kapoeas

aanbiedingen om als zijn huishoudster op te treden. Maar de goede raad

van den ouden braven Tomonggong behoedde hier den jongman voor het

ergste verraad. Later heeft die vrouw het districtshoofd verweten, dat

hij haar verhinderd had, haren man te wreken; ze had het vergift reeds

bij zich toen zij haar aanbod deed en zij had op hare schoonheid

gerekend om een gemakkelijke overwinning te behalen.

Teruggekeerd te kotta Baroe, zette die vrouw het woeste bedrijf haars

mans voort, voerde koppensnellerstochten aan, hief belastingen en

tolrechten bij doorvoer van alle handelsprauwen, eigende zich

pandelingen van anderen toe, ja ontzag zich niet, vrije mannen te laten

oppakken en tot slavernij te doemen. De klachten, die te Kwala Kapoeas

inkwamen, klonken al luider en luider en eindelijk vertoonde zich weer

voor het eerst een stoomschip te kotta Baroe, bij welke gelegenheid aan

al de pandelingen van Djoeragan Kaout de vrijheid werd hergeven, de

versterking geslecht en zoo de invloed van die heerschzuchtige en

wraakzuchtige vrouw werd geknakt. Zij is sedert verdwenen. Het gerucht

liep, dat ze naar de boven Katingan was gevlucht en zich daar

metterwoon gevestigd had.

„Ziet daar de geschiedenis van kotta Baroe in den laatsten tijd,” zoo

besloot Johannes het verhaal, dat hij gedurende den overtocht geleverd

had. „De bevolking is thans rustig en heet goedgezind. Het zijn evenwel

koppensnellers in hun hart, die van de beschaving niet meer willen

weten, dan in hun kraam te pas komt. We zullen hier een oogenblik

aanleggen. Dalim heeft eenige kennissen te raadplegen over het

voortzetten der reis, terwijl ik zal trachten een versterking aan

roeiers te bekomen.”

Dalim en Johannes stapten aan wal. De bevolking van kotta Baroe had al

nieuwsgierig uitgekeken, toen zij die prauw, waarboven de Nederlandsche

vlag wapperde, zag naderen. Johannes met het bevelschrift in de hand,

dat hij aan Damboeng Papoendeh ontnomen had, eischte een twintigtal

roeiers in daghuur, om de prauw naar de bovenrivier te brengen. Dat

papier, hetwelk niemand lezen kon, maar waarop het Nederlandsche wapen

in rood lak afgedrukt stond, maakte indruk; nog meer de toezegging, dat

ieder roeier tot belooning een rijksdaalder voor zijn diensten en, was

men tevreden, nog een steng tabak tot geschenk zoude ontvangen. Vooral

de tabak verlokte velen en toen Johannes een mand van het nicotiaansch

kruid uit de prauw liet boven brengen en het hoofd een paar stengen

aanbood, waren alle beschikkingen snel getroffen. Een luid gejuich

verhief zich. Als om strijd boden een aantal wakkere borsten zich aan

om te roeien en weldra hadden zij hunne legmatjes met hunne

hoofdkussens in de prauw gebracht, hunne beseai’s gegrepen en waren zij

gereed om de reis mede te aanvaarden. Johannes deed hier ook nog goede

zaken; hij ruilde nog twee manden tabak voor vijf pikols rijst en een

zakje zout. Volgens hem waren ze nu geapproviandeerd voor de geheele

reis; vooral daar zij die twintig roeiers, die ze hier te kotta Baroe

aan boord namen, slechts een tiental dagen zouden gebruiken. De vier

pandelingen van Bapa Andong werden aan het kottahoofd overgegeven met

opdracht die menschen met de eerste de beste gelegenheid naar Kwala

Kapoeas terug te zenden. Grootmoedig gaf Johannes hun ieder tot

belooning hunner diensten een rijksdaalder en betuigde hun zijn

tevredenheid. Dit alles geschiedde in naam van het Nederlandsch Indisch

bestuur; en die gevlagde prauw, en dat gezegeld papier waren zoovele

afdoende bewijzen, dat Johannes een afgezant van het Gouvernement der

„Olo bapoeti” (witte menschen) was, die volgens zijn voorgeven, de

opdracht had verkregen te trachten met de Olo Ott, de woeste wilde

stammen in de binnenlanden, in aanraking te komen en omtrent hunne

gezindheid verslag uit te brengen. Ook de milde betaling aan de roeiers

en de geschenken in tabak stijfden de bevolking in de meening dat zij

met zendelingen van het Nederlandsch bestuur te doen had.

Daar boven kotta Baroe geen gemunt geld meer gangbaar is en men zich in

de binnenlanden van Borneo niets kan aanschaffen dan door middel van

ruilhandel, zette Johannes al het baar geld van het reisgezelschap

tegen eenige stukken sits en andere lijnwaden, maar vooral tegen

stofgoud van de hand. Al reeds van Kwala Hiang af vertoont dat edel

metaal zich, evenwel nog in geringe mate, in het aangeslibde zand der

rivier. Te kotta Baroe is de productie al reeds de ontginning waard en

komt het stofgoud als handels- of liever als ruilartikel voor. Als

vertegenwoordiger van het Nederlandsch Gouvernement werd Johannes

welwillend behandeld en verkreeg hij de thaël [60] gouds voor 55

gulden, terwijl die te Bandjermasin een waarde heeft van 60 tot 70

gulden.

Twee uren waren zoo omstreeks verstreken sedert hun aankomst te kotta

Baroe, toen onze avonturiers weer tot vertrek gereed stonden. Dalim

evenwel was nog niet verschenen. Deze had een paar kennissen opgezocht

en zat gezellig onder het genot van een pruimpje sirih te kouten.

Indachtig aan de langzaamheid van zijn landslieden en aan het

tijdroovende eener onderhandeling, als waarmede Johannes belast was,

had hij zich bij die kennissen op een matje neergevleid en had het

vertrekuur totaal vergeten. Toen hij geroepen werd, vloog hij op en was

in een ommezien op zijn post met den stuurpagaai in handen. Met kracht

schoot de prauw onder een roeislag van zes en twintig paar armen

vooruit en weldra was kotta Baroe aan het gezicht onttrokken.

Er werd nu bepaald, dat gedurende den nacht steeds twintig roeiers aan

den arbeid zouden blijven en de zes overblijvende gedurende twee uren

zouden rusten, waarna zij zes anderen zouden aflossen, die twee uren

later evenzoo zouden handelen. Zoo stevende de prauw rusteloos voort.

Intusschen viel het den beiden Zwitsers, als landmeetkundigen en

topografen, al spoedig op, dat de vaart merkbaar afweek van de tot nu

toe gevolgde richting. Was de hoofdstreek, werwaarts de prauw den

steven wendde tot nu toe noord geweest, thans scheen de rivier naar het

noordwesten te kronkelen. Aanvankelijk schenen de beide mannen te

aarzelen. Herhaaldelijk keken zij naar de sterren, maar de veelvuldige

buigingen van den stroom maakten een gezette waarneming hoogst

moeielijk. Eindelijk greep Wienersdorf zijn kompas, plaatste dat voor

zich en kwam ras tot de overtuiging dat, hoewel de prauw afwisselend

naar alle windstreken stuurde, de hoofdrichting thans noordwest was.

Johannes legde hem uit, dat de voornaamste bergketen, die Borneo

doorsnijdt, een hoofdstrekking heeft van het noordoosten naar het

zuidwesten en de uitloopers aan den zuidelijken kant van die keten naar

het oosten of zuidoosten afhellen. Dat is dan ook de terrashelling aan

dien kant van het gebergte. Bijna al de rivieren, die zich in de

Javazee uitstorten, nemen aanvankelijk een richting aan van het

noordwesten naar het zuidoosten, tot waar zij het alluviale terrein

binnentreden en hun loop van noord naar zuid veranderd wordt.

Terwijl onze reizigers zoo samen zaten te praten, kwam het gesprek

langzamerhand op de fauna van het land, dat zij doortrokken.

„Op een paar krokodillen na en eenige troepen apen, die als kwajongens

in de boomen gymnastiseerden, hebben we van de dierenwereld van dit

eiland nog niet veel gezien,” was de bemerking van Schlickeisen. „En

toch moet de dierenwereld in een land als dit krachtig vertegenwoordigd

zijn.”

„’t Mocht wat,” viel Johannes meesmuilende in. „In waarheid is Borneo

in dat opzicht zoo armelijk bedeeld, als geen der groote eilanden van

den Indischen archipel. Hier geen rhinocerossen, geen olifanten of

tijgers, zelfs geen inheemsche paarden. Wat hier in groote menigte

voorkomt, zijn slangen en tot die overbevolking schijnt de moerassige

bodem aanleiding te hebben gegeven. Die slangen-overbevolking is weer

oorzaak van de bijna totale afwezigheid van vogels, die in de

benedenstreken waargenomen wordt, daar dat kruipend gedierte tegen stam

en tak opklimt en de eieren opslurpt, of de jongen verzwelgt.”

„’t Is toch merkwaardig, dat het centraaleiland van den Indischen

archipel, het grootste van al de eilanden, waaromheen de anderen zich

als een krans slingeren, het allerminst bevolkt is met levende wezens,”

dacht Wienersdorf als het ware hardop. „Op Java behoort de tijger over

het geheele eiland thuis. In het westelijk gedeelte van dat eiland

wordt de rhinoceros aangetroffen en, mag men de geleerden gelooven, dan

zou het nog zoo lang niet geleden zijn, dat een kortmanige leeuwensoort

in het Bantamsche aangetroffen werd. Op Sumatra zijn de olifant, de

rhinoceros, de tijger, de jakhals in hun waar element. Op Celebes treft

men het paard in zijn schoonste vormen aan en is de bewering, geloof

ik, niet te gewaagd, dat dat edelste aller dieren daar eenmaal in het

wild aangetroffen werd. Alleen Borneo is geheel misdeeld.”

„Geheel misdeeld! is nu ook weer het woord niet,” was het wederwoord

van Johannes. „We hebben nog niet veel gezien van dat groote

centraaleiland, zoo als Wienersdorf het noemt. We zullen wel ervaren,

dat hier de apen in zoo’n groote menigte voorhanden zijn als ergens ter

wereld. We zijn hier in het paradijs van den orang oetan, den homo

silvarum, dien Darwin voorzeker voor oogen gehad heeft, toen hij zijn

stellingen over de afkomst onzer voorouders verkondigde en de

apenwereld volstrekt geen eer aandeed, met ons tot haar nakroost te

bestemmen. Troepen herten dolen door de bosschen en over de hoogvlakten

rond, die je omtrent een geheele misdeeling van het dierenrijk tot

andere gedachten zouden brengen.”

„Een hertenbout zou niet onwelkom zijn,” meende La Cueille met de

lippen smakkend. „Één bout slechts van dien overvloed! ’k ben, dunkt

me, niet te begeerig.”

„Heb geduld maar. Alles op zijn tijd. Maar om tot het onderwerp terug

te keeren. ’t Is waar, groote verscheurende dieren ontbreken, hoewel

het tijgergeslacht nog al overvloedig vertegenwoordigd is door een paar

kleine soorten als de panter en de tijgerkat [61], die voor den mensch

onschadelijk, toch al weer meehelpen om der vogelenwereld een wreeden

oorlog aan te doen. Een ander dier, dat nog al in de bosschen hier

aangetroffen wordt en van al de eilanden van den Archipel nog slechts

op Sumatra gevonden wordt, is de honig- of suikerbeer [62], die als

echte snoeper slechts voor de bijen een wezenlijke vijand is. Vindt ge

het geen gelukkige streek, waar de mensch aan den wal slechts zijn

natuurgenoot en in het water slechts den krokodil, dat andere

onverzadelijke monster, te vreezen heeft?”

„Maar waaraan zou dat ontbreken van groote dieren op Borneo toch toe te

schrijven zijn, terwijl die op de andere groote eilanden zeer talrijk

moeten genoemd worden?”

„’k Heb wel eens gelezen, dat de reeks eilanden, die bij de Pegu-golf

in Achter-Indië begint, en uit de Andaman en Nikobarische eilanden,

Sumatra, Java, Bali, Lombokh, Soembawa, Flores, Kwella, Ombaai, Timor,

Timor-laout enz. enz. bestaat, vroeger een groot vast land of eigenlijk

een groot schiereiland vormde, dat, met het tegenwoordige schiereiland

Malakka tot een geheel verbonden, zich eerst van het noorden naar het

zuiden en zuidzuidoosten, later van richting veranderende ter plaatse

waar thans Straat Sunda te vinden is, zich van het westen naar het

oosten uitstrekte en waarschijnlijk met Nieuw-Guinea samenhing. In den

loop der tijden zouden door geweldige omkeeringen en aardbevingen de

verschillende straten ontstaan zijn, die thans die eilanden van

elkander scheiden en als zoovele doorbraken den Indischen Oceaan tot de

Chineesche zee toegang verleenen. Is nu die stelling aan te nemen, dan

is het gemakkelijk te begrijpen, dat op die eilanden nog de meeste

dieren aangetroffen worden, die zich van hunne bakermat Voor- en

Achter-Indië daarover verspreidden.”

„Dat is mooi en wel voor die genoemde eilanden verklaard; maar voor

Borneo laat het nog alles in het duister.”

„Geduld, ik ben nog niet klaar. In die tijden dat die eilandengordel

nog een vast land uitmaakte, bestond Borneo nog niet en werd de plaats

daarvan ingenomen door een groot zeebekken, dat van het noorderstrand

van het tegenwoordige Java zich tot aan de Chineesche kusten uitstrekte

en ten westen door Sumatra, Malakka en Cochinchina en ten oosten door

Celebes en den Philippijnschen Archipel bepaald werd.”

„Mooi die uitlegging,” knorde La Cueille, „het laat zich hooren dat te

midden van dien waterplas geen rhinocerossen, olifanten en tijgers heen

en weer zwommen.”

Johannes keek den Waal bijna met verachting aan, maar vervolgde zonder

zich aan dat in de rede vallen te storen:

„Te midden van dat groote bekken verhieven eenige kleine koraaleilanden

hunne vlakke toppen boven de watervlakte. Door een langzame verheffing

van den bodem kwam de steen- en kleilaag, waarop die koraalafzettingen

rustten, allengskens boven water. De vorm, door die opheffing

verkregen, bepaalde een toekomstige hoofdbergketen, die van het

noordoosten naar het zuidwesten loopt, met een paar vertakkingen,

waarvan het Meratoesgebergte, met een strekking van noord naar zuid, de

voornaamste is; en een paar anderen met een richting van west naar

oost. Toen had het eiland, maar op veel grootere schaal, nagenoeg de

gedaante van Celebes met zijn diep ingesneden bochten en zeeboezems. De

aanmerkelijke waterafvoer van die toppen en ook de verdere opheffing

des bodems, vulden die bochten en zoo verkreeg Borneo de gedaante die

het thans heeft, maar niet behouden zal.”

„Waarom niet?” vroeg Schlickeisen.

„Omdat het nog in volle vorming verkeert. Of de langzame opheffing van

den bodem nog voortduurt, weet ik niet. Andere bollen dan de mijne

zullen dat moeten uitmaken. Om dat te constateeren, zullen een reeks

van waarnemingen moeten gedaan worden, waarvan, als ik het wel heb, de

eerste nog niet geschied is. Maar de aanslibbing gaat voort en ’t is

opmerkelijk, hoe aan de zuidkust het terugdringen van de zee en het

vooruitschuiven van het land, zich voor het oog zichtbaar voordoet.

Vooral de Tjemarabosschen bieden hiertoe een ongeëvenaarden maatstaf

aan. Vlak aan de boorden der zee ziet men kleine boompjes van

ternauwernood een paar cM. lengte. De rijen daarachter zijn weer iets

langer en zoo gaat het voort, totdat men op een paar honderd el afstand

van het water, het hoogwoud bereikt, waar stammen van dertig voet hoog

aangetroffen worden. De overgang van het eene boompje tot het andere is

schier onmerkbaar, het loof vormt van uit zee gezien als een zacht

glooiende helling van het helderste groen. Ieder jaar vormt weer nieuwe

rijen, schuift weer jonge boompjes vooruit op de aangeslibde klei en me

dunkt, dat het moet te berekenen zijn, wanneer van Tandjong Salatan,

den zuidelijksten uitlooper van het Meratoesgebergte, tot Tandjong

Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, die als de

voortzetting van het Kamintinggebergte te beschouwen is, een gelijke

kustlijn zonder merkbare bochten of inhammen, die slechts afgebroken

zal worden door de mondingen der rivieren, zal gevormd zijn.”

„Dat is zeker heel aardig verklaard,” sprak Wienersdorf als in nadenken

verzonken. „Maar waarop berust die stelling van langzame opheffing? Is

zij niets anders dan een hypothese door Europeesche geleerden op het

studeervertrek uitgedacht, of berust ze op stellige daadzaken?”

„Op stellige daadzaken, mijn waarde Zwitser! Wellicht morgen reeds,

wanneer we ten minste spoed genoeg maken, komen we de grenzen der

kalkformatie nabij. Daar, in de koraaltakken, die ge er zult kunnen

verzamelen, in de opeenhoopingen van verbrijzelde schelpen enz. die ge

er zult opmerken, zult ge de bewijzen gelieven te zien, dat de zee

eenmaal daar hare golven rolde. Nu moet ge niet denken, dat die koraal-

en schelpbrecciën alleen aan de Kapoeas aangetroffen worden. Neen, aan

de oevers van al de rivieren, die met de laatstgenoemde evenwijdig

loopen, vindt ge dezelfde formatie terug. Het eigenaardigste daarvan

is, dat, indien ge al de grenspunten der kalkformatie, die

onloochenbare bewijzen eener vroeger bestaan hebbende kustlijn, door

een lijn verbindt, die lijn dan vrij wel de richting aangeeft van den

loop van het centraal gebergte, welks voet zij als het ware vormt.”

„Is er in de volksoverlevering niets, wat op zoo’n toestand doelt?”

vroeg Schlickeisen.

„Wel zeker, er bestaan bij de onderscheidene Dajaksche stammen, die

langs de bedoelde rivieren wonen, vele legenden en verhalen

dienaangaande. De voornaamste en die ook bij alle stammen nagenoeg

onveranderd terug gevonden wordt, is de navolgende:

„Vele jaarhonderden geleden, was Kalimantan op lange na zoo groot niet

als het tegenwoordig is. Over het grootste gedeelte van het nu

zichtbare rolde toen de zee hare blauwe golven en slechts de toppen van

de tegenwoordige bergen Parawen, Boendang, Mienta en Japoh Poerau [63]

verhieven zich even boven den waterspiegel en strekten tot woonplaats

van het voorgeslacht. Rustig en afgescheiden van de geheele wereld

leefden die menschen daar; want die lage eilanden waren door vele

klippen omgeven, waarop de zee met woede brak en een nadering hoogst

gevaarlijk maakte. De faam evenwel van den grooten rijkdom dier

eilanden aan goud en diamanten had zich—hoe, weet niemand—heinde en

verre verspreid, zoodat er vele hebzuchtigen bestonden, die zich van

die schatten wenschten meester te maken. Op zekeren dag werd een groote

prauw, met vele menschen bemand, door weer en wind in de nabijheid dier

klippen gevoerd. Een gedeelte der bemanning toonde zich uiterst

bevreesd en verlangde dat gevaarlijk oord zoo spoedig mogelijk te

verlaten. De andere helft was van oordeel, dat, nu men in de nabijheid

van die rijke eilanden geslingerd was, de gelegenheid om fortuin te

maken bij de haren moest gegrepen worden. Geen van beide partijen wilde

toegeven; het geschil eindigde met een vechtpartij, waarbij de

vechtenden elkander bijna geheel vernielden. De weinige overgeblevenen

konden het vaartuig niet sturen, zoodat dit, door wind en stroom

voortgezweept, op het strand gejaagd werd. Wat er van de menschen werd,

meldt de overlevering niet, maar het schip werd door den Sangiang

Dagoeman in een vervaarlijken grooten kalksteen veranderd, die heden

ten dage nog in grove trekken de gedaante van een schip vertoont en

daarom Batoe Banama [64] genoemd wordt. Die Batoe Banama ligt een

weinig boven den kampong Tawan aan den linkeroever van de boven Doesson

en duidt vrij scherp de grensscheiding tusschen het alluviaal en

diluviaal terrein aan.” [65]

„Allerinteressantst!” verklaarde Wienersdorf, „maar je bent nu toch

eenmaal aan het vertellen. Niemand onzer heeft nog slaap. Zeg ons nu

nog eens, of de inlander ook het gemis van groot verscheurend gedierte

weet te verklaren? Wellicht dat zijn legenden daarop ook duiden?”

„Zoo ver mij bekend is, zwijgen de overleveringen daarvan; wellicht

omdat het bestaan van dat gedierte op andere gedeelten der aarde bij

het volk zelfs niet vermoed wordt. Toch bestaat er een legende, die

schijnt aan te duiden, dat er toch eenig begrip omtrent groote dieren

heerscht en daarenboven innig samenhangt met het volkskarakter,

namelijk om list tegenover geweld te plaatsen. Die legende luidt als

volgt:

In die voortijden, toen de dieren nog met de spraak begaafd waren, kwam

een monsterachtige olifant van den overwal aan de zuidkust van Borneo

aan en zwom de Kahajan op. De verzamelde dieren, daar te huis, zagen

met ontzetting dat gevaarte den stroom opstevenen. Zij vaardigden een

krokodil naar den vreemdeling af, om te vernemen wat hij in zijn schild

voerde. De kaaiman, weinig diplomaat van aard, daarentegen meer

vechtersbaas, tastte den indringer met zijn tanden aan en dacht een

gemakkelijke overwinning te behalen. De olifant greep hem echter met

zijn machtigen snuit, verhief hem als een balletje in de lucht en

verbrijzelde zijn ruggegraat tegen een drijvenden boomstam. Daarop,

verwoed over dien trouwloozen aanval, stapte de overwinnaar aan wal,

riep een in de nabijheid grazend hert tot zich en zond dat naar de

gezamenlijke dieren van Borneo, om hen tot een gevecht uit te dagen.

Aan dien afgezant gaf hij een zijner slagtanden mede, ten einde de

tegenpartij zich een denkbeeld zoude kunnen maken van de kracht en de

grootte van het dier, dat hen ten strijde uitdaagde.

Van bluf was die zending niet vrij te spreken, maar wat de olifant

voorzien had gebeurde. Schrik en ontsteltenis sloeg ieder dier om het

hart bij het zien van dien kolossalen tand, terwijl het wedervaren van

den krokodil, waaromtrent het hert zeer dichterlijke verhalen te berde

bracht, niet geschikt was om die vrees te doen bedaren. Te midden der

algemeene verslagenheid trad het kleine stekelvarken (landakh) als

redder op. Dit kleine dier gaf namelijk den raad om, onder toezending

van een zijner pennen, den olifant mede te deelen, dat men zijne

uitdaging aannam. De medegezonden stekel moest dienen, om den

vreemdeling in staat te stellen een vergelijking te maken tusschen de

haren van zijn aanstaanden tegenstander en zijn eigene, ten einde zich

zoo een denkbeeld te kunnen vormen, hoe groot de tanden wel moesten

wezen van het dier, dat zulke kolossale haren bezat. De list gelukte

volkomen. De olifant er volstrekt niet op gesteld zijnde, met zulk een

machtigen tegenstander in het krijt te treden, vroeg zijn tand terug en

zwom met inspanning van alle krachten weer naar het land, van waar hij

gekomen was. En nog heden ten dage heet de plaats waar de dikhuid aan

wal steeg: „rantau gadjah oendoer,” of „de rivierbocht waar de olifant

terugkeerde.”

„Verduiveld! dat was nog zoo dom niet uitgedacht,” meende La Cueille,

„zoo’n stekelvarkenshaar zou een sappeursbaard beschaamd gemaakt

hebben. ’t Is daarbij juist: „qui s’y frotte, s’y pique.””

„De legende is wel aardig,” sprak Schlickeisen, „maar ik vind er niet

in, wat ik vroeg. Met dien olifant, die door een stekelvarkenspen op de

vlucht gedreven is, wordt dunkt mij meer op een aanranding in de

voortijden geduid, op een aanranding van buiten, wellicht van hindoe’s,

die door list der inboorlingen verijdeld werd, dan op een vroegere

bekendheid van wilde dieren als den olifant. Het zou toch niet

onwaarschijnlijk te achten zijn, dat, zoo de aanvallers wezenlijk

hindoe’s waren, zij gewapende olifanten bij hun aanvalsleger gehad

hebben.”

„Wel mogelijk,” antwoordde Johannes flegmatiek, „maar als de liefste

meid ter wereld, heb ik gegeven wat ik had. ’k Heb verteld, wat ik

wist. Zooveel is zeker, dat, eenige Klingaleezen uitgezonderd, die zich

hier of daar als handelaren genesteld hebben, van het Hindoeisme op

Borneo weinig te vinden is.”

Onder dergelijke gesprekken was de nacht voorbij gesneld. Onze

deserteurs hadden geen behoefte aan slaap gevoeld. Toen de dag evenwel

aanbrak, keken zij vreemd op. Het terrein was geheel en al van gedaante

veranderd. Tot nog toe had de rivier zich tusschen moerassige oevers

heengeslingerd. In de benedenstreken hadden zij die oevers tweemaal

daags overstroomd gezien door den vloed, die de wateren der rivier

opstuwde en terugdreef. Hooger op, waar de invloed van eb en vloed niet

meer ontwaard werd, was ’t het bovenwater, dat bij iedere forsche

regenbui het land overstroomde, waardoor de oeverstreken moerassig

bleven. Maar, sedert zij kotta Baroe verlaten hadden, sedert gisteren

avond was het terrein aanmerkelijk gerezen en wat zij thans zagen,

waren heuvelen van ongeveer honderd voet hoog, met zeer zachte

hellingen, die bevallig met elkander afwisselden en de bekoorlijkste

dalen vormden, of welker glooiingen zacht, bijna onmerkbaar in elkander

overgingen. Soms was het terrein, dat zich voor hunne oogen opdeed,

golvend. Twee, drie rijen hoogten strekten zich, zoo ver het gezicht

reiken kon, evenwijdig aan elkander uit, hadden hunne zachte hellingen

allen naar denzelfden kant naar het zuidoosten, de scherpe hellingen

naar de tegenovergestelde zijden gekeerd en schenen baren, volgens de

dichterlijke uitdrukking van Schlickeisen, door den zuidoostmousson

voortgezweept, die plotseling verstijfd of gestold waren en den vorm

behouden hadden, dien zij op het oogenblik van stolling vertoonden.

Maar niet alleen de bodem vertoonde een verandering, ook de flora, die

daarop groeide, toonde zich geheel anders, dan die zij daags te voren

gezien hadden. Wel hadden zij reeds lang de zone der Tjemara laout- en

der Nipahbosschen achter den rug. Maar tot gisteren hadden de

Rhisophoren nog de overhand gehad, die vreemdsoortige gewassen, welke

met hare steltwortels zoo uitnemend geschikt zijn om den brijachtigen

detritus in moerasstreken vast te houden en zoo tot de vorming van

vasten bodem haar weerga niet hebben. Wel waren de Rhisophoren nog niet

geheel verdwenen. Hun krachtige groei was evenwel reeds zeer beperkt;

de weinige exemplaren die zich nog vertoonden, waren nog slechts de

dwergen van hun geslacht. Maar in hunne plaats begonnen zich de

Ficus-soorten te vertoonen, waaronder de Randoealas met hare

loodrechte, monsterachtige stammen en de Wariengien’s met hare

luchtwortels behooren, die soms een doolhof van stammen vormen, en haar

kroonloof, dat op zich zelf een dicht bosch vertoont. Wat den reizigers

nog wel het meeste opviel, was dat de zacht glooiende oevers, die

gisteren nog altijd niet toelieten te ontwaren, waar het water der

rivier ophield en waar het land begon, verdwenen waren en de stroom

thans kokend en schuimend tusschen diepingesneden taluds voortspoedde.

In de bochten waren die taluds steil afgebrokkeld en lieten zij de

groote en kleine rolsteenen, gevat in gele of grauwe klei, waaruit de

onderhumuslaag gevormd is, naakt en zonder eenig plantaardig dek zien,

terwijl de uitspringende hoeken, tegenover die bochten, uit fijn wit

zand en kleine rolsteentjes bestaande, zacht glooiend opwaarts stegen,

om onmerkbaar in het aangrenzend hoogere terrein over te gaan.

Een ander verschijnsel, dat zich voordeed, waren de meerdere sporen van

de aanwezigheid van menschen.

In de moerasstreken hadden de reizigers dagen lang geroeid zonder eenig

menschelijk wezen of ook maar een spoor daarvan te ontdekken. Hier was

dat geheel anders. Op de oevers werden veelmaals tusschen het

oorspronkelijk woud aanplantingen van djagoong (maïs), katella pohon,

suikerriet, katjang enz. of vruchtboomen als klappers, pisang, doerians

enz. enz. aangetroffen. Van afstand tot afstand werden woningen

waargenomen en konden de avonturiers zich verlustigen, menschen in

hunne volle bedrijvigheid te ontwaren. Evenwel deed zich hier een

bijzonderheid voor, die wel als keerzijde mocht aangemerkt worden.

Trouwens te kotta Towanan en te kotta Baroe hadden de reizigers daar

reeds staaltjes van gezien: alle woningen in de bovenstreken waren met

een stevig paalwerk omgeven en zoodoende in ware forten herschapen. Bij

voldoende waakzaamheid van de zijde der bewoners zou daar zonder

geschut niet in te komen zijn; alleen uithongering of weifelmoedigheid

zou zulk een sterkte tot overgave kunnen dwingen. Dat is het gevolg van

de verderfelijke zucht om menschenschedels te vergaren. Iedereen zoekt

zich te beveiligen tegen sluipmoord en vindt slechts zekerheid achter

stevige wallen.

Die groote verandering in hunne omgeving, had de belangstelling der

reizigers in hooge mate opgewekt. Zoo in een nacht, zonder overgang

bijna, waren zij om zoo te zeggen in een andere wereld aangeland. De

eerste gedachte, die bij hen opkwam, was van de veranderde

omstandigheden gebruik te maken, om hun mondvoorraad aan te vullen,

althans er eenige afwisseling in te brengen. Bij een daartoe gunstig

gelegen tuin legden zij aan, gaven den bewaker een paar stengen tabak

ten geschenke, en konden nu naar hartelust groenten, maïs en eenige

knolgewassen inzamelen. Zelfs kregen zij eenige klappernoten en nog

andere vruchten ten geschenke. Van dien bewaker vernamen zij verder,

dat al sedert vele dagen een bende Poenans in deze streken verschenen

was en dat zij dus op hunne hoede moesten zijn. Het was alweer het oude

deuntje: pas op je kop.

Na die inzameling werd de reis voortgezet en bereikten de vluchtelingen

zoo omstreeks tegen het middaguur de monding der soengei Koeatan. Deze

is de voornaamste zijrivier van de Kapoeas. Zij is nog dagen lang

bevaarbaar voor prauwen van middelbare grootte en ontspringt uit een

moerassige terreinplooi, die tevens door de soengei Lemo in gemeenschap

met de Doesson staat. Johannes opperde het denkbeeld om de reis langs

de Koeatan te vervolgen, omdat de Doesson veel langer bevaarbaar is dan

de Kapoeas en zij dus gemakkelijker het centraalgebergte zouden

naderen, waarover de reis voerde om de noordkust te bereiken. De drie

andere Europeanen stemden met dat voorstel in; Dalim en de overige

Dajaks daarentegen kwamen er ten krachtigste tegen op. Wel was de weg

gemakkelijker, dat erkenden allen, maar zij, als bewoners der

Kapoeas-streken zouden terecht komen te midden hunner erfvijanden,

waaronder het onmogelijk zoude zijn zich verborgen te houden en die van

menschlievendheid of van deernis niets zouden willen weten. Een reis

derwaarts ware gelijk aan een doodsvonnis. Terwijl men nog aan het

beraadslagen was, kwam eensklaps een rangkan, door een twintigtal

pagaaien voortgestuwd, den reizigers achterop. Van achter een scherpen

hoek te voorschijn schietende, was de verschijning van dat vaartuig zoo

plotseling, dat de schrik de meeste roeiers in de prauw der

vluchtelingen verlamde.

„Poenans! Poenans!!” was hun geschreeuw, terwijl zij hunne mandauws

grepen. De Europeanen vatten hunne geweren en weldra zoude een hevig

geweervuur den naderenden tegengeknetterd hebben, had Dalim niet

plotseling: „halt! niet schieten!” uitgeroepen.

Voor op den rangkan stond een Poenan in vollen krijgsdos, evenwel

geheel ongewapend, die als een bezetene met de armen zwaaide en wenkte.

Toen de vaartuigen nog wat dichter bij elkander waren gekomen,

herkenden de reizigers den koppensneller, wien Wienersdorf in de Danau

Ampang het leven had geschonken. En werkelijk, het was Harimaoung

Boekit, die naar zijn stam terugkeerde. Hij zelf en al zijn

tochtgenooten hadden de mandauws afgelegd, ten teeken van

vredelievendheid.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 54 / 77 题